If a novel is recommended by both Mr. DuPont and Mr. Engelen (independently, as they have not yet made each other’s acquaintance), it must be a good novel. Hence, I decided to purchase a copy of David Mitchell’s The Thousand Autumns of Jacob de Zoet,and bring it with me on the airplane. No lack of airplane journeys, this week, so it did not take me very long to finish it. And I concur: this is an extraordinarily rich historical novel, full of memorable characters and events. Set against the background of the Dutch trading post Dejima (Nagasaki) at the turn of the nineteenth century, Mitchell’s latest novel is an intriguing story of hope, betrayal, prejudice, corruption, religion, imperialism, science and, inevitably, impossible love; at times sarcastic yet in the end naively romantic. The author beautifully describes sounds, smells, city life, random thoughts and other small details that may not be directly relevant to the plot, but contribute greatly to the overall reading experience. Thus, he succeeds in bringing to life his characters and the world in which they live. Frankly, I doubt the historical probability of some of the events; in particular, the morbid cult of Mount Shiranui does not seem very convincing. Nevertheless, I highly enjoyed reading this book, not in the least because it evoked nostalgia by reminding me of my own initial fascination with Japan, my first exotic Other.
The title of the novel contains the name of the main character, a devout VOC clerk from Zeeland, who resists the temptation of corruption but hopelessly falls for the temptation of female beauty. It also refers to one of Japan's nicknames: the land of the thousand autumns. Of course, the Japanese isles have four different seasons, each with their distinctive beauty – as any tourist pamphlet or kitschy ‘Zen’ book reminds us of. And of course, spring brings the annual extravagance of white and pink cherry blossoms, giving the nation an excuse for two weeks of jouissance. However, as any expert or resident will confirm, Japan is at its most beautiful in autumn, when the summer heat is gone but the winter cold has not yet arrived, when nature is at its most dynamic. In autumn, the maple trees in temples and parks turn red as fire, the ginkgo trees yellow as gold. Flocks of tourists come to the old capital to visit famous temples (and queue for hours to take pictures of themselves in front of famous sightseeing spots covered with red leaves), but the forested mountains around the city have plenty of quiet hiking trails. Throughout the country, towns and temples are covered in colourful dresses of red, yellow, green and orange. The air is fresh, but not too cold; the sky is usually clear, except for the occasional shower. Long periods of grey skies and never-ending rain, so common in the Netherlands or the UK during this season, are very rare. Autumn is also the time of many great festivals, religious ceremonies and cultural events. In sum, autumn is probably the best time to be in Japan.
Shangri-la bestaat niet echt. Het is de naam van een fictief oord, vredig en idyllisch, waar de mensen in het hier en nu leven en de eeuwige jeugd gevonden hebben. Het is een verborgen vallei, ergens in de Himalaya, waar gematigdheid en tevredenheid tot hoogste kunst verheven zijn. Deze vallei is het product van de verbeelding van de Engelse schrijver James Hilton, beschreven in zijn roman Lost Horizon uit 1933. De naam is vermoedelijk een verbastering van de term Shambhala, de Tibetaanse versie van het toekomstige Vredesrijk of het Reine Land. Hiltons boek behoort tot de de klassieke oriëntalistische canon, en heeft grote invloed uitgeoefend op de beeldvorming in het westen aangaande Tibetaanse cultuur en religie. Westerse Tibetaanse boeddhisten (een contradictio in terminis, maar zelf zien ze dat anders) en andere Tibetofielen vandaag de dag geloven in een mythisch ideaalbeeld, grotendeels ontleend aan Hiltons fantasie, en - om voor de hand liggende politieke en economische redenen - zorgvuldig gecultiveerd door vooraanstaande Tibetaanse religieuze leiders. Veel gangbare misvattingen met betrekking tot Tibetaanse (of, meer in het algemeen, Oosterse) spiritualiteit en religie borduren voort op het oriëntalistische discours waarbinnen Lost Horizon een prominente plaats innam.
Sinds enkele jaren bestaat Shangri-la echt. Dat wil zeggen, slimme lieden hebben bedacht dat de naam wel eens een aanzuigende werking op toeristen zou kunnen hebben, en hebben daarom het stadje Zhongdian (of Gyalthang, zoals de Tibetaanse naam luidt) omgedoopt tot Shangri-la. Hun claim is dat Hiltons boek direct gebaseerd was op de realiteit daar ter plaatse. Volstrekte flauwekul, natuurlijk - al was het alleen maar omdat Shangri-la volgens de roman veel verder naar het westen gelegen moet hebben - maar het schijnt te werkten: het aantal toeristen is de afgelopen jaren toegenomen, het aantal verdiende yuan zodoende ook. Maar het lot van Lijiang - een volledig gerestaureerd e herbouwd oud stadje, inmiddels even authentiek als Disneyland, overstroomd door hordes shoppende toeristen - is Zhongdian vooralsnog gelukkig bespaard gebleven. Het is een rustig, gezellig stadje, met hobbelige kasseienweggetjes, schattige hotelletjes, hippe alternatieve theehuisjes en bars, en goedgevulde (zij het niet goedkope) kunst- en antiekzaken. En een schitterende omgeving, niet te vergeten.
De stad is gelegen op 3300 meter hoogte, en bevindt zich in het noorden van de provincie Yunnan, niet ver van de grens met Sichuan, Tibet en Myanmar. Cultureel is het onmiskenbaar Tibetaans, al wonen er ook de nodige etnisch Chinese entrepreneurs, en spreekt de jongere generatie beter Mandarijn dan Tibetaans. Maar de tempels en kloosters behoren tot de Gelukpa-school van het Tibetaans boeddhisme, op de velden grazen yaks, de lucht is ijl, in de thee zit boter, en overal wapperen gekleurde vlaggetjes met soetra's. Dit is dus toch wel echt Tibet.
We verblijven in een fraai, nieuw maar in traditionele stijl gebouwd houten pension, 'Kersang's Relay Station' genaamd. De matrassen zijn zacht, de douche is warm, de thee en het internet zijn gratis en de prijs is vriendelijk. Er is een lees- en filmkamer, en een dakterras, vanwaar je een fraai uitzicht hebt over de oude stad, de bergen in de verte en een tempel met een metershoge gouden gebedsmolen. We hebben het getroffen.
Niet ver van de stad bevindt zich het belangrijkste klooster in het oostelijke deel van Tibet, Songzanlin. Het werd gebouwd in 1679 in opdracht van de vijfde Dalai Lama, een expansionistische leider die verantwoordelijk was voor de vergaande uitbreiding van het Tibetaanse rijk en de macht van de Gelukpa-school. Het klooster is gebouwd in dezelfde stijl als het beroemde Potala Paleis in Lhasa. Het is eigenlijk een kleine stad, deels ommuurd en gelegen op een helling. De belangrijkste tempels torenen uit boven de huizen van de monniken, waarvan er hier ongeveer achthonderd wonen. Vroeger was dit een belangrijk regionaal machtscentrum, maar het klooster heeft veel te lijden gehad onder de Culturele Revolutie, toen veel monniken vermoord werden of vluchtten. Inmiddels is het weer grotendeels in zijn oude glorie hersteld. Het moderne China heeft geen problemen meer met religieuze instellingen, zolang ze netjes geregistreerd staan en er niet al te politiek subversieve meningen gecultiveerd worden. Religieuze plaatsen die toeristen trekken worden zelfs op kosten van de staat gerestaureerd.
We bezoeken het klooster met Tenzin, een Tibetaanse jongen die hier geboren is, maar als kind naar India gevlucht is, en gestudeerd heeft in Dharamsala. Een half jaar geleden kwam hij terug. Hij spreekt geen Chinees, maar wel Engels, en hij leidt ons rond in het klooster. Omdat zijn oom een hoge positie inneemt in de kloosterhiërarchie mogen we naar binnen zonder toegangskaarten te kopen. Dat komt stiekem wel mooi uit, want die zijn (zoals overal in China) buitenproportioneel duur. Toch is het raar dat de portier ons aanvankelijk bot weigert, om ons zodra hij hoort wie onze connectie is met een buiging en een glimlach gratis binnen te laten. Er zit een kern van waarheid in de Chinese claim dat Tibet voor de 'bevrijding' een hiërarchisch geordende, feodaal-theocratische standensamenleving had, waarvan de resten soms nog duidelijk zichtbaar zijn. Je hoeft niet heel diep te graven om ze te zien.
Tenzin is een goede gids. Het is jaren geleden dat ik een paar colleges volgde over Tibetaans boeddhisme, en hij weet mijn geheugen goed op te frissen. Ook leert hij me een paar nieuwe dingen. Zijn uitleg is nuttig, temeer daar iconografie niet mijn sterkste kant is. De tempels zijn uitbundig versierd. We bestuderen de fraaie wandschilderingen, en de vele gouden beelden van lama's, boeddha's en bodhisattva's. Westerse boeddhisten die menen spirituele puurheid en eenvoud te kunnen vinden in het Tibetaans boeddhisme begrijpen niets van de religieuze praktijk ter plaatse. Als het iets niet is, dan is het eenvoudig. Naast goden en boeddha's wordt binnen het Tibetaans boeddhisme een veelheid aan historische en levende personen vereerd, aanbeden en vergoddelijkt. Dat mag, maar het heeft totaal niets te maken met de niet-theïstische zelfontplooiing waarmee men het in het westen graag verwart. Dat maakt het niet minder interessant en fascinerend, maar wellicht wel minder aantrekkelijk. Hoe het ook zij, het Tibetaanse pantheon en zijn mythologie zijn even rijk als veelkleurig, dus er valt een hoop te zien. Maar eenvoud en kalmte zijn ver te zoeken.
Ik ben verbaasd tussen alle afbeeldingen van oude abten en lama’s een grote foto aan te treffen van de Panchen Lama - de echte, die in gevangenschap leeft, niet de door de regering geïnstalleerde marionet. Het verbaast me dat de autoriteiten dat hier gedogen, zoals het me ook verbaasde een foto van de huidige Dalai Lama te zien in ons pension. Kennelijk is er toch meer vrijheid hier dan men op grond van de krantenberichten zou verwachten… Hoe het ook zij, we genieten van deze eerste fysieke kennismaking met Tibetaanse cultuur en religie, al is het aantal nieuwe vragen groter dan het aantal beantwoorde. Maar dat is niet erg.
We waren van plan nog een aantal tempels en kloosters te bezoeken in de omgeving, en mooie wandelingen te maken in de bergen. Maar helaas, het noodlot slaat toe: we worden ziek. Zoals ik eerder schreef, hygiëne is nou niet bepaald China’s sterkste punt. De ziektekiemen vliegen je voortdurend om je oren. Het ergste is het voortdurende gerochel. Nogal wat Chinezen hebben de vervelende neiging om om de haverklap hun keel te legen door slijm op te rochelen en uit te spugen. Niet alleen op straat, ook in, pak hem beet, een overvolle vierdeklas treinwagon. Het toeval wil dat wij in diezelfde treinwagon zaten, omdat de andere kaartjes reeds waren uitverkocht - net in de buurt van een elf uur lang aan een stuk door kuchende en rochelende jongeman. Dan weten de bacteriën je wel te vinden.
Nhung is er erger aan toe dan ik. Ik hoest ook, maar niet zoveel als zij. Ze heeft ook erg veel moeite met ademen, vooral als ze zich inspant. Het lijkt erop dat ze een ontsteking aan haar luchtwegen heeft. Een en ander zal ongetwijfeld verergerd worden door het feite dat we hier op grote hoogte zitten. Als je zeeniveau gewend bent, is 3300 meter hoogte behoorlijk wat, en de lucht is onmiskenbaar ijler. Je raakt er sneller buiten adem, en kunt last krijgen van hoofdpijn. Maar Nhung hoest zo heftig en heeft zoveel pijn dat was besluiten het zekere voor het onzekere te nemen en een bezoek aan het ziekenhuis te brengen.
Shangri-la mag de naam van het paradijs zijn, het ziekenhuis is het meest chaotische en het smerigste dat ik ooit heb gezien. Niet dat ik vaak ziekenhuizen bezoek, maar dit is werkelijk een hels oord. Godzijdank hebben we hulp van Tenzin en zijn vriendin, die voor ons vertalen – de artsen zijn Chinees, en spreken Engels noch Tibetaans – anders was het helemaal ondoenlijk geweest. Maar ook nu is het een hele opgave te communiceren met de dienstdoende arts, al was het alleen maar vanwege het bizarre feit dat er zich op elk willekeurig ogenblik ongeveer tien mensen in haar spreekkamer bevinden, die allemaal door elkaar heen schreeuwen in de hoop haar aandacht te krijgen. Dat omstanders zo op de hoogte raken van hun kwalen deert ze kennelijk niet. De arts is bijzonder bedreven in het negeren van mensen, en besteedt niet meer dan vijf minuten aan elke patiënt. Ze stelt maar weinig vragen. Ik vermoed dat de meeste mensen hier zich helemaal niet zo goed kunnen uitdrukken in het Mandarijn, maar de arts spreekt de taal van de mensen niet. Sommige medicijnen worden voorgeschreven zonder de patiënt een blik waardig te gunnen. Als iemand wat uitgebreider onderzocht moet worden wordt in een hoekje van de kamer een provisorisch gordijntje dichtgetrokken, waarachter een pijlsnel onderzoekje plaatsvindt. De andere patiënten blijven ondertussen gewoon in de kamer. Privacy, the Chinese way.
Een oude man rochelt en spuugt even op de grond, waarna hij zijn slijm met zijn schoen wegveegt. Welja, in de dokters kamer, waarom ook niet.
Nhung krijgt iets meer aandacht dan de meeste andere patiënten, al was het maar omdat de drietrapsvertaling (Chinees-Tibetaans-Engels) enige tijd in beslag neemt. Het lijkt niet al te ernstig, maar de arts wil toch een röntgenfoto laten maken. We lopen met het verwijsbriefje in onze hand naar de kamer met het röntgenapparaat. De deur staat open, maar nergens is een mens te bekennen. Iedere willekeurige mafkees zou naar binnen kunnen lopen en met dat apparaat gaan spelen. Terwijl we wachten op een arts die ons kan helpen komt er een groep mensen langsgelopen. Ze tillen een jongen in legeruniform, die buiten bewustzijn is. Het ziet er eng en bloederig uit. Niemand die op het idee komt de jongen op een brancard te leggen.
Ik begin steeds nerveuzer te worden, en moet plassen. Het toilet doet nauwelijks onder voor de smerigste publieke toiletten langs de snelweg. Het is in geen weken fatsoenlijk schoongemaakt. De stank is zo sterk dat ik moet kokhalzen.
Tenzin vertelt hoe hij ooit middenin de nacht hier kwam met een vriend, die gewond was geraakt na een gevecht. Hij en de anderen die de gewonde naar het ziekenhuis brachten waren niet betrokken bij het gevecht. Nadat de jongen verbonden was, werden ze allemaal afgevoerd naar het politiebureau. Daar werden ze in elkaar geslagen en voor een nacht in de cel gegooid. Onnodig te vermelden dat Tenzin en zijn vrienden Tibetaans zijn, en de politie Chinees.
De arts wordt opgetrommeld, en de röntgenfoto wordt gemaakt. Het gaat godzijdank goed. Wanneer we bij de balie komen voor de uitslag, pakt een verpleegkundige plotseling Nhungs arm om haar bloeddruk te meten. Vervolgens haalt hij onaangekondigd een naald tevoorschijn om bloed te prikken. Het is mij een raadsel waarom er bloed geprikt moet worden als het probleem in de longen of luchtwegen zit, maar ik maak me vooral zorgen over de naald. Tenzin verzekert me dat het een schone naald is, en dat hij de arts hem uit de verpakking zag halen. Ik vertrouw er maar op dat hij het goed gezien heeft. Nhung blijft ondertussen bewonderenswaardig kalm.
Terwijl we wachten op de uitslag komt dezelfde groep mensen langslopen als eerder, met dezelfde jongen. Hij is nog steeds buiten bewustzijn. Hij ligt nog steeds niet op een brancard. Geen verpleegkundige die zich om hem bekommert. Zijn hoofd bungelt beangstigend.
Nadat alle resultaten binnen zijn, gaan we terug naar de kamer van de arts, die Nhung medicijnen voorschrijft – een antibioticum en twee soorten Chinese medicijnen. Daarnaast krijgt ze een zuurstoffles, die haar zichtbaar goed doet.
De daaropvolgende dagen doen we het rustig aan. We slapen, lezen, schrijven en ontspannen, en dat bevalt prima. Soms is een beetje ziek zijn wel goed – het is een signaal van je lichaam dat je even rust moet nemen. En dus blijven we lekker in het stadje, en doen we lekker even niets. Eventjes hebben we alle tijd van de wereld. Waar anders dan in ‘Shangri-la’, de tijdloze Tibetaanse vallei…
Het is hoe dan ook een fijne plaats om een paar ontspannen dagen door te brengen. Maar het ziekenhuis zou ik niet direct aanraden.
Als kind was ik een groot fan van Roald Dahl. Ik verslond zijn boeken. Matilda, De GVR, Sjakie en de chocoladefabriek en Daantje de wereldkampioen waren mijn favorieten. Ik heb ze tientallen keren gelezen, tot ik ze van kaft tot kaft kende, en na kon spelen met mijn knuffels. Hoewel de verhalen zich allemaal in Engeland afspelen, en de setting soms typisch Engels is en dus nogal afwijkt van het Groningse platteland waar ik opgroeide (denk aan de school van Matilda, de industriestad waar Sjakie opgroeide, of het paleis van de koningin in De GVR), heeft de taal van Roald Dahl een universele zeggingskracht, waardoor ik me zonder enige moeite met de hoofdpersonen kon identificeren. Dahls pleidooi voor fantasie, gekte en creativiteit sprak me enorm aan, en nodigde me uit mijn eigen fantasiewerelden te ontdekken. Voor mij is Roald Dahl de beste kinderboekenschrijver ooit.
Ofschoon de meeste boeken en verhalen van Roald Dahl zich afspelen in Engeland, is er nog een ander land dat prominent figureert in sommige van zijn boeken, zoals Boy en De heksen. Dat is het land van zijn ouders, waar hij als kind zijn zomervakanties doorbracht. Het is een land waar hij in lyrische bewoordingen over schreef, het land van majestueuze fjorden en mysterieuze natuurkrachten, het land waar de opperheks woonde en waar niets is wat het lijkt. Een beangstigend, magisch en beeldschoon land, kortom, waar ik als kind maar al te graag eens heen wilde.
Ik hield niet alleen van boeken, ik hield ook van sport. Voor het WK voetbal van 1994 maakten mijn klasgenoten en ik oranje petjes en vlaggen, en ik tekende portretten van de belangrijkste spelers in de selectie. Ik kon urenlang geboeid kijken naar saaie touretappes. Ik was een trouwe supporter van FC Groningen, en genoot intens van een bezoek aan het oude Oosterparkstadion. Maar het liefste keek ik naar schaatswedstrijden. Falco Zandstra en Rintje Ritsma waren mijn helden, ook al kwamen ze uit Friesland. Tijdens de Olympische Winterspelen van 1994 zat ik aan de buis gekluisterd, om geen minuut te missen van hun gouden zegetochten. Groot was dan ook mijn teleurstelling toen ik zag hoe ze afgetroefd werden door die grote sportman, de één na beste schaatser ooit, de held van Lillehammer in zijn knalrode schaatspak: Johann Olav Koss. Ik vervloekte hem, kleine patriot die ik was - en ik bewonderde hem, stiekem. Wat een atleet, wat een mentale en fysieke kracht.
Toen ik in groep zeven zat, moest ik samen met een klasgenoot een muurkrant maken over een Scandinavisch land. Iedereen kreeg toeristische brochures met fraaie foto's, waarin we naar hartenlust mochten knippen. We mochten zelf kiezen over welk land we wilden schrijven, maar in overleg, want voor elk land moest er één muurkrant komen (we waren met zijn tienen). Een ander tweetal eiste zich het recht op hun muurkrant te maken over ons land, maar ik hield voet bij stuk. De juf lootte, en wij wonnen, waarop zij zich mochten gaan verdiepen in IJslandse geisers terwijl wij over fjorden en trollen schreven. De jongen met wie ik de muurkrant moest maken was normaliter een pestkop, en ik beschouwde hem als mijn vijand - maar de samenwerking verliep wonderwel goed, blij als we waren met het feit dat wij de loterij gewonnen hadden. De fjorden verbroederden. Onze muurkrant was de mooiste van allemaal.
Hoeveel ik ook van literatuur en sport hield, mijn grootste liefde was een andere. Theater. Ik begon met toneelspelen toen ik tien was, en was er vast van overtuigd dat ik acteur zou worden. Op mijn twaalfde kreeg ik mijn eerste hoofdrol. Ik was op dat moment een leerling aan de Jeugdtheaterschool Groningen, en we speelden Soria Moria, een bewerking van Peer Gynt, het klassieke meesterwerk van Henrik Ibsen. Tot mijn vreugde en trots mocht ik Peer Gynt spelen. De op school ietwat verlegen en niet al te populaire ik was plotseling een vrijbuiter, vrouwenverslinder, opschepper en charlatan! Ik temde en bereed een wild hert, schaakte een bruid, versierde de trollenprinses, maakte verre reizen en deed zaken met louche lui. Dat alles onder begeleiding van de tijdloze muziek van Edvard Grieg. Ik genoot met volle teugen. En ik droomde dat ik het zelf was, die jongen die daar door de bergen draafde, die jongen die trollen voor de gek hield.
Vier jaar later, ik speelde inmiddels bij de (toen nog) Vooropleiding Theater Groningen, stond ik opnieuw in een bewerking van Peer Gynt. Een wat meer eigentijdse, dit keer, waarbij Griegs In The Hall of the Mountain King gezelschap kreeg van Ruffneck Rules da Artcore Scene, en waarin Peer op reis ging naar de Verenigde Staten van nu en naar een Matrix-achtige toekomst. Helaas ging de rol van Peer dit keer aan mijn neus voorbij, maar ik speelde met plezier zijn vriend, tevens verteller, die tijdens zijn afwezigheid zijn vriendinnetje inpikte (het was een bijzonder vrije interpretatie van het origineel, ziet u). Ik heette Espen. Weer zag ik mezelf daar lopen, in dat dorp in het fjord, een gezonde en hitsige Noordse jongeman. Weer fantaseerde ik over dat land met die trollen.
De grootste eyeopener in mijn leven was een boek, dat ik voor het eerst las toen ik dertien was. Het was het verhaal van een meisje van mijn leeftijd of iets ouder, Sofie, die op een zeker moment van een onbekende plotseling een filosofiecursus cadeau kreeg, en raadselachtige ansichtkaarten ontving die bestemd waren voor een ander meisje, dat ze niet kende. Het boek leerde me dat al die vreemde vragen waar ik mee rondliep - wat betekent het een 'ik' te zijn, een individu; zijn al die andere mensen ook 'ikken' die de wereld door hun eigen ogen bekijken; wat is die wereld dan, als iedere ervaring ervan anders is, hoe kunnen we haar dan kennen; wat is de bedoeling van dit alles? - niet betekende dat ik vreemd was. Er was een woord voor, je kon het studeren, er was eeuwenlang door wijze mannen over geschreven. Ik las over Socrates en Plato, Hume en Berkeley, Kant en Marx. Ik begreep lang niet alles, maar er was een interessevlam in mij ontstoken die voortaan altijd zou blijven branden. En ik leefde mee met Sofie, ik was geschokt toen haar wezen mij duidelijk werd, ik volgde haar in haar confrontatie met haar Schepper, en ik begreep het existentiële Droste-effect dat de schrijver, Jostein Gaarder, aan de hand van de filosofie van Berkeley wilde suggereren. Het deed de rillingen over mijn rug lopen. Wiens personage was ik...?
Een aantal jaren later zat ik in de eindexamenklas. Een van de vakken waarin ik eindexamen deed was tekenen/kunstgeschiedenis. Voor ons schoolonderzoek moesten we een praktijkwerkstuk maken. We konden kiezen uit verschillende opdrachten. Ik koos voor de opdracht 'contrast' - even simpel als interessant - en gebruikte dat om aan de hand van een aantal schetsen een onderzoek te doen naar verschillende manieren om emoties uit te drukken in schilderkunst. Ik maakte inkttekeningen, à la Japanse sumi-e, zwart-wit en zo eenvoudig mogelijk. En ik maakte expressionistische, kleurrijke portretten, geïnspireerd door dat meedogenloze werk, De schreeuw van Edvard Munch. Ik wilde wanhoop tonen, zo ingetogen mogelijk, en zo expressief mogelijk - naast elkaar. Ik ben geen kunstenaar, natuurlijk, dus het eindresultaat zal nooit de muren van een galerie sieren, maar de artistieke en persoonlijke zoektocht was een interessante. En ik beloofde mezelf dat ik ooit dat prachtige doek van Munch in het echt zou gaan bekijken.
Maar dat deed ik niet. Ik ging naar het land van de sumi-e, niet naar het land van Munch; naar het land van kabuki, niet dat van Ibsen en Grieg; naar het land van Murakami, niet dat van Gaarder. Al was het nog zoveel verder weg. Ik bestudeerde Shinto-mythen en -goden, terwijl ik de trollen en de goden uit de Edda links liet liggen. Het land dat mij als kind zo geboeid had, en dat ik zo graag eens wilde bezoeken, verloor het van dat andere prachtige land, dat jarenlang al mijn aandacht (en geld) opeiste.
Tot een jaar of twee geleden. Ik deed mijn master, in Londen, en kwam een vacature tegen voor een promotieplaats aan de universiteit van Oslo waar, toeval of niet, een van de belangrijkste wetenschappers op het gebied van de studie van Japanse religie hoogleraar is. Ik kon onderzoek gaan doen naar ontwikkelingen in shinto, naar identiteitspolitiek, en naar milieutrends. Plotseling was het land dat mij jarenlang gefascineerd had weer in beeld - niet als vakantieland, maar als land waar ik me wilde gaan vestigen. Mijn hoop legde ik vast in Het verhaal van de broodjeszaak.
De promotieplaats kwam er niet - niet omdat het onderzoeksvoorstel niet goed was, want dat was het wel, maar omdat ik mijn master nog niet had afgerond en dus geen kopie van mijn masterdiploma kon tonen. Ik ging niet naar het noorden, nog niet. Het gap year kwam er toch. Wat er toen allemaal gebeurde, weet u, en als u het niet weet kunt u het lezen in The story of our wedding.
Maar het bleef kriebelen. Mijn toekomst lag in de wetenschap, niet in taalonderwijs; in Europa, niet in Vietnam. Ik bleef de website van de universiteit in de gaten houden, periodiek, en als ik er eens een tijdje niet op keek was er altijd wel een betrokken oud-studiegenote die vacatures naar me doormailde (waarvoor dank!). En toen er een aantal maanden geleden een mooie vacature langskwam, solliciteerde ik opnieuw. Terwijl ik wachtte op de uitkomst kwam ik op een dag na wat surfen op internet een prachtige documentaire tegen over Arne Naess, de grondlegger van Deep Ecology. Het versterkte mijn verlangen om mij te gaan vestigen in het land dat ik als kind wilde bezoeken, maar waar ik nog nooit ben geweest.
Het is gelukt. We gaan. Eind augustus. Ik begin mijn werkzaamheden op 1 september, en heb voorlopig een contract voor drie jaar. Ik ga onderzoek doen naar ontwikkelingen binnen shinto in het moderne Japan, maar ik ga wonen in het land van de fjorden, samen met mijn lieve vrouw, die hopelijk binnen niet al te lange tijd een verblijfsvergunning krijgt van de Oslose politie. We gaan de taal leren, we gaan het Munch museum bezoeken, we gaan trektochten maken in Jotunheimen en we gaan langlaufen.
I'm running. I'm late, as usual, but only a few minutes, so I hope they'll still let me in. When I arrive at the theatre building, there's nobody at the entrance to check my ticket. The door is open, and I enter the front hall of the building. It is unusually dark, and there are many people sitting and standing around.
It's hard to determine whether the show has already started, or not yet. Clearly, this is not a regular theatre performance, as it doesn't take place on the main stage. In stead, there are many short performances going on simultaneously in the front hall, on the stairs, and in different rooms backstage.
I leave the front hall, as it is too full of people, and go to the room on the right. There are a number of big cubes scattered around, on which people are sitting. I find a place on one of them. Next to me is an old friend. We were in the same theatre group when we were teenagers, but I'm not sure whether she remembers me. She is wearing some sort of uniform, and it occurs to me that she might actually be one of the actors who is doing this performance.
As she doesn't talk, I figure that the performance hasn't started yet, and I ask her how long the show will continue. She smiles vaguely, and says 'late at night'. I ask her when the interval is, as I didn't have time to go to the toilet before the show, and she says that it's up to me. I don't understand what she means, and I want to ask her, but she looks the other way. The performance seems to have started.
She talks with some other girls, who were in the same theatre group as we. They don't look much older than they did back then. All of them wear uniforms, some are standing on the cubes. I have no idea what they're talking about, but I may be the only one - some other people in the audience are very much involved, and participate by loudly giving their opinion. Maybe they're part of the performance too, who knows. It's so dark that I can hardly see their faces.
Nobody seems to know tonight's program, the visitors nor the actors. At least, that's what they pretend. But perhaps there really isn't any, and I should just accept. I figure that as it's impossible to see everything anyway, I might as well just walk around and see what's going on in some of the other rooms. So I walk around the building, which is filled with intriguing contemporary artworks, whose meaning I don't understand, and sudden outbursts of incomprehensible theatre performances. Overall, the place is pretty dark, but the lighting in some rooms is mysteriously beautiful.
Gradually, the boundaries between art and reality, and those between actors and visitors, get blurred. For some time, I'm walking around with another old friend, but then he suddenly disappears when he has found the room where he is supposed to give a performance - or so I guess. Or was it me who disappeared? I feel like I'm the only one who doesn't really understand what's going on here, the only one who doesn't know their part, the only real outsider in the building. Fortunately, nobody notices, and nobody pays much attention to me.
I continue walking around alone, admiring the artworks, most of which I don't understand - and most certainly will not remember this morning, when I wake up. One exception is the small room where a female artist is making pencil drawings. All her drawings have teddybears on them, but they're not really teddybears, as they're actually made up of other things. I don't get too close, so I can't see what it is the teddybears are made up of. Actually, I don't want to find out, as the drawings strike me as very violent, even though the artist seems normal enough.
I continue my journey through the building, and come across an amazing painting. It could have been made by Miró, if only it wasn't almost completely black. It's a painting of a bed, in which a couple is sleeping. Their eyes are open, yet they sleep. One of them has a white face, the other one a black face. They seem happy, despite the fact that there is very little colour on the painting: just some tiny patches of yellow and blue near the edges. They could have been us.
In the next room, I see a magically colourful painting of a planet, seen from an unusual angle. It has shades of purple and green in it. The artist, who is present in the room, tells me he is inspired by the findings of astronomy and science, which he turns into more abstract, dreamlike images. He shows me satellite images of a spaceship landing on Saturn, saying this is the original footage of the moment humans first set foot on the planet. Only then do I realise that I must be in a faraway future.
Kent u Otje? Ze is de dochter van een kok, Tos genaamd, die illegaal in Nederland verblijft. Hij werkt zwart in een hotel, waar hij door de eigenaars wordt uitgebuit. Tos heeft geen officiële identiteit, want hij heeft geen papieren. Die zijn namelijk zoekgeraakt in het computergebouw. Tos probeert voortdurend werk te vinden, maar zonder papieren is dat moeilijk, dus de twee verkeren steeds in geldnood. Otje kan niet naar school. Als criminelen zijn ze op de vlucht voor de autoriteiten, die hen hun vrijheid willen ontnemen en van elkaar willen scheiden. En dat allemaal door een bureaucratische fout. Zonder papieren ben je officieel namelijk geen mens.
Annie M.G. Schmidt schreef Otje al in 1980, maar het boek kan met recht profetisch genoemd worden. En gelaagd. In de eerste plaats is het gewoon een spannend kinderboek, compleet met pratende dieren, archetypische personages, schitterende illustraties (door Fiep Westendorp) en een happy end. Maar het is ook een donker politiek sprookje, dat een vlijmscherpe kritiek op de toenemende bureaucratisering van de samenleving bevat. Het reduceren van mensen tot een stapeltje papieren ontneemt ze hun fundamentele menselijke waardigheid, zo beschrijft Schmidt. De absurditeit daarvan wordt nergens zo goed duidelijk als in het hoofdstuk waarin de vogels, Otjes vrienden, besluiten Tos te helpen door hem papieren te bezorgen. Trots komen ze terug met reclamefolders, snoeppapiertjes, bankbiljetten en liefdesbrieven, om dan tot hun verdriet en verbazing te horen dat dit niet de juiste papieren zijn. Ze begrijpen er niets van: waarom is iemand die nooit een misdaad gepleegd heeft op de vlucht voor de politie? Wat bedoelen die mensen toch met 'papieren'? Vogels hebben toch ook geen papieren nodig om te kunnen leven...!?
Alle mythen over open grenzen en globalisering ten spijt neemt de bureaucratisering wereldwijd hand over hand toe. In de jaren zeventig reden mijn ouders zonder al te veel problemen met hun busje door landen als Iran, Afghanistan, Pakistan, India en Syrië. Er moest wel eens ergens een stempeltje gehaald worden, maar veel werk was dat niet. De procedures voor het verkrijgen van een visum, maar ook het papierwerk dat nodig is om met je auto door deze landen te rijden, zijn sindsdien vele malen gecompliceerder geworden. Dat geldt in nog sterkere mate voor het verkrijgen van een visum voor het Schengengebied, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten of andere 'vrije' landen - dat is, voor wie niet over een aanzienlijk privékapitaal en/of connecties beschikt, inmiddels welhaast onmogelijk geworden. Bureaucratie is namelijk verworden tot een wapen, dat door overheden van rijke landen wordt ingezet om migratie terug te dringen. Individuele waardigheid en menselijkheid spelen daarbij geen rol. Wie toch erin slaagt zich te vestigen in een van deze landen, maar niet over de juiste stempels beschikt, krijgt het stempel 'illegaal' op zich, wordt gecriminaliseerd en opgejaagd door de autoriteiten, en is de facto rechtenloos. De landen die het meest de mond vol hebben van mensenrechten trekken zich bijzonder weinig aan van de mensenrechtenschendingen die de 'illegalen' in hun eigen land voortdurend aan den lijve ondervinden - uitbuiting, discriminatie, geen toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, en opsluiting en uitzetting zonder vorm van proces. Wie een indruk wil krijgen van hun ervaringen, bekijke de film The Visitor:
Ook binnen de moderne, 'vrije' landen heeft de bureaucratisering schrikbarende vormen aangenomen, zoals iedereen weet die regelmatig stapels papieren in moet vullen. De dienstensector is als een gezwel, dat continu nieuwe 'diensten' uitvindt - lees: dat continu nieuwe procedures produceert - en zo het dagelijkse leven voortdurend compliceert. Verzekeringen, belastingen, goede doelen, salarissen, uitkeringen, bankrekeningen, hypotheken, medische zorg, mobiele telefoons - ondanks alle retoriek over klantvriendelijkheid en gemak, is de realiteit dat ze een voortdurend groeiende hoeveelheid papierwerk produceren. Afijn, ik heb zo'n donkerbruin vermoeden dat ik u daarvan niet hoef te overtuigen. U bent er ongetwijfeld mee bekend. Want om gewoon te mogen leven moet een mens tegenwoordig om de haverklap formulieren invullen, handtekeningen en stempels verzamelen, vergunningen aanvragen, enzovoorts.
Ik kreeg via e-mail een interessante reactie op mijn verhaal Gekkenhuizen. De schrijver van de e-mail interpreteerde mijn ervaringen in het licht van de theorieën van Hannah Arendt over totalitarisme. Arendt onderscheidt een aantal kenmerken van totalitaire staten, die gezien kunnen worden als strategieën om controle over de bevolking te houden. Een daarvan is het doordringen tot, en uiteindelijk zelfs vernietigen van, natuurlijke relaties als familiebanden; een vergaande controle over de privésfeer dus. Daarbij valt te denken aan Stasi-achtige inlichtingendiensten (u bent wellicht bekend met de film Das Leben der Anderen), maar ook aan vormen van symbolisch geweld als, pak hem beet, het verplicht ondergaan van psychische gezondheidstesten als voorwaarde voor een huwelijk (Vietnam), of het ernstig inperken van persoonlijke vrijheden teneinde gezinsvormende en -herenigende migratie te bemoeilijken (Nederland). Een ander kenmerk is een hoge mate van corruptie. Dat is namelijk een vorm van machtsmisbruik door (vertegenwoordigers van) de overheid, die zekerheden en rechten van burgers ondermijnt. Ter illustratie: de meeste Vietnamezen zijn bang voor de politie, en laten daarom vaak na om aangifte te doen van misdrijven, daar de politie bekend staat om haar machtsmisbruik. Corruptie en intimidatie versterken zo de angst voor de autoriteiten.
Een derde kenmerk van totalitarisme is, volgens Arendt, het regeren middels een welhaast ondoordringbare bureaucratie. Welhaast ondoorgrondelijk ook. Per slot van rekening is de rol van de bureaucratie niet het helpen, maar het controleren en beperken van burgers. Als zodanig ondersteunt een sterke bureaucratie de staat in zijn pogingen de bevolking onder de duim te houden. Dat betekent niet dat alleen totalitaire staten gekenmerkt worden door een doorgeschoten bureaucratisering - ook zogenaamde democratische staten bedienen zich ervan, en ook daar heeft het een disciplinerende werking, en stelt het de staat in staat controle over zijn burgers uit te oefenen. Met Max Weber zou ik daaraan willen toevoegen dat het een essentieel onderdeel is van de moderne staat, waarin individuele personen en hun situaties niet meer gezien worden in hun eigen recht, maar geabstraheerd worden tot een setje data, dat moet voldoen aan algemene regels en voorschriften. Een papier waarop staat dat ik 'echt' besta, is pas 'echt' wanneer een daartoe bevoegde instantie er een stempel op plaatst met de mededeling dat het 'echt' is. Pas dan wordt mijn bestaan erkend, en kan ik in aanmerking komen voor, pak hem beet, een huwelijk, of voor toestemming mij voor een bepaalde tijd op het grondgebied van deze of gene staat te bevinden. Descartes' 'ik denk dus ik ben'is gestorven met de bureaucratisering. Denken is in de (post)moderne staat verworden tot, op zijn best, een irrelevant tijdverdrijf. 'Ik heb een paspoort, een sofinummer en een DigiD, dus ik ben' lijkt mij een adequatere beschrijving van de huidige condition humaine.
De vorige keer schreef ik hoe wij erin geslaagd waren het meeste papierwerk voor ons aanstaande huwelijk rond te krijgen, maar op het eind geconfronteerd werden met het feit dat de Nederlandse ambassade weigerde het document waarop staat dat ik momenteel ongehuwd ben te legaliseren. Daarvoor zou een nieuw exemplaar opgehaald moeten worden bij het gemeentehuis waar ik het laatst ingeschreven stond, dat zou gelegaliseerd moeten worden door het ministerie van buitenlandse zaken in Den Haag, en vervolgens nog eens door de Vietnamese ambassade. Mocht het zo zijn dat het eerst nog vertaald moet worden naar het Vietnamees, dan zou het ook nog eens gelegaliseerd moeten worden door het ministerie van justitie. Ik zou mijn familie dus met een aardig karweitje opzadelen.
Godzijdank maken de autoriteiten in Hanoi bij nader inzien toch geen onderscheid tussen een officieel gelegaliseerd document enerzijds, en een gecertificeerde kopie, dan wel een door de Nederlandse ambassade geproduceerd document waaruit blijkt dat het oorspronkelijke document 'echt' is, anderzijds. Voor dertig euro kreeg ik van de ambassade een brief mee, waarmee ik naar het juiste Vietnamese consulaire loket kon stappen. Die zetten een nieuwe stempel - tegen betaling natuurlijk. Uiteindelijk gingen we naar een officiële vertaler. Nog een document, nog een stempel, en het formulier kan eindelijk terug naar het provinciehuis in Tam Kỳ, achthonderd kilometer ten zuiden van hier.
Even dacht ik dat daarmee de ergste bureaucratische storm voorlopig was gaan liggen, dat ik me in alle rust kon gaan richten op mijn leven hier in Hanoi, op mijn nieuwe parttime baan aan een talenschool, op het congres waar ik volgende week aan deelneem, en op het artikel dat ik aan het schrijven ben. Maar helaas, ik had te vroeg gejuicht. Het circus begint pas.
Tot voor kort was het relatief eenvoudig voor buitenlanders om langere tijd in Vietnam te verblijven. Het enige dat nodig was voor een visum met een geldigheid van zes maanden was een stapeltje dollarbiljetten, meer niet. Het is een van de redenen voor het feit dat Vietnam een steeds populairder bestemming werd voor buitenlandse taaldocenten en gelukzoekers. Officieel moet iedereen die hier werkt weliswaar binnen enkele maanden een aanvraag doen voor een werkvergunning, maar de procedure daarvoor is ingewikkeld en kostbaar, en duurt bovendien erg lang (een half jaar is gebruikelijk). Weinig mensen namen die moeite, en weinig werkgevers maakten zich daar druk over.
Twee maanden geleden heeft de Vietnamese overheid het roer radicaal omgegooid. Het is niet meer mogelijk om een visum voor zes maanden te krijgen, tenzij je een werkvergunning hebt. Wie hier wil werken, heeft drie maanden de tijd om een baan te vinden en een werkvergunning aan te vragen - tamelijk absurd, gezien de duur van de procedure. Lukt dat niet, dan mag hij wieberen, zo luidt de nieuwe wet. Wie freelance werkt, op afstand, als schrijver of vrijwilliger, of helemaal niet, is de pineut: hij krijgt geen nieuw visum, ook niet als hij hier al tien jaar woont. Het gevolg: de expatgemeenschap is in rep en roer, de eerste ongelukkigen hebben hun koffers reeds gepakt om hun heil elders te zoeken, vele honderden kleine en middelgrote talenscholen verliezen hun docenten en zullen op termijn hun deuren moeten sluiten, prijzen voor taalcursussen zullen stijgen, en de Engelse taalvaardigheid van de bevolking zal over het algemeen afnemen. De regering wil namelijk dat het aantal buitenlanders dat op de bonnefooi naar het land reist om hier te gaan werken afneemt, en verandert daarom van het ene op het andere moment de migratiewetgeving - zonder daarbij rekening te houden met de positieve gevolgen die de aanwezigheid van westerse werknemers heeft op de lokale economie, en zonder rekening te houden met de grote vraag onder de stedelijke middenklasse naar buitenlandse taaldocenten.
Wanneer ik een werkvisum wil, wacht mij een nieuwe stapel papierwerk. Een verklaring van gedrag, 35 euro, aan te vragen in Nederland, en vervolgens voor 30 euro te laten bestempelen door de ambassade alhier. Een stapel documenten en verklaringen van mijn nieuwe werkgever. Gelegaliseerde (daar gaan we weer) kopieën van mijn diploma's. Een certificaat waaruit blijkt dat ik bevoegd ben om Engels te doceren, wat ik niet heb. Een gezondheidstest (een lichamelijke, voor de verandering), uit te voeren in een (goede doch peperdure) internationale kliniek, en natuurlijk niet vergoed door mijn verzekering. Het bewijs van inschrijving bij de lokale politie, wat ik niet heb omdat onze hospita bang is om naar de politie te gaan. Het officiële geldbedrag voor een aanvraag. Eventueel smeergeld. Dus ik ga me daar tweehonderd euro neertellen omwille van een parttimebaantje, met een uursalaris van nog geen vijftien euro, en nul komma nul bonussen, vakantiegeld, betaalde vrije dagen, ontslagbescherming enzovoorts? Zijn ze nou helemaal gek geworden?
Het alternatief is nauwelijks goedkoper: begin december, wanneer mijn huidige visum afloopt, voor korte tijd het land verlaten, om bij een Vietnamese ambassade in het buitenland een nieuw visum voor drie maanden te krijgen. Dat wil zeggen: ik hoop maar dat ik een nieuw visum voor drie maanden kan krijgen, na reeds visa voor, respectievelijk, een, zes en drie maanden versleten te hebben. Het angstbeeld van een wanhopige ik die bij de ambassade in Vientiane of Kuala Lumpur vergeefs smeekt om een nieuw visum, en vervolgens zijn eigen bruiloft niet bij kan wonen, doemt bij tijd en wijle op. Als we eenmaal getrouwd zijn, lijkt het ietsje makkelijker te worden - dan is er, mits ze die wetgeving niet ook veranderd hebben, de mogelijkheid om een tijdelijke verblijfsvergunning aan te vragen. Ook daarvoor moet natuurlijk weer een grote hoeveelheid papierwerk overlegd worden, vergelijkbaar met bovenstaande, en dan zit ik nog steeds met het probleem dat ik eigenlijk niet bevoegd ben hier te werken - maar dan hoef ik me tenminste geen zorgen te maken over of ik hier mag blijven. Tot die tijd is het evenwel angstig afwachten.
Laat ik maar gewoon eerlijk zijn. Hoe opgelucht ik ook ben dat we een fijn appartementje gevonden hebben, en dat de allergrootste financiële zorgen binnenkort ten einde zijn omdat ik weer aan het werk ben, ik heb niet de intentie hier langer te blijven dan strikt noodzakelijk. Mijn leven in Vietnam is niet meer spannend en nieuw, maar serieus en onzeker. Het vooruitzicht van het vele papierwerk maakt moe. Maar bovenal: ik heb het wel weer gezien, tieners Engelse grammatica doceren, 's avonds en 's weekends werken, niemand kennen met wie ik de discussies kan voeren die ik in Londen voerde over wetenschap, religie en politiek. Nu mijn gap year zijn tweede jaar ingegaan is, wordt de wens naar een serieuze, uitdagende baan in een inspirerende omgeving steeds sterker.
Natuurlijk moet ik gewoon promoveren, en verder werken aan mijn wetenschappelijke carrière. Het congres waar ik afgelopen augustus aan deelnam maakte dat weer eens haarfijn duidelijk. Natuurlijk moet ik geen Engelse grammatica doceren, maar godsdienstwetenschappelijke theorie. En natuurlijk moet ik gewoon onderzoek doen, schrijven, lezen en leren van gesprekken met verstandige mensen. De grote vraag is waar. AiO-plaatsen in de geesteswetenschappen zijn momenteel ongeveer even dun gezaaid als vestigingen van McDonalds in Noord-Korea. Mijn generatiegenoten en ik hebben de domme pech dat we afstuderen op het moment dat de economie als een plumpudding in elkaar stort, en goede banen voor academici alleen nog met een vergrootglas gevonden kunnen worden. Dat geldt helemaal voor mensen met academische ambities. Prove me wrong, zou ik zeggen, en mail me die droomvacature - ik kan hem in elk geval niet vinden.
Het meest voor de hand liggende zou zijn te stoppen met wachten op vacatures in Nederland en haar buurlanden (waar ik niet eens alle relevante universiteiten ken), maar gewoon mijn geluk te beproeven in de ultieme meritocratie: de Verenigde Staten. Ik heb de indruk dat daar veel meer interessante dingen gebeuren dan in Europa - maar misschien zijn de universiteiten daar gewoon veel beter in PR, dat kan natuurlijk ook. Hoe het ook zij, er is een handvol universiteiten in de VS waaraan ik graag verder zou studeren. Het probleem is evenwel de aanmeldingsprocedure. Een motivatiebrief en een CV kan ik hier wel opstellen, en vroegere docenten om aanbevelingsbrieven vragen moet ook wel lukken per e-mail. Maar daar blijft het niet bij. Ik moet officiële, door mijn vroegere universiteiten uitgegeven cijferlijsten opsturen, of door hen gecertificeerde kopieën van de originelen. Ja joh, ik vlieg wel even op en neer van Vietnam naar Nederland en Londen om daar de benodigde stempels te krijgen, waarom ook niet. Ik moet een zogenaamde GRE-test doen, die me ruim honderd euro kost, en waarvoor ik naar Saigon moet vliegen. Eén universiteit eist een TOEFL-score, óók voor studenten die reeds in een Engelstalig land gestudeerd hebben, die minder dan twee jaar oud is - grappig, als je bedenkt dat ik mijn laatste TOEFL-test (circa 150 euro, een score van 98%) twee jaar en twee maanden geleden deed. En laat ik vooral niet vergeten te vermelden dat universiteiten een 'admission fee' eisen van 50 à 75 euro - om vervolgens zo'n vijf procent van het aantal aanmeldingen toe te laten. Vier aanmeldingen kosten dus 250 euro, plus de kosten die men in Londen en Leiden in rekening brengt voor het sturen van officiële cijferlijsten (zo mogelijk!), plus de kosten om een GRE-test te gaan doen in Saigon, en eventueel nog een TOEFL-test ook. Leuk hoor, zo'n avontuur, en geweldig hoor, zo'n Amerikaanse topuniversiteit - maar op dit moment heb ik er het geld noch de energie voor. Oh ja, de deadline waarop alle papieren binnen moeten zijn: begin december.
Ben ik nou de enige die een spontane burn-out krijgt bij het lezen van de webpagina waarop staat welke papieren overhandigd moeten worden? Ben ik de enige die het nut niet ziet van een veredelde test rekenen en begrijpend lezen, of van een nieuwe Engelse taaltest? Ben ik de enige die niet begrijpt waarom mijn diploma's 'echter' zijn wanneer er een stempel op staat? De wereld is een dorp, we communiceren via het internet, maar de bureaucratische verslaafdheid aan stempels is onuitroeibaar, en dus moet ik naar een loketje in London met een origineel velletje papier om dat daar te laten kopiëren en bestempelen. Dat is toch te zot voor woorden? Waarom is er geen database waar internationaal erkende universiteiten gegevens over diploma's en cijfers kunnen invoeren, opdat andere universiteiten ze kunnen opvragen? Waarom wordt die niet gemaakt? Ben ik nou zo slim, of zijn zij nou zo dom?
Stel dat ik aangenomen wordt, dan heb ik nog geen zekerheid over financiering, en zal ik opnieuw een aanvraag moeten doen (met alle papierwerk dat daarbij komt) voor een beurs. Vervolgens moet ik met een stapel papieren naar de Amerikaanse ambassade, om een visum te kunnen krijgen voor mijn echtgenote en mijzelf. Ook als we niet naar de Verenigde Staten gaan gaat dat nog leuk worden trouwens. Weet u wat er nodig is om een Nederlandse machtiging voor verblijf (het document dat voorafgaat aan een eventuele verblijfsvergunning) te krijgen voor haar? 850 euro 'administratiekosten', een taal- en 'inburgerings'test ter waarde van 350 euro (plus 70 euro voor een dvd met een nationalistisch propagandafilmpje), en, niet geheel onbelangrijk, ik moet een vaste baan hebben met een fatsoenlijk salaris (ten minste 130 procent van het minimumloon) en een contract dat op het moment dat de aanvraag gedaan wordt nog ten minste twaalf maanden geldig is (ergo, op het moment dat het contract getekend wordt, moet het langer geldig zijn dan een jaar - kom daar maar eens om, als je ergens nieuw in dienst wordt genomen). Ik maak me ook geen illusies over de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning in, pak hem beet, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Noorwegen of Canada. Een hoge berg wacht ons, hoe dan ook.
Is er leven op Pluto, vraagt een mens zich soms af. Kun je dansen op de maan? Is er een plaats onder de sterren waar we heen kunnen gaan, samen, waar we gewoon mogen leven en werken en zijn, zonder daarvoor eerst een fortuin te betalen en drie stapels papieren in te vullen en te laten bestempelen? Vertel het me.
Ik ben van de Europese generatie. Open grenzen zijn voor mij een vanzelfsprekendheid. Frankrijk, Duitsland, België en Groot-Brittannië liggen voor mijn gevoel om de hoek, en een bezoekje aan of langdurig verblijf in een van die landen zie ik als de gewoonste zaak van de wereld. De vrijheid om je ongehinderd te kunnen voortbewegen, en daarbij zonodig landsgrenzen te oversteken, is een historische verworvenheid, en een van de redenen waarom ik een groot voorstanderben van Europese integratie. Sterker nog, ik ben voorstander van een letterlijk grenzenloze wereld – een vrij radicaal politiek standpunt, dat indruist tegen de meeste gangbare opvattingen over migratie, daarvan ben ik me wel bewust. Het concept ‘natiestaat’ mag van mij doodverklaard worden, en begraven in de zwarte pagina’s van de geschiedenisboeken. De nationalistische renaissance die de afgelopen vijf jaar de Europese televisieschermen, opiniepagina’s en verkiezingsuitslagen teistert bekijk ik dan ook met argusogen.
Desalniettemin ben ik gefascineerd door het fenomeen landsgrenzen. Dat was ik al toen ik als klein kind het drielandenpunt in Vaals bezocht, en dat ben ik nog steeds. Om de een of andere reden zoek ik steeds interessante grenzen op. Ik stond bij de grens tussen Libanon en Israël, en die tussen Noord- en Zuid-Korea. Ik bezocht Betlehem, in de Palestijnse Westelijke Jordaanoever, en zag de verschrikkelijk lelijke muur die Israël daar illegaal op Palestijns grondgebied gebouwd heeft (daarmee Palestijnse burgers hun bewegingsvrijheid verder ontnemend). Ik zal ook niet snel vergeten hoe ik in hartje Koerdistan te voet een onbekende grensovergang tussenTurkije en Syriëoverstak. Dergelijke grenzen hebben voor mij tegelijkertijd iets absurdistisch als iets exotisch.
Wij vinden het vanzelfsprekend dat we kunnen gaan en staan waar we willen, ook buiten Europa. Akkoord, soms moeten er wel eens wat bureaucratische horden overwonnenof banbiljetten neergelegd worden voor een visum, maar uiteindelijk beschouwen we het als ons geboorterecht elk oord ter wereld te mogen bezoeken, mits we het ons financieel kunnen veroorloven. Noemt u mij een plaats op deze wereld waar geen Lonely Planet-reisgids over geschreven is. Een vakantie naar Thailand, Bali, Gambia of Cuba – het is inmiddels de gewoonste zaak van de wereld. De avontuurlijken en verveelden onder ons begeven zich naar Bhutan, Myanmar, Oezbekistan of, waarom ook niet, Antarctica. Wij hebben, kortom, alle bewegingsvrijheid die we ons maar wensen. Wij kunnen over land van Vladivostok naar Kaapstad reizen, als we dat zouden willen. En we staan eigenlijk zelden of nooit stil bij hoe bijzonder dat is, vanzelfsprekend als we het vinden. Echter, deze bewegingsvrijheid geldt alleen voor inwoners van landen die gelden als ‘rijk’ (Europa, Noord-Amerika, Australië en Japan). De overgrote meerderheid van de wereldbevolking, die ons beschouwt met een mengeling van afgunst, bewondering en afkeer, mag likkebaardend kijken naar Hollywoodfilms, commercials en sitcoms, Coca-cola drinken, en dromen over het Beloofde Land - ondertussen donders goed wetend dat ze zelf nooit of te nimmer ook maar een landsgrens zullen oversteken.
Wanneer ik op vakantie wil naar Thailand, Marokko, Indonesië of Turkije, dan koop ik een ticket, en dan krijg ik bij aankomst een stempel of visum. Misschien moet ik een briefje invullen met mijn persoonlijke gegevens, misschien moet ik een of twee tientjes betalen, maar daar blijft het bij. Meer bureaucratie is niet nodig. Ik kom uit het rijke Nederland, ik heb een creditcard op zak, dus ik ben welkom. Echter, wanneer iemand van buiten Europa, die in een ‘arm’ land woont, op vakantie wil in Europa, dan moet hij of zij zich door een bureaucratische jungle worstelen waar de honden geen brood van lusten. Weet u wat iemand uit Vietnam, Egypte of Brazilië aan documenten moet verzamelen om zelfs maar in aanmerking te komen voor een toeristenvisum? Weet u wat voor stapel papierwerk nodig is voor een weekje Keukenhof, Eiffeltoren en Colosseum, of voor een bezoek aan de (aanstaande) schoonfamilie? Houdt u zich goed vast, daar gaan we:
Which documents must be submitted before individual visa applications can be considered?
A) For all applicants the following general requirements apply, regardless the purpose of visit:
-A passport or official travel document accepted by the SCHENGEN countries and valid for at least 3 months longer than the validity of the visa, with a blank visa page
-One application form affixed by a recent passport photo, filled out completely and signed by the applicant with 1 extra recent passport photo.
-Payment of visa fees, non-refundable.
-Identity card
-Travel medicalinsurance(for the EU, at least coverage of 30.000 EUR), covering eventual fees for health care, hospital emergencies and medical repatriation, to be submited after the application has been approved). Diplomatic and Official Passport holders are exempted.
-Confirmed flight reservation
-Applicants must personally submit the documents.
B) Additional specific required documentation supporting a visa application depends on the purpose of the visit :
1.Purpose of visit: Visiting friends/relatives:
-Invitation or sponsor letter of the inviter, which has been legalized by his/her municipality/city town hall (this letter is only valid for 3 months)
-Proof of relationship to relative (i.e. birth certificates, residential registration book, marriage certificate)
-A copy of the inviter’s Dutch passport or a copy of his/her residential permit.
-If friend/relative finances the stay: his/her last three monthly salary slips, copy of labour contract and confirmation of employment.
-If applicant finances the stay: proof of properties or of solvability: e.g. bankbook, house/land owership certificates.
-approval of leave from employer If applicant is employed
2.Purpose of visit: Business
-Invitation letter from Dutch company
-If self-employed, copy of applicant’s company’ business registration with Plan and Investment Department (original must be shown for verification)
-Official letter from employer stating purpose of travel, stating who will finance the business trip.
-Supporting document: proof of solvability (tax payments, financial report, bank book of the last three months)
-Proof of trading history between the foreign company and (employer of) applicant
3.Purpose of visit: Tourism
-Travel plan from a travel agency
-Confirmed hotel reservations
-Proof of solvability: e.g. bankbook of current and previous calendar years or valid credit card
-If employed: approval of leave by employer.
4. Purpose of visit: Conference/Course/Training
-Invitation from the organiser of conference/course in our home country, to be forwarded directly by this company to the Embassy
-Original letter from employer stating purpose of conference/course and stating who will finance conference/course.
-Proof of payment for conference/course or proof of solvability
Voor de goede orde: het gaat hier om een lullig toeristenvisum, niet om een permanente verblijfsvergunning. Kunt u het zich voorstellen, dat u een weekje op vakantie gaat in Turkije, en een dergelijke bureaucratische ellende zou moeten doorstaan? U zou verontwaardigd een andere vakantiebestemming zoeken, en gelijk heeft u. Maar voor wie uit een 'arm' land komt, en Europa wil bezoeken, is dit de harde realiteit. Europa is namelijk bang. Bang voor de boze buitenwereld, die vol parasieten is. Die parasieten wil men koste wat kost buiten de deur houden. U ziet het: de xenofobische paranoia is lang en breed geïnstitutionaliseerd.
Let wel: ook als aan alle voorwaarden voldaan is, behouden Europese ambassades zich het recht voor visa te weigeren. Dat doen ze dan ook regelmatig. Zeker Nederland is een kampioen waar het gaat om het weigeren van mensen, met alle persoonlijk leed van dien. Op de website van de Stichting Buitenlandse Partner staan hartverscheurende verhalen te lezen van mensen die hun partner maar niet naar Nederland kunnen halen. Afgewezen op grond van 'onvoldoende financiële middelen' - zelfs wanneer de aanvrager heeft aangetoond wel over de vereiste middelen te beschikken - of, erger, 'vestigingsgevaar' - een nietszeggende term die door elke chagrijnige IND-fascist gebruikt kan worden om een dikke vette NEE door een naam te zetten. Volstrekt willekeurig. Heet de aanvrager Mohammed? Komt hij uit een schurkenstaat? Heeft hij een louche kop? Is er ergens een formulier niet helemaal correct ingevuld? 'Vestigingsgevaar'!
En dan ben je weer honderd euro kwijt, plus de reiskosten om naar de ambassade te komen (immers, elke aanvraag moet persoonlijk gedaan worden). Dan mag je uithuilen, het opnieuw proberen, en weer afgewezen worden. Want FortEuropa is bang.
Stel dat het lukt. Je hebt een liefhebbende en enigszins vermogende schoonfamilie die je uitnodigt, bereid is de vernedering te ondergaan hun loonstrookjes op te sturen naar en te laten bestuderen door ambtenaren wiens raison d'être het pesten en dwarszitten van mensen is (wat voor mensen zouden er nou solliciteren naar een baan bij de IND? Heeft u zich dat wel eens afgevraagd? Louter sadisten, die er genoegen in scheppen mensen het leven zuur te maken? Moraalloze pragmatici, die een goedbetaalde baan willen, om vervolgens 'gewoon hun werk te doen'? Of ook ideologisch overtuigde, oprecht racistische Verdonkianen? Ik zou het niet weten...), en zich te laten screenen door de AIVD. Je slaagt er met hun hulp in een toeristenvisum te bemachtigen, en je bezoekt het land van je geliefde. Je besluit samen verder te gaan. Wat dan?
Je zou natuurlijk kunnen gaan leven in het land van de andere partner. Probleem opgelost. Sommige mensen kiezen hiervoor. Je begint een leuk restaurantje of hotelletje, je zet je in voor een liefdadigheidsorganisatie, je geeft Engelse les. Je redt je wel.
Maar er zijn verschillende redenen te bedenken om je niet permanent in een land als, pak hem beet, Vietnam te willen vestigen. Zo is niet iedereen tevreden met een toekomst als hoteleigenaar of taaldocent - sommige mensen hebben ambities die elders liggen. In concreto: een academische carrière in Vietnam, ik zie er weinig heil in. Buiten dat: ik wil mij niet permanent vestigen in een land waar ik continu geconfronteerd wordt met boze racistische blikken en tongen, waar ik serieus moet oppassen met wat ik schrijf en zeg omdat er geen vrijheid van meningsuiting is, waar corruptie en nepotisme hoogtij vieren, en waar ik om verschillende redenen nooit of te nimmer mijn kinderen naar school zal willen laten gaan.
Je zou denken dat het een grondrecht is je te vestigen in je land van herkomst, samen met je partner. Helaas, de Nederlandse overheid denkt daar anders over. Onder het toeziend en goedkeurend oog van de normen-en-waarden predikende huichelaar Jan-Peter B., minister-president namens het Christen Democratisch Appèl, heeft de Volkspartij voor Vrijheid (het meest betekenisloze, wat zeg ik, verkrachte woord in de Nederlandse politiek - Wilders was niet de eerste) en Democratie enkele jaren geleden verzonnen dat Nederlanders met een laag inkomen niet meer in hun eigen land mogen wonen met hun echtgeno(o)t(e). Is dat nou vrijheid, VVD? 'Alleen als je geld hebt, dan is de vrijheid niet duur', zo zong het Klein Orkest lang geleden al... En geacht CDA, was het gezin niet de hoeksteen van de samenleving, volgens u? Of geldt dat niet voor gezinnen met een, oh jakkes, buitenlander in de gelederen? Zijn dat die normen en waarden waar u op doelt: een gezin uit elkaar trekken?
Het is duidelijk. Zolang ik geen vast inkomen heb dat ruim boven het minimumloon ligt, zal ik mij niet met mijn geliefde in Nederland kunnen vestigen. Met dank aan Balkenende en Verdonk. Met dank aan de xenofobische paranoia jegens 'importbruiden'.
Zelfs als ik wel genoeg verdien, is het nog niet zeker dat ze met me in Nederland kan gaan wonen. Daarvoor moet namelijk eerst een taaltest gedaan worden. Om je in Nederland te mogen vestigen, moet je eerst bewijzen dat je de taal spreekt, door een telefonisch examen te doen op de Nederlandse ambassade in je land. Mijn God, kan dat nou echt niet na aankomst? Die hele obsessie met de Nederlandse taal is even absurd als triest. Alsof men niet kan functioneren in Nederland zonder eerst in het eigen land een paar woordjes van de taal geleerd te hebben. Volstrekte flauwekul natuurlijk. Maar kennis van het Nederlands is nu eenmaal verworden tot een symbool van nationale loyaliteit, en een stokpaardje van alle neo-nationalistische politici, links, rechts en in het midden. Zeggen dat migranten zich best in Nederland kunnen redden zonder eerst wat woordjes gestampt te hebben is vloeken in de kerk.
Buiten de taaltest moet men op de ambassade ook een zogenaamde 'inburgeringstest' doen. Vantevoren wordt men geacht een DVD te bestellen, waarop de film Naar Nederland staat. Voor 65 euro (!) krijgt men wat suffe, nationalistische propaganda voorgeschoteld, compleet met een paar pornografische plaatjes (want in Nederland, daar zijn we zoooo vrij, daar mag een vrouw met haar blote tieten over het strand lopen! Wat zijn wij toch Verlicht...!). En dan mag men daar vervolgens vragen over beantwoorden. 'Wat doe je in Nederland als je twee mannen ziet zoenen?' 'Wat doe je als iemand een feestje geeft en je bent niet uitgenodigd?' 'Wat doet Sinterklaas met stoute kinderen?' Dergelijke kulvragen. De neo-nationalistische ideologie druipt er van af.
Denkt u echt dat een taaltestje en een suffe propagandafilm 'integratieproblemen' oplossen? Ik mag hopen dat u niet zo naïef bent. Helaas, de meerderheid van uw gekozen volksvertegenwoordigers is dat wel.
Laten we de dingen maar bij hun naam noemen. Deze test is gewoon een ordinaire manier om het arme kaf van het rijkere koren te scheiden, en en passant de staatskas een beetje te spekken, niets minder. Weet u wat een dergelijk examen kost? 350 euro. 350 euro, voor een lullig testje, telefonisch afgenomen door een computer... Drie maandsalarissen, jawel! Daarbij komen nog de reiskosten om naar de ambassade te gaan (weer een maandsalaris) en de absurde prijs van die DVD (weer een half maandsalaris). Ja, zo filter je de proletariërs er wel uit! Het is dan ook weinig verwonderlijk dat:
sinds de invoering van de Wet Inburgering Buitenland het aantal aanvragen met meer dan de helft [is] gedaald. Alleen hoger opgeleiden komen nu nog binnen. Wat er met de rest gebeurt, lijkt de regering niet te boeien. Of toch? De Wet blijkt een vondst: wat met embryoselectie niet mag, mag gerust met buitenlandse partners: alleen als ze rijk, mooi en slim zijn. (...)
De wet inburgering buitenland discrimineert niet alleen naar sociale afkomst maar ook naar nationaliteit. Burgers van Nieuw-Zeeland, Japan of Zuid-Korea hoeven niet, maar van China, Peru of Georgië moeten wel slagen. Human Rights Watch heeft een tijdje geleden Nederland aan de schandpaal genageld voor deze discriminatie en onredelijke barriere voor het gezinsleven. Ook de Gezinsherenigingsrichtlijn waar Nederland enkele jaren gelden mee heeft ingestemd, staat dit beleid niet toe. Je mag het volgen van een cursus opleggen voor de toelating, maar niet een bepaald kennisniveau eisen. Bovendien moet een lidstaat bij een verzoek tot gezinshereniging alle individuele omstandigheden en belangen meewegen in het besluit. Dat verzuimt Nederland consequent: de computer bepaalt zelfstandig of het gezinslid mag komen.
Het is dat u er woont, en dat ik u mis. Het is dat het Hogeland er te vinden is, de Waddenzee, de Lemelerberg, Gaasterland, het Geuldal en de Hoge Veluwe. Het is dat Amsterdam, Groningen, Leiden, Maastricht, Utrecht en Nijmegen de mooiste en gezelligste steden van de wereld zijn. Het is dat een leven zonder hollandse nieuwe, pannenkoeken, zoute drop en witbier van de tap een beetje leeg is. Anders zou ik zeggen: weet u wat, Nederlandkan me gestolen worden.
Kent u Het vogeltje dat te ver vloog? Het was een van mijn favoriete prentenboeken, ooit. Om de een of andere reden moet ik er steeds aan denken. Het verhaal gaat ongeveer als volgt:
In een nestje tussen de klimop zat een heel klein vogeltje. De hele dag vlogen vader en moeder af en aan om eten te brengen: vliegjes en wormpjes. zo kon het vogeltje gauw groot worden. Toen het zijn vleugels goed op en neer kon bewegen, gaf zijn moeder hem zijn eerste vliegles. “Ga op de rand van het nest zitten”, zei ze. “Koppie op en klapper met je vleugels! Dan moet je opspringen, de lucht in, en proberen naar die muur te vliegen! Dat is genoeg voor de eerste keer.”
Het vogeltje ging op de rand van het nest zitten. Het hield zijn kopje op, fladderde met zijn vleugels en sprong de lucht in. Wat gek! Hij viel niet. Dat vliegen ging best goed. “Ik kan nog wel verder vliegen dan die muur.” dacht het vogeltje. “Ik kan over die hele akker heen vliegen. En .. Over die daar .... En over de rivier! .. Nu kan ik de hele wereld bekijken .”
En vlugger en vlugger bewoog het zijn vleugels. Vliegen was heerlijk! Maar na een tijdje begonnen de vleugels van het vogeltje pijn te doen. Het moest een plekje vinden om uit te rusten. Maar waar? In een nest natuurlijk! Daar zag hij een nest boven in een boom. Een groot nest, dat gemaakt was van takjes, Het zag er erg slordig uit. Op het nest zat een grote zwarte kraai.
“Mag ik bij je komen zitten om uit te rusten?”, vroeg het vogeltje. “Kun je krassen: Kra, kra, kra?” , vroeg de zwarte kraai. “Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep! Tjiep!” “Dan mag je er niet in ...... bij mij hoor je niet!” Het vogeltje vloog verder en al gauw zag het weer een nest. Boven in een struik. Het vogeltje was zo moe, dat het zijn vleugeltjes nog maar net op en neer kon bewegen. Er zat en houtduif met mooie zachte veren.
“Mag ik bij je komen zitten om uit te rusten?”, vroeg het vogeltje. “Kun je koeren: roekoe, roekoe, roekoe?”, vroeg de grijze houtduif. “Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep! Tjiep!” “Dan mag je er niet in .... bij mij hoor je niet!. Het vogeltje vloog verder. Het was nu èrg moe. Gelukkig zag het een grote boom met een gat erin. Daar zou hij vast in kunnen kruipen om uit te rusten. Het vogeltje keek naar binnen. In het gat woonde een bruine uil met een kromme snavel.
“Mag ik bij je komen zitten om uit te rusten?”, vroeg het vogeltje. “Kun je oehoe, oehoe, oehoe roepen?” vroeg hij. “Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep! Tjiep!” “Dan mag je er niet in .... bij mij hoor je niet!"
Langzaam vloog het vogeltje verder tot aan de oever van de rivier. Daar zag hij een nest . Dat nest was gemaakt van biezen en riet en lag vlak aan het water. Het was groot en leek een heerlijke plaats om uit te rusten. Het vogeltje hupte er naar toe. Een wilde eend met een brede gele snavel zat op het nest. “Mag ik bij je komen zitten om uit te rusten?”, vroeg het vogeltje. “Kun je snateren: kwaak , kwaak, kwaak?” vroeg de wilde eend. “Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep! Tjiep!” “Dan mag je er niet in ...... bij mij hoor je niet!”
Het vogeltje was zo moe, dat het niet meer kon vliegen. Het begon al donker te worden. Vlakbij zag het een grote vogel rond hippen. “Hoor ik soms bij jou?” vroeg het doodvermoeide vogeltje. Ik kan alleen maar tjilpen, tjiep, tjiep, tjiep!”
“Natuurlijk hoor je bij mij”, zei de grote vogel. “Ik ben je moeder en ik heb de hele dag naar je gezocht. Ga maar gauw op m’n rug zitten. dan vlieg ik je naar huis.”
Het vogeltje vond het heerlijk om op de rug van zijn moeder te kruipen. Hoog over de bomen bracht zij hem terug naar het nestje tussen de klimopbladeren. Daar kroop het vogeltje onder de warme vleugels van zijn moeder. En was meteen vast in slaap.
"Heb je euro's? Knisper, knisper, knisper?" "Nee, ik heb alleen maar toekomstdromen. En een lieve man/vrouw bij wie ik wil wonen." "Dan mag je er niet in. Bij ons hoor je niet!" Ik blijf nog even hoop houden. Maar dat ik opzie tegen de strijd die me te wachten staat, zoveel mag duidelijk zijn.