Showing posts with label film. Show all posts
Showing posts with label film. Show all posts

Monday, 27 August 2012

Mijn zomergasten

En voor de zomer goed en wel begonnen was, was ze al weer bijna voorbij. Ik slaagde er niet in alles te doen wat ik me had voorgenomen. Zoals u heeft gezien is mijn jongste schrijfproject, het schrijven van wandelverslagen van de GR5, vooralsnog onaf. Met mijn proefschrift wil het ook niet echt vlotten - ik worstel nog met mijn tweede theoriehoofdstuk - maar ik heb wel een belangrijke paper geschreven en gepresenteerd op een symposium in Kopenhagen, waar ik ook een aantal nuttige contacten heb opgedaan. Behalve in Kopenhagen zijn we in Boedapest, Wenen, Düsseldorf, Amsterdam en Leiden geweest, waar we genoten hebben van het weerzien met oude vrienden, en van de mooie architectuur. Verder hebben we ons een aantal weken teruggetrokken op het Groningse platteland voor een werkvakantie (een fraai oxymoron, vindt u niet?). Van de meegetorste boeken is slechts een beperkt aantal gelezen, helaas.

Het is niettemin fijn om weer eens wat langer in Nederland te zijn. Verandering van spijs doet eten, zegt men; verandering van omgeving kan nieuwe energie geven. De uitgestrekte groene velden vormen een aangename afwisseling op de bossen en heuvels van Oslo. Het is goed om een grote tuin te hebben (een luxe die ons in Oslo niet gegund is), en te kunnen werken in 's lands mooistgelegen stacaravan - dezelfde waar ik ooit mijn masterscriptie schreef. Het is goed om weer even van dichtbij mee te maken wat er zoal speelt in het moederland - van hartverwarmend olympisch patriottisme ('En hij staat! En ik sta ook! En het hele land staat!') tot tenenkrommende verkiezingsretoriek (een minister-president die grossiert in jijbakken en welles-nietes, en geen verantwoording aflegt voor twee jaar van polarisatie en economische stagnatie, terwijl zijn voornaamste uitdager evenmin concrete oplossingen weet aan te dragen; voorwaar weinig reden voor optimisme). Maar het leukste is toch het jaarlijks terugkerende televisiespektakel: Zomergasten.

Toegegeven, ik heb niet alles gezien. Lang niet. Een kort stukje van de aflevering met Henny Vrienten, op internet; te kort om er een oordeel over te kunnen vellen. Delen van de aflevering met Lidewij Edelkoort, een dame die helaas bleek te grossieren in pretentieuze prietpraat en nietszeggende clichés. En, al heen en weer zappend van en naar het teleurstellende lijsttrekkersdebat, delen van de boeiende aflevering met Adriaan van Dis - een fascinerende verteller, die interessante fragmenten had uitgekozen. Ik hoop volgende week nog het tweede deel van het gesprek met Jolande Withuis te zien.

Zoals elke keer na een geslaagde aflevering van Zomergasten kon ik het niet laten mij twee vragen te stellen. Ik vermoed dat ik niet de enige ben die het zich afvraagt. Ten eerste: als ik presentator van het programma zou zijn, en zes mensen zou mogen uitnodigen, wie zouden dat dan zijn? En ten tweede: als ik zelf gevraagd zou worden als gast, welke fragmenten zou ik dan uitkiezen?

Als ik presentator zou zijn, zou ik de volgende gasten uitnodigen (op alfabetische volgorde): Hans Achterhuis, Marlene Dumas, Femke Halsema, Wim Mertens, Jörgen Raymann en Herman van Veen. Hans Achterhuis is een van Nederlands bekendste filosofen; hij heeft boeiende boeken geschreven over geweld en utopisme, maar ook over de 'markt van welzijn en geluk'. Tegenwoordig werkt hij als 'denker des vaderlands'. Marlene Dumas is een Zuid-Afrikaanse kunstenares, woonachtig in Nederland; ze is wereldberoemd vanwege haar expressieve en expliciete schilderijen, zoals de portretten van Osama Bin Laden en Ulrike Meinhof. Femke Halsema is de voormalige partijleider van GroenLinks, en (naar mijn mening) een van de meest visionaire Nederlandse politici van de afgelopen tien jaar; in politiek Den Haag wordt ze tegenwoordig node gemist. Wim Mertens is een Vlaamse componist, pianist en musicoloog; hij is bekend vanwege zijn minimalistische muziek (stukken als Struggle for Pleasure en Often a Bird) en filmmuziek, waarin hij probeert elementen uit de natuur te verbeelden. Jörgen Raymann is een bekende cabaretier en programmamaker van Surinaamse afkomst; hij is een van de meest prominente vertegenwoordigers van de Nederlandse multiculturele samenleving. En Herman van Veen is een van 's lands bekendste zangers en theatermakers, die al decennia op eenzame hoogte staat. Me dunkt dat ik met deze zes gasten een mooi seizoen Zomergasten kan maken. Nu maar hopen dat ze allemaal willen komen...

Als ik zelf gast zou zijn, zou ik ook een mooie televisieavond samenstellen. Ik zou denk ik beginnen met een fragment uit de film Spirited Away, die ik op vijftienjarige leeftijd in Japan zag, en die de nodige invloed zou uitoefenen op mijn latere interesses: een scène waarin een god naar een badhuis gaat, en waarin noties als rituele reinheid en milieuverontreiniging creatief bij elkaar worden gebracht. Het is de tweede helft van dit filmpje:


Dit zou een mooi opzetje zijn voor een gesprek over mijn interesse voor Japanse cultuur, wat me de gelegenheid zou geven het volgende fraaie fragment te laten zien. Het is afkomstig uit een documentaire van de Duitse filmmaker Wim Wenders, en laat zien hoe plastic modellen van gerechten (herkenbaar voor iedereen die ooit in Japan is geweest) vervaardigd worden:


Dit fragment zou aanleiding geven tot een gesprek over de categorieën 'cultuur' en 'natuur', en de verschillende manieren waarop deze op verschillende plaatsen geconceptualiseerd worden. We blijven nog even in Japan, en bekijken een stuk van de documentaire Satoyama, over 'traditionele' Japanse cultuur-natuurlandschappen (met de voice-over van niemand minder dan Sir David Attenborough):


Tijd voor wat theoretische reflectie op de wijze waarop dit soort historisch gevormde beelden genaturaliseerd worden, en waarop ideologische motieven depolitiseerd worden. We gaan praten over processen van mythevorming, aan de hand van een fraai historisch interview met de filosoof Roland Barthes:


De stap van mythevorming en ideologie naar religie is snel gezet. We komen te spreken over de rol van religie in identiteitsvorming, en in differentiatie. Ik vertel over mijn eerste studiereis, op negentienjarige leeftijd naar Libanon, en hoe dit mijn latere denken over religie beïnvloed heeft. Daarbij heb ik gekozen voor een fragment uit de documentairereeks van Jan Leyers, De weg naar Mekka; aflevering zeven, die zich in Syrië en Libanon afspeelt. Hieronder een ander fragment uit dezelfde documentairereeks, omdat ik de betreffende aflevering niet online kon vinden.


We blijven nog even bij het thema religie-identiteit-geweld, en bij verhoudingen tussen christenen en moslims. Het volgende fragment komt uit Adriaan van Dis' fascinerende documentairereeks over het moderne Indonesië; uit aflevering vier, om precies te zijn, die zich afspeelt op de Molukken.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Naar aanleiding van dit fragment zou ik iets kunnen vertellen over mijn eigen ervaringen in Indonesië, en mijn familiegeschiedenis.Vervolgens zou ik het veelgehoorde argument dat 'religie' verantwoordelijk is voor geweld kritisch tegen het licht houden, en laten zien dat radicale vormen van religie niet essentieel verschillen van andere vormen van utopisme; ze kunnen een zelfde legitimerende werking hebben als, bijvoorbeeld, nationalisme of communisme. Ik zou dit aantonen aan de hand van een scène uit The Wind that Shakes the Barley, een fascinerende film van Ken Loach over het ontstaan van de IRA, die de toeschouwer confronteert met moeilijke morele dilemma's en simplistisch goed-kwaad denken problematiseert. Hier alvast de trailer:


Maar religie kan ook inspirerend werken. Het kan mensen motiveren zich in te zetten voor een betere maatschappij, en het kan ze tot steun zijn in moeilijke tijden. Ik zou een fragment laten zien uit een interview met Yusuf Islam, beter bekend als Cat Stevens; een inspirerende man, wiens muziek mij nog altijd weet te raken.


Vroeger of later wordt het gesprek dan minder academisch, en persoonlijker. De presentator (wie zou het zijn?) stelt me de onvermijdelijke vraag: 'Wat geloof je zelf?' Ik weet nog niet hoe ik die vraag ga beantwoorden. Maar ik denk dat ik iets laat zien van een documentaire over een andere inspirerende man, een filosoof-mysticus uit het land waar ik tegenwoordig woon, die wijze dingen heeft gezegd over de verhouding tussen mens en natuur: Arne Næss. Ik vertel over wandelen, en over mijn affiniteit met zijn ideeën.


Als we verder spreken over Noorwegen, komen we ook te spreken over het land en zijn maatschappij - en, onvermijdelijk, over de verschrikkelijke aanslagen van juli 2011. Ik laat een fragment zien uit de toespraak van de minister-president, Jens Stoltenberg, die symbool staat voor de wijze en waardige manier waarop de Noorse bevolking gereageerd heeft op de aanslagen.


Waar mijn interesse voor identiteit en ideologie, mijn politieke betrokkenheid en mijn rechtvaardigheidsgevoel vandaan komen? Van Alfred Jodocus Kwak, natuurlijk. En misschien komt daar ook wel de wens vandaan om ooit met een mooi meisje uit een ver land te trouwen, wie zal het zeggen. Ik zal in elk geval de scène tonen waarin Alfred in de trein zit die teruggaat van Afrika naar Waterland. Hij ontmoet daar zwarte eenden, die hem vertellen over apartheid. En hij ontmoet Winnie, de vrouw van zijn leven. Het is een scène die een onuitwisbare indruk op me heeft gemaakt. Ik zag hem als kind, één keer, en ik ben hem nooit vergeten.


Zuid-Afrika en grensoverschrijdende liefde: dan kan ook Stef Bos niet ontbreken. Een beetje religieus gekleurde romantiek, en een bruggetje om over mijn eigen ervaringen met een 'internationale relatie' te vertellen - over onze bruiloft, bijvoorbeeld, en hoe we daar onze eigen interpretatie van traditionele rituelen hebben gemaakt. Hybride identititeit als bron van creativiteit.


En daarmee zou de stap naar Vietnam gemaakt zijn. Ik zou vertellen over mijn tijd in Vietnam, over de grote veranderingen die dit land heeft doorgemaakt, maar ook over de problemen. En ik zou aandacht vragen voor het leed dat de mensen in dit land is aangedaan, doordat de VS er op grote schaal chemische wapens hebben gebruikt, die tot op de dag van vandaag zorgen voor ziekte, verminking en milieuverontreiniging. Dit is een fragment uit een Australische documentaire.


Maar Vietnam is meer dan alleen de oorlog. Ik zou ook iets moois van het land willen laten zien. Bijvoorbeeld een scène uit The Scent of Green Papaya, een prachtige verstilde film over een straatarm maar optimistisch meisje in Saigon dat droomt van een mooie toekomst. Hierbij de trailer:


Als laatste zou ik een fragment willen laten zien uit een recent interview met Aung San Suu Kyi. Ik heb grote bewondering voor de wijze waarop zij jarenlang, vreedzaam maar doortastend, gestreden heeft voor een vrij en democratisch Birma. De prijs die ze daarvoor betaald heeft is hoog geweest, maar ze heeft de hoop nooit opgegeven. Birma staat nu aan de vooravond van grote veranderingen, zo lijkt het. Laten we hopen dat de belofte wordt waargemaakt, en dat dit land een voorbeeld gaat zijn voor andere totalitaire staten, in de regio en daarbuiten.


En zo zouden we de avond wel vol krijgen. Als keuzefilm zou ik moeten kiezen tussen Spirited Away, The Wind that Shakes the Barley en The Scent of Green Papaya. Daar moet ik nog even over nadenken.

Ik kan niet wachten tot ik word uitgenodigd. Maar ik zal nog wel even geduld moeten hebben.

Friday, 21 October 2011

De tiensprong

Kent u Lola Rennt?  Het is een Duitse film uit 1998, geregisseerd door Tom Tykwer. De hoofdrol wordt gespeeld door Franka Potente. Het is een bijzondere film, die bestaat uit drie delen. Elk deel is gebaseerd op hetzelfde gegeven: meisje heeft een vriendje dat heel snel 100.000 DM nodig heeft om zijn hachje te redden. Zij heeft twintig minuten om hem te redden. In elk deel gebeurt er vervolgens iets anders; kleine verschillen, die grote gevolgen hebben. Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar, zo is de boodschap. Ogenschijnlijk onbelangrijke beslissingen kunnen leiden tot onverwachte gebeurtenissen, die een mensenleven kunnen veranderen.

Het leven is natuurlijk geen film. We zullen nooit weten wat er gebeurd zou zijn als we op bepaalde momenten andere keuzes hadden gemaakt. Maar toch, de film zet aan het denken. Een aanrader.

Het is lang geleden dat ik de film zag, maar ik moest er aan denken toen ik onlangs een dagboek van tien jaar geleden tegenkwam. Daarin las ik het volgende verhaal. Het raakte me, want het ging over mezelf; over mijn toekomst, zoals ik die toen voor me zag. Ik kon veel verschillende kanten op, en ik moest keuzes maken die bepalend zouden zijn voor de rest van mijn leven. Maar de toekomst van toen is het heden geworden, en ik kijk nu terug op toekomstdromen uit het verleden. Ik kijk naar wie ik had kunnen zijn als het net even anders was gegaan. Ik vond het zo bijzonder dit verhaal in een oud dagboek te lezen, dat ik het graag met u wil delen.


21 oktober 2001

Ik heb het gevoel dat de wereld op een kruispunt staat. Vorige maand waren de aanslagen in de Verenigde Staten. Nu bombarderen ze Afghanistan, en wie weet wat ze hierna gaan doen. Het lijkt soms wel alsof er een nieuwe grote oorlog gaat uitbreken... Steeds meer mensen hebben het over een 'botsing der beschavingen'. Gevaarlijke flauwekul, maar men gelooft het wel. Ook in Nederland wordt steeds vaker discriminerend gesproken over de islam, maar ik hoop dat we hier een beetje verstandig blijven.

Niet alleen de wereld staat op een kruispunt. Ik zelf ook. Ik ben een paar weken geleden achttien geworden. Voor de zomer heb ik mijn eindexamen VWO gehaald, en daarna ben ik met mijn vader op reis geweest naar Japan. Dat was geweldig. Ik ben net het huis uit, en woon nu in de stad Groningen. Ik speel fulltime toneel in een gezelschap voor jongeren. Een soort stagejaar, ter voorbereiding op een eventuele beroepsopleiding. We zijn bezig met de repetities voor een toneelstuk over scheidingen en moderne familiebanden, en dat is erg leuk om te doen. Ik weet alleen nog niet of ik hierna auditie ga doen bij een toneelschool. Ik heb altijd acteur willen worden, maar de laatste tijd weet ik niet meer zo goed wat ik wil. Ik hou van theater, maar ik heb ook het gevoel dat ik nog meer wil leren. En ik wil iets goeds doen; een bijdrage leveren aan een betere wereld. Maar hoe?

Vannacht had ik een droom. Ik kreeg bezoek van mezelf. Mijn toekomstige ik was achtentwintig; precies tien jaar ouder dan ik nu ben. Hij begroette me, en vertelde iets over zijn leven. Een paar minuutjes, niet meer, toen ging hij weer weg. Daarna kwam er een nieuwe toekomstige ik, even oud als de eerste. Hij zag er ongeveer hetzelfde uit, maar had andere kleren aan, en langer haar. Ook hij vertelde mij kort iets over zijn leven, dat totaal anders was dan het leven van de eerste ik. Nadat hij weg was, kwam er een derde. Enzovoorts. In totaal kreeg ik bezoek van tien verschillende toekomstige ikken. Ieder had een ander verhaal. Ze waren dezelfde, en toch waren ze verschillend - niet alleen omdat sommige een baard hadden en andere niet, maar ook omdat ze allemaal net iets anders spraken. Ook leek het wel alsof ze niet allemaal dezelfde persoonlijkheid hadden, maar dat is moeilijk te zeggen na zulke korte gesprekjes. Het was hoe dan ook heel bijzonder om ze even te mogen spreken. Maar ik weet nog niet welke ik wil worden.

Dit waren ze:

1. De acteur

"Ik ben mijn jongensdroom trouw gebleven, en daar heb ik geen spijt van. In het voorjaar van 2002 heb ik auditie gedaan bij twee toneelscholen. In Arnhem werd ik helaas afgewezen, maar in Maastricht werd ik aangenomen dus daar ben ik toen heengegaan. Ik heb vier jaar met veel plezier in Maastricht gewoond. Na mijn afstuderen ben ik naar Amsterdam verhuisd. Ik heb in de afgelopen jaren voor verschillende toneelgezelschappen gespeeld. Niet alle rollen waren even bijzonder, maar ik heb wel het gevoel dat ik vooruitgegaan ben. De eerste tijd was het wel eens moeilijk om werk te vinden, en moest ik wel eens op een houtje bijten, maar de laatste tijd gaat het een stuk beter. Ik heb ook in een paar tv-series en films gestaan. Laatst had ik mijn eerste grote rol in een film. De film werd geen groot succes, helaas, maar ik mocht wel aanschuiven bij De Wereld Draait Door, en word nu af en toe herkend in de supermarkt. Maar ik sta toch liever op de planken dan voor de camera. Ik hoop in de toekomst in Engeland te kunnen gaan wonen en werken, maar daarvoor moet ik wellicht nog wat meer ervaring op doen, en beter leren netwerken."


2. De backpacker

"Ik ben in 2002 Japans en Wereldgodsdiensten gaan studeren in Leiden. Dat ging me op zich goed af, maar ik miste toch iets. Het probleem van de wetenschap is dat de focus vooral ligt op woorden, boeken en theorieën - maar de echte menselijke ervaringen worden vaak vergeten. Tijdens mijn studie heb ik wel een jaar in Japan gestudeerd, en een aantal studiereizen gemaakt in het Midden-Oosten. Dat vond ik fantastisch. Toen ik mijn bachelordiploma's binnen had heb ik een tijdje gewerkt in een café. Daarna ben ik met de Trans-Siberië Express naar Mongolië en China geweest. Fantastisch! Vervolgens heb ik lange tijd in Zuidoost-Azië gereisd, en daarna in India. Toen mijn geld opraakte, heb ik mijn Engelse lesbevoegdheid gehaald in Chiang Mai en ben les gaan geven in Bangkok. Later verhuisde ik naar het zuiden van China, en gaf ook daar Engelse les. Ik wist aardig wat geld te sparen. Maar na een kleine twee jaar in China begon het toch weer te kriebelen. Ik ben toen via de oude zijderoute naar het Midden-Oosten gereisd, en vervolgens Afrika in. Veel mooie ervaringen en een paar minder mooie, maar daarover vertel ik een andere keer wel eens. Ik zit nu in Mozambique, prachtig land, ongerepte stranden. Ben van plan om hier met mijn huidige vriendin een guesthouse met restaurant op te zetten, we zijn al druk aan het plannen! Alleen het geld nog..."


3. De journalist

"Toen ik jouw leeftijd had was ik al veel bezig met politiek. Ik vond het belangrijk om iets bij te dragen aan een betere wereld, en ik had het gevoel dat het theater voor mij niet de beste manier was. Ik ben daarna filosofie gaan studeren aan de RUG, maar dat viel me tegen; het was veel te etnocentrisch, en er was te weinig aandacht voor ongelijkheden in de wereld. Ik ben vervolgens overgestapt naar sociologie, en dat beviel beter. Als tweede studie deed ik journalistiek. Na mijn afstuderen heb ik een tijdje door Azië gereisd, waar een aantal reportages van gepubliceerd zijn in kranten en tijdschriften. Tegenwoordig schrijf ik vooral over het buitenlandbeleid van de Nederlandse regering. Ik werk als freelancer, maar heb al stukken gepubliceerd in Trouw, De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Binnenkort begin ik bovendien aan een wekelijkse column voor NRC Next. Ik ben inmiddels van Groningen naar Amsterdam verhuisd. Wellicht dat ik in de toekomst nog een keertje voor langere tijd in het buitenland ga wonen."


4. De monnik

"Ik ging in 2002 Japans en Wereldgodsdiensten studeren in Leiden, en ben me vervolgens gaan specialiseren in het boeddhisme. Ik heb colleges Sanskriet en klassiek Chinees gevolgd, en ben daarna een jaar in Japan gaan studeren. Daar kwam ik in contact met een aantal ingewijde zenmonniken, en via hen ben ik terecht gekomen bij een tempel in Kyoto, waar ik in de zomer van 2005 twee maanden training ondergaan heb. Ik heb vervolgens in Leiden mijn BA Japans gehaald, maar zodra ik klaar was ben ik teruggegaan naar Japan. Ik ben in de leer gegaan bij de Eihei-ji in Fukui, waar de grote meester Dogen onderwees. Hij is de stichter van de Soto Zen school, waar ik inmiddels ingewijd ben. Na een paar jaar in Japan ben ik nu weer terug in Nederland. Ik wil hier op termijn een nieuw centrum oprichten voor de studie en training van zen. Voor het zover is geef ik meditatieles en lezingen. Ik heb niet zoveel geld, dus ik woon tijdelijk bij mijn ouders. Maar ach, geld is uiteindelijk toch maar een illusie die mensen afleidt. Ik doe mijn best celibatair door het leven te gaan, maar ik ben wel eens in de fout gegaan. De weg naar verlichting is lang en bochtig."


5. De ontwikkelingswerker

"Ik was bezorgd over de grote armoede en ongelijkheid in de wereld, en wist niet wat ik het beste kon studeren. Ik was geïnteresseerd in Japan, maar Japans leek me niet de meest nuttige studie. Datzelfde gold voor filosofie. Daarom heb ik uiteindelijk gekozen voor culturele antropologie. Omdat ze dat in Groningen niet hadden ben ik naar Amsterdam gegaan, waar ik ook vakken politicologie heb gevolgd. Ik heb veldwerk gedaan in Indonesië, naar de gevolgen van ontbossing op Borneo. Daarna heb ik een MA in development studies gehaald aan SOAS, een universiteit in Londen. Na mijn afstuderen kreeg ik een baan bij een bekende internationale ontwikkelingsorganisatie. Na twee jaar in Londen, waarbij ik regelmatig de kans kreeg naar verschillende landen te reizen en projecten te bezoeken, werk ik nu bij een onderwijsproject in Cambodja. Ik heb een mooi appartement in Phnom Penh, en ga vaak uit eten - dat is hier erg goedkoop, en ik heb het zo druk dat ik geen tijd heb om zelf te koken. Ik voel me wel eens schuldig over het feit dat ik zoveel meer verdien dan de mensen hier, maar we doen belangrijk werk voor dit land, en daar mag best een redelijke vergoeding tegenover staan. Als ik de kinderen zie studeren in de school die we voor ze gebouwd hebben ben ik wel een beetje trots. Maar ik realiseer me ook dat er nog veel moet gebeuren."


6. De politicus

"Ik heb lang getwijfeld. Ik heb uiteindelijk auditie gedaan bij twee toneelscholen, maar werd niet aangenomen. Ik besloot toen een oude liefde op te pakken, en ben filosofie gaan studeren in Groningen. Daarnaast werd ik actief voor de lokale afdeling van GroenLinks, en voor de werkgroep duurzaamheid. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 stond ik op de lijst. Aanvankelijk niet hoog genoeg, maar omdat de fractievoorzitter wethouder werd kreeg ik een plaats in de gemeenteraad, als jongste. Mijn studie liep vertraging op, maar ik heb uiteindelijk toch mijn BA (in 2007) en MPhil (in 2010) weten te halen. In 2010 werd ik ook herkozen in de gemeenteraad van Groningen, en mijn vriendin en ik hebben een huisje gekocht in Helpman. Ik schrijf af en toe artikelen voor het wetenschappelijke tijdschrift van GroenLinks, en heb contact met een aantal mensen in Den Haag. Ik hoop in de toekomst lid van de Tweede Kamer te kunnen worden. Politiek is mooi werk, maar soms is het ook wel eens frustrerend omdat de besluitvorming zo traag gaat, en het soms moeilijk is concreet dingen te veranderen. Ik denk dat Nederland behoefte heeft aan een fris links geluid; niet ouderwets socialistisch, maar progressief, groen en internationaal georiënteerd. "
 

7. De predikant

"Ik begon in 2002 aan mijn studie Japans in Leiden. Ik wilde er aanvankelijk filosofie naast doen, maar koos uiteindelijk voor de meer veelzijdige studie wereldgodsdiensten. In mijn eerste jaar volgde ik een aantal vakken met theologiestudenten, met wie ik soms interessante gesprekken had over geloof. Aan het einde van dat jaar ging ik op studiereis naar Libanon, en ik zag hoezeer religie verweven kan zijn met politiek. In de zomer maakte ik een voettocht door Frankrijk, waar ik een religieuze ervaring kreeg. Ik ontmoette God. Ik realiseerde me dat Hij veel gezichten heeft, dat Hij op veel manieren werkt, en dat Hij ons keuzevrijheid gegeven heeft opdat wij kunnen leren ons leven vorm te geven op zo'n manier dat wij kunnen bijdragen aan heelwording van de Schepping. Ik besloot de overstap te maken naar theologie, en liet Japans vallen om genoeg tijd te hebben voor Hebreews, Grieks en Latijn. Ook liet ik me dopen, in de kerk van mijn toenmalige vriendin. Na mijn BA deed ik de MA aan de PThU (Protestantse Universiteit). Inmiddels werk ik als predikant van de PKN gemeente in Uithuizen, in Noord-Groningen. Mijn gemeente is vrij klein, en de meeste leden zijn al vrij oud. Het is best moeilijk om iemand van tachtig advies te geven als je zo jong bent, maar ik doe mijn best. Ik hoop op deze manier mijn steentje te kunnen bijdragen. Ik hoop ook snel een lieve vrouw te vinden - mijn vriendin wilde niet mee verhuizen naar het noorden, en toen hebben we het uitgemaakt. God stelt ons soms op de proef."


8. De schrijver

"Ik heb in 2002 besloten om geen auditie te doen voor een toneelschool, maar Japans te studeren. Ik verhuisde naar Leiden, en werd actief in het studentenleven. Daarnaast speelde ik in een amateurtoneelgezelschap in Amsterdam. In 2004 ging ik naar Japan, om daar een jaar te gaan studeren. Ik hield die tijd vrij actief een weblog bij, Torii Times. Veel mensen die het lazen raadden me aan die verhalen te publiceren. Als Joris Luyendijk een boek kan schrijven over een studieverblijf in Egypte, dan zou ik toch een boek moeten kunnen schrijven over mijn verblijf in Japan, dacht ik. Na terugkeer naar Nederland bundelde ik mijn blogposts. Ik stuurde ze op naar een uitgever. Die was wel positief, maar vond dat er een rode lijn ontbrak. Ook vond hij dat ik de politieke en filosofische teksten moest verwijderen, en meer schrijven over mijn ervaringen, want 'er is al genoeg politiek geouwehoer op de markt', zoals hij me schreef. Ik besteedde veel tijd aan mijn aanpassingen, en liet mijn tweede studie versloffen - maar in 2007 was mijn eerste boek, Karaoke voor de goden, een feit. Hij verkocht aardig, en vorig jaar publiceerde ik een tweede boek, Boeddha business, met reisverhalen van reizen door andere Aziatische landen. Daarnaast heb ik inmiddels een monoloog en twee toneelstukken geschreven voor mijn gezelschap in Amsterdam. Ik ben nu bezig met mijn eerste roman, die hopelijk volgend jaar uitkomt. Mijn BA Japans heb ik inmiddels gehaald, maar ik denk niet dat ik nog een MA ga doen; ik wil me nu fulltime op schrijven richten. Overigens woon ik momenteel in Gent, omdat mijn vrouw - een Vietnamese, die ik op reis ontmoet heb - niet met mij naar Nederland mocht verhuizen omdat ik daar geen vaste baan heb. Maar België bevalt ons prima."


9. De vertaler

"Ik wilde graag terug naar Japan. Ik overwoog om Japans te gaan studeren in Leiden, maar ik realiseerde me dat mijn Japans vermoedelijk beter zou worden als ik daar zou gaan wonen. Dus dat heb ik gedaan. Ik schreef me in bij een talenschool in Tokyo, en verhuisde daar in het najaar van 2002 naar toe. Na anderhalf jaar intensieve studie kon ik mij inschrijven bij een Japanse universiteit. Ik ging Japanse literatuur studeren aan Kyushu University in Fukuoka. Ik las veel boeken, en was ook actief in de kabuki studentenclub. Het liefste zou ik professioneel kabuki spelen, maar die wereld is erg gesloten, en daar kom je als buitenlander niet zomaar in. Na mijn studie verdiende ik mijn brood met vertaalwerk. Vooral saaie juridische documenten, maar ook boeken, gelukkig. Ik ben net gevraagd om de nieuwste roman van Murakami naar het Nederlands te vertalen, daar zie ik erg naar uit. Af en toe werk ik ook als tolk, en ik geef wat taalles. Ik woon inmiddels met mijn Japanse vrouw en twee kleine kinderen in de buurt van Osaka, waar zij vandaan komt."


10. De wetenschapper

"Ik ben toch naar de universiteit gegaan, niet naar de toneelacademie. Ik volgde mijn gevoel en koos voor de studie Japans in Leiden. Ik wilde er filosofie naast doen, maar omdat daar nauwelijks aandacht was voor Aziatische tradities koos ik voor wereldgodsdiensten. Dat bleek een goede keuze, en al snel besteedde ik meer tijd aan mijn tweede studie dan aan mijn eerste. In 2004 studeerde ik een jaar in Japan; ik deed voor het eerst zelfstandig onderzoek, gaf Nederlandse les, en begon een wetenschappelijke carrière te overwegen. In 2007 haalde ik mijn BA diploma's, allebei cum laude. Daarna vertrok ik naar Londen, waar ik een MA Japanse religies volgde, erg interessant. Ik wilde daarna een PhD doen, maar omdat ik niet aangenomen werd besloot ik eerst op reis te gaan in Zuidoost-Azië. Ik kwam uiteindelijk terecht in Vietnam, waar ik werk vond als taaldocent, en mijn huidige vrouw ontmoette. Maar ik wilde toch graag terug naar de universiteit. Ik deed mee aan twee congressen en schreef mijn eerste artikelen op basis van mijn masterscriptie. Vorig jaar werd ik aangenomen voor een promotieplaats aan de universiteit van Oslo, waar mijn vrouw en ik vervolgens heen verhuisden. Mijn promotieonderzoek richt zich op de Japanse religie shinto, en ik ben nu een paar maanden voor veldwerk in Kyoto. En, terzijde, ik zou mijn tijd moeten besteden aan mijn onderzoek, in plaats van aan zinloze gedachte-experimenten."

Toen werd ik wakker. Wat een droom zeg. Ik ben benieuwd welke toekomstige ik de echte zal zijn. De keuze is aan mij, geloof ik...

Tuesday, 15 June 2010

Vietnam Kort (10): Big Fish

Nog niet zo lang geleden was ik zestien, druk met toneel en taal, kritisch maar onzeker. Het is inmiddels tien jaar geleden, maar als ik mijn ogen sluit en mij situaties van toen voor de geest haal lijken het eerder tien dagen. Vandaag sta ik aan de andere kant. Ik geef les aan zestienjarigen, druk met hun eigen dingen, kritisch maar onzeker. Ze zijn bijna volwassen, doen alsof ze alles kunnen en weten, hebben een grote bek, en zijn als de dood voor wat komen gaat. Ze raken even makkelijk verveeld als geïnspireerd. Ze leren Engels, want papa heeft gezegd dat ze in het buitenland moeten gaan studeren, en papa kan het betalen. Maar er moet nog een hoop gebeuren voordat hun Engels daar goed genoeg voor is.

Ik doe mijn best ze grammaticale constructies uit te leggen die niemand mij ooit fatsoenlijk heeft uitgelegd: het verschil tussen de present perfect simple en de present perfect continuous, bijvoorbeeld. Maar ik doe ook een poging ze tussen de bedrijven door een beetje algemene ontwikkeling bij te brengen. Vietnamees geschiedenisonderwijs beperkt zich helaas tot een handjevol nationalistische mythen en wat nietszeggende jaartallen; aardrijkskunde en maatschappijleer zijn helemaal afwezig. Ik doe wat ik kan - niet omdat het onderdeel is van mijn baan, maar omdat ik geloof dat het belangrijk is iets te leren over de wereld waarin je leeft.

Iets als een Bildungsideal is in Vietnam volstrekt afwezig. Geestes- en sociale wetenschappen leiden een marginaal bestaan, ook aan universiteiten. Kosmopolitisme bestaat nauwelijks: op economisch gebied is Vietnam weliswaar internationaal georiënteerd, daaronder ligt een nauwelijks verhulde nationalistische trots. Tegelijkertijd is er weinig of geen diepgaande kennis van de eigen intellectuele, artistieke en religieuze tradities, laat staan van die van andere landen. Wie voorstelt klassiek Chinees in te voeren als verplicht schoolvak, zodat studenten de klassieken kunnen lezen die hun cultuur gevormd hebben, wordt uitgelachen of genegeerd. China wordt gehaat, en daarmee de gehele Oost-Aziatische intellectuele traditie. 'Socialistisch' totalitarisme, naïef nationalisme, en het structurele opruimen en wegwerken van politieke dissidenten in de afgelopen decennia hebben ertoe geleid dat Vietnam in intellectueel opzicht straatarm is.

In economisch opzicht is het dat al lang niet meer, hoe oneerlijk de koek ook verdeeld is. Vietnam is een kapitalistisch lustoord, een rap groeiende zeepbel waar wild gespeculeerd en geconsumeerd wordt. De stedelijke middenklasse bekommert zich om één ding: geld. Maatschappelijk succes en geluk worden gelijkgesteld met rijkdom. Er heerst dan ook een zeer utilitaristische opvatting van onderwijs. Negen van de tien tieners willen zakenman (of -vrouw), accountant of bankier worden. Het aantal afgestudeerden in business management of accounting and finance loopt in de miljoenen - het gemiddelde niveau laat zich raden. Ondertussen is er een problematisch tekort aan elektriciens, loodgieters, handwerkslieden en verpleegkundigen, want dat wil niemand worden. Over sociologen, historici en filosofen zullen we het maar helemaal niet hebben.

Ik doe mijn best. Ik sprak met mijn studenten over de betekenis van het woord gender, en over het nature-nurture debat. We spraken over democratische verkiezingen. Ik vertelde ze over de Holocaust en over apartheid, en legde de betekenis uit van woorden als stereotype en discrimination. We lazen een stukje uit het dagboek van Anne Frank. Er is meer in het leven dan een goedgevulde bankrekening en een dikke SUV voor je deur, wilde ik maar zeggen. Er is meer in het leven dan consumptie, er is meer van waarde. Ik wil niet alleen dat mijn leerlingen woordjes stampen, ik wil ook dat ze kritisch leren lezen. Leren denken. Verder kijken dan hun eigen kleine wereld.

Vorige week had ik een parents meeting. Mijn leerlingen mochten ondertussen een film kijken. Ik had gekozen voor Big Fish. Ik weet niet of u hem kent. Het is een prachtig verhaal over een verhalenverteller, een ode aan de verbeelding, gevoelig en grappig. Ik houd van die film om dezelfde reden als waarom ik van de roman Life of Pi houd; omdat hij concepten als waarheid, leugen, verhaal en mythe problematiseert en ermee speelt. Omdat hij laat zien hoe we onze eigen geschiedenis en zo onze eigen identiteit narratief construeren, en hoe verbeelding daarbij een rol speelt. Maar ook voor wie die diepere laag niet meteen herkent is het een mooie film. Een ontroerend sprookje, met een ontwapenend sympathieke Ewan McGregor in de hoofdrol.

Niet voor hen. Ik kwam terug van de parents meeting, hopende dat ze geboeid naar de film zouden kijken. In plaats daarvan werd er druk gekletst en gekeet. Bijna niemand had oog voor de film. 'Saai,' vonden ze hem. 'Er gebeurt niets.' 'Zijn dan alleen films waarin gevochten wordt de moeite waard?' vroeg ik. Ja, daar kwam het wel op neer. Ze hadden niet de concentratie kunnen opbrengen om naar een lieve film te kijken. Er moest vooral niet teveel worden nagedacht. Een film moet namelijk eenvoudig geconsumeerd kunnen worden.

Ik zuchtte eens diep. En voelde me opeens heel oud.

Saturday, 6 February 2010

Deep Ecology

I am not a big fan of Wikipedia. The online democratisation of knowledge, which presupposes that any idiot's view on a topic is worth as much as any expert's, is highly problematic from a scientific point of view, as it renders the scientific values of accountability and verifiability meaningless. That is, on Wikipedia, anyone can edit and change anyone's entries, regardless of expertise or agenda. As a result, false information and popular myths can spread easily, without anyone being held accountable. Critical method is usually absent. The entry on Shinto, for example, is ridiculously essentialist, ahistorical, and badly written. So is much other information on the internet, of course, but the problem is that Wikipedia claims to be an encyclopedia, and that millions of people take its claims at face value.

That said, I am a bit of a hypocrite, as I do visit Wikipedia regularly myself. When I want basic information on, say, a tree species, a disease, exotic fruit, a tourist attraction, the politics of a particular country, the definition of a complex concept, or a philosopher whose work I am not familiar with, Wikipedia is my usual point of departure. In other words, if I want basic information on a topic or look for a particular fact, I have found that Wikipedia is quite useful - as long as you accept the possibility that you may be (partly) misinformed. What appeals to me most are the links to other entries, to entries on the same topic in other languages (very useful if you want to know the translation of the name of the fish you had for dinner, or the characters in which a particular Japanese name is written), as well as to external websites.

For some reason, I was looking at the Wikipedia entry on Norway. I learned some interesting things about the differences between Nynorsk and Bokmål, the makeup of the national parliament, and the natural landscape. Before long I was on another page, and read about different currents in environmentalism. Next, I was reading the entry on the late Norwegian philosopher Arne Naess, founder of the Deep Ecology movement - a radically holistic philosophy with a strong ontological, rather than merely ethical, approach to environmentalism, which states that all beings are fundamentally and existentially interconnected, and that the ideological separation of humans from their natural surroundings causes widespread ecological problems and natural disasters, which affect humans as much as they affect other species. Drawing on the philosophies of Kant and Gandhi, Naess combined a deeply spiritual appreciation of natural reality with a deeply political and moral plea for radical changes in our approach to nature, and an end to the ongoing exploitation of nature and destruction of ecological systems.

The entry had an external link to a documentary on Arne Naess and his philosophy. It is a little gem. Even if you do not agree with all aspects of Deep Ecology, you will be touched by the worldview and personality of this 'seriously light' old man, who shares some of his wonder over the 'infinite complexity' of a small mountain stream. Meanwhile, the comments of his followers provide ample food for thought. So, after all, despite my criticism of Wikipedia, I do have to acknowledge that it sometimes helps us find relevant new sources of knowledge - and, in this case, inspiration.

Have a look.

Friday, 16 October 2009

Meer papieren

http://www.theaterdeflint.nl/contentfiles/3674.%20Otje.jpg


Kent u Otje? Ze is de dochter van een kok, Tos genaamd, die illegaal in Nederland verblijft. Hij werkt zwart in een hotel, waar hij door de eigenaars wordt uitgebuit. Tos heeft geen officiële identiteit, want hij heeft geen papieren. Die zijn namelijk zoekgeraakt in het computergebouw. Tos probeert voortdurend werk te vinden, maar zonder papieren is dat moeilijk, dus de twee verkeren steeds in geldnood. Otje kan niet naar school. Als criminelen zijn ze op de vlucht voor de autoriteiten, die hen hun vrijheid willen ontnemen en van elkaar willen scheiden. En dat allemaal door een bureaucratische fout. Zonder papieren ben je officieel namelijk geen mens.

Annie M.G. Schmidt schreef Otje al in 1980, maar het boek kan met recht profetisch genoemd worden. En gelaagd. In de eerste plaats is het gewoon een spannend kinderboek, compleet met pratende dieren, archetypische personages, schitterende illustraties (door Fiep Westendorp) en een happy end. Maar het is ook een donker politiek sprookje, dat een vlijmscherpe kritiek op de toenemende bureaucratisering van de samenleving bevat. Het reduceren van mensen tot een stapeltje papieren ontneemt ze hun fundamentele menselijke waardigheid, zo beschrijft Schmidt. De absurditeit daarvan wordt nergens zo goed duidelijk als in het hoofdstuk waarin de vogels, Otjes vrienden, besluiten Tos te helpen door hem papieren te bezorgen. Trots komen ze terug met reclamefolders, snoeppapiertjes, bankbiljetten en liefdesbrieven, om dan tot hun verdriet en verbazing te horen dat dit niet de juiste papieren zijn. Ze begrijpen er niets van: waarom is iemand die nooit een misdaad gepleegd heeft op de vlucht voor de politie? Wat bedoelen die mensen toch met 'papieren'? Vogels hebben toch ook geen papieren nodig om te kunnen leven...!?

Alle mythen over open grenzen en globalisering ten spijt neemt de bureaucratisering wereldwijd hand over hand toe. In de jaren zeventig reden mijn ouders zonder al te veel problemen met hun busje door landen als Iran, Afghanistan, Pakistan, India en Syrië. Er moest wel eens ergens een stempeltje gehaald worden, maar veel werk was dat niet. De procedures voor het verkrijgen van een visum, maar ook het papierwerk dat nodig is om met je auto door deze landen te rijden, zijn sindsdien vele malen gecompliceerder geworden. Dat geldt in nog sterkere mate voor het verkrijgen van een visum voor het Schengengebied, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten of andere 'vrije' landen - dat is, voor wie niet over een aanzienlijk privékapitaal en/of connecties beschikt, inmiddels welhaast onmogelijk geworden. Bureaucratie is namelijk verworden tot een wapen, dat door overheden van rijke landen wordt ingezet om migratie terug te dringen. Individuele waardigheid en menselijkheid spelen daarbij geen rol. Wie toch erin slaagt zich te vestigen in een van deze landen, maar niet over de juiste stempels beschikt, krijgt het stempel 'illegaal' op zich, wordt gecriminaliseerd en opgejaagd door de autoriteiten, en is de facto rechtenloos. De landen die het meest de mond vol hebben van mensenrechten trekken zich bijzonder weinig aan van de mensenrechtenschendingen die de 'illegalen' in hun eigen land voortdurend aan den lijve ondervinden - uitbuiting, discriminatie, geen toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, en opsluiting en uitzetting zonder vorm van proces. Wie een indruk wil krijgen van hun ervaringen, bekijke de film The Visitor:





Ook binnen de moderne, 'vrije' landen heeft de bureaucratisering schrikbarende vormen aangenomen, zoals iedereen weet die regelmatig stapels papieren in moet vullen. De dienstensector is als een gezwel, dat continu nieuwe 'diensten' uitvindt - lees: dat continu nieuwe procedures produceert - en zo het dagelijkse leven voortdurend compliceert. Verzekeringen, belastingen, goede doelen, salarissen, uitkeringen, bankrekeningen, hypotheken, medische zorg, mobiele telefoons - ondanks alle retoriek over klantvriendelijkheid en gemak, is de realiteit dat ze een voortdurend groeiende hoeveelheid papierwerk produceren. Afijn, ik heb zo'n donkerbruin vermoeden dat ik u daarvan niet hoef te overtuigen. U bent er ongetwijfeld mee bekend. Want om gewoon te mogen leven moet een mens tegenwoordig om de haverklap formulieren invullen, handtekeningen en stempels verzamelen, vergunningen aanvragen, enzovoorts.

Ik kreeg via e-mail een interessante reactie op mijn verhaal Gekkenhuizen. De schrijver van de e-mail interpreteerde mijn ervaringen in het licht van de theorieën van Hannah Arendt over totalitarisme. Arendt onderscheidt een aantal kenmerken van totalitaire staten, die gezien kunnen worden als strategieën om controle over de bevolking te houden. Een daarvan is het doordringen tot, en uiteindelijk zelfs vernietigen van, natuurlijke relaties als familiebanden; een vergaande controle over de privésfeer dus. Daarbij valt te denken aan Stasi-achtige inlichtingendiensten (u bent wellicht bekend met de film Das Leben der Anderen), maar ook aan vormen van symbolisch geweld als, pak hem beet, het verplicht ondergaan van psychische gezondheidstesten als voorwaarde voor een huwelijk (Vietnam), of het ernstig inperken van persoonlijke vrijheden teneinde gezinsvormende en -herenigende migratie te bemoeilijken (Nederland). Een ander kenmerk is een hoge mate van corruptie. Dat is namelijk een vorm van machtsmisbruik door (vertegenwoordigers van) de overheid, die zekerheden en rechten van burgers ondermijnt. Ter illustratie: de meeste Vietnamezen zijn bang voor de politie, en laten daarom vaak na om aangifte te doen van misdrijven, daar de politie bekend staat om haar machtsmisbruik. Corruptie en intimidatie versterken zo de angst voor de autoriteiten.

Een derde kenmerk van totalitarisme is, volgens Arendt, het regeren middels een welhaast ondoordringbare bureaucratie. Welhaast ondoorgrondelijk ook. Per slot van rekening is de rol van de bureaucratie niet het helpen, maar het controleren en beperken van burgers. Als zodanig ondersteunt een sterke bureaucratie de staat in zijn pogingen de bevolking onder de duim te houden. Dat betekent niet dat alleen totalitaire staten gekenmerkt worden door een doorgeschoten bureaucratisering - ook zogenaamde democratische staten bedienen zich ervan, en ook daar heeft het een disciplinerende werking, en stelt het de staat in staat controle over zijn burgers uit te oefenen. Met Max Weber zou ik daaraan willen toevoegen dat het een essentieel onderdeel is van de moderne staat, waarin individuele personen en hun situaties niet meer gezien worden in hun eigen recht, maar geabstraheerd worden tot een setje data, dat moet voldoen aan algemene regels en voorschriften. Een papier waarop staat dat ik 'echt' besta, is pas 'echt' wanneer een daartoe bevoegde instantie er een stempel op plaatst met de mededeling dat het 'echt' is. Pas dan wordt mijn bestaan erkend, en kan ik in aanmerking komen voor, pak hem beet, een huwelijk, of voor toestemming mij voor een bepaalde tijd op het grondgebied van deze of gene staat te bevinden. Descartes' 'ik denk dus ik ben' is gestorven met de bureaucratisering. Denken is in de (post)moderne staat verworden tot, op zijn best, een irrelevant tijdverdrijf. 'Ik heb een paspoort, een sofinummer en een DigiD, dus ik ben' lijkt mij een adequatere beschrijving van de huidige condition humaine.

http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/a/a6/Paspoort_NL.jpg

De vorige keer
schreef ik hoe wij erin geslaagd waren het meeste papierwerk voor ons aanstaande huwelijk rond te krijgen, maar op het eind geconfronteerd werden met het feit dat de Nederlandse ambassade weigerde het document waarop staat dat ik momenteel ongehuwd ben te legaliseren. Daarvoor zou een nieuw exemplaar opgehaald moeten worden bij het gemeentehuis waar ik het laatst ingeschreven stond, dat zou gelegaliseerd moeten worden door het ministerie van buitenlandse zaken in Den Haag, en vervolgens nog eens door de Vietnamese ambassade. Mocht het zo zijn dat het eerst nog vertaald moet worden naar het Vietnamees, dan zou het ook nog eens gelegaliseerd moeten worden door het ministerie van justitie. Ik zou mijn familie dus met een aardig karweitje opzadelen.

Godzijdank maken de autoriteiten in Hanoi bij nader inzien toch geen onderscheid tussen een officieel gelegaliseerd document enerzijds, en een gecertificeerde kopie, dan wel een door de Nederlandse ambassade geproduceerd document waaruit blijkt dat het oorspronkelijke document 'echt' is, anderzijds. Voor dertig euro kreeg ik van de ambassade een brief mee, waarmee ik naar het juiste Vietnamese consulaire loket kon stappen. Die zetten een nieuwe stempel - tegen betaling natuurlijk. Uiteindelijk gingen we naar een officiële vertaler. Nog een document, nog een stempel, en het formulier kan eindelijk terug naar het provinciehuis in Tam Kỳ, achthonderd kilometer ten zuiden van hier.

Even dacht ik dat daarmee de ergste bureaucratische storm voorlopig was gaan liggen, dat ik me in alle rust kon gaan richten op mijn leven hier in Hanoi, op mijn nieuwe parttime baan aan een talenschool, op het congres waar ik volgende week aan deelneem, en op het artikel dat ik aan het schrijven ben. Maar helaas, ik had te vroeg gejuicht. Het circus begint pas.

Tot voor kort was het relatief eenvoudig voor buitenlanders om langere tijd in Vietnam te verblijven. Het enige dat nodig was voor een visum met een geldigheid van zes maanden was een stapeltje dollarbiljetten, meer niet. Het is een van de redenen voor het feit dat Vietnam een steeds populairder bestemming werd voor buitenlandse taaldocenten en gelukzoekers. Officieel moet iedereen die hier werkt weliswaar binnen enkele maanden een aanvraag doen voor een werkvergunning, maar de procedure daarvoor is ingewikkeld en kostbaar, en duurt bovendien erg lang (een half jaar is gebruikelijk). Weinig mensen namen die moeite, en weinig werkgevers maakten zich daar druk over.

Twee maanden geleden heeft de Vietnamese overheid het roer radicaal omgegooid. Het is niet meer mogelijk om een visum voor zes maanden te krijgen, tenzij je een werkvergunning hebt. Wie hier wil werken, heeft drie maanden de tijd om een baan te vinden en een werkvergunning aan te vragen - tamelijk absurd, gezien de duur van de procedure. Lukt dat niet, dan mag hij wieberen, zo luidt de nieuwe wet. Wie freelance werkt, op afstand, als schrijver of vrijwilliger, of helemaal niet, is de pineut: hij krijgt geen nieuw visum, ook niet als hij hier al tien jaar woont. Het gevolg: de expatgemeenschap is in rep en roer, de eerste ongelukkigen hebben hun koffers reeds gepakt om hun heil elders te zoeken, vele honderden kleine en middelgrote talenscholen verliezen hun docenten en zullen op termijn hun deuren moeten sluiten, prijzen voor taalcursussen zullen stijgen, en de Engelse taalvaardigheid van de bevolking zal over het algemeen afnemen. De regering wil namelijk dat het aantal buitenlanders dat op de bonnefooi naar het land reist om hier te gaan werken afneemt, en verandert daarom van het ene op het andere moment de migratiewetgeving - zonder daarbij rekening te houden met de positieve gevolgen die de aanwezigheid van westerse werknemers heeft op de lokale economie, en zonder rekening te houden met de grote vraag onder de stedelijke middenklasse naar buitenlandse taaldocenten.

Wanneer ik een werkvisum wil, wacht mij een nieuwe stapel papierwerk. Een verklaring van gedrag, 35 euro, aan te vragen in Nederland, en vervolgens voor 30 euro te laten bestempelen door de ambassade alhier. Een stapel documenten en verklaringen van mijn nieuwe werkgever. Gelegaliseerde (daar gaan we weer) kopieën van mijn diploma's. Een certificaat waaruit blijkt dat ik bevoegd ben om Engels te doceren, wat ik niet heb. Een gezondheidstest (een lichamelijke, voor de verandering), uit te voeren in een (goede doch peperdure) internationale kliniek, en natuurlijk niet vergoed door mijn verzekering. Het bewijs van inschrijving bij de lokale politie, wat ik niet heb omdat onze hospita bang is om naar de politie te gaan. Het officiële geldbedrag voor een aanvraag. Eventueel smeergeld. Dus ik ga me daar tweehonderd euro neertellen omwille van een parttimebaantje, met een uursalaris van nog geen vijftien euro, en nul komma nul bonussen, vakantiegeld, betaalde vrije dagen, ontslagbescherming enzovoorts? Zijn ze nou helemaal gek geworden?

Het alternatief is nauwelijks goedkoper: begin december, wanneer mijn huidige visum afloopt, voor korte tijd het land verlaten, om bij een Vietnamese ambassade in het buitenland een nieuw visum voor drie maanden te krijgen. Dat wil zeggen: ik hoop maar dat ik een nieuw visum voor drie maanden kan krijgen, na reeds visa voor, respectievelijk, een, zes en drie maanden versleten te hebben. Het angstbeeld van een wanhopige ik die bij de ambassade in Vientiane of Kuala Lumpur vergeefs smeekt om een nieuw visum, en vervolgens zijn eigen bruiloft niet bij kan wonen, doemt bij tijd en wijle op. Als we eenmaal getrouwd zijn, lijkt het ietsje makkelijker te worden - dan is er, mits ze die wetgeving niet ook veranderd hebben, de mogelijkheid om een tijdelijke verblijfsvergunning aan te vragen. Ook daarvoor moet natuurlijk weer een grote hoeveelheid papierwerk overlegd worden, vergelijkbaar met bovenstaande, en dan zit ik nog steeds met het probleem dat ik eigenlijk niet bevoegd ben hier te werken - maar dan hoef ik me tenminste geen zorgen te maken over of ik hier mag blijven. Tot die tijd is het evenwel angstig afwachten.

Laat ik maar gewoon eerlijk zijn. Hoe opgelucht ik ook ben dat we een fijn appartementje gevonden hebben, en dat de allergrootste financiële zorgen binnenkort ten einde zijn omdat ik weer aan het werk ben, ik heb niet de intentie hier langer te blijven dan strikt noodzakelijk. Mijn leven in Vietnam is niet meer spannend en nieuw, maar serieus en onzeker. Het vooruitzicht van het vele papierwerk maakt moe. Maar bovenal: ik heb het wel weer gezien, tieners Engelse grammatica doceren, 's avonds en 's weekends werken, niemand kennen met wie ik de discussies kan voeren die ik in Londen voerde over wetenschap, religie en politiek. Nu mijn gap year zijn tweede jaar ingegaan is, wordt de wens naar een serieuze, uitdagende baan in een inspirerende omgeving steeds sterker.

Natuurlijk moet ik gewoon promoveren, en verder werken aan mijn wetenschappelijke carrière. Het congres waar ik afgelopen augustus aan deelnam maakte dat weer eens haarfijn duidelijk. Natuurlijk moet ik geen Engelse grammatica doceren, maar godsdienstwetenschappelijke theorie. En natuurlijk moet ik gewoon onderzoek doen, schrijven, lezen en leren van gesprekken met verstandige mensen. De grote vraag is waar. AiO-plaatsen in de geesteswetenschappen zijn momenteel ongeveer even dun gezaaid als vestigingen van McDonalds in Noord-Korea. Mijn generatiegenoten en ik hebben de domme pech dat we afstuderen op het moment dat de economie als een plumpudding in elkaar stort, en goede banen voor academici alleen nog met een vergrootglas gevonden kunnen worden. Dat geldt helemaal voor mensen met academische ambities. Prove me wrong, zou ik zeggen, en mail me die droomvacature - ik kan hem in elk geval niet vinden.

Het meest voor de hand liggende zou zijn te stoppen met wachten op vacatures in Nederland en haar buurlanden (waar ik niet eens alle relevante universiteiten ken), maar gewoon mijn geluk te beproeven in de ultieme meritocratie: de Verenigde Staten. Ik heb de indruk dat daar veel meer interessante dingen gebeuren dan in Europa - maar misschien zijn de universiteiten daar gewoon veel beter in PR, dat kan natuurlijk ook. Hoe het ook zij, er is een handvol universiteiten in de VS waaraan ik graag verder zou studeren. Het probleem is evenwel de aanmeldingsprocedure. Een motivatiebrief en een CV kan ik hier wel opstellen, en vroegere docenten om aanbevelingsbrieven vragen moet ook wel lukken per e-mail. Maar daar blijft het niet bij. Ik moet officiële, door mijn vroegere universiteiten uitgegeven cijferlijsten opsturen, of door hen gecertificeerde kopieën van de originelen. Ja joh, ik vlieg wel even op en neer van Vietnam naar Nederland en Londen om daar de benodigde stempels te krijgen, waarom ook niet. Ik moet een zogenaamde GRE-test doen, die me ruim honderd euro kost, en waarvoor ik naar Saigon moet vliegen. Eén universiteit eist een TOEFL-score, óók voor studenten die reeds in een Engelstalig land gestudeerd hebben, die minder dan twee jaar oud is - grappig, als je bedenkt dat ik mijn laatste TOEFL-test (circa 150 euro, een score van 98%) twee jaar en twee maanden geleden deed. En laat ik vooral niet vergeten te vermelden dat universiteiten een 'admission fee' eisen van 50 à 75 euro - om vervolgens zo'n vijf procent van het aantal aanmeldingen toe te laten. Vier aanmeldingen kosten dus 250 euro, plus de kosten die men in Londen en Leiden in rekening brengt voor het sturen van officiële cijferlijsten (zo mogelijk!), plus de kosten om een GRE-test te gaan doen in Saigon, en eventueel nog een TOEFL-test ook. Leuk hoor, zo'n avontuur, en geweldig hoor, zo'n Amerikaanse topuniversiteit - maar op dit moment heb ik er het geld noch de energie voor. Oh ja, de deadline waarop alle papieren binnen moeten zijn: begin december.

Ben ik nou de enige die een spontane burn-out krijgt bij het lezen van de webpagina waarop staat welke papieren overhandigd moeten worden? Ben ik de enige die het nut niet ziet van een veredelde test rekenen en begrijpend lezen, of van een nieuwe Engelse taaltest? Ben ik de enige die niet begrijpt waarom mijn diploma's 'echter' zijn wanneer er een stempel op staat? De wereld is een dorp, we communiceren via het internet, maar de bureaucratische verslaafdheid aan stempels is onuitroeibaar, en dus moet ik naar een loketje in London met een origineel velletje papier om dat daar te laten kopiëren en bestempelen. Dat is toch te zot voor woorden? Waarom is er geen database waar internationaal erkende universiteiten gegevens over diploma's en cijfers kunnen invoeren, opdat andere universiteiten ze kunnen opvragen? Waarom wordt die niet gemaakt? Ben ik nou zo slim, of zijn zij nou zo dom?

Stel dat ik aangenomen wordt, dan heb ik nog geen zekerheid over financiering, en zal ik opnieuw een aanvraag moeten doen (met alle papierwerk dat daarbij komt) voor een beurs. Vervolgens moet ik met een stapel papieren naar de Amerikaanse ambassade, om een visum te kunnen krijgen voor mijn echtgenote en mijzelf. Ook als we niet naar de Verenigde Staten gaan gaat dat nog leuk worden trouwens. Weet u wat er nodig is om een Nederlandse machtiging voor verblijf (het document dat voorafgaat aan een eventuele verblijfsvergunning) te krijgen voor haar? 850 euro 'administratiekosten', een taal- en 'inburgerings'test ter waarde van 350 euro (plus 70 euro voor een dvd met een nationalistisch propagandafilmpje), en, niet geheel onbelangrijk, ik moet een vaste baan hebben met een fatsoenlijk salaris (ten minste 130 procent van het minimumloon) en een contract dat op het moment dat de aanvraag gedaan wordt nog ten minste twaalf maanden geldig is (ergo, op het moment dat het contract getekend wordt, moet het langer geldig zijn dan een jaar - kom daar maar eens om, als je ergens nieuw in dienst wordt genomen). Ik maak me ook geen illusies over de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning in, pak hem beet, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Noorwegen of Canada. Een hoge berg wacht ons, hoe dan ook.

Is er leven op Pluto, vraagt een mens zich soms af. Kun je dansen op de maan? Is er een plaats onder de sterren waar we heen kunnen gaan, samen, waar we gewoon mogen leven en werken en zijn, zonder daarvoor eerst een fortuin te betalen en drie stapels papieren in te vullen en te laten bestempelen? Vertel het me.

Saturday, 3 October 2009

Gekkenhuizen


De Reunification Express rijdt noordwaarts. Beurtelings passeert hij grijs verregende groene rijstvelden, betonnen dorpjes, op overstromen staande rivieren en rotsachtige bergen, die plotseling uit het vlakke landschap oprijzen, om even snel weer te verdwijnen. Alleen de elektriciteitspalen vormen een constante: ze zijn zo onlosmakelijk onderdeel van het decor, dat men ze bijkans over het hoofd zou zien. Nog een paar uur, dan is de trein in Hà Nội. Hij heeft er dan een reis van een kleine twee dagen opzitten, en zal even mogen uitrusten.

Ze zitten in een zespersoonscoupé, de jongen en het meisje; onderuitgezakt op hun houten slaapplanken, omdat er te weinig ruimte is om rechtop te zitten. De houten muren ademen een authentieke treinreisgeur uit, die doet verlangen naar meer treinreizen in nog verder gelegen oorden. Aan weerszijden van de coupé bevinden zich de slaapplanken, drie boven elkaar. In het midden staat een klein houten tafeltje, dat de jongen en het meisje delen met hun vier coupégenoten. Naast vuilnis liggen er een paar boeken, een doosje tandenstokers en een zakje pinda’s op. De ruimte onder de ene onderste slaapplank wordt volledig ingenomen door hun vele tassen en koffers. De ruimte onder de andere onderste slaapplank wordt volledig ingenomen door de tassen en koffers van een oudere dame, wier grijze haren gevlochten zijn, en wier donkere ogen droevig het grauwe groene landschap gadeslaan, zonder het te registreren. Ze kijkt met de blik van iemand die pijn gekend heeft.

De jongen en het meisje kennen haar verhaal niet, en ook als ze het wel zouden kennen zouden ze het niet werkelijk kunnen begrijpen. Ze zijn jong, optimistisch, wellicht naïef te noemen, en staan aan de vooravond van een nieuw hoofdstuk in hun leven. Ze verhuizen, samen, maar ze hebben nog geen huis. Ze gaan werken, in de hoofdstad, en ze gaan ervan uit daarvan rond te kunnen komen en ook nog eens af en toe uit eten en op reis te kunnen, maar ze hebben nog geen werk. Een buitenstaander zou ze zomaar voor roekeloos kunnen verslijten. Maar zij hebben het gevoel dat dit de weg is die zij moeten gaan, zonder precies te weten waarom. Zij zijn nu eenmaal van die mensen die op hun intuïtie varen.

Zij weten dat de weg, vooralsnog tenminste, best wel eens bochtig zal kunnen zijn. Maar zij weten ook dat zij deze weg, bochtig of niet, samen willen gaan. In de verschillende landen waaruit zij afkomstig zijn wordt evenwel anders gedacht over een jongen en meisje die samen op pad gaan. In zijn land word je tegenwoordig geacht eerst ‘een leven op te bouwen’, financieel onafhankelijk te zijn, meerdere liefdes- en seksrelaties achter de rug te hebben, de dertig ruimschoots gepasseerd te zijn, en de ander van haver tot gort te kennen, voordat je eventueel de beslissing maakt je in de echt te verbinden. Het huwelijk is er voor de meeste jonge twintigers taboe – hooguit een wensdroom of angstbeeld uit een verre toekomst, wanneer men écht volwassen is, maar geen realiteit. Volwassenheid wordt steeds verder uitgesteld, daar.

In haar land daarentegen word je geacht om, wanneer je iemand ontmoet hebt met wie het klikt en van wie je vermoedt dat hij of zij een goede en verantwoordelijke partner zal zijn, eerst te trouwen, alvorens samen een leven op te kunnen bouwen. Na hun huwelijk leven jonge echtelieden hier dan ook vaak – oh, gruwel – meerdere jaren bij hun (schoon)ouders in, totdat zij voldoende gespaard hebben om hun eigen huis te kunnen kopen dan wel bouwen. Dat financiële onafhankelijkheid vooraf zou moeten gaan aan het huwelijk is een gedachte die men hier volkomen vreemd is. De in zijn land populaire opvatting dat men gedurende een à twee decennia serieel monogaam door het leven dient te gaan, en verschillende (bed)partners te verslijten, voordat men zich aan één persoon verbindt, is hier helemaal afwezig. Seks voor het huwelijk is uit den boze, zeker voor vrouwen – niet omdat deze of gene God dat geopenbaard zou hebben, maar omdat ‘goede’ vrouwen nu eenmaal kuis zijn. Samenwonen voor het huwelijk is hier dan ook eigenlijk niet im Frage, wil men de familie niet te schande maken.

Zij wonen in haar land, niet in het zijne. Zij zouden, als het aan hen ligt, best nog even kunnen wachten. Maar aan de andere kant willen zij ook best wel binnenkort vieren dat zij elkaar ontmoet hebben, dat zij van elkaar houden, en dat zij de beslissing genomen hebben samen op de trein naar het onbekende te stappen. En dus hebben zij de knoop doorgehakt: zij gaan zich in de echt verbinden.

Maar trouwen doe je niet zomaar. Voordat je over de felbegeerde papieren beschikt waarop staat dat je een door God en vaderland erkend echtpaar bent moeten er de nodige stappen gezet worden. Allereerst is er het verplichte bezoek aan een astroloog. Een bejaarde man in een klein woonkamertje waar de tv staat te schetteren informeert naar je geboortedatum, bladert wat in volgeschreven vergeelde schriftjes, laat je graaien in een handvol oude Chinese muntjes, en vertelt dan dat twee varkens die geboren zijn in een waterjaar er goed aan doen op de elfde dag van de elfde maanmaand van dit jaar te trouwen. Dat blijkt Tweede Kerstdag te zijn. Een mooie dag, ware het niet dat de beide varkens zich realiseren dat de voorbereidingen in hun geval wel eens meer tijd in beslag zouden kunnen nemen. Wanneer zij vragen naar een geschikte dag volgend jaar, krijgen zij te horen dat die wel eens in de derde maanmaand zou kunnen vallen, maar dat de berekeningen voor het komende jaar nog niet gemaakt zijn. Komt u over twee maanden maar terug.

In sommige landen stap je met je paspoort in je hand een gemeentehuis binnen, je ondertekent gezamenlijk een papiertje, en je komt een half uurtje later als echtpaar weer naar buiten. Zo niet in Vietnam. Wanneer een Vietnamese staatsburger in eigen land wil trouwen met een buitenlander moeten zij allebei aan een aantal discriminerende voorwaarden voldoen, die niet gelden voor een Vietnamees die met een andere Vietnamees wil trouwen. De meest absurde voorwaarde is wel dat men een geestelijke gezondheidstest moet ondergaan, alvorens de ander het ja-woord te mogen geven. Waarom in godsnaam, zult u zich afvragen, en u bent niet de enige. Je moet wel gek zijn om met zo'n gekke buitenlander te willen trouwen, zo lijken de heren partijbazen te denken, xenofoob als ze zijn. Men wil zeker weten dat beide partners volledig toerekeningsvatbaar zijn, zo luidt de officiële lezing. Het toont in elk geval wel aan hoe men hier tegen gemengde huwelijken aan kijkt.

Geestelijke gezondheid lijkt een politiek neutrale term. Je bent gezond, of je bent ziek, zo simpel is het. Werkelijk? Is het wel zo simpel om objectief te bepalen wie 'gek' is, en wie 'gezond'? Uiteindelijk draait het om historisch en politiek bepaalde normen aangaande welk gedrag acceptabel wordt geacht, en welk gedrag niet. Foucault heeft bijvoorbeeld overtuigend aangetoond dat instellingen voor geestelijke gezondheidszorg historisch gezien een belangrijke disciplinerende rol vervulden, in dienst van de machthebbers. 'Gekkenhuizen' zijn - naast bijvoorbeeld scholen, gevangenissen, en het leger - onderdeel van het staatsapparaat, en spelen als zodanig een rol waar het gaat om het in het gareel houden van de bevolking, door subversieve, andersdenkende elementen te isoleren en straffen. Dat geldt zeker in landen met totalitaristische regimes.

De Vietnamees die buiten het gareel stapt door met een buitenlander te trouwen - een milde vorm van landverraad, per slot van rekening - wordt door de staat geïntimideerd door middel van de 'geestelijke gezondheidstest'. Alleen al het feit dat men een dergelijke test verplicht moet ondergaan is vernederend; de test zelf versterkt die ervaring nog eens. Ook de buitenlandse partner moet de spierballen van de staat even voelen. Haal geen geintjes met ons uit, wij kunnen je maken of breken, zo luidt de boodschap. De socialistische heilstaat bepaalt wat normaal is, en wat niet - en daar heb je je maar naar te schikken. Voor wie de vernederende procedure gelaten en beleefd ondergaat is er in principe natuurlijk weinig aan de hand. Maar van symbolisch geweld en discriminatie zou ik in deze context toch wel durven spreken. Want het is weliswaar je reinste symboolpolitiek - die 'test' heeft evenmin inhoud als een decorstuk in Disneyland - maar dat maakt de ervaring van psychische intimidatie niet minder reëel.

Het was een regenachtige doordeweekse ochtend in Tam Kỳ, de onbeduidende hoofdstad van de provincie Quảng Nam. In de velden lag wit zand, dat als twee druppels water op sneeuw leek. Het is dat hij wist dat sneeuw niet gedijt bij dertig graden Celsius, anders had hij zeker geweten dat de velden besneeuwd waren. Niet alles is wat het lijkt, zo bleek maar weer. Ze parkeerden hun motorfiets bij het psychiatrische ziekenhuis, en vroegen zich af wat hen te wachten stond. Hij hoopte dat de test niet al te grondig zou zijn. Hij herinnerde zich ooit eens gelezen te hebben dat ruim een kwart van de Nederlandse bevolking aan een van de in de DSM-IV gespecificeerde kwalen leed, en hij durfde niet met zekerheid te zeggen dat hij bij de 'normale' driekwart hoorde. Hij leed periodiek aan stemmingswisselingen, stress, manische buien, paranoia, paniekaanvallen, driftbuien, fobieën, slapeloosheid, overgevoeligheid, verstrooidheid, lichthoofdigheid, spiritualiteit, impulsiviteit, creativiteit, hokjesangst, ambitie, intelligentie, sensitiviteit, zingen op straat, vrolijkheid, verwondering, kritische gedachten en non-conformisme. Hij was, kortom, zo gek als een deur. Niet dat hij dat erg vond - hij wist niet precies wat het betekende, 'normaal', maar hij wist wel dat hij niet zo wilde zijn. Hij had vroeger op de basisschool een juf die altijd 'doe eens normaal' tegen haar leerlingen placht te roepen, en hij vroeg zich toen al af wat ze daar precies mee bedoelde. Stil zitten, mond houden, sommetjes maken? Hij had zich toen in elk geval voorgenomen nooit 'normaal' te worden, en was nog steeds vastbesloten zich daaraan te houden. Het enige probleempje was dat hij nu een geestelijke gezondheidstest moest zien te doorstaan. Hij moest dus doen alsof hij normaal was.

Het psychiatrische ziekenhuis bestond uit verschillende mistroostige betonnen barakken, waartussen dor gras groeide. In de verte was iemand aan het krijsen. Lamlendig hangende groepjes bewoners - of waren het medewerkers? - staarden hen met open mond aan. Dit was een van die momenten waarop hij wilde dat hij twintig centimeter korter was en zwart haar had. Voor de ramen van de barakken zaten tralies, maar dat verbaasde hem niet, daar nagenoeg alle ramen in Vietnam voorzien zijn van tralies - zogenaamd om inbrekers buiten te houden. Hij moest nodig naar het toilet. Hij deed zijn behoefte boven een donker gat, in een smerig betegeld hokje, dat al in geen twintig jaar schoongemaakt was. Na afloop vulde hij een plastic emmertje in een regenton, en spoelde daarmee door.

Ze begaven zich naar het hoofdkantoor. Meer dan een klein kamertje was het niet. Jonge vrouwen met strakke gezichten en witte jassen verrichtten er administratieve werkzaamheden. Buiten zat een handjevol mensen met angstige gezichten te wachten op de een of andere uitkomst. De jongen en het meisje kregen allebei een velletje papier voorgelegd, dat ze moesten invullen. Het zijne was gesteld in het Engels, of iets dat daarvoor door moest gaan. In tamelijk cryptische bewoordingen werd hem gevraagd of hij wel eens last had van zaken als stress, slapeloosheid en waanvoorstellingen. Hij kon kiezen uit 'never', 'same as usually', 'more than usually' of 'all the time'. De bewoording bevreemdde hem enigszins: als je nooit last had van een bepaalde klacht, of juist altijd, dan kwam dat toch neer op 'same as usually'? Maar hij besloot dat dit niet de juiste plaats was voor semiotische scherpslijperijen, en vulde het formulier netjes in zoals men dat van hem verwachtte - met veel 'same as usually's'. Als dit alles was, dan viel het wel mee met die test.

Helaas, het begon pas. Nadat men hen vakkundig een stapel bankbiljetten afhandig had gemaakt - per slot van rekening is alles in dit land business, ook gezondheidszorg en onderwijs - en Marx zich maar weer eens omdraaide in zijn graf, werden ze naar boven gestuurd. Zij moesten een klein kamertje binnengaan, waar een streng kijkende juffrouw van hun leeftijd hen niet aankeek. Zijn aanstaande werd gesommeerd te gaan zitten op een half vergane tandartsstoel. Zij kreeg een strak zwart netje om haar hoofd gespannen, dat hem nog het meest aan een kapsel van Snoop Dogg deed denken. De in het wit geklede jongedame siste wat subtiele beledigingen aangaande de veronderstelde motieven voor het huwelijk in haar oor - de psychologische oorlogsvoering was kennelijk begonnen. Vervolgens nam zij een dozijn kabels, die zij in het haarnetje plugde. Ze waren aangesloten op een grijs apparaat, waarop met grote letters de omineuze tekst '2000 ampère' stond geschreven. Ze werden bevestigd met metalen wasknijpers. De jongen keek toe, en deed zijn uiterste best zijn ademhaling onder controle te krijgen. Nee, hij was niet in een slechte horrorfilm beland; ja, deze jongedame was volstrekt professioneel en wist wat ze deed, ook al moest ze het apparaat drie keer opnieuw opstarten; geen zorgen, deze bangmakerij was intrinsiek onderdeel van het ritueel; en stil maar, want vragen stellen zou niet alleen zinloos zijn daar de dame geen woord Engels sprak (of deed alsof), het zou bovendien in hun nadeel werken.

Het grootste verschil tussen een democratische en een autoritaire staat is niet de aanwezigheid van vrije verkiezingen, onafhankelijke media, of transparante besluitvorming. Het grootste verschil is basaler: de beschikbaarheid van informatie. Dat geldt voor elk niveau van de maatschappij. Nederlanders groeien op met de idee dat het hun grondrecht is continu over alles geïnformeerd te worden. Wanneer de trein vertraagd is, maar de hoofdconducteur netjes omroept wat er aan de hand is en hoe lang het gaat duren, zijn de reacties van de passagiers een stuk milder dan wanneer er niets omgeroepen wordt. In het tweede geval worden veel mensen boos, in het eerste veel minder. Wie informatie krijgt, heeft het gevoel controle over de situatie te hebben, terecht of niet. Daarom is het internet zo'n democratisch medium: het maakt allerlei informatie relatief makkelijk beschikbaar. Of die informatie altijd juist is of niet, is een andere kwestie - het gaat mij hier om de ervaring controle te hebben. De beschikbaarheid van informatie is daarvoor cruciaal.

Het publieke leven in Vietnam wordt gekenmerkt door een structureel gebrek aan informatie, op elk niveau. Er is een wet, maar vrijwel niemand kent hem - machtsmisbruik door corrupte politieagenten is daardoor eerder regel dan uitzondering. Politieke besluitvorming vindt achter gesloten deuren plaats. Bloggers die mensen willen informeren over misstanden worden opgesloten. Procedures zijn onbekend; informatie is schaars, en meestal anekdotisch van aard. Dat geldt ook voor de procedure voor een huwelijk - nergens staat zwart op wit wat precies de voorwaarden zijn, daar moet men middels een serie telefoontjes en bezoeken aan de betreffende autoriteiten achter zien te komen. Een gemeentegids of -website met praktische informatie, een Postbus 51 infolijn of een nationale ombudsman zijn zaken die men zich hier niet voor zou kunnen stellen. Het zou de absolute macht van de overheid immers maar ondergraven. En die mentaliteit strekt zich uit tot de gezondheidszorg, waar dokters wil wet is; het onderwijs, waar leerlingen leren geen vragen te stellen maar braaf te reproduceren; en zelfs het toerisme, waar men zonder morren de leider van de toergroep volgt, en in stilte eventuele vertragingen ondergaat.

Ze vroegen dus niets, wetende dat een al te assertieve houding wel eens geïnterpreteerd zou kunnen worden als abnormaal gedrag, hetgeen hun slagen ernstig zou kunnen bemoeilijken. Ze ondergingen slechts. Monsterlijk grommend tekende het apparaat de hersenactiviteit van het meisje op. Eerst moesten de ogen dicht, toen weer open, en vervolgens kreeg ze een stroboscopisch licht te verduren. De weergave van haar hersenactiviteit was op zijn zachtst gezegd trillerig te noemen. Kennelijk hadden het decor en de psychische intimidatie haar niet onberoerd gelaten.

Toen was het de beurt aan de jongen. De juffrouw suggereerde dat het meisje alvast naar de volgende kamer ging, maar daar stak hij snel een stokje voor: zij moest blijven, om de instructies ('ogen open', 'ogen dicht') voor hem vertalen. De eigenlijke reden was natuurlijk dat hij hier niet met deze juffrouw Frankenstein alleen gelaten wilde worden.

Ze spande het Snoop Dogg-haarnetje over zijn hoofd. Het was onmenselijk strak, maar hij gaf geen kick. Hij was vastbesloten om niets te laten merken van het feit dat zijn hartslag inmiddels aardig gestegen was, en concentreerde zich op zijn ademhaling. In, twee, drie, uit, twee, drie. 'Ogen dicht.' In gedachten zag hij een lachende dikke boeddha voor zich, en een pitaya. Waarom een pitaya, in godsnaam? Niet over denken, wees blij dat het geen kokosnoot is. In, twee, drie, uit, twee, drie. De beelden in zijn hoofd wisselden elkaar rustig af. Nog een boeddha. In, twee, drie, uit, twee, drie. Duizenden stroomstootjes gingen door zijn hersenen, maar hij hield zijn hersenen zo stil als hij kon. 'Ogen open.' Gelaten liet hij het flitslicht over zich heen komen. Toen mochten de ogen weer dicht. De boeddha lachte, de pitaya zag er sappig vers uit. In, twee, drie, uit twee, drie. Zijn hersenactiviteit was een stuk minder dan die van zijn vriendin, zo bleek uit het vel papier dat de machine uitbraakte. Een lichte bibber slechts.

De volgende kamer was eerder een scène uit een slechte SF- dan uit een horrorfilm. Zij kregen zuignappen op hun armen, en om hun hoofd werd een riem gespannen. Ook hier werden kabels aan verbonden. Een twintig jaar oude computer toonde een serie felgekleurde grafiekjes. Hij sloot zijn ogen. De boeddha deed zich inmiddels tegoed aan de pitaya. Gelijk had hij. In, twee, drie, uit, twee, drie.

Plotseling was het voorbij. Hij had nog meer testen verwacht - hij had zich met name verheugd op de inktvlekken - maar die bleven uit. Zij hadden de proeve van bekwaamheid volbracht. Ze hadden gelaten de rituelen doorstaan, zonder vragen te stellen, zonder te protesteren, en zonder onrustig te worden. Ze waren 'normaal' bevonden, en kregen hun stempels. Plotseling lieten de jongedames in witte jassen hun maskers varen. Ze bleken te kunnen lachen.

De jongen en het meisje stapten op de motorfiets. Ze waren er nog lang niet. Eerst moesten er nog de nodige bureaucratische barricades geslecht worden. Zij moesten het Huis van de Wet bezoeken.

Kent u de Asterix-tekenfilm Asterix verovert Rome (Les Douze Travaux d'Astérix)? In deze ietwat surrealistische tekenfilm, de enige die niet gebaseerd is op een van de albums, worden de Galliërs door Caesar uitgedaagd te bewijzen dat zij onsterfelijk zijn. Zij worden geacht dit te doen door, in navolging van Hercules, twaalf werken te verrichten die voor normale sterfelijke mensen onmogelijk zijn. Een van de zwaarste taken waar onze helden voor komen te staan is het ophalen van een formulier, het vrijgeleide A38, in 'het huis waar je gek wordt'. Een administratieve formaliteit, zogezegd. Afijn, kijkt u zelf:



Met twee mappen vol formulieren gingen de jongen en het meisje naar het Huis van de Wet in Tam Kỳ, de provinciehoofdstad. Alle formulieren waren netjes bestempeld door het Huis van de Wet in haar officiële woonplaats, waar zij zouden gaan trouwen. Met dank aan vaderlief, overigens, die deze taak op zich had genomen. Hij had voor de gelegenheid zijn zondagse pak aangedaan - het speldje dat hij als dank voor zijn harde werk voor de publieke zaak van de Partij had gekregen blinkte prominent op het revers. Een goede naam vermag veel, dus dat was gelukt. Zij hadden evenwel nog één probleem: het document waaruit moest blijken dat de jongen ongehuwd was, was niet naar het Vietnamees vertaald, noch gelegaliseerd. 'Gelegaliseerd' betekent zoveel als: bestempeld door een daartoe bevoegde instantie, opdat het geaccepteerd wordt in een ander land. Zij moesten dit document laten legaliseren door de ambassade van zijn land, zo vermoedden ze. Het probleem was dat zij hun papierwerk moesten doen in de provincie waar zij ingeschreven stond, maar zich gingen vestigen in de hoofdstad, waar ook de ambassade stond - maar de twee plaatsen waren zo'n achthonderd kilometer van elkaar verwijderd. Met andere woorden: zij moesten de autoriteiten zo gek weten te krijgen dat deze hun documenten in behandeling wilden nemen, ook al ontbrak er nog een papier - dat zouden zij dan later nasturen.

Flexibiliteit en bureaucratie verdragen elkaar normaliter als vuur en water. Al te veel hoop op een goede uitkomst had hij dus niet. Maar het was de moeite van het proberen waard. Hun financiële situatie was namelijk niet zo rooskleurig dat zij het zich konden veroorloven de komende maanden nog een aantal keer heen en weer te reizen.

Het gezicht van de dame die hun documenten als eerste onder ogen kreeg beloofde weinig goeds. Iemand die in een citroen bijt kijkt nog vrolijker. 'Waar zijn de papieren?' vroeg ze bits, terwijl haar handen vol papieren zaten. 'Wat moet ik hier mee?' Ze bekeek hun formulieren met een blik alsof het een stapel gebruikt toiletpapier was.

Gelukkig waren zij niet louter afhankelijk van haar oordeel, daar zij iemand kenden, die iemand kende, die daar werkte. Zoals ik eerder schreef: connecties zijn in Vietnam van levensbelang, wil men iets gedaan krijgen. De jongeman die hun zaken behartigde hielp hen niet alleen de juiste stempels op de kopieën van hun identiteitsbewijzen te krijgen - waarvoor hij op de motorfiets een rondje door de stad moest rijden, omdat daar natuurlijk verschillende loketten voor bezocht moesten worden - hij kreeg ook zijn collegae zo ver dat deze erin toestemden de zaak nu reeds in behandeling te nemen, mits het betreffende papier binnen afzienbare tijd nagestuurd zou worden. Hij wist er zelfs voor te zorgen dat zij nog dezelfde dag geïnterviewd konden worden, waarover dadelijk meer.

Dat daar een tegenprestatie tegenover stond, zult u begrijpen. Voor niets gaat de zon op. De buitenlandse jongen had liever alles volgens de officiële weg gedaan, maar wie in een huis waar je gek wordt de officiële weg bewandelt, loopt nu eenmaal het risico gek te worden. In hun geval had het in elk geval een hoop tijd en een bom duiten extra gekost. Bovendien moet u weten dat in een land als dit, waar informatie schaars is, het onderscheid tussen de officiële en de officieuze weg in de praktijk lang niet altijd zo duidelijk is als in theorie. Hoe het ook zij, trots is hij er niet op, maar in dit geval vindt hij hun oplossing te rechtvaardigen - temeer daar de jongeman die hen zo uitstekend hielp net vader was geworden, en daarom wel een extra centje kon gebruiken. Moraal is situationeel bepaald, laten we het daarop houden.

Twee stapels bestempelde formulieren en twee psychische gezondheidstesten voldeden niet. De Vietnamese regering heeft enkele jaren geleden namelijk besloten dat in het geval van een gemengd huwelijk het zekere voor het onzekere genomen moet worden: lokale ambtenaren moeten aanstaande echtelieden een uitgebreid interview afnemen, om zo te kunnen bepalen of deze elkaar wel echt kenden en begrepen. Een begrijpelijke beslissing, gezien het hoge aantal schijnhuwelijken tussen Vietnamese dames en Oost-Aziatische mannen, die niet zelden uitliepen op gedwongen prostitutie. Men kan zich echter afvragen of een enkel interviewtje door een 'bevriende' ambtenaar voldoende is om een internationaal opererende loverboy tegen te houden. Hoe het ook zij, tegenwoordig moet iedereen die met een buitenlander wil trouwen verplicht een interview ondergaan. Dat gold dus ook voor hen.

Daar zij niet ruim van tevoren een afspraak hadden gemaakt, was er geen tijd om een ambtenaar op te trommelen die Engels sprak. De aanwezige ambtenaar vroeg dus maar aan de aanstaande bruid of zij voor haar zou kunnen vertalen. Helemaal onafhankelijk kon deze ad hoc tolk niet genoemd worden, maar ze konden er niet mee zitten. En, eerlijk is eerlijk, ze vertaalde voorbeeldig. De ambtenaar wilde alles van hem weten: wat voor werk hij deed, of hij de namen en banen van haar zusters kende, of hij de Vietnamese cultuur begreep, wat hij van haar ouders vond, of zij van plan waren langere tijd in Vietnam te blijven, en waarom hij met haar wilde trouwen. Ze schreef alle antwoorden uitgebreid op, in hele zinnen, met de hand. Per persoon werden drie vellen papier volgeschreven. Tegen de tijd dat ze klaar was, was de middag avond geworden.

Zij dronken een kop koffie, om even bij te komen, en reden vervolgens door de regen terug naar haar woonplaats. Zij waren enigszins licht in hun hoofd, maar dat had wellicht te maken met het feit dat ze die ochtend reeds om vijf uur waren opgestaan, teneinde op tijd in Tam Kỳ te zijn voor de psychologische test. Het was al donker. Na twee uur rijden waren ze in haar woonplaats. Het ging steeds harder regenen. Hun bagage hadden ze reeds ingepakt, en ze hadden net tijd voor een snelle maaltijd, voordat ze naar de hoofdstad vertrokken. Godzijdank was een taxichauffeur bereid gevonden hen naar het treinstation in Đà Nẵng te brengen, bepakt en bezakt als ze waren. Daar stapten ze op de nachttrein naar Hà Nội.

Als de trein de volgende dag de stad binnenrijdt weten ze nog niets. Ze weten nog niet dat ze over een paar dagen een leuk en betaalbaar appartementje zullen vinden in Đồng Đa district, ze weten nog niet dat haar officiële woonplaats en haar ouderlijk huis de komende week geteisterd zullen worden door een tyfoon en door overstromingen, ze weten nog niet wat voor werk ze gaan doen, en ze weten nog niet dat de Nederlandse ambassade weigert Nederlandse documenten te legaliseren, omdat ze daarvoor, leve de bureaucratie, bij het ministerie voor buitenlandse zaken en bij de Vietnamese ambassade in Den Haag moeten zijn (dat de Nederlandse ambassade onder datzelfde ministerie valt, en dus staatsrechtelijk bevoegd is documenten als deze te legaliseren, helpt hen weinig - men weigert domweg het te doen, daar de Nederlandse ambassade er niet is om Nederlandse onderdanen consulaire hulp te verlenen, maar om Nederlandse bedrijven hier te ondersteunen in hun neo-koloniale werkzaamheden). Ze weten dus nog niet dat ze wat te vroeg gejuicht hebben, en dat hen nog een tweede bureaucratisch gekkenhuis te wachten staat, dat best wel eens dwarser zou kunnen gaan liggen dan het eerste. Dat weten ze allemaal nog niet.

Maar ze weten wel dat ze op pad zijn, samen. Ze weten dat ze elkaar zullen steunen en beschermen. Ze weten dat een deel van de buitenwereld hun keuzes verwerpt en hun motieven in twijfel trekt. Ze weten dat ze door sommigen voor gek verklaard worden. En laten we wel wezen: dat zijn ze ook. Gek als een deur.

En gek op elkaar.

Zij vertrouwen.