Ze is met haar familie op vakantie in Turkije. Ze hebben een goed betaalbare all-in vakantie geboekt, zoals veel van haar landgenoten de laatste jaren doen. Turkije is fantastisch; een prachtige blauwe zee, altijd een stralende zon (dat is waar zij woont wel anders), mensen van het hotel die een beetje Russisch spreken, goedkope drank en namaak merkartikelen. Ze houdt er vooral van op het strand te liggen zonnen, en 's avonds gaat ze met de andere meiden uit de groep naar de disco in het hotel.
Bij de reis zit ook iets cultureels inbegrepen. Dan ga je een halve dag met de groep oude tempels bezoeken, van de Romeinen of de Grieken of zoiets. Op aandringen van de anderen in de groep gaat ze mee. Ze heeft niet zoveel met cultuur en dat soort dingen, maar voor een keertje kan ze het wel waarderen. Het duurt alleen wel lang, en het is erg warm. Bovendien is het licht zo fel, en kan ze haar Dolce & Gabbana zonnebril niet op haar neusje zetten omdat ze hem net goed op haar schattige lichtblauwe petje geplaatst heeft. Het is ook erg vermoeiend om op plateauzolen over een stenen pad te lopen. Ze merkt tot haar schrik dat ze een beetje moet zweten. Tijd dus om even te gaan zitten en uit te rusten, terwijl de anderen uit haar groep het oude theater binnengaan.
Er zijn geen stoelen, alleen een stenen trap. Maar ze wil haar smetteloze hotpants niet vies maken. Wat nu? Gelukkig is ze niet voor een gat te vangen. Uit haar Prada-tasje haalt ze een tissue tevoorschijn, waarmee ze behoedzaam een takje verwijdert dat op de steen lag. Vervolgens legt ze het zakdoekje neer om erop te gaan zitten. Helaas: een briesje zorgt ervoor dat het opwaait. Ze probeert het nogmaals, maar ook ditmaal lukt het haar niet. Dan bedenkt ze iets. Ze legt het zakdoekje nog een keer neer, en zet haar tasje op de ene kant ervan. Met haar hand met de knalwit gelakte lange nagels en gouden ringen houdt ze de andere kant van de tissue op zijn plaats. Ze gaat zitten, haar ene been elegant over de andere draperend.
Ze doet alsof ze die jongen met dat gekke petje, die stoppelbaard en die jezussandalen die even verderop zit te schrijven niet ziet.
Welkom in Efeze, een van de meest indrukwekkende antieke sites ter wereld - en habitat van grote kuddes exemplaren van de Homo touristicus.
Wednesday, 11 July 2007
De otogar en de otobus
Turkije is een treinarm land. Heel af en toe zie je een eenzaam, smal spoorlijntje zich een weg zoeken door de heuvels of de velden, maar treinen zijn in geen velden of wegen te bekennen. Het beroemde treinstation nabij Eminönü in Istanbul dat ooit de Orient Express mocht ontvangen doet aan als een eenzaam relict uit vroeger tijden. Door het hele land lopen een paar spoorlijnen van betekenis, maar die laten zich eenvoudig tellen op de vingers van een enkele hand. Wie door Turkije reist doet dat in de regel dan ook niet met de trein, maar met de bus.
Het aantal buslijnen in het land is omgekeerd evenredig aan het aantal spoorlijnen. Vanuit elke stad van betekenis rijden rechtstreekse bussen naar elke andere stad van betekenis. Er is een groot aantal busbedrijven actief, dat elkaar vurig beconcurreert. Gelukkig moeten Turken vaak met de bus omdat de plaats waar ze hun brood plegen te verdienen vaak honderden kilometers of meer verwijderd is van de plaats waar hun wieg stond, zodat de busbedrijven flink beziggehouden worden. Wie niet in een stad van betekenis moet zijn maar in een dorp op het platteland neemt een zogenaamde dolmus vanaf de dichtstbijzijnde stad (een dolmus is een ietwat krakkemikkig busje dat zich graag laat volstouwen met allerhande volk, en waarvan iedere Turk alle trajecten en tarieven op een raadselachtige wijze lijkt te kennen, als waren deze opgeslagen in een collectief onderbewustzijn waartoe iedereen hier toegang heeft). Kortom: wie door Turkije reist, doet dat met de bus.
Elke stad in Turkije heeft een busstation, de zogenaamde 'otogar' (het Turks kent een groot aantal Franse leenwoorden, dit is er een van - mijn favoriete leenwoord is kuaför, vanwege de wonderlijke spelling). Dit kan varieren van een pleintje met een paar parkeerplaatsen voor bussen tot een kolossaal complex waar men volstrekt verdwaasd rondloopt als men niet weet waar men zijn moet. De otogar van Istanbul valt in die laatste categorie.
Ik besluit mijn busticket direct bij de otogar te kopen, teneinde louche reisbureaus in het centrum die extra kosten in rekening brengen te omzeilen. Als ik het metrostation uitstap valt mijn mond letterlijk open van verbazing. Ik sta in het midden van een enorme renbaanvormige ruimte, zo groot als een paar voetbalvelden. In het midden bevindt zich het metrostation en de bijhorende winkeltjes en kebaptentjes. Daaromheen zijn ontelbare parkeerplaatsen en bushaltes voor stadsbussen. En daaromheen bevindt zich een honderden meters lange ring van tientallen, zo niet honderden winkeltjes van evenzoveel busmaatschappijen. Op de gevels worden met kolossale koeienletters en compromisloze primaire kleuren de bestemmingen doorgegeven waar de betreffende maatschappij zijn klanten naartoe brengt. Ankara en Izmir staan overal, maar ook de steden in het verre oosten van het land worden goed bediend. Er gaan zelfs bussen naar Tirana, Sofia, Athene en Tblisi, maar zo ver hoef ik nu niet te gaan. Ik ben al tevreden met een bus die mij naar het zuidwesten brengt.
Waar nu naar binnen te gaan? Ik besluit op goed geluk een goed uitziende winkel binnen te stappen, te kijken welke lijnen ze hebben en te informeren of er een bus aan het eind van de avond gaat zodat ik de volgende ochtend aankom. Na her en der vragen beland ik bij 'Metro', een megabedrijf dat in het hele land buslijnen verzorgt op uiteenlopende trajecten. Daar het loket tevens fungeert als wachtruimte is het een chaos en lawaai van belang. De bussen blijken zich hierachter te bevinden en daar te vertrekken, met als gevolg dat het een komen en gaan is van mensen. Gezinnen met gillende kinderen en wagonladingen koffers bevolken de wachtruimte. Nergens wordt de pluriformiteit van de Turkse samenleving duidelijker dan in de wachtruimte van een busmaatschappij in de otogar in Istanbul; hip geklede jongedames met lange geblondeerde haren, vlotte bestropdaste zakenlui, jonge moeders met prachtige zijden hoofddoeken, andere moeders met verstikkend zwarte chadors, stille vaders met grote zwarte snorren, studenten die vakantie gaan vieren aan de kust, Koerden die hun familie in het oosten gaan bezoeken, Koreaanse backpackers, gladgeschoren chauffeurs met vlinderdasjes, het oude argwanende mannetje van het bagagedepot, en heel veel rondrennende kinderen.
Als ik 's avonds terugkom ben ik in het bezit van een kaartje naar Izmir, mijn geliefde rugzak, een fles mineraalwater en een gezonde dosis reiskriebeltjes. Ik bedenk me dat het slim is om nog even een toilet te bezoeken voor ik vertrek. Nu hebben de maatschappijen niet hun eigen toiletten; in plaats daarvan heeft de immens grote otogar enkele openbare toiletten verstopt in haar hoekjes. Ik kan me niet herinneren ooit zulke smerige toiletten gezien te hebben - godzijdank zijn het hurktoiletten. Aangezien in het eerste toilet dat ik bezoek de producten van de vorige bezoeker nog ronddrijven probeer ik een andere. Ik ontdek dat de Groene Amsterdammer niet alleen het beste opinieblad van Nederland is maar zich in noodgevallen ook prima leent voor andere doeleinden. Het noodlot slaat toe wanneer blijkt dat het toilet weigert door te trekken, en ook het kraantje in de muur geen water geeft. Enige inventiviteit en creatief gebruik van papier is dan geboden - de precieze details zal ik de lezer besparen, voor het geval u nu u dit leest net een hapje zit te eten.
Busreizen in West-Europa zijn meestal weinig aangenaam - wie wel eens in de zomer met Eurolines gereisd heeft kan dat beamen. Lange omwegen om her en der plukjes reizigers op te pikken, chagrijnige chauffeurs, weinig beenruimte, urenlang wachten in Brussel op een bus uit een andere richting omdat er mensen moeten overstappen, slapende chauffeurs die aanrijdingen veroorzaken, kleinschalige broeikaseffecten - ik heb het allemaal meegemaakt. Maar reizen met de bus in Turkije is een totaal ander verhaal. Zo smerig als het toilet was, zo schoon is namelijk de bus. Mijn stoel bevindt zich helemaal linksachter, zodat ik hem naar hartelust naar achter kan doen zonder me schuldig te voelen. De stoel is van zacht leer en zit heerlijk. Beenruimte is ruim aanwezig. In de stoel voor mij zit een muziekspeler waar ik mijn oordopjes in kan pluggen als ik wil genieten van de laatste Turkse meezingers. Frisse lucht wordt mijn kant op geblazen; ik kan zelf bepalen hoeveel en waar. De bus wordt bemand door een tweetal net in het pak gestoken heren, die om beurten de bus besturen. Degene die niet rijdt gaat de bus rond met, achtereenvolgens, een flesje rozenwater voor de handen, thee, cola, sinas, voorverpakte broodjes, mineraalwater, geparfumeerde zakdoekjes, nogmaals mineraalwater, mueslirepen en opnieuw mineraalwater - allemaal bij de toch al niet zo hoge prijs inbegrepen. De bonusverrassing is dat we niet om de zee van Marmara heenrijden, maar deze met een boot oversteken, waardoor we gratis en voor niets een heerlijk boottochtje cadeau krijgen.
Als we 's ochtends om een uur of acht in Izmir aankomen, voel ik me zowaar redelijk uitgeslapen. De dolmus naar Selcuk is snel gevonden, en voor ik er erg in heb ben ik in het mooie, gezellige stadje vlakbij de grandiose ruines van Efeze.
Waarover ongetwijfeld later meer.
Het aantal buslijnen in het land is omgekeerd evenredig aan het aantal spoorlijnen. Vanuit elke stad van betekenis rijden rechtstreekse bussen naar elke andere stad van betekenis. Er is een groot aantal busbedrijven actief, dat elkaar vurig beconcurreert. Gelukkig moeten Turken vaak met de bus omdat de plaats waar ze hun brood plegen te verdienen vaak honderden kilometers of meer verwijderd is van de plaats waar hun wieg stond, zodat de busbedrijven flink beziggehouden worden. Wie niet in een stad van betekenis moet zijn maar in een dorp op het platteland neemt een zogenaamde dolmus vanaf de dichtstbijzijnde stad (een dolmus is een ietwat krakkemikkig busje dat zich graag laat volstouwen met allerhande volk, en waarvan iedere Turk alle trajecten en tarieven op een raadselachtige wijze lijkt te kennen, als waren deze opgeslagen in een collectief onderbewustzijn waartoe iedereen hier toegang heeft). Kortom: wie door Turkije reist, doet dat met de bus.
Elke stad in Turkije heeft een busstation, de zogenaamde 'otogar' (het Turks kent een groot aantal Franse leenwoorden, dit is er een van - mijn favoriete leenwoord is kuaför, vanwege de wonderlijke spelling). Dit kan varieren van een pleintje met een paar parkeerplaatsen voor bussen tot een kolossaal complex waar men volstrekt verdwaasd rondloopt als men niet weet waar men zijn moet. De otogar van Istanbul valt in die laatste categorie.
Ik besluit mijn busticket direct bij de otogar te kopen, teneinde louche reisbureaus in het centrum die extra kosten in rekening brengen te omzeilen. Als ik het metrostation uitstap valt mijn mond letterlijk open van verbazing. Ik sta in het midden van een enorme renbaanvormige ruimte, zo groot als een paar voetbalvelden. In het midden bevindt zich het metrostation en de bijhorende winkeltjes en kebaptentjes. Daaromheen zijn ontelbare parkeerplaatsen en bushaltes voor stadsbussen. En daaromheen bevindt zich een honderden meters lange ring van tientallen, zo niet honderden winkeltjes van evenzoveel busmaatschappijen. Op de gevels worden met kolossale koeienletters en compromisloze primaire kleuren de bestemmingen doorgegeven waar de betreffende maatschappij zijn klanten naartoe brengt. Ankara en Izmir staan overal, maar ook de steden in het verre oosten van het land worden goed bediend. Er gaan zelfs bussen naar Tirana, Sofia, Athene en Tblisi, maar zo ver hoef ik nu niet te gaan. Ik ben al tevreden met een bus die mij naar het zuidwesten brengt.
Waar nu naar binnen te gaan? Ik besluit op goed geluk een goed uitziende winkel binnen te stappen, te kijken welke lijnen ze hebben en te informeren of er een bus aan het eind van de avond gaat zodat ik de volgende ochtend aankom. Na her en der vragen beland ik bij 'Metro', een megabedrijf dat in het hele land buslijnen verzorgt op uiteenlopende trajecten. Daar het loket tevens fungeert als wachtruimte is het een chaos en lawaai van belang. De bussen blijken zich hierachter te bevinden en daar te vertrekken, met als gevolg dat het een komen en gaan is van mensen. Gezinnen met gillende kinderen en wagonladingen koffers bevolken de wachtruimte. Nergens wordt de pluriformiteit van de Turkse samenleving duidelijker dan in de wachtruimte van een busmaatschappij in de otogar in Istanbul; hip geklede jongedames met lange geblondeerde haren, vlotte bestropdaste zakenlui, jonge moeders met prachtige zijden hoofddoeken, andere moeders met verstikkend zwarte chadors, stille vaders met grote zwarte snorren, studenten die vakantie gaan vieren aan de kust, Koerden die hun familie in het oosten gaan bezoeken, Koreaanse backpackers, gladgeschoren chauffeurs met vlinderdasjes, het oude argwanende mannetje van het bagagedepot, en heel veel rondrennende kinderen.
Als ik 's avonds terugkom ben ik in het bezit van een kaartje naar Izmir, mijn geliefde rugzak, een fles mineraalwater en een gezonde dosis reiskriebeltjes. Ik bedenk me dat het slim is om nog even een toilet te bezoeken voor ik vertrek. Nu hebben de maatschappijen niet hun eigen toiletten; in plaats daarvan heeft de immens grote otogar enkele openbare toiletten verstopt in haar hoekjes. Ik kan me niet herinneren ooit zulke smerige toiletten gezien te hebben - godzijdank zijn het hurktoiletten. Aangezien in het eerste toilet dat ik bezoek de producten van de vorige bezoeker nog ronddrijven probeer ik een andere. Ik ontdek dat de Groene Amsterdammer niet alleen het beste opinieblad van Nederland is maar zich in noodgevallen ook prima leent voor andere doeleinden. Het noodlot slaat toe wanneer blijkt dat het toilet weigert door te trekken, en ook het kraantje in de muur geen water geeft. Enige inventiviteit en creatief gebruik van papier is dan geboden - de precieze details zal ik de lezer besparen, voor het geval u nu u dit leest net een hapje zit te eten.
Busreizen in West-Europa zijn meestal weinig aangenaam - wie wel eens in de zomer met Eurolines gereisd heeft kan dat beamen. Lange omwegen om her en der plukjes reizigers op te pikken, chagrijnige chauffeurs, weinig beenruimte, urenlang wachten in Brussel op een bus uit een andere richting omdat er mensen moeten overstappen, slapende chauffeurs die aanrijdingen veroorzaken, kleinschalige broeikaseffecten - ik heb het allemaal meegemaakt. Maar reizen met de bus in Turkije is een totaal ander verhaal. Zo smerig als het toilet was, zo schoon is namelijk de bus. Mijn stoel bevindt zich helemaal linksachter, zodat ik hem naar hartelust naar achter kan doen zonder me schuldig te voelen. De stoel is van zacht leer en zit heerlijk. Beenruimte is ruim aanwezig. In de stoel voor mij zit een muziekspeler waar ik mijn oordopjes in kan pluggen als ik wil genieten van de laatste Turkse meezingers. Frisse lucht wordt mijn kant op geblazen; ik kan zelf bepalen hoeveel en waar. De bus wordt bemand door een tweetal net in het pak gestoken heren, die om beurten de bus besturen. Degene die niet rijdt gaat de bus rond met, achtereenvolgens, een flesje rozenwater voor de handen, thee, cola, sinas, voorverpakte broodjes, mineraalwater, geparfumeerde zakdoekjes, nogmaals mineraalwater, mueslirepen en opnieuw mineraalwater - allemaal bij de toch al niet zo hoge prijs inbegrepen. De bonusverrassing is dat we niet om de zee van Marmara heenrijden, maar deze met een boot oversteken, waardoor we gratis en voor niets een heerlijk boottochtje cadeau krijgen.
Als we 's ochtends om een uur of acht in Izmir aankomen, voel ik me zowaar redelijk uitgeslapen. De dolmus naar Selcuk is snel gevonden, en voor ik er erg in heb ben ik in het mooie, gezellige stadje vlakbij de grandiose ruines van Efeze.
Waarover ongetwijfeld later meer.
Sunday, 8 July 2007
Bagage
Mustafa is een vriendelijke jongen uit Izmir, die naar Istanbul gekomen is om er te werken (zoals de meeste mensen die in Istanbul wonen en werken eigenlijk afkomstig zijn uit Trabzon, Konya, Kars, Mardin of waar dan ook in het land). Mustafa heeft het getroffen: hij heeft een baantje gevonden bij een gezellig hotelletje in Sultanahmet, waar hij achter de balie zit, mensen in- en uitcheckt en waar nodig hand- en spandiensten verricht. Af en toe is het even lastig, als mensen te snel Engels spreken waardoor hij ze niet verstaat, of als er net een paar mensen tegelijk bij zijn balie komen, en dan komen er ook altijd een paar zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd bij. Maar verder is het een prima baantje, en Mustafa doet zijn best om zijn gasten zo goed mogelijk te helpen, ook al verstaat hij ze niet altijd meteen.
Vandaag is Mustafa's hulp ingeroepen door de Nederlandse backpacker die het stapelbed in de rommelkamer kreeg omdat de slaapzaal reeds gevuld was. De jongen heeft zijn bagage nog niet en vraagt Mustafa keer op keer naar de bagageafdeling van het vliegveld te bellen om het adres door te geven. Dat doet hij ook, maar het probleem is dat de lijn voortdurend in gesprek is. Nu heeft Mustafa ook al een fax gestuurd met het adres van het hotel, maar ook daar is geen reactie op gekomen. Het is dus maar de vraag of de bagage wel nagestuurd wordt naar het hotel, zoals die lieve Fotos van de afdeling bagage de jongen had beloofd.
Ik slaap onrustig op het stapelbed in de rommelkamer. Niet alleen omdat mijn medestapelbedbeslaapster thuiskomt als ik net ben weggezakt, waardoor ik weer wakker word, en ook niet alleen vanwege de hitte - daar zal ik toch wel aan moeten wennen. Ik maak me vooral druk om het feit dat mijn bagage niet, zoals beloofd, naar het hotel is gestuurd. We hadden ze toch het adres gefaxt? Fotos was toch zo behulpzaam, die zou de zaak toch wel in de gaten houden? Mijn rugzak is vast ergens uit een busje gevallen en toen verdwenen in het labyrint dat Charles de Gaulle heet... Maar waar in Istanbul vind ik zo snel een nieuwe rugzak, en waar, in hemelsnaam, een geimpregneerde klamboe...?
Wat zei die Boeddha ook al weer, over loslaten?
Als ik 's ochtends wakker word, is er nog niets gearriveerd. Het ontbijt valt me zwaar op de maag. Ik vraag aan Mustafa of hij me wil bellen als de bagage arriveert, en neem de tram richting het westen van de stad, waarna ik overstap op de grotendeels bovengrondse metro. Grauwe flatgebouwen, kolossale malls, smoezelige bedrijventerreintjes en gezellige volksbuurtjes wisselen elkaar af. Vlak voor het vliegveld rijst uit de kale grond opeens een gigantisch vaalrood wolkenkrabbercomplex omhoog, dat het nieuwe Turkse WTC voor moet stellen. Bij het vliegveld aangekomen vrees ik van het kastje naar de muur te worden gestuurd, maar dat valt mee: vrij snel sta ik in het kamertje waar ik eergisteravond zo lang moest wachten. Chagrijnige jongens en meisjes in blauwe uniforms hangen wat rond tussen grote hoeveelheden lukraak rondgestrooide koffers. Het zou me niets verbazen als ze die hoorn gewoon de hele tijd met opzet van de haak laten... Naast me staat een oudere Italiaanse man die al enkele dagen tevergeefs op zijn bagage wacht en zelfs al een vlucht naar het oosten van het land heeft moeten verzetten. Een driftig kauwgom malend meisje kwaakt hem toe dat ze geen bagage van hem heeft en dat hij maar moet wachten. Naar mij zegt ze iets dat vermoedelijk betekent dat mijn bagage er is, maar ik weet niet zeker of ik het goed verstaan heb. Ze verwijst me naar de kast met de Air France-bagage.
Geen rugzak.
Ik moet zitten en wachten, terwijl de beleefde Italiaanse meneer naast me wordt afgeblaft. Na enkele minuten schiet het kind plotsklaps iets te binnen. 'Oh ja, daarginds liggen ook nog Air France-spullen, kijk daar eens'. Ik begeef mij naar de stapel koffers waar ze heen wees. En het wonder geschiedt: daar staat hij. Mijn geliefde rugzak, nog nooit was ik zo blij je te zien.
Ik ga terug naar de stad, nadat ik de Italiaanse meneer geluk heb gewenst.
Nog een ontspannen middag mag ik dartelen door Sultanahmet, ontspannen börek picknickend in het gras zitten van het bomvolle Gülhane Park, en stil worden van het Iznik-interieur van de Sultanahmet Camii oftewel Blauwe Moskee. Dan gaat de reis verder.
Vandaag is Mustafa's hulp ingeroepen door de Nederlandse backpacker die het stapelbed in de rommelkamer kreeg omdat de slaapzaal reeds gevuld was. De jongen heeft zijn bagage nog niet en vraagt Mustafa keer op keer naar de bagageafdeling van het vliegveld te bellen om het adres door te geven. Dat doet hij ook, maar het probleem is dat de lijn voortdurend in gesprek is. Nu heeft Mustafa ook al een fax gestuurd met het adres van het hotel, maar ook daar is geen reactie op gekomen. Het is dus maar de vraag of de bagage wel nagestuurd wordt naar het hotel, zoals die lieve Fotos van de afdeling bagage de jongen had beloofd.
Ik slaap onrustig op het stapelbed in de rommelkamer. Niet alleen omdat mijn medestapelbedbeslaapster thuiskomt als ik net ben weggezakt, waardoor ik weer wakker word, en ook niet alleen vanwege de hitte - daar zal ik toch wel aan moeten wennen. Ik maak me vooral druk om het feit dat mijn bagage niet, zoals beloofd, naar het hotel is gestuurd. We hadden ze toch het adres gefaxt? Fotos was toch zo behulpzaam, die zou de zaak toch wel in de gaten houden? Mijn rugzak is vast ergens uit een busje gevallen en toen verdwenen in het labyrint dat Charles de Gaulle heet... Maar waar in Istanbul vind ik zo snel een nieuwe rugzak, en waar, in hemelsnaam, een geimpregneerde klamboe...?
Wat zei die Boeddha ook al weer, over loslaten?
Als ik 's ochtends wakker word, is er nog niets gearriveerd. Het ontbijt valt me zwaar op de maag. Ik vraag aan Mustafa of hij me wil bellen als de bagage arriveert, en neem de tram richting het westen van de stad, waarna ik overstap op de grotendeels bovengrondse metro. Grauwe flatgebouwen, kolossale malls, smoezelige bedrijventerreintjes en gezellige volksbuurtjes wisselen elkaar af. Vlak voor het vliegveld rijst uit de kale grond opeens een gigantisch vaalrood wolkenkrabbercomplex omhoog, dat het nieuwe Turkse WTC voor moet stellen. Bij het vliegveld aangekomen vrees ik van het kastje naar de muur te worden gestuurd, maar dat valt mee: vrij snel sta ik in het kamertje waar ik eergisteravond zo lang moest wachten. Chagrijnige jongens en meisjes in blauwe uniforms hangen wat rond tussen grote hoeveelheden lukraak rondgestrooide koffers. Het zou me niets verbazen als ze die hoorn gewoon de hele tijd met opzet van de haak laten... Naast me staat een oudere Italiaanse man die al enkele dagen tevergeefs op zijn bagage wacht en zelfs al een vlucht naar het oosten van het land heeft moeten verzetten. Een driftig kauwgom malend meisje kwaakt hem toe dat ze geen bagage van hem heeft en dat hij maar moet wachten. Naar mij zegt ze iets dat vermoedelijk betekent dat mijn bagage er is, maar ik weet niet zeker of ik het goed verstaan heb. Ze verwijst me naar de kast met de Air France-bagage.
Geen rugzak.
Ik moet zitten en wachten, terwijl de beleefde Italiaanse meneer naast me wordt afgeblaft. Na enkele minuten schiet het kind plotsklaps iets te binnen. 'Oh ja, daarginds liggen ook nog Air France-spullen, kijk daar eens'. Ik begeef mij naar de stapel koffers waar ze heen wees. En het wonder geschiedt: daar staat hij. Mijn geliefde rugzak, nog nooit was ik zo blij je te zien.
Ik ga terug naar de stad, nadat ik de Italiaanse meneer geluk heb gewenst.
Nog een ontspannen middag mag ik dartelen door Sultanahmet, ontspannen börek picknickend in het gras zitten van het bomvolle Gülhane Park, en stil worden van het Iznik-interieur van de Sultanahmet Camii oftewel Blauwe Moskee. Dan gaat de reis verder.
Labels:
Middle East,
travel stories
Saturday, 7 July 2007
Valse start
De reis is begonnen. Ik ben weer in Istanbul, die prachtige stad vol getuigenissen van een lange, bewogen geschiedenis, die ook vandaag de dag zo volop bruist. Op een steenworp afstand van de plek waar ik nu zit te schrijven bevinden zich de Aya Sofia, de Blauwe Moskee, het Topkapi Paleis en nog een paar wereldwonderen. Aangezien ik een maand of zestien geleden ook al in deze stad was en toen netjes alle beroemde sites heb bezocht, kan ik ze nu met een gerust hart links laten liggen. Heerlijk. Wat fijn om even niets te hoeven, en om in alle rust in het aangename zomerweer door deze stad te kunnen struinen. Wat fijn om weer door Istanbul verwelkomd te worden.
Helemaal goed verlopen is de reis tot dusverre echter niet, om het maar eens eufemistisch uit te drukken. Nadat ik, als gevolg van de soap op de Syrische ambassade (zie mijn vorige verhaal) met de nodige stress reeds in mijn lijf, er tenauwernood in geslaagd was mijn vliegtuig te halen, en daarna ondanks de toeristische busreis door de banlieues van Charles de Gaulle die Air France mij ongevraagd cadeau deed zelfs nog mijn aansluiting haalde, en vervolgens als klap op de vuurpijl ook nog eens de meest onsmakelijke vliegtuigmaaltijd ooit (vraag me niet wat het was, maar mijn achting voor de Franse keuken is flink gedaald) wist te overleven, had ik mijn geluk wel opgebruikt. Het gevolg: mijn bagage was na aankomst in Istanbul nergens te bekennen. Daar ik niet de enige was die met dit probleem kampte duurde het minstens een uur voordat men mij kon helpen, waardoor de laatste metro ook nog eens gemist werd - gelukkig reden er nog shuttlebussen. Jammer dan wel weer dat het hostel waarvoor ik met behulp van het boekingsformulier op de website had gereserveerd compleet vol zat en mij te kennen gaf dat de website niet meer werkte - daar sta je dan om half twee 's nachts. Gelukkig werd via via een kamertje geregeld bij een hotelletje verderop in de straat. Daar zit ik nu, opgelucht dat ik hier terecht kon, maar nog steeds niet in het bezit van mijn bagage.
Enfin, genoeg geklaagd. Ik geloof dat het mijn eigen idee was om in mijn uppie te gaan reizen en zelf alles te regelen - dan hoort dit soort dingen er nu eenmaal bij. En gelukkig zit ik nu een prachtige stad waar zoveel te zien valt dat ik niet bij de pakken neer hoef te zitten.
De wandeling begint niet te vroeg, als de zon reeds flink omhoog is geklommen. Sultanahmet is tot de nok toe gevuld met toeristen uit alle hoeken van de wereld, die zich tegoed doen aan haar juwelen. Ook ik kan het niet laten die twee grote gebouwen nog even te fotograferen, al weet ik dat ik die foto's reeds heb gemaakt en dat ze toen al prima gelukt waren - het Daibutsu-effect, zeg maar. Een vriendelijke jongen uit Konya lult me voor ik er erg in heb zijn tapijtwinkel in, maar ik ben een slechte klant. Daarna verdwaal ik min of meer met opzet in de kronkelstraatjes vol kledingwinkeltjes rondom de Grote Bazaar. Oude mannen doen hun best pakjes tissues te verkopen. Voor één winkel bevindt zich een ware piramide van push-up beha's in afzichtelijk felle kleuren. Voor ik er erg in heb ben ik in de Bazaar zelf. Overal lopen groepjes Koreaanse studenten. Mijn zonnebril beschermt me tegen verkopers die me een nieuwe waterpijp aan willen smeren. Bij de boekenmarkt staat een man met een één meter twintig lange grijze baard een sjekkie te roken terwijl hij poogt voor 5 lira per stuk boekjes te verkopen met foto's van zichzelf op de kaft - als die geen religieuze boodschap verkondigen eet ik mijn pet op. Ik weet de verleiding te weerstaan er eentje te kopen en breng weer een bezoek aan de Süleymaniye Moskee, het meesterwerk van de grote Ottomaanse architect Mimar Sinan. Het is een prachtige plek om even tot stilte te komen, de schoonheid van het interieur in je op te zuigen, te genieten van het uitzicht vanuit de moskeetuin (waar een allerschattigst geitje de aandacht van veel toeristen weet te trekken) en vervolgens natuurlijk even langs te gaan bij die bizarre toiletten (kleine celletjes met saloondeurtjes in een zalmkleurige gang met welig tierende kamerplanten en schermpjes met idyllische voorstellingen). Na een heerlijke vegetarische lunch, bestaande uit dolma's, spinazie, aubergine, aardappeltjes en een gevulde paprika, loop ik weer verder.
Op het plein voor de Yeni Camii en de ingang van de kruidenbazaar staat een tweetal busjes, versierd in de kleuren van de overal gebroederlijk door elkaar heen hangende vlaggetjes. Oh ja, het is verkiezingstijd. Het oranje-blauwe busje is van de regerende AKP, het rood-witte busje vermoedelijk van een nationalistische partij, getuige de marsmuziek die het uitbraakt. Bij het AKP-busje is het veel drukker dan bij de concurrent, en de gratis posters van Erdogan gaan als warme broodjes over de toonbank. Ik loop verder, over de altijd bruisende Galatabrug (mocht iemand nog een exemplaar overhebben van dat boekje van Geert Mak, dan houd ik mij overigens aanbevolen). Via de Galatatoren loop ik naar de Istiklal Cadessi, de beroemdste winkelstraat van het land. Overal hangen oranje-blauwe en rood-witte vlaggetjes, als ware het feest. Een man van in de zeventig draagt een zevental elektrische piano's op zijn in een hoek van negentig graden gebogen rug. Als ik langs de plek kom waar bijklussende studenten hun dervishrondjes plegen te draaien, passeert mij een jongen met een t-shirt dat verklaart dat God dood is, maar erg zelfverzekerd kijkt hij er niet bij. Ik loop verder de brede winkelstraat af, Starbucks, Burger Kings en merkkleding negerend. Halverwege bevindt zich een katholieke kerk met een beeld van een gezette Johannes XXIII met een duif in zijn hand - te oordelen naar de tekst op het plakkaat ernaast heeft hij vrienden gemaakt hier. Op de deur hangt een briefje dat oproept tot charismatische vernieuwing. Ze zitten ook overal.
Via het grote Taksimplein, symbool voor de seculiere, moderne, nationalistische republiek, en de bushalte aldaar, ga ik terug naar Sultanahmet. Een drietal dames doet zijn best voorbijgangers ervan te overtuigen dat yogavariant zus-en-zo hen gelukkig zal maken. De hammam van Cemberlitas probeert me af te zetten dus ik laat hem andermaal links liggen. Een ober trakteert me op een optreden van ienemienemutte en ollekebolleke, teneinde mij in zijn restaurant te krijgen, en een Koreaans meisje legt een andere gewiekste verkoper uit wat annyeonghaseyo betekent. De stad baadt in het namiddaglicht.
Als ik nu ook nog mijn rugzak had, zou het perfect zijn.
Helemaal goed verlopen is de reis tot dusverre echter niet, om het maar eens eufemistisch uit te drukken. Nadat ik, als gevolg van de soap op de Syrische ambassade (zie mijn vorige verhaal) met de nodige stress reeds in mijn lijf, er tenauwernood in geslaagd was mijn vliegtuig te halen, en daarna ondanks de toeristische busreis door de banlieues van Charles de Gaulle die Air France mij ongevraagd cadeau deed zelfs nog mijn aansluiting haalde, en vervolgens als klap op de vuurpijl ook nog eens de meest onsmakelijke vliegtuigmaaltijd ooit (vraag me niet wat het was, maar mijn achting voor de Franse keuken is flink gedaald) wist te overleven, had ik mijn geluk wel opgebruikt. Het gevolg: mijn bagage was na aankomst in Istanbul nergens te bekennen. Daar ik niet de enige was die met dit probleem kampte duurde het minstens een uur voordat men mij kon helpen, waardoor de laatste metro ook nog eens gemist werd - gelukkig reden er nog shuttlebussen. Jammer dan wel weer dat het hostel waarvoor ik met behulp van het boekingsformulier op de website had gereserveerd compleet vol zat en mij te kennen gaf dat de website niet meer werkte - daar sta je dan om half twee 's nachts. Gelukkig werd via via een kamertje geregeld bij een hotelletje verderop in de straat. Daar zit ik nu, opgelucht dat ik hier terecht kon, maar nog steeds niet in het bezit van mijn bagage.
Enfin, genoeg geklaagd. Ik geloof dat het mijn eigen idee was om in mijn uppie te gaan reizen en zelf alles te regelen - dan hoort dit soort dingen er nu eenmaal bij. En gelukkig zit ik nu een prachtige stad waar zoveel te zien valt dat ik niet bij de pakken neer hoef te zitten.
De wandeling begint niet te vroeg, als de zon reeds flink omhoog is geklommen. Sultanahmet is tot de nok toe gevuld met toeristen uit alle hoeken van de wereld, die zich tegoed doen aan haar juwelen. Ook ik kan het niet laten die twee grote gebouwen nog even te fotograferen, al weet ik dat ik die foto's reeds heb gemaakt en dat ze toen al prima gelukt waren - het Daibutsu-effect, zeg maar. Een vriendelijke jongen uit Konya lult me voor ik er erg in heb zijn tapijtwinkel in, maar ik ben een slechte klant. Daarna verdwaal ik min of meer met opzet in de kronkelstraatjes vol kledingwinkeltjes rondom de Grote Bazaar. Oude mannen doen hun best pakjes tissues te verkopen. Voor één winkel bevindt zich een ware piramide van push-up beha's in afzichtelijk felle kleuren. Voor ik er erg in heb ben ik in de Bazaar zelf. Overal lopen groepjes Koreaanse studenten. Mijn zonnebril beschermt me tegen verkopers die me een nieuwe waterpijp aan willen smeren. Bij de boekenmarkt staat een man met een één meter twintig lange grijze baard een sjekkie te roken terwijl hij poogt voor 5 lira per stuk boekjes te verkopen met foto's van zichzelf op de kaft - als die geen religieuze boodschap verkondigen eet ik mijn pet op. Ik weet de verleiding te weerstaan er eentje te kopen en breng weer een bezoek aan de Süleymaniye Moskee, het meesterwerk van de grote Ottomaanse architect Mimar Sinan. Het is een prachtige plek om even tot stilte te komen, de schoonheid van het interieur in je op te zuigen, te genieten van het uitzicht vanuit de moskeetuin (waar een allerschattigst geitje de aandacht van veel toeristen weet te trekken) en vervolgens natuurlijk even langs te gaan bij die bizarre toiletten (kleine celletjes met saloondeurtjes in een zalmkleurige gang met welig tierende kamerplanten en schermpjes met idyllische voorstellingen). Na een heerlijke vegetarische lunch, bestaande uit dolma's, spinazie, aubergine, aardappeltjes en een gevulde paprika, loop ik weer verder.
Op het plein voor de Yeni Camii en de ingang van de kruidenbazaar staat een tweetal busjes, versierd in de kleuren van de overal gebroederlijk door elkaar heen hangende vlaggetjes. Oh ja, het is verkiezingstijd. Het oranje-blauwe busje is van de regerende AKP, het rood-witte busje vermoedelijk van een nationalistische partij, getuige de marsmuziek die het uitbraakt. Bij het AKP-busje is het veel drukker dan bij de concurrent, en de gratis posters van Erdogan gaan als warme broodjes over de toonbank. Ik loop verder, over de altijd bruisende Galatabrug (mocht iemand nog een exemplaar overhebben van dat boekje van Geert Mak, dan houd ik mij overigens aanbevolen). Via de Galatatoren loop ik naar de Istiklal Cadessi, de beroemdste winkelstraat van het land. Overal hangen oranje-blauwe en rood-witte vlaggetjes, als ware het feest. Een man van in de zeventig draagt een zevental elektrische piano's op zijn in een hoek van negentig graden gebogen rug. Als ik langs de plek kom waar bijklussende studenten hun dervishrondjes plegen te draaien, passeert mij een jongen met een t-shirt dat verklaart dat God dood is, maar erg zelfverzekerd kijkt hij er niet bij. Ik loop verder de brede winkelstraat af, Starbucks, Burger Kings en merkkleding negerend. Halverwege bevindt zich een katholieke kerk met een beeld van een gezette Johannes XXIII met een duif in zijn hand - te oordelen naar de tekst op het plakkaat ernaast heeft hij vrienden gemaakt hier. Op de deur hangt een briefje dat oproept tot charismatische vernieuwing. Ze zitten ook overal.
Via het grote Taksimplein, symbool voor de seculiere, moderne, nationalistische republiek, en de bushalte aldaar, ga ik terug naar Sultanahmet. Een drietal dames doet zijn best voorbijgangers ervan te overtuigen dat yogavariant zus-en-zo hen gelukkig zal maken. De hammam van Cemberlitas probeert me af te zetten dus ik laat hem andermaal links liggen. Een ober trakteert me op een optreden van ienemienemutte en ollekebolleke, teneinde mij in zijn restaurant te krijgen, en een Koreaans meisje legt een andere gewiekste verkoper uit wat annyeonghaseyo betekent. De stad baadt in het namiddaglicht.
Als ik nu ook nog mijn rugzak had, zou het perfect zijn.
Friday, 6 July 2007
Een visum halen
De reis begint weken, zo niet maanden voordat hij daadwerkelijk begint. Zo hoort dat en zo gaat dat ook deze keer. In de loop van het vroege voorjaar begint zich uit verschillende proefballonnetjes, oude onvervulde wensen, gesprekken met ervaringsdeskundigen, studiereizen naar buurlanden, overwegingen van financiële aard en grasduinsessies in reisboekhandels geleidelijk een plan te ontwikkelen, dat de daaropvolgende maanden verder gestalte krijgt. Tussen de drukte van studie, faculteitsbestuur, theater en andere belangrijke activiteiten door zijn er af en toe die verdwaalde uurtjes voor het slapengaan, die treinreizen zonder voor te bereiden stukken en die enkele luie zaterdagnamiddag waarop de boel eventjes de boel gelaten wordt en weggedroomd mag worden bij de aangeschafte reisgidsen. Zo ontwikkelt zich langzaam een reisplan. En als de reis in mijn hoofd dan reeds enige malen gemaakt is (telkens met subtiele wijzigingen ten opzichte van de vorige keer), en de voorpret zijn climax nadert, komt dat verrukkelijke moment waarop een nieuw excelbestand geopend wordt, dat vervolgens ingevuld kan worden met een prachtig gedetailleerd reisschema waar elke touroperator van zou gaan watertanden. De weken daarna komt de daadwerkelijke reis steeds dichterbij. De eerste hostels worden gemaild, gedachten gaan uit naar nog aan te schaffen artikelen, en er wordt een onvermijdelijk bezoek gebracht aan een travel clinic om door een vriendelijke dame met injectienaalden geattaqueerd te worden. Maar het belangrijkste moet dan nog gebeuren: er moet een visum komen.
Nu is dat in het geval van het eerste land waar mijn reis mij naar toe voert, Turkije, geen al te groot probleem. Voor het luttele bedrag van tien euro schaft men hier namelijk bij de douane een toeristenvisum aan. Het tweede land dat ik deze zomer hoop te bezoeken, Syrië, is echter een iets ander geval. Ofschoon houders van een Nederlands paspoort officieel aan de grens een visum mogen kopen, gaat mijn voorkeur uit naar aanschaf vooraf, opdat ik niet al te zeer overgeleverd ben aan de willekeur van deze of gene nukkige douanemeneer. Ik ben namelijk van plan om de grens over te steken in het verre noordoosten van Syrië, nabij het stadje Qamishle – niet bepaald een plek waar men al te zeer gewend zal zijn aan toeristen, en bovendien gelegen in hartje Koerdistan, waar de laatste tijd weer de nodige spanning schijnt te zijn (nu is die spanning met name aanwezig in het Turkse deel van het gebied, maar het lijkt niet geheel ondenkbaar dat een en ander een wat restrictiever grensbeleid tot gevolg heeft). Enfin, daar ik de kans op bureaucratische en politieke hobbels die mijn mooie reisplannen kunnen doorkruisen zo klein mogelijk wil houden, leek het mij geen gek idee om mijn visum reeds voor vertrek op te halen. Er was alleen een klein probleem: om de een of andere reden heeft Syrië enkele jaren geleden besloten haar ambassade in Nederland te degraderen tot consulaat, waardoor deze geen visa meer kan afgeven. Dit recht is slechts voorbehouden aan de ambassade in Brussel. Nu is het weliswaar mogelijk om, mits je over voldoende tijd beschikt, je visumaanvraag te doen bij het consulaat of bij een visumbureau, maar het probleem deed zich voor dat een voorwaarde voor het verkrijgen van een visum het voorleggen van een gefaxte bevestiging van een hotelreservering is. Nu is het voorwaar geen sinecure aan zo’n fax te komen, en toen ik na weken wachten en na vele malen gebeld en gemaild te hebben met verschillende vriendelijke, mij door de reisgids aangeraden hotelletjes eindelijk de felbegeerde fax in mijn handen had restte mij nog slechts één week voordat ik zou vertrekken. Zodoende had ik weinig keus dan zelf mijn visum te gaan halen, en dus voerde de eerste etappe van mijn reis mij naar de hoofdstad van Europa.
Aankomen op Brussel Centraal is een grote afknapper. Je verwacht een fraai, schoon, verwelkomend station dat naar hartelust de Europese droom uitademt. In plaats daarvan kom je in een met loshangende elektriciteitsdraden versierd ondergronds gangenstelsel terecht dat meer aan een riool doet denken dan aan een station. Behalve een nukkige toiletjuffrouw en een verdwaald Amerikaans echtpaar is er weinig leven te bekennen – zelfs het schoenpoetswinkeltje is gesloten. Zo snel mogelijk naar buiten dus. Maar ook dat is een afknapper. In plaats van op een fraaie autovrije promenade die je rechtstreeks naar de Grote Markt voert beland je in de een of andere zijstraat, waar naar goed Brussels gebruik fraaie negentiende-eeuwse gevels en lelijke betonblokken elkaar rücksichtslos afwisselen. De immer contante middelen ontberende ik doet vervolgens verschillende pogingen bij deze of gene bank de voor een visum benodigde euro’s uit de muur te toveren, maar tevergeefs. Het is een tragisch feit dat de meeste banken in de hoofdstad van Europa geen buitenlandse bankpassen accepteren, met als gevolg dat ik mij platzak naar de ambassade begeef – niet geheel bevorderlijk voor de gemoedsrust, dat kan ik u verzekeren.
Na een nerveuze busreis kom ik aan bij de Rooseveltlaan, dat niet veel meer is dan een brede autoweg met deftige rijtjespanden aan weerszijden. De Syrische ambassade bevindt zich in een van die panden. Als ik de grote zware deur openduw, verwacht ik in een indrukwekkende ruimte terecht te komen – je zou verwachten dat een beetje zichzelf serieus nemend regime er toch wel voor zorgt dat zijn ambassades groots en statig zijn. In plaats daarvan kom ik in een nietszeggend halletje dat door een stuk of vijf Arabische mannen tot hangplaats lijkt te zijn gemaakt. Kennelijk verstoor ik hun rust, want argwanende blikken zijn mijn deel. Na mijn opgeruimde ‘bonjour messieurs, je voudrais demander un visa’ wijst een van hen nors op een stapel formulieren. Ik zeg dat ik die reeds heb ingevuld, waarop hij me duidelijk maakt dat ik door moet lopen.
Ik had toch op zijn minst marmeren zuilen verwacht, zware lederen banken, protserige schilderijen, een grote Belle-en-het-Beest trap, en een kopje zoete thee. Maar niets van dat alles. Ik kom terecht in een kaal kamertje van drie bij drie meter. Aan de ene muur hangt een prikbord met voor mij onleesbare brieven en notities, in de andere muur bevindt zich een ideaaltypisch loketje, waarachter een nette heer staat, gekleed in driedelig donkerblauw met bijpassende stropdas en in het bezit van een indrukwekkende zwarte snor. Een zes- of zevental mensen vormt een provisorisch rijtje. Iedereen lijkt Syrisch te zijn, met uitzondering van een meisje van een jaar of twintig dat, zo vang ik op van het gesprek dat ze met de meneer achter het loket voert, haar Syrische familie gaat bezoeken en waarschijnlijk zelf van Syrische afkomst is. Een tweetal jongemannen voert vervolgens in het Arabisch een felle discussie met dezelfde meneer, waarvan de strekking lijkt te zijn dat hij hun toch echt geen visum kan geven zolang zij hem geen paspoort kunnen voorleggen. Ondertussen raakt de ruimte verder gevuld met een dreadlockhippie en een eveneens ietwat vervreemd om zich heen kijkend blond echtpaar van middelbare leeftijd.
Dan ben ik aan de beurt. Ik overhandig mijn ingevulde formulieren, de fax van het hotel in Hama waar ik hoop te gaan verblijven, mijn paspoort en een tweetal pasfoto’s. De meneer bladert mijn paspoort door om te zien of er geen Israëlische stempels in staan, en mijn dank gaat uit naar die douanebeambte die mij enkele maanden geleden een stempel op een apart briefje gaf in plaats van in mijn paspoort. Als de meneer mij vraagt om de benodigde 29 euro en aangeeft dat ik niet kan pinnen, begin ik even te zweten – maar gelukkig accepteert hij stilzwijgend mijn uitleg en lijkt het erop dat ik bij terugkomst mag betalen. Hij zegt tot mijn schrik dat ik mijn paspoort pas vrijdag op kan halen – maar die middag vertrek ik reeds naar Istanbul, en men had mij toch gezegd dat het drie werkdagen zou duren! Niets mee te maken, de meneer is onvermurwbaar. Dat betekent ’s ochtends vroeg op, weer op en neer naar Brussel, en direct door naar Schiphol vanwaar ik om tien voor vijf vertrek… Het zal nog spannend worden.
Ik neem de tram terug naar het centrum. Als ik uitstap bij het Park begint het te regenen. Mijn grasgroene uitvouwparaplu is nauwelijks bestand tegen de plagerige windstootjes die de regen vergezellen. Ik begeef mij richting het centrum en vind zowaar een bank die mijn pinpas accepteert. Ik eet een prima broodje (wie mij kent, hoeft niet te raden naar het broodbeleg dat ik, overbevissing ten spijt, toch weer uitkies) in een met toeristen gevulde lunchroom. De obers zijn chagrijnig – wat is dat toch met Brussel, dat alle obers, winkelmedewerkers, tramchauffeurs, toiletjuffrouwen en toeristen er altijd chagrijnig lijken te zijn…? Ik sjok verder door de grijze, natte binnenstad, over de Grote Markt waar om de een of andere reden een podium staat en vanwaar een luidruchtige Nederlandse 3-havo klas een stadswandeling gaat maken, door de galerijen met de mooie kunstboekhandel, en terug richting station. Orhan Pamuk beschreef ooit op fenomenale wijze de weltschmerz en melancholie die een stad kan uitademen – hij had het over Istanbul, niet over Brussel, maar als ik zo voor het eerst sinds twee jaar weer hier loop, licht geplaagd door herinneringen en motregen, begrijp ik precies wat hij bedoelt. Ik kom langs de grote kathedraal – een fraai gebouw, maar ook al omringd door afzichtelijke betonblokken – en kan het niet laten even naar binnen te gaan voor een moment van stilte. Teruggekomen bij het station word ik aangesproken in het Engels door een stel internationale studenten met een monsterlijk grote camera dat mij wil interviewen. Prima. Een lief maar heel zenuwachtig Frans meisje vraagt mij wat ik in Brussel doe en wat ik van de stad vind. De eerste vraag is niet zo moeilijk te beantwoorden, te tweede wel, en ik mompel maar wat over mooie gebouwen. De vraag hoe Brussel meer ‘enjoyable’ zou kunnen worden is helemaal lastig. Ik vind het ook zo lullig om te zeggen dat het al zou helpen als mensen wat minder chagrijnig zouden zijn, dus ik zeg maar wat over pinautomaten die nodig geïnternationaliseerd dienen te worden.
Ik verlaat de regen en de grijze melancholie en ga het station binnen, dat ook een centrale hal blijkt te hebben die toch wel enige grandeur uitstraalt. Na een blikje ijsthee gedronken te hebben in een vriendelijk cafeetje ergens in de ondergrondse stationskrochten neem ik de trein terug naar huis…
… om mij een week later opnieuw naar Brussel te begeven. Het is vrijdagochtend vroeg, en ik heb de eerste trein genomen opdat ik sowieso op tijd terug ben op Schiphol. Wanneer ik in de ambassade kom is het nog rustig. Een van de heren die ik hier de vorige keer ook al had gezien zit aan een tafel. Hij blijkt de portier te zijn – enigszins verwonderlijk dat men hem deze taak gegeven heeft, daar hij noch Frans, noch Engels, noch Nederlands spreekt. Ik ga weer naar het kamertje met het loket, waar zich ook het meisje bevindt dat vorige week vertelde dat zij haar familie in Syrië gaat bezoeken. Ik hoef niet lang te wachten voor ik aan de beurt ben. De meneer met de grote snor draagt vandaag een blauw overhemd met een donkerblauwe das onder een knalwitte boord, en geen colbert. Mijn ‘salaam aleikum’ wordt begroet met een vriendelijk ‘vous parlez déjà l’Arabe!’ Opgeruimd zegt hij dat mijn paspoort er nog niet is en dat ik om twee uur ’s middags terug moet komen. Mijn buik maakt een salto. Hakkelend stamel ik dat ik toch echt om twee uur op Schiphol moet zijn omdat mijn vliegtuig vanmiddag vertrekt. Twaalf uur, zegt hij, vroeger lukt echt niet…
Dan volgen de meest slepende en zenuwachtige uren die ik sinds lange tijd heb meegemaakt. Ik zit op een stoeltje tussen de tafel met formulieren en de portier en doe een poging de Vrij Nederland te lezen, waarin iets staat over een vorige week in Brussel plaatsgevonden conferentie die als doel had jonge Europese journalisten wat eurofilie bij te brengen – vandaar dat knullige interview. Echt concentreren kan ik me niet. Af en toe loop ik terug naar het loket om te vragen of ze mijn paspoort al hebben, maar ik krijg steeds nul op mijn rekest. Ik raak in gesprek met een Syrische jongen die bezig is een tweede poging te doen een paspoort te krijgen, nadat zijn eerste verzoek op hem onbekende gronden was afgewezen – drie maanden moet hij wachten, daarbij vergeleken valt een week nog wel mee – en zijn Egyptische vriend, die ’s weekends in het Egyptische restaurant van zijn familie in Breda werkt maar toch geen Nederlands spreekt. Ze zijn erg meelevend en leggen mijn situatie uit aan de portier.
De tijd, dat wonderlijke ding, tikt onderwijl ijverig door en ik vraag me af of ik mijn vliegtuig nog zal halen. Maar om twintig voor twaalf, als ik maar weer in de rij ben gaan staan om nog eens te vragen hoe het ermee staat, komt de besnorde meneer aanlopen met mijn paspoort – hij straalt zo mogelijk nog meer dan ik. Ik bedank hem uitvoerig en begeef mij snel naar de bushalte, terwijl ik de fraai versierde pagina van mijn paspoort bewonder. Godzijdank sluit de bus perfect aan op de intercity naar Amsterdam, en het lijkt erop dat ik net op tijd ga komen.
Enigszins uitgeput zit ik in de trein te schrijven. Flarden van vakantiegesprekken en groene weilanden met zwartwitte vlekjes gaan langs me heen. De echte reis moet dan nog beginnen.
Nu is dat in het geval van het eerste land waar mijn reis mij naar toe voert, Turkije, geen al te groot probleem. Voor het luttele bedrag van tien euro schaft men hier namelijk bij de douane een toeristenvisum aan. Het tweede land dat ik deze zomer hoop te bezoeken, Syrië, is echter een iets ander geval. Ofschoon houders van een Nederlands paspoort officieel aan de grens een visum mogen kopen, gaat mijn voorkeur uit naar aanschaf vooraf, opdat ik niet al te zeer overgeleverd ben aan de willekeur van deze of gene nukkige douanemeneer. Ik ben namelijk van plan om de grens over te steken in het verre noordoosten van Syrië, nabij het stadje Qamishle – niet bepaald een plek waar men al te zeer gewend zal zijn aan toeristen, en bovendien gelegen in hartje Koerdistan, waar de laatste tijd weer de nodige spanning schijnt te zijn (nu is die spanning met name aanwezig in het Turkse deel van het gebied, maar het lijkt niet geheel ondenkbaar dat een en ander een wat restrictiever grensbeleid tot gevolg heeft). Enfin, daar ik de kans op bureaucratische en politieke hobbels die mijn mooie reisplannen kunnen doorkruisen zo klein mogelijk wil houden, leek het mij geen gek idee om mijn visum reeds voor vertrek op te halen. Er was alleen een klein probleem: om de een of andere reden heeft Syrië enkele jaren geleden besloten haar ambassade in Nederland te degraderen tot consulaat, waardoor deze geen visa meer kan afgeven. Dit recht is slechts voorbehouden aan de ambassade in Brussel. Nu is het weliswaar mogelijk om, mits je over voldoende tijd beschikt, je visumaanvraag te doen bij het consulaat of bij een visumbureau, maar het probleem deed zich voor dat een voorwaarde voor het verkrijgen van een visum het voorleggen van een gefaxte bevestiging van een hotelreservering is. Nu is het voorwaar geen sinecure aan zo’n fax te komen, en toen ik na weken wachten en na vele malen gebeld en gemaild te hebben met verschillende vriendelijke, mij door de reisgids aangeraden hotelletjes eindelijk de felbegeerde fax in mijn handen had restte mij nog slechts één week voordat ik zou vertrekken. Zodoende had ik weinig keus dan zelf mijn visum te gaan halen, en dus voerde de eerste etappe van mijn reis mij naar de hoofdstad van Europa.
Aankomen op Brussel Centraal is een grote afknapper. Je verwacht een fraai, schoon, verwelkomend station dat naar hartelust de Europese droom uitademt. In plaats daarvan kom je in een met loshangende elektriciteitsdraden versierd ondergronds gangenstelsel terecht dat meer aan een riool doet denken dan aan een station. Behalve een nukkige toiletjuffrouw en een verdwaald Amerikaans echtpaar is er weinig leven te bekennen – zelfs het schoenpoetswinkeltje is gesloten. Zo snel mogelijk naar buiten dus. Maar ook dat is een afknapper. In plaats van op een fraaie autovrije promenade die je rechtstreeks naar de Grote Markt voert beland je in de een of andere zijstraat, waar naar goed Brussels gebruik fraaie negentiende-eeuwse gevels en lelijke betonblokken elkaar rücksichtslos afwisselen. De immer contante middelen ontberende ik doet vervolgens verschillende pogingen bij deze of gene bank de voor een visum benodigde euro’s uit de muur te toveren, maar tevergeefs. Het is een tragisch feit dat de meeste banken in de hoofdstad van Europa geen buitenlandse bankpassen accepteren, met als gevolg dat ik mij platzak naar de ambassade begeef – niet geheel bevorderlijk voor de gemoedsrust, dat kan ik u verzekeren.
Na een nerveuze busreis kom ik aan bij de Rooseveltlaan, dat niet veel meer is dan een brede autoweg met deftige rijtjespanden aan weerszijden. De Syrische ambassade bevindt zich in een van die panden. Als ik de grote zware deur openduw, verwacht ik in een indrukwekkende ruimte terecht te komen – je zou verwachten dat een beetje zichzelf serieus nemend regime er toch wel voor zorgt dat zijn ambassades groots en statig zijn. In plaats daarvan kom ik in een nietszeggend halletje dat door een stuk of vijf Arabische mannen tot hangplaats lijkt te zijn gemaakt. Kennelijk verstoor ik hun rust, want argwanende blikken zijn mijn deel. Na mijn opgeruimde ‘bonjour messieurs, je voudrais demander un visa’ wijst een van hen nors op een stapel formulieren. Ik zeg dat ik die reeds heb ingevuld, waarop hij me duidelijk maakt dat ik door moet lopen.
Ik had toch op zijn minst marmeren zuilen verwacht, zware lederen banken, protserige schilderijen, een grote Belle-en-het-Beest trap, en een kopje zoete thee. Maar niets van dat alles. Ik kom terecht in een kaal kamertje van drie bij drie meter. Aan de ene muur hangt een prikbord met voor mij onleesbare brieven en notities, in de andere muur bevindt zich een ideaaltypisch loketje, waarachter een nette heer staat, gekleed in driedelig donkerblauw met bijpassende stropdas en in het bezit van een indrukwekkende zwarte snor. Een zes- of zevental mensen vormt een provisorisch rijtje. Iedereen lijkt Syrisch te zijn, met uitzondering van een meisje van een jaar of twintig dat, zo vang ik op van het gesprek dat ze met de meneer achter het loket voert, haar Syrische familie gaat bezoeken en waarschijnlijk zelf van Syrische afkomst is. Een tweetal jongemannen voert vervolgens in het Arabisch een felle discussie met dezelfde meneer, waarvan de strekking lijkt te zijn dat hij hun toch echt geen visum kan geven zolang zij hem geen paspoort kunnen voorleggen. Ondertussen raakt de ruimte verder gevuld met een dreadlockhippie en een eveneens ietwat vervreemd om zich heen kijkend blond echtpaar van middelbare leeftijd.
Dan ben ik aan de beurt. Ik overhandig mijn ingevulde formulieren, de fax van het hotel in Hama waar ik hoop te gaan verblijven, mijn paspoort en een tweetal pasfoto’s. De meneer bladert mijn paspoort door om te zien of er geen Israëlische stempels in staan, en mijn dank gaat uit naar die douanebeambte die mij enkele maanden geleden een stempel op een apart briefje gaf in plaats van in mijn paspoort. Als de meneer mij vraagt om de benodigde 29 euro en aangeeft dat ik niet kan pinnen, begin ik even te zweten – maar gelukkig accepteert hij stilzwijgend mijn uitleg en lijkt het erop dat ik bij terugkomst mag betalen. Hij zegt tot mijn schrik dat ik mijn paspoort pas vrijdag op kan halen – maar die middag vertrek ik reeds naar Istanbul, en men had mij toch gezegd dat het drie werkdagen zou duren! Niets mee te maken, de meneer is onvermurwbaar. Dat betekent ’s ochtends vroeg op, weer op en neer naar Brussel, en direct door naar Schiphol vanwaar ik om tien voor vijf vertrek… Het zal nog spannend worden.
Ik neem de tram terug naar het centrum. Als ik uitstap bij het Park begint het te regenen. Mijn grasgroene uitvouwparaplu is nauwelijks bestand tegen de plagerige windstootjes die de regen vergezellen. Ik begeef mij richting het centrum en vind zowaar een bank die mijn pinpas accepteert. Ik eet een prima broodje (wie mij kent, hoeft niet te raden naar het broodbeleg dat ik, overbevissing ten spijt, toch weer uitkies) in een met toeristen gevulde lunchroom. De obers zijn chagrijnig – wat is dat toch met Brussel, dat alle obers, winkelmedewerkers, tramchauffeurs, toiletjuffrouwen en toeristen er altijd chagrijnig lijken te zijn…? Ik sjok verder door de grijze, natte binnenstad, over de Grote Markt waar om de een of andere reden een podium staat en vanwaar een luidruchtige Nederlandse 3-havo klas een stadswandeling gaat maken, door de galerijen met de mooie kunstboekhandel, en terug richting station. Orhan Pamuk beschreef ooit op fenomenale wijze de weltschmerz en melancholie die een stad kan uitademen – hij had het over Istanbul, niet over Brussel, maar als ik zo voor het eerst sinds twee jaar weer hier loop, licht geplaagd door herinneringen en motregen, begrijp ik precies wat hij bedoelt. Ik kom langs de grote kathedraal – een fraai gebouw, maar ook al omringd door afzichtelijke betonblokken – en kan het niet laten even naar binnen te gaan voor een moment van stilte. Teruggekomen bij het station word ik aangesproken in het Engels door een stel internationale studenten met een monsterlijk grote camera dat mij wil interviewen. Prima. Een lief maar heel zenuwachtig Frans meisje vraagt mij wat ik in Brussel doe en wat ik van de stad vind. De eerste vraag is niet zo moeilijk te beantwoorden, te tweede wel, en ik mompel maar wat over mooie gebouwen. De vraag hoe Brussel meer ‘enjoyable’ zou kunnen worden is helemaal lastig. Ik vind het ook zo lullig om te zeggen dat het al zou helpen als mensen wat minder chagrijnig zouden zijn, dus ik zeg maar wat over pinautomaten die nodig geïnternationaliseerd dienen te worden.
Ik verlaat de regen en de grijze melancholie en ga het station binnen, dat ook een centrale hal blijkt te hebben die toch wel enige grandeur uitstraalt. Na een blikje ijsthee gedronken te hebben in een vriendelijk cafeetje ergens in de ondergrondse stationskrochten neem ik de trein terug naar huis…
… om mij een week later opnieuw naar Brussel te begeven. Het is vrijdagochtend vroeg, en ik heb de eerste trein genomen opdat ik sowieso op tijd terug ben op Schiphol. Wanneer ik in de ambassade kom is het nog rustig. Een van de heren die ik hier de vorige keer ook al had gezien zit aan een tafel. Hij blijkt de portier te zijn – enigszins verwonderlijk dat men hem deze taak gegeven heeft, daar hij noch Frans, noch Engels, noch Nederlands spreekt. Ik ga weer naar het kamertje met het loket, waar zich ook het meisje bevindt dat vorige week vertelde dat zij haar familie in Syrië gaat bezoeken. Ik hoef niet lang te wachten voor ik aan de beurt ben. De meneer met de grote snor draagt vandaag een blauw overhemd met een donkerblauwe das onder een knalwitte boord, en geen colbert. Mijn ‘salaam aleikum’ wordt begroet met een vriendelijk ‘vous parlez déjà l’Arabe!’ Opgeruimd zegt hij dat mijn paspoort er nog niet is en dat ik om twee uur ’s middags terug moet komen. Mijn buik maakt een salto. Hakkelend stamel ik dat ik toch echt om twee uur op Schiphol moet zijn omdat mijn vliegtuig vanmiddag vertrekt. Twaalf uur, zegt hij, vroeger lukt echt niet…
Dan volgen de meest slepende en zenuwachtige uren die ik sinds lange tijd heb meegemaakt. Ik zit op een stoeltje tussen de tafel met formulieren en de portier en doe een poging de Vrij Nederland te lezen, waarin iets staat over een vorige week in Brussel plaatsgevonden conferentie die als doel had jonge Europese journalisten wat eurofilie bij te brengen – vandaar dat knullige interview. Echt concentreren kan ik me niet. Af en toe loop ik terug naar het loket om te vragen of ze mijn paspoort al hebben, maar ik krijg steeds nul op mijn rekest. Ik raak in gesprek met een Syrische jongen die bezig is een tweede poging te doen een paspoort te krijgen, nadat zijn eerste verzoek op hem onbekende gronden was afgewezen – drie maanden moet hij wachten, daarbij vergeleken valt een week nog wel mee – en zijn Egyptische vriend, die ’s weekends in het Egyptische restaurant van zijn familie in Breda werkt maar toch geen Nederlands spreekt. Ze zijn erg meelevend en leggen mijn situatie uit aan de portier.
De tijd, dat wonderlijke ding, tikt onderwijl ijverig door en ik vraag me af of ik mijn vliegtuig nog zal halen. Maar om twintig voor twaalf, als ik maar weer in de rij ben gaan staan om nog eens te vragen hoe het ermee staat, komt de besnorde meneer aanlopen met mijn paspoort – hij straalt zo mogelijk nog meer dan ik. Ik bedank hem uitvoerig en begeef mij snel naar de bushalte, terwijl ik de fraai versierde pagina van mijn paspoort bewonder. Godzijdank sluit de bus perfect aan op de intercity naar Amsterdam, en het lijkt erop dat ik net op tijd ga komen.
Enigszins uitgeput zit ik in de trein te schrijven. Flarden van vakantiegesprekken en groene weilanden met zwartwitte vlekjes gaan langs me heen. De echte reis moet dan nog beginnen.
Subscribe to:
Posts (Atom)