Showing posts with label bureaucracy. Show all posts
Showing posts with label bureaucracy. Show all posts

Saturday, 1 December 2012

Paspoortverhalen

Tien dagen Toscaanse nazomerzon hadden mijn batterijen opgeladen, schreef ik. Ik dacht klaar te zijn voor het donkere seizoen. Maar ik was weer eens te optimistisch. Ik had niet voorzien dat de zon zich wekenlang helemaal niet zou laten zien, dat de eerste sneeuw begin november al zou vallen, en dat de lucht bijna elke dag van zonsopgang tot zonsondergang donkergrijs zou zijn. De stad was gehuld in duisternis en depressie. De gevolgen waren snel merkbaar: mijn energie zakte tot onpeilbare diepten. Ik wou dat ik een beer was, dan mocht ik nu op winterslaap.

Ik droomde van een tropisch strand, van zon en van primaire kleuren. En dit keer bleef het niet bij dromen alleen. Wij hakten de knoop door, en boekten vliegtickets. Van januari tot april wonen en werken wij elders. In de buurt van een tropisch strand, om precies te zijn. Vol verwachting klopt ons hart.

Om naar een tropisch strand te kunnen reizen moet men wel in het bezit zijn van een geldig paspoort. Nu heb ik weliswaar een geldig paspoort, maar dat is over enkele maanden verlopen; ik moest dus een nieuw paspoort aanvragen. Dat bleek gelukkig vrij eenvoudig. Ik ging naar de Nederlandse ambassade, die fraai gelegen is in hartje centrum, niet ver van het koninklijk paleis. Ik leverde mijn ingevulde aanvraagformulier in, samen met een pasfoto en een Noors bewijs van inschrijving; ik betaalde het vereiste bedrag, en gaf mijn vingerafdrukken af; en tien dagen later kreeg ik bericht dat ik mijn paspoort kon komen afhalen. Ik ging terug naar de ambassade, waar mijn oude paspoort werd geperforeerd, en ik mocht beide paspoorten mee naar huis nemen. Het was zo gepiept.

Heeft u uw paspoort wel eens goed bekeken? Weet u wel wat er allemaal in staat? Nee, ik ook niet. Bijna niemand, vermoed ik. Maar het is een interessant document. Elk paspoort vertelt verhalen. Politieke en ideologische verhalen, bijvoorbeeld; verhalen over natiestaten en collectieve identiteiten. Zo bevatte mijn eerste paspoort een soort stripoverzicht van de 'vaderlandse' geschiedenis - bepaald niet de kritische versie. Het nieuwste Chinese paspoort schijnt een soort miniatlas te zijn, compleet met imperialistische land- en zeeclaims. En het paspoort van mijn echtgenote ziet er dusdanig eenvoudig en onprofessioneel uit, dat grondpersoneel op Schiphol het steevast met een argwanende blik bekijkt, en eist dat zij haar verblijfsvergunning laat zien - ook als we binnen de Schengenzone blijven. Op onze nationale luchthaven worden mensen uit rijke landen op een heel andere manier aangesproken dan mensen uit arme.

Maar paspoorten hebben niet alleen politieke relevantie. Ze vertellen ook verhalen over de individuen aan wie zij toebehoren: verhalen over wie ze zijn en waar ze vandaan komen, verhalen over reizen die ze gemaakt hebben. Maar ook verborgen verhalen, die alleen de houder van het paspoort kent en kan vertellen. Elk gebruikt paspoort is een verhalenboek.

Als ik mijn oude en nieuwe paspoort naast elkaar leg, zie ik de eerste verschillen. Op mijn nieuwe paspoort staat met glanzende letters 'Europese Unie | Koninkrijk der Nederlanden | Paspoort' geschreven, met daaronder het nationale wapen. Op mijn oude paspoort staat bijna niets meer. Dat wil zeggen: het is zo doorleefd, dat de letters en het wapen er bijna volledig afgesleten zijn. Het is zo veel gebruikt dat er van de voorkant zo goed als niets over is.


Vroeger stond er op de binnenkant van de kaft in het Nederlands, Engels en Frans dat de minister van buitenlandse zaken overheden van bevriende staten verzoekt de houder van het paspoort netjes te behandelen. Dat staat er nog steeds, maar daar is een nieuwe tekst aan toegevoegd (in dezelfde drie talen): als je in een land bent waar geen Nederlandse ambassade is, zijn de ambassades van andere EU-landen verplicht je dezelfde bijstand te verschaffen als aan hun eigen burgers. Kijk eens aan, weer wat geleerd.

Pagina 1 is niet bijzonder boeiend. Het design en lettertype zijn veranderd, maar verder staat in het nieuwe paspoort hetzelfde als in het oude. Bovenaan staat 'Europese Unie', gevolgd door het woord voor 'Europese Unie' in alle officiële landstalen van lidstaten van de Europese Unie (wist u dat Ierland zijn geld tegenwoordig van de An tAontas Eorpach krijgt?). In het midden staat 'Koninkrijk der Nederlanden', gevolgd door het woord voor 'Koninkrijk der Nederlanden' in alle officiële landstalen van lidstaten van de Europese Unie (wist u dat ons land in Malta bekend staat onder de naam ir-Renju tal-Pajjizi I-Baxxi, en in Slowakije als Nizozemské kráľovstvo?). En onderaan staat 'Paspoort', gevolgd door het woord voor 'Paspoort' in alle officiële landstalen van lidstaten van de Europese Unie (wist u dat men in het Hongaars van een útlevél spreekt?). Opdat niemand zich vergisse.

Pagina 2 is de belangrijkste pagina van het paspoort, want hier staan de persoonsgegevens. Het design is veranderd, en dat niet alleen: ik ben ook veranderd. Mijn naam en geboortedatum niet, natuurlijk, maar mijn gezicht wel; ik zie er een stuk ouder uit dan vijf jaar geleden. Of komt dat doordat de nieuwe foto veel scherper en groter is dan de oude? Die oude pasfoto was veel te vaag, maar ik had er een godsvermogen voor betaald bij een door de Nederlandse ambassade te Londen aangeraden fotozaak - de prima pasfoto's die ik voor 3 pond bij de Griek bij mij om de hoek had laten maken voldeden niet aan alle regels, vond men, waardoor ik nog eens 20 pond moest betalen voor mijns inziens inferieure exemplaren - en dus moest ik het daar vijf jaar mee doen. De nieuwe is een stuk beter, al kijk ik niet echt vriendelijk (maar dat mag ook niet), en zit mijn haar niet goed (ik had net een muts op gehad, en de fotograaf had geen spiegel hangen). Ik kan er mee leven, denk ik.

Er is nog iets veranderd. Mijn vorige paspoort was uitgegeven door de 'Ambassadeur te Londen', aangezien ik toen in Londen woonde. Mijn nieuwe paspoort is daarentegen uitgegeven door 'De Ambassadeur te Berlijn'. Dat men een lidwoord toegevoegd heeft vind ik tot daar aan toe, maar dat 'Ambassadeur' vervolgens met een hoofdletter geschreven is is natuurlijk godgeklaagd. Kennelijk woont de beste man al zo lang in Duitsland dat hij vergeten is dat zelfstandige naamwoorden in het Nederlands normaliter niet met hoofdletters geschreven worden. Maar het gevolg is even triest als onomkoombaar: in mijn nieuwe Nederlandse paspoort staat een lelijke taalfout. Afgezien daarvan is het mij onduidelijk waarom de ambassadeur in mijn woonplaats Oslo mijn paspoort niet mag autoriseren. Het betreft een reorganisatie, zo is mij verteld: alle in Europa uitgegeven Nederlandse paspoorten moeten voortaan langs de ambassadeur te Berlijn. Maar niemand weet waarom. Misschien had hij tijd over.

Pagina 3 is zo goed als leeg. 'Geldig voor alle landen', staat er in kleine lettertjes, en 'Opmerkingen van bevoegde instanties'. Maar niemand heeft een opmerking gemaakt, in mijn oude noch in mijn nieuwe paspoort. Het achtergrondmotiefje van de bladzijden van het nieuwe paspoort is overigens nog lelijker dan dat van het oude. Blokjes, stipjes en ruitjes, als ware het zo'n prent waarin mensen die scheel kijken een 3D-afbeelding kunnen ontdekken. Je zou er spontaan migraine van krijgen.

Pagina 4 is helemaal leeg. In mijn oude paspoort is pagina 4 ook leeg gebleven. 'Kinderen', staat er boven, maar verder niets. Alles op zijn tijd, begrijpt u. Maar in het nieuwe paspoort is helemaal geen plaats meer voor kinderen. Elke baby moet voortaan zijn eigen paspoort hebben, naar het schijnt.

Op pagina 5 van mijn nieuwe paspoort is reeds een sticker geplakt. Zodra ik het paspoort binnen had, toog ik naar de Vietnamese ambassade, om daar een certificate of visa exemption aan te vragen: een speciaal visum met een geldigheid van vijf jaar, dat de houder het recht geeft om zo vaak hij of zij wil naar Vietnam te reizen, en daar tot 90 dagen te blijven. Dit is verzonnen om in het buitenland woonachtige Vietnamese emigranten de mogelijkheid te geven vaak en zonder al te veel problemen naar hun land van oorsprong te reizen (waar zij, u raadt het al, met bankbiljetten plegen te strooien); het is evenwel ook beschikbaar voor de buitenlandse echtgenoten en echtgenotes van Vietnamese burgers. De komende jaren hoef ik dus niet meer elke keer dat ik naar Vietnam reis moeite te doen om visum aan te schaffen.

Ik leg mijn nieuwe paspoort weg, en pak het oude. Op pagina 5 is een Thais visum geplakt. Het is lichtblauw, en heeft een fraaie rode Garuda in de hoek. Toen ik in 2008 besloot om op reis te gaan, wilde ik aanvankelijk de trans-Siberische trein nemen. Maar toen ik ontdekte dat het in december in die streken dertig graden kan vriezen, besloot ik mijn reis in Zuidoost-Azië te beginnen, en over land terug te reizen (zoals u weet is die terugreis er nooit van gekomen, omdat ik bleef hangen in Vietnam). Ik kocht een enkele reis van Düsseldorf naar Chiang Mai, want dat was het goedkoopste dat ik kon vinden. Nu hebben de meeste Europeanen geen visum nodig om naar Thailand te gaan, maar dat geldt officieel alleen als ze een retourticket hebben; wie dat niet heeft, wordt geacht een visum te hebben. Ik ging dus naar de Thaise ambassade in Den Haag. De consulaire afdeling bevond zich in een kelderkamertje. Men was verbaasd toen ik om een visum vroeg. 'Dat heb je toch niet nodig?' vroegen ze. 'Jawel, want ik heb geen retourticket,' antwoordde ik. Die regel was het ambassadepersoneel niet bekend, maar ik kreeg toch mijn visum. En dat was maar goed ook, want de regel was de jongedame die bij Air Berlin achter de incheckbalie stond wel degelijk bekend; argwanend vroeg ze waarom ik geen retourticket had, waarop ik haar mijn visum liet zien, en ze me knarsentandend mijn boarding pass gaf. Kennelijk had ze me graag de toegang tot het vliegtuig geweigerd.

Pagina 6 staat vol met stempels. Zes stuks, om precies te zijn. Twee van Thailand, waar ik ruim een maand verbleef; twee van Maleisië, waar ik maar een paar dagen had omdat ik een reeds geboekte vlucht moest halen; en nog eens twee van Maleisië, waar ik doorheen kwam toen ik een maand later van Makassar naar Siem Reap vloog. Ik vloog namelijk met Air Asia, de grootste budgetmaatschappij van Azië. Zoals veel mensen die met Air Asia vliegen had ik een overstap in Kuala Lumpur, en zoals veel mensen moest ik de nacht daar op het vliegveld doorbrengen. In de Low Cost Carriers Terminal, om precies te zijn. Mijn tip: de zachte banken van de koffiewinkel.

Pagina 7 heeft misschien wel het mooiste visum van het hele paspoort. Op een mooie ochtend in juli 2010 kwamen we aan in Jinghong, de hoofdstad van het fraaie Xishuangbanna, in het uiterste zuiden van China. We hadden de nachtbus genomen uit Kunming. Omdat we te lang in het noorden van Yunnan waren geweest, hadden we helaas geen tijd om een paar dagen in Xishuangbanna te blijven. Wel bezochten we de lokale botanische tuin - een van de mooiste waar ik ooit geweest ben. 's Middags namen we de bus naar Luang Nam Tha, in het noorden van Laos. Het was een minibusje, met plek voor ongeveer twintig mensen. Wij waren de enige reizigers; alle andere passagiers waren Chinese handelaars, die hun waren over de grens wilden verkopen. Het dak, de kofferbak en de gangpaden van het minibusje waren volgeladen met zakken en dozen. Geen idee wat er allemaal in zat.

Na ongeveer zes uur rijden kwamen we aan bij de grens, gelegen in hartje jungle. Het Chinese grensgebouw was een stevig betonnen kantoor, met schone marmeren vloeren en moderne elektronica. Nadat we allemaal onze exit stamp gekregen hadden (pagina 27), reed het busje verder door de jungle. De asfaltweg werd een modderpad. Na een paar minuten kwamen we aan bij een aantal schuren, gemaakt van hout en golfplaat. We stapten uit, en gingen naar het loket, dat weinig meer was dan een gat in de muur. Binnen zaten mannen in communistische uniforms te nietsen. Ik vroeg om een visum - ik had gelezen dat ik dat aan de grens kon krijgen. Ik moest een formulier invullen, 27 dollar betalen (de eigenlijke prijs is 25, maar de dienstdoende beambte wilde er natuurlijk nog wel iets aan overhouden), en wachten. Ik was de enige die een visum nodig had. Na een kwartier kreeg ik het visum, en mocht ik het land in. Na de douane gepasseerd te hebben (door alle Chinese passagiers werd geld ingezameld, teneinde het proces snel te laten verlopen) waren we in Laos - een van de mooiste landen ter wereld, inmiddels helaas ook ten prooi gevallen aan de demonen van ontbossing, grondstoffenroof en exploitatie.

Pagina 8. In januari 2009 vloog ik van Johor Bahru naar Jakarta. Johor Bahru is een grote, niet bijzondere interessante stad, gelegen aan de grens tussen Maleisië en Singapore. Ik kwam er om er meteen weer weg te gaan: de vlucht van Johor Bahru naar Jakarta was een stuk goedkoper dan de vlucht uit Singapore. Toen ik in Jakarta aankwam, was het al laat. Ik ging naar de balie, waar visa on arrival verkrijgbaar waren. Met uitzondering van een paar Indiase mannen was ik de enige passagier van het hele vliegtuig die een visum nodig had. De beambte was onvriendelijk, en vroeg me wat ik kwam doen in Indonesië. Uiteindelijk kreeg ik mijn visum. Het is wit, met groene en blauwe lijntjes; op de achtergrond staat het nationale wapen. Een Garuda, evenals op het Thaise visum. Ik vraag me af wat de moslimfundamentalisten ervan vinden dat hun land een hindoegodheid als nationaal symbool heeft.

Pagina 9 heeft zes stempels. Twee van Indonesië, die bij het visum horen. Twee van Cambodja, waarvan het visum om een onverklaarbare reden achterin mijn paspoort geplakt werd. En twee van Singapore, waaraan ik een jaar later samen met mijn lief een bezoek zou brengen.

Pagina 10 heeft een Vietnamees visum. Het is een van de zeven Vietnamese visa die mijn paspoort rijk is; de vijfde die ik kreeg. Toen ik in Vietnam woonde, had ik namelijk elke drie maanden een nieuw visum nodig. Deze was aangevraagd door mijn werkgever. Ik kreeg hem bij aankomst op het vliegveld van Hanoi, nadat ik het nuttige (een visa run) met het aangename (een korte vakantie) had gecombineerd door een bezoek aan Singapore en Melaka te brengen. Vietnamese visa zien er wel mooi uit, vind ik: ze zijn lichtgeel, met aan de onderkant wit en aan de bovenkant blauw. Het nationale wapen en het stempel van de dienstdoende ambtenaar zijn rood.

Pagina 11 heeft een aantal Vietnamese en Maleisische stempels. Pagina 12 heeft mijn derde Vietnamese visum, dat ik kreeg op de ambassade in Den Haag. Ik had een half jaar in Vietnam gewoond, en bracht toen samen met mijn lief een bezoek aan Nederland. Ik had nog een visum van zes maanden, maar dat liep af, dus ik had een nieuw visum nodig. De ambtenaar op de ambassade had reeds een zesmaandenvisum in mijn paspoort geplakt, toen hij of zij van een collega te horen kreeg dat de regering haar beleid had gewijzigd: vanaf nu kon men maximaal drie maanden krijgen. Vervolgens heeft men met typex de zes uitgewist, en daar met balpen een drie overheen geschreven. Omdat ik daarna aangaf geen behoefte meer te hebben aan multiple entries - het scheelde in de kosten, ziet u - is die tekst doorgestreept, en is er in krulletters 'single entry' ondergeschreven. Het resultaat is een van de minst professioneel ogende visa die ik ooit heb gezien, maar o zo idiosyncratisch. En als ik terugdenk aan die tijd, kan ik een zeker gevoel van nostalgie niet onderdrukken. Ik zie ons nog zitten, daar in Den Haag, wachtend op het visum. Het was een kille augustusmaand, en het miezerde; maar we genoten van het broodje haring dat we bij het stalletje gekocht hadden. Het was de eerste keer dat ze met me in Nederland was.

Pagina 13 en 14 hebben ieder drie Vietnamesische en Maleisische stempels. Ik hoor u denken: waarom heeft die jongen zoveel stempels van Maleisië? Dat is simpel: ik ben er twee keer een paar dagen geweest. En daarnaast ben ik er drie keer overgestapt, waarbij ik telkens het land in en uit moest. U begrijpt: voor Maleisië hebben Nederlanders geen visum nodig. Pagina 15 heeft mijn vierde Vietnamese visum, gekregen in Vietnam zelf, eind 2009. Het was de opvolger van het visum dat ik in Den Haag had gekregen, en ook dit exemplaar was slechts drie maanden geldig. Het was niet eenvoudig om een verlenging te krijgen zonder het land te verlaten, en ik heb er flink voor moeten betalen.

Het schrijven van dit verhaal duurt lang. Veel langer dan ik had verwacht. Dat komt doordat ik steeds word afgeleid door mijn herinneringen. Ik herlees sommige van de reisverhalen die ik drie jaar geleden heb geschreven: beschouwingen over God, over Oost-West essentialisme, over oplichterij, over mijn familiegeschiedenis, over utopisch geweld, over optimisme, over vooroordelen, over immigratiepolitiek en over verhoudingen binnen het moderne Azië. En ik realiseer me hoe gelukkig ik ben met wat ik de afgelopen jaren mee heb mogen maken. Mijn leven is af en toe een achtbaan geweest, maar ik had al deze ervaringen voor geen goud willen missen.

Pagina 16 heeft mijn tweede Indonesische visum. Dit visum ziet er heel anders uit dan het vorige: het is lichtblauw, met een beetje geel en groen; de grote Garuda heeft plaatsgemaakt voor hippe kleurtjes. Op de achtergrond staat meerdere keren het woord 'visa' geschreven - dat is ten minste duidelijk. Kennelijk heeft de Indonesische overheid dit nieuwe visum in de loop van 2009 of '10 ingevoerd. Deze heb ik gekregen op het vliegveld van Makassar, in Sulawesi. Wij waren daar samen met mijn familie, die was overgekomen voor onze bruiloft, in april 2010. We bezochten Tana Toraja, het gebied waar mijn moeder geboren is. Het was een mooie reis.

Op pagina 17 en 18 stonden verscheidene Indonesische, Maleisische, Singaporese en Vietnamese stempels. Maar er is weinig meer van over dan wat groene en rode inktvlekken. Toen ik vorig jaar in Tokyo was voor veldwerkonderzoek, ben ik een dag in de stromende regen meegegaan met een groep studenten, het bos van een beroemd heiligdom in. Samen met hen heb ik het heiligdom bezocht, het bos bestudeerd, en eikels verzameld om bomen te kunnen planten. Ik had weliswaar een paraplu bij me, maar dat was niet opgewassen tegen de hoosbui die wij op ons dak kregen. Mijn paspoort zat in het voorvakje van mijn rugtas, en raakte kletsnat. Vreemd genoeg is alleen de inkt op deze twee pagina's doorgelopen.

Pagina 19 is me lief. Dit is mijn allereerste Vietnamese visum. Ik kreeg het bij het Vietnamese consulaat in Sihanoukville, een badplaats in het zuidoosten van Cambodja. Ik weet nog dat ik het aanvraagformulier zat in te vullen, en twijfelde wat ik zou aanvinken: twee weken of een maand. Een visum voor twee weken was goedkoper, maar met een visum van een maand zou ik meer speling hebben. Ik koos uiteindelijk voor het tweede... Op dat moment had ik nog geen idee van wat me allemaal te wachten stond. En ik had al helemaal niet verwacht dat ik een maand later een stempel zou krijgen die aangaf dat mijn recht op verblijf met zes maanden verlengd was (pagina 20), en een fraai 'business'visum dat dat bevestigde (pagina 21). Dit was mijn eerste half jaar in Vietnam. Ik woonde in Hoi An, en werkte in Danang. Het was een van de mooiste en spannendste periodes uit mijn leven.

Op pagina 22 staat mijn Cambodjaanse visum. Het is groen met wit, en op de achtergrond is Angkor Wat te zien. Ik kreeg het voor 20 dollar op het vliegveld van Siem Reap, waar ik aankwam na voor het eerst in Indonesië geweest te zijn, via Kuala Lumpur. Op pagina 23 staan twee Japanse zegels, en bijhorende exit stamps. De zegels zijn voorzien van die rare blokjescodes die je tegenwoordig overal ziet, en die je naar het schijnt kunt scannen met een smartphone - ik weet er het fijne niet van. Het eerste kreeg ik in februari 2011. Ik was toen een maand in Japan voor een workshop en een aantal interviews. Ik vertrok een paar dagen eerder dan gepland, en vanaf een ander vliegveld, omdat het land op dat moment getroffen was door een tsunami en nucleaire ramp. Het tweede kreeg ik in het najaar, toen ik drie maanden in Japan was voor veldwerk. Dit zijn dus mijn PhD-stempels.

Het schiet al aardig op. Op pagina 24 staan een paar Vietnamese stempels. Ze horen bij het visum op pagina 25: het zesde, dat ik kreeg in mei 2005. Ik had op dat moment eindelijk alle benodigde documenten bij elkaar die nodig waren om een werkvergunning aan te vragen - het aanvragen van een Vietnamese verklaring van gedrag alleen al nam maanden in beslag - maar omdat ik op dat moment net te horen had gekregen dat ik een aanstelling in Oslo kreeg, was er geen reden meer om door te gaan met die aanvraag. Ik moest dus nog eenmaal een visum voor drie maanden aanschaffen.

Pagina 26 is ook fraai. Het bevat mijn enige Chinese visum. Voordat we naar Europa verhuisden, wilden we heel graag nog een paar weken naar China en Laos, waar we allebei nog nooit waren geweest. We zegden onze banen op per 1 juli, zodat we nog een maand de tijd zouden hebben om te reizen. Nu kunnen buitenlanders doorgaans niet zelf Chinese visa aanvragen bij ambassades in Azië, maar het toeval wilde dat ik in de periode voorafgaand aan de reis Engelse les gaf aan een groep mensen die werkte voor een hotel annex reisbureau. Voor een vriendenprijsje zorgden ze ervoor dat mijn paspoort naar het consulaat in Ho Chi Minhstad (dat in het Chinees als 胡志明市 wordt geschreven, zo leert het visum mij) werd gestuurd, waar men kennelijk wat flexibeler was dan op de ambassade te Hanoi, en daar bij de juiste persoon terechtkwam. Het visum is niet bijzonder kleurrijk, maar heeft wel een boeiende achtergrondtekening. Op de linkerkant staat een soort poort, met daaromheen meerdere cirkels. Rechts staat de Chinese muur, met daarboven het symbool van de Partij - omringd door lichtstralen, als ware het de zon. Een zekere megalomanie kan de Chinese overheid niet ontzegd worden.

Op pagina 27 staan de beide stempels die horen bij ons verblijf in China, alsmede twee Laotiaanse stempels. Het verhaal van de Chinese grensovergang heb ik al eens eerder verteld. Op pagina 28 staat nog een derde Chinese stempel, vanwege een transit. Ik kreeg het toen ik overstapte in Beijing, vorig jaar december, en route van Osaka naar Oslo. Over die vliegreis heb ik niet zoveel te vertellen, behalve dit: Beijing heeft een fraai nieuw vliegveld, maar Air China is een van de slechtste maatschappijen waarmee ik ooit gevolgen heb. De staf is onbeschoft, het eten belabberd en het vliegtuig oud. Vermijden dus, voortaan.

Pagina 29 is leeg. Leeg! De eerste lege pagina in het paspoort, nu pas! Dat heb ik toch aardig gedaan, al zeg ik het zelf. Met dank aan de Vietnamese overheid.

Op pagina 30 staat mijn laatste Vietnamese visum. Ik kreeg het vorig jaar, bij aankomst op het vliegveld van Saigon, na het eerst online besteld te hebben. Een maand geldig slechts, maar dit keer was dat voldoende, want we bleven maar een week of twee. Toen gingen we weer terug naar de Noorse kou. Op pagina 31 staan de bijbehorende stempels.

Pagina 32 is de laatste pagina voor visa en stempels. Ook deze pagina is leeg gebleven.

Pagina 33 en 34 zijn volstrekte flauwekul. Hier staan in piepkleine lettertjes de vertalingen van de woorden op pagina 2 ('naam', 'nationaliteit' enzovoorts) in alle landstalen van de EU. Kijkt u maar eens, in uw paspoort staat het ook. Als u wilt weten wat het Letse woord voor 'geboorteplaats' is, moet u hier kijken.

En dan zijn we bij de kaft aangekomen. 'Het eigenmachtig aanbrengen van wijzigingen of aanvullingen maakt het paspoort ongeldig', staat er. Ik neem aan dat wijzigingen als gevolg van een flinke regenbui daarbuiten vallen, alsmede wijzigingen met balpen, aangebracht op visa door onkundig ambassadepersoneel. Daarboven staat in drie talen dat dit paspoort eigendom is van het Koninkrijk der Nederlanden. Ik dacht het niet. Dit paspoort behoort toe aan niemand, behalve aan mij. Dit zijn mijn verhalen, waar het Rijk niets mee te maken heeft.

Hoe dan ook: ik kan niet wachten om weer op reis te gaan.

Sunday, 12 February 2012

Kafka Airlines

It is very cold, minus ten around noon, but the darkness of December has fortunately disappeared. The sky is spotless blue, the snow in the garden shining brightly. We could go out, do as the Romans do, go skiing in the forest. But today is one of those lovely lazy Sundays that need nothing but a big brunch, a pot of green tea and classical music; one of those days that do not need clocks. Time to sit down, let my mind wander, and do some writing.

I realise there is a story that I have not told you yet. It wants to be told. It is a story about some of the discriminatory structures by which global society is organised, and about bureaucratic insanity. It is a sad story, but it has a happy end.

The last story I told you was about Phan Rang, the fascinating land of the Cham in southern Vietnam. We stayed there for a couple of days, then went back to Saigon by train. In Saigon, we borrowed a motorbike, navigated the crazy traffic, and explored the city. We visited two Chinese temples, as well as the excellent museum for traditional Vietnamese medicine. We enjoyed delicious noodle soup and soursop shakes, and had dinner and drinks with friends. And we did some serious last-minute shopping, for we were about to return to the world’s most expensive country. We brought home our luggage in two brand-new suitcases.

On Monday, we went to Tan Son Nhat international airport, and checked in for our flight back home. The Vietnamese Turkish Airlines employee at the check-in desk looked for Nhung’s Schengen visa. But Nhung did not have a visa, nor did she need one, for she is a registered resident of Norway. As the spouse of a Dutchman, the Norwegian immigration agency treated her as if she were an EEA citizen herself; hence, they refused to give her the passport sticker that other non-European immigrants get. Quite ridiculous, for she still has a Vietnamese passport, which has little value internationally – but as we know, bureaucrats have their own incomprehensible logic, which does not usually correspond to the logic of the rest of the world. So all she got was a piece of paper called ‘residence card’ (‘oppholdskort’), printed on a simple A4 with a single blue stamp and signature. It works fine in Norway, it has not caused any problems on intra-European flights yet, but it is hopelessly inadequate when travelling outside the Schengen area.

The entire ground staff of Turkish Airlines in Saigon got involved. Nobody knew what to do. These days, airline companies are responsible for returning people who do not have proper travel documents; accordingly, they have become extremely strict when it comes to passport validity and visas. Unfortunately, though, airline employees are not usually trained to recognise official documents, nor do they know anything about European immigration law. The other day, an Air China employee in Osaka nearly refused me entry to the plane back to Norway, as I did not have a ‘Norwegian visa’ nor an onward ticket to my ‘home country’. I am not kidding. My attempts to explain the lady something about Schengen principles were in vain, for her computer told her otherwise, and computers cannot lie. But I have a Dutch passport, not a Vietnamese one, so I got away with it. This was different. This was worse.

Anticipating the possibility that Nhung’s residence card might not be recognised internationally, we had brought a pile of papers – marriage certificate, police registration letter, certificate of university enrolment, legalised translations and so on. The papers were confiscated, copied, scanned and discussed by people who, ultimately, knew next to nothing about legal matters. We were waiting patiently – ten minutes, twenty minutes, thirty minutes. My patience gradually gave way to anxiety. A man tried to call the headquarters of his airline company in Istanbul, but did not manage to get through. He tried to call the Norwegian immigration agency, but did not manage to get through there either. We had been among the first in line for the check-in. Now, the queue had disappeared, and the last people were checking in. Thirty minutes before boarding. I tried reason, I tried anger, I tried humour. I tried everything I could to convince them to let us board the fucking plane.

After more than an hour, in which he repeatedly tried to make phone calls but did not manage to talk to anybody who knew anything, the man sighed. ‘I can let you board the plane,’ he said, ‘but I don’t know what they will do in Istanbul. I cannot guarantee that she will be allowed to board the plane to Oslo. In that case, you will have to buy a flight ticket back to Vietnam, which is very, very expensive. Do you agree to pay for this yourself?’ He looked at me, waiting for my answer. I had little choice but to agree. Unlike the Air China lady in Osaka, he did not make us sign any contract, though.

Relieved, we finished the check-in process. We got back our pile of papers, then passed through the security check. Next, we had to pass immigration. I went first, and got my exit stamp. Nhung followed me. But something was wrong. The immigration official stopped her, called a colleague, and discussed with him. I could not hear what they were saying. I was standing on the other side of the border. Nhung was taken away to a room. I wanted to go back, follow her, but I was stopped. There was nothing I could do. She did not even have any cash to bribe the official.

I waited anxiously. Ten minutes lasted an hour. I assumed that this had something to do with the residence card as well, but I did not understand why these people were making a problem, for Nhung had checked in and received her boarding pass. If they did not allow her to leave the country, I could not stay with her, for I had already left the country, and my visa was single-entry. I tried hard to control my breath.

She came out of the room. From where I was standing, I could see her. She walked back to the desk. She seemed remarkably calm. Having grown up in Vietnam, she is much more used to bullying officials than I am, and has learned not to show any emotion in their presence. At the desk, she got an exit stamp, then walked in my direction. She greeted me quietly. We were on the same side of the border.

Apparently, she had not been stopped because of the residence card, but because her passport was only valid for another four months. It should have been six. In fact, she had tried to get a new passport in Hoi An, but it would have taken at least ten days, which we simply did not have. So we had decided to apply for a new passport at the Vietnamese embassy in Oslo after returning to Norway. No problem, we thought. The Vietnamese immigration officials, however, thought otherwise. They gave me the worst ten minutes I have ever experienced.

When we arrived at the gate, boarding had already started. We boarded the plane. I thought I would feel relieved, but I did not, for I did not know what was going to happen in Istanbul. Turkish Airlines know how to make good food, but this time my stomach did not appreciate it. A cartoon movie provided some temporary distraction, and I managed to catch a few hours of restless sleep. When we arrived in Istanbul, we did some shopping and had a coffee, then went to the gate for our connecting flight. The words of the man in Saigon still sounded in my ears. They may refuse her.

We were first in line. We were stopped. The airline employee started searching Nhung’s passport for a visa. We gave him the residence card. He looked at it with a surprised expression, somewhat annoyed, as if he was being fooled. He called his superior, then continued to let other people board the plane. People stared at us, some compassionately, others indifferently or mildly amused. Nobody asked us what was going on. The man’s boss arrived. Just like him, she obviously knew nothing about Norwegian residence documents. She looked at the paper with an empty look on her face. I tried to explain the situation, but her English was poor. Inside me, I felt fresh anger and anxiety coming up.

The woman tried to make a phone call to Norway. Unlike her Vietnamese colleague, she actually managed to talk to somebody. She explained the situation in an incomprehensible mixture of English and Turkish, that must be hard to understand for the person on the other side. Any misunderstanding could be fatal, so I still felt nervous. She told the person that Nhung’s surname was Nhung; I overheard it, and corrected her just in time. After several minutes of mutual misunderstandings and repeated sentences, she finally received confirmation that Nhung is, in fact, a legal resident of Norway. She seemed somewhat surprised, but let us board the plane. I could hardly feel relieved. I felt empty, and exhausted, and became an easy prey for this winter’s influenza virus.

This happened one month ago. Today, everything is fine. We are happy to be at home. Home is here, in snowy Oslo. Home is where we can be safe together. Despite the cold weather, I enjoy being back in quiet and beautiful Norway. I also enjoy being back at my university, sharing thoughts with friends, studying classical Chinese, working on my dissertation. I do not want to leave Europe any time soon. And I certainly do not want to think about papers for a while.

Saturday, 31 December 2011

Back to Vietnam

Our airplane arrives at Tan Son Nhat International Airport in the late afternoon. The journey has been happily uneventful. Istanbul has a modern, well-designed airport, so the transit went smoothly. Turkish Airlines serves some of the best airplane food I have ever had (the eggplant and chicken in tomato sauce was absolutely delicious), and the flight attendants did their best to keep the passengers hydrated. The plane made a brief stop in Bangkok before moving on to Ho Chi Minh City, which was somewhat annoying, but as we were allowed to stay and wait on the plane it was not a big problem. Throughout the journey, we could enjoy movies of our own choice. A completely different experience from Air China, which I took last week, despite the fact that both airline companies belong to the same international alliance.

Like most Europeans, I need a visa in order to visit Vietnam. There are two ways of getting a Vietnamese visa: one can either get one at a Vietnamese embassy or consulate abroad (and pay around 50 or 60 euros), or one can apply for a ‘visa on arrival’ online. Basically, you sign up for a visa at the site of a Vietnamese travel agency, who will then get the required permission from the immigration department, and send you a scanned copy of the official approval letter. This usually costs about 25 US dollars, but I found an agency that charged only 11 - I assume they have a ‘special connection’ within the immigration department. You print out the letter, which you hand in (together with a passport picture and a filled out visa application form) upon arrival at one of Vietnam’s international airports, after which you have to pay an additional 25 dollars ‘stamping fee’. In total, I paid 36 dollars.

Getting a visa on arrival is an excellent way to experience authentic Vietnamese efficiency. In stead of passing through immigration immediately, you have to go to a small office in a corner of the immigration hall. You are not the only one: several dozens of foreigners are standing and sitting around the office window, waiting for their visas. Some look completely alienated, others indifferent, others frustrated. If you are lucky, a queue has emerged spontaneously; if not, survival of the fittest. I was lucky. While queuing, however, I realised that I had not filled out the second visa application form, and I did not see any lying around. My wife went to a nearby desk and asked if she could get a copy of the form, which the young official behind the desk kindly gave her. In addition, he informed her that if we did not feel like waiting for a long time, it would of course be possible to get the visa faster – the ‘priority treatment’, so to speak. Everything can be arranged, after all, for everything has its price. Welcome back to Vietnam.

We did not pay him. We have had plenty of experience with Vietnamese corruption in the past, and I consider it a sick system that I do not wish to support if I do not have to. So I filled out the form, and waited for my turn. As I approached the office window, the queue dissolved into chaos. Some people were making applications, while others were paying their fees, while others got back their passports, while others were impatiently asking why they had to wait so long, while others were simply standing there, blocking the way for new applicants, naively believing that unlike everybody else they would get their visa within five minutes – all in front of the same desk.

Eventually, I handed in the letter, application form, a picture and my passport. We waited. As I had not bribed the officials, I did not receive ‘priority treatment’, so we had no choice but to be patient. After approximately forty uneasy minutes, during which several people received their passports and many more arrived and applied, I heard a lady say ‘Mitta Aika Piita Rót’. I assumed that she was referring to me, and my assumption turned out to be correct - so after paying the official fee I received my passport, together with its newest Vietnamese visa. The seventh, I counted.

Tan Son Nhat Airport is located inside the city. As we had a connecting flight the next day and did not feel like spending our first night in the city centre, we simply walked out of the airport, and stayed at a nearby hotel. Saigon triggered my senses. If you do not experience it for a while, you forget what tropical air feels like, only to be forcefully reminded when you return. It was not very hot, but the moist, warm air engulfed me like a bath, and the myriad strange yet familiar smells made me feel both dizzy and excited. But the most impressive feature of Saigon is the incredible amount of noise it constantly produces. No other city in the world has such a density of motorcycles, and they all produce a fair amount of sound. Add to that the noise of construction work, street vendors and shops vomiting loud dance music, and you get the cacophony that is called Ho Chi Minh City. 

We found a hotel not too far from the airport, with clean sheets, a bathtub and a minibar. We enjoyed a delicious first dinner of grilled fish, water spinach with garlic and fresh green herbs. My wife treated herself to her favourite food, the most disgusting fruit Creation has ever seen: durian. Everything was fine. We slept very well, until the noise of construction work downstairs woke us up at 7am - a lovely way to get over a double jetlag. Any first-time traveller to this country, be warned: earplugs are an absolute necessity. 

We somehow managed to catch some more sleep before we got up and checked out. We enjoyed delicious bún noodle soup and Vietnamese ice coffee with condensed milk. Afterwards, we walked back to the airport for our connecting flight, which would bring us to Hoi An where we were going to spend the holidays.

It is good to be back.

Wednesday, 20 April 2011

The loss of agency and the illusion of control

The opportunities the internet provides us with are potentially unlimited, or so we are usually told. Competitively priced flight tickets, free movies, ancient gnostic texts and hardcore rape porn are but 'a mouse-click away' - for those who know where to look, that is. The internet enables us to communicate with friends and family living in faraway countries as easily as with random strangers. We have access to a wealth of information, anywhere, anytime. The internet, in sum, has provided us with great new opportunities and information - and empowered us accordingly. That, at least, is the common assumption. But has it, really? Has this 'wealth of information' made us more independent and in control of our own lives? Or does the widespread illusion of control and freedom of choice, of which the internet is a core aspect, paradoxically convey a more sinister, contradictory reality - an actual loss of personal agency?

I downloaded a movie, yesterday. It was an illegal download, theft-light, which some of you might disapprove of. But don't worry: karmic retribution came fast. Today, my laptop was infected by some malicious software, pretending to be an anti-virus program. The software performed a fake system scan, warned me that my laptop was full of viruses, Trojan horses and other nasty things, and tried to block internet access. It looked very professional, as if it were part of Windows itself, but when I was asked to order their 'professional anti-virus software' and leave my credit card details I got suspicious. Fortunately, I still managed to get online. After some failed attempts I found a website which step-by-step explained me how to get rid of the rubbish. I followed the steps, without understanding why I took them. I created a strange file in Notepad and installed it as I was told - but I have no idea what I did and why I did it. I had little choice, though - without external help, I would have never got my computer clean.

I hope it is clean now - the software is nowhere to be found, so everything seems fine, but there is no way to be completely sure. The experience was unpleasant, and reminded me of an experience I had a couple of months ago, when my former laptop suddenly crashed and stopped working. These experiences have made me realise how completely dependent I am on the internet - for my research (i.e., work), for my financial situation, for making phone calls to my family and my family-in-law, for communicating with friends, for getting information about public transport and entertainment, for following the news and so on. Besides, I am dependent on my computer - for my personal archive, for music, for pictures and for writing. Nevertheless, I have no understanding whatsoever of the way it works. A laptop may be small, it is an extremely complicated device, and a layperson like me will never be able to really grasp the way it operates. Accordingly, when an unexpected problem occurs, we have great difficulty solving it, and cannot do so without external advice.

The internet, on the other hand, seems as big and endless as the universe - but equally incomprehensible. It works, we take for granted that it works, and as long as it works we don't ask any questions. Meanwhile, however, we make ourselves completely dependent on systems and devices we do not understand, and don't really control. As soon as something unexpected happens, our certainties are challenged and we are reminded of this dependence - only to happily forget it as soon as the malicious software has been removed. By doing so we silently accept the fact that we don't truly control the devices we have become completely dependent on - naively believing that there are others 'out there' who do understand how it works and can solve possible problems for us. But we are not the only ones who are dependent on the skills and knowledge of a few anonymous IT specialists: so are our government agencies, airline companies and banks. For instance, your financial savings are but bits and bytes, immaterial computer data, whose very existence depends on the system's functioning - but you accept it without giving it much thought, as you have no choice.

As the 'progress' of communication technologies and digitalisation ruthlessly continues, we are becoming more and more dependent on things we understand less and less. It is today's Faustian pact: as we have embraced the amenities of ever-evolving electronic appliances, we have willingly lost control over central aspects of our own life. Internet-banking and e-tickets are obvious examples, but there are many others. Newspapers, books, chronicles and other paper documents - those centuries-old devices for storing, sharing and preserving information - are gradually losing their physicality, only to be reduced to digital files that can be read on iPads and e-readers, whose preservation depends on the existence of a few backups. Few young people today are able to adequately plan and make appointments in advance, as they have grown up with mobile phones and are used to being able to change plans last-minute - no structural planning or commitment is necessary anymore. Drivers have become unable to read maps, as their navigation system tells them where to go - as soon as it makes a mistake or stops working, they are lost. Or worse: increasing amounts of walkers and hikers - those archetypal 'nature-lovers' of the past - have thrown away their maps and compasses, and walk with GPS devices instead. The more we listen to machines that tell us what to do, the more we forget to follow our senses and make our own independent judgments.

I am not saying that all technological progress has negative effects. Medical technology has greatly improved, saving many people's lives. The internet has given us wonderful opportunities for communicating with family and friends. Technological progress has contributed a lot to environmental destruction, but it can (and should) also play an important part in tackling environmental problems in the near future - further developing sustainable energy, cleaner engines and so on. So I am by no means a reactionary romanticist who is opposed to technological progress per se. The issue I am addressing here, however, is the paradox that while recent developments in communication technologies may have given us the feeling that we have more control and more choice, in reality our choices are limited, and we have actually lost control over our own lives. By increasing our dependence on external agencies (electronic devices, internet forums and phone helpdesks, 'experts') for our daily lives, we have in fact lost much control. In other words: in most contemporary societies, despite the widespread rhetoric of freedom and independence, personal agency and independence have decreased.

This development extends far beyond the realm of technology. One example is the bureaucratisation of society: digitalisation may have made it easier to, say, submit your tax statement (has it, really?), but it has also given birth to a variety of new procedures and regulations. The more information there is, the more authorities seem to feel the urge to control it - as exemplified by the international deterioration of privacy legislation, and governments' wishes to store private phone calls and emails for many years. In countries such as the UK and the Netherlands, every tiny thing is now regulated, in government agencies as well as in universities or private companies, leaving little or no space for negotiation and flexibility. Thus, personal requests turn into official applications, individual exceptions turn into dangerous precedents, and small-scale conflicts turn into court cases. The more interpersonal relations are regulated and bureaucratised, the less people are able to solve small problems independently and informally. And the more authorities try to control information, the more procedures and obligations they produce, and the less power individuals have to negotiate. Thus personal agency and freedom are challenged further.

One might object by saying that there has never been as much choice as today; that contemporary society offers its members a personal freedom unprecedented in history. 'Are we not completely free to choose and design our own lives?' you might ask. This is of course one the great myths of liberal capitalism - that in 'enlightened Western civilisation' people can do as they wish; that anybody can become a millionaire, if only they work hard enough. Alas, in reality social background, financial means, education level, ethnicity and interpersonal networks are highly influential in determining the extent of one's success. Structural economic and power inequalities within wealthy societies are discursively veiled by floating signifiers such as 'integration', 'citizenship', 'participation', 'free choice', 'free market' and, last but not least, 'democracy'. But despite the egalitarian rhetoric, independence and individual agency are valuable commodities, not equally available to all members of society. A well-educated fiscal lawyer or diplomat has access to personal and economic resources (and, hence, can make choices) that the average catering employee or truck driver could not possibly dream of. More tragically, hundreds of thousands of people living in affluent European countries are systematically denied any agency, any official social position and hardly any legal rights. They are labelled 'illegal', and criminalised for the simple fact that they have not been able to meet with all bureaucratic requirements the authorities posed them. No matter how determined they are, they have very little control over their own lives, and can never 'become a millionaire'.

But even in the daily life of a well-educated, average citizen choice is more limited than it may seem. Of course, dominant ideology has made us believe that we are powerful consumers, who can choose almost everything in their lives. Thus we can choose from twenty different brands of olive oil in any given supermarket, choose which insurance company we want to get our health insurance from and choose which company to pay for our electricity. But the question is whether these choices make us free and independent, or, on the contrary, restrict us - for instance, by taking up unnecessary time and energy. Is it really empowering to be able to choose between a huge number of bottles of olive oil, most of which are probably very similar, and to be able to choose between a number of different insurance companies offering the same services? On the contrary, one could argue that these arbitrary choices between products, which we are continuously forced to make, in fact contribute to a sense of guilt and uncertainty ('have I made the right choice? If only I had...'), undermining individual agency rather than enforcing it.

Besides: how free are we really, when we buy product C in stead of product B? To what extent are we influenced and conditioned to buy a given product? Do all those people who feel they 'need' or 'want' the new iPhone really need it and want it - in other words, do they base the decision to buy an expensive new mobile phone on their own free will, or are they merely effectively manipulated into believing this? (Why, incidentally, would anyone want to spend hundreds of euros on an over-hyped device with an unpractically tiny screen and an annoying, user-unfriendly touchpad?) In sum, how much space is left within consumer capitalist ideology for individual judgments, alternative choices, and rejection of dominant myths? How many people are really capable of resisting the fata morganas, and choose independently?

A final example of the loss of agency and control in contemporary society is food. Despite the fact that food is one of our basic daily necessities, very few people have any knowledge of the origins of the food products they consume, let alone control. Don't get me wrong: I am happy I have the opportunity to eat and cook a wide variety of dishes from all over the planet, a luxury my parents did not have when they were young. But I do feel anxious about my total lack of knowledge about the way my food has been produced. The supermarket provides me with ten different kinds of prefab soup - all one has to do is put it in the microwave - but the origins of the various ingredients are not revealed, nor is the production progress. I usually make my own soup, rather than buying the prefab stuff, but even then I don't know much about the science, economics and logistics involved in growing the vegetables I use. Factory-farmed meat and imported fish are even more problematic, of course, involving a range of complicated ethical, political and health dilemmas. I simply do not possess the knowledge necessary for making adequate judgments every time I consider buying a given food product - nor does, I assume, the vast majority of the population.

In other words: I am totally dependent on the morality of unknown others, or the control mechanisms designed by the state to reassure my food is healthy. There is no guarantee that my food has been produced in an environmentally sustainable way, or that it does not contain any dangerous bacterias or chemicals. But as long as I can't afford to be self-sufficient and produce my own food (which very few people can), I have no choice but to accept and try to stick to fresh and local ingredients as much as possible (easier said than done, when most vegetables and fruit in your country of residence are imported). My point is not that food nowadays is of an inferior quality compared to, say, fifty years ago - probably the contrary - but that we have become completely alienated from its production process. Food is commodified to the extreme: to the extent that we are no longer able to see where it comes from. We go to the supermarket and wonder which one of those twenty bottles of olive oil we should choose, but we have no clue as to their respective origins and contents. We finally base our choice on rather arbitrary things, such as the price and the attractiveness of the label. Thus, without background knowledge, freedom of choice is meaningless.

I have no solution. This essay is a diagnosis, but offers no obvious cure. I don't really believe in easy solutions anyway. The social condition I have tried to describe is complicated and multi-faceted, involving politics, economics and science, and there are many more things that can be said about it. My essay is exploratory rather than explanatory, raising questions rather than answering them. The argument is somewhat tentative and anecdotal, and needs to be developed further. I welcome any suggestions and contributions.

But I do think I have a point. Despite widespread optimistic rhetoric on individual choice and personal freedom, in contemporary society individual freedom is paradoxically restrained as a result of the constant fragmentation of knowledge. Crucial aspects of life, such as personal finances, communication with loved ones, individual mobility and food production are outsourced to external agents. Technological progress, digitalisation and globalisation have brought many positive changes, but they have also increased our fundamental dependency on unknown others, thus contributing to a loss of personal agency. The Nietzschean ideal of the 'free spirit' - living and thinking completely independently of others - is further out of reach than ever. We may still believe in the illusion of individual freedom, but as soon as our iPhone has a virus, we are lost.

Sunday, 26 September 2010

September in Oslo

Het is heerlijk om weer weekends te hebben, twee dagen samen, niet op de Dag des Heeren pubers Engels grammatica bij te hoeven brengen, hoe nuttig ook. Het is fijn om op zaterdag samen de metro te nemen naar Jernbanetorget, dan via Storgata naar de Vietnamese supermarket te lopen, en vervolgens door naar Grønland, waar de groenten in de Turkse en Pakistaanse winkels goedkoop zijn, waar de mensen vele vreemde talen spreken. Oslo is kleurrijk en multicultureel, en men is er trots op; het banale en arrogante nationalisme dat in Nederland de boventoon voert, en ervoor zorgt dat iedereen die een vorm van pluralisme voorstaat neerbuigend voor 'cultuurrelativist' wordt uitgemaakt, is aangenaam afwezig. Het is goed om van Grønland door te lopen naar Tøyen, waar de universiteitstuinen de herfst verwelkomen, en daar een tijdje te wandelen, maar niet na ergens een samosa of een stukje baklava gekocht te hebben. Als de middag een eind gevorderd is is het tijd om met de T-bane naar huis te gaan, wat slechts een kwartiertje duurt, en na even gezeten te hebben met een kopje thee of glaasje wijn in onze nieuwe keuken te experimenteren met bijvoorbeeld tom yam-stijl hotpot, of couscous met granaatappel, of iets anders lekkers. Op zondag vinden we het heerlijk uit te slapen, en eitjes te bakken of een spaghetti-brunch te maken met klassieke muziek op de achtergrond, en vervolgens door de volkstuintjes naar Sognsvann te lopen, het prachtige blauwe meertje zo dichtbij ons huis, waar de mensen barbecueën of joggen of mountainbiken of wandelen met kinderwagens, en waar ze in de winter zullen schaatsen en langlaufen. De zondag is heilig hier, seculier heilig, want dan willen Noren buiten zijn, willen ze wandelen en paddenstoelen zoeken, met de familie de hort op. Maar misschien gaan wij wel helemaal niet uit huis en drinken we heel veel thee en snoepen we eerst chocola en later tortillachips of gedroogde inktvis en verslinden we lui op de bank onze boeken van Stieg Larsson en J.K. Rowling, en zien we langzaam de lucht achter ons raam oranje en lila kleuren op muziek van Chopin, dat kan natuurlijk ook.

September nadert haar einde, wat betekent dat de bladeren geel worden en elke dag een beetje korter is dan de vorige en ik jarig ben, en altijd als ik jarig ben is de zomer definitief achter de rug, maar gek genoeg vrees ik de winter noch de kou, al doet iedereen nog zo zijn best me er bang mee te maken. Maar wij gaan warme kleren kopen in Zweden, net over de grens, net als alle andere Noren, en net als zij zullen we skiën en schaatsen, en ons huis zal vol staan met kaarsjes en koselig genoemd worden. Wel vrees ik die moloch, het Systeem, waar wij van afhankelijk zijn en die wij gepoogd hebben te pacificeren door her en der formulieren in te vullen, zo braaf en netjes als wij konden, maar toch kreeg ik het verkeerde nummer en stond ik niet in de computer en werd mij toen ik erom vroeg medische zorg geweigerd zonder dat gevraagd werd om de reden van mijn verzoek, want we leven in een wereld waar bureaucratische procedures zwaarder wegen dan medische ethiek. En al betaal ik tienduizend kronen belasting per maand en zijn wij wettelijk verzekerd, het feit dat het Systeem ons nog geen permanente fødselsnummers heeft toegewezen betekent dat wij geen toegang hebben tot de zorg waar wij recht op hebben. Nooit zal ik ophouden bureaucratische spinnenwebben en labyrinten waar dan ook hartgrondig te vervloeken, en daarmee allen die er genoegen in scheppen anderen aan de hand daarvan het leven zuur te maken, hun handelen legitimerend door te zeggen dat ze ook maar hun werk doen; daar staat echter tegenover dat ik elke bureaucraat die zijns ondanks probeert te helpen en dingen makkelijker te maken zal respecteren en bewonderen. En zo wachten wij in spanning op de papieren die zeggen dat wij hier zijn en mogen zijn en toegang hebben tot waar we recht op hebben en vrij mogen reizen in alle Schengenlanden, maar aangezien dat een half jaar kan duren zullen wij dit jaar vermoedelijk weer geen Kerstmis in Nederland kunnen vieren, laat staan in warmere oorden.

Nu vindt u mij mogelijk al langere tijd een zeurpiet vanwege al mijn geklaag over bureaucratische blokkades, dus ik hou het kort, en poog te lachen om de absurditeiten, mij troostend met de gedachte dat wij niet de enige zijn die hiermee te maken hebben. Alles wat mooi is heeft nu eenmaal een schaduwkant, en er zijn heel veel mooie dingen deze dagen. Hele dagen snuffelen op Japanse websites, artikelen uitprinten en lezen, boeken doorwerken, mailen met verstandige mensen en plannen maken voor de volgende maanden, de volgende jaren - dat alles aan mijn eigen bureau met mijn eigen computer en mijn eigen telefoon en mijn eigen twee boekenkasten, reeds voor een derde gevuld, en zelfs mijn eigen research budget. Ik ben vol van vragen en gedachten, en op dit moment stuiteren ze nog rond als adhd-kinderen in een ballenbad. Plannen te over, en het worden er steeds meer: een PhD course in Parijs en een congres hier in Oslo en een workshop in Tokyo en een filmfestival in Londen en een congres in Kumano, alles onder voorbehoud natuurlijk, en dan een half jaar veldwerk onderzoek in Japan, de goden weten waar. Te weinig kennis, nog, te veel aanknopingspunten; ik voel mij als een rechercheur die begonnen is aan een zoektocht naar een dader maar geen benul heeft waar te beginnen met zoeken, zoveel opties zijn er. Het is een geweldig avontuur, al voel ik me soms nog onrustig en ongeconcentreerd, maar ik vertrouw erop dat in de loop der tijd steeds meer puzzelstukjes op hun plek zullen vallen - al is de uitkomst wellicht, als in een goede misdaadroman, een hele andere dan ik nu in gedachten heb.

Na zo'n dag naar huis te lopen, door de groene straten met vrijstaande huizen die je eerder zou verwachten in een plattelandsdorp dan een nationale hoofdstad, gedachten dwarrelend, en dan thuis te komen in ons appartement, warm en licht, is niets minder dan een geschenk. Dan voelt het alsof we hier al jaren wonen, al spreken we de taal nog niet, en al zitten we nog niet in het Systeem. Als ik ons huis zie, de Tibetaanse gebedsvlaggetjes voor het raam, het halletje binnenloop dat vol staat met kartonnen dozen en provisorische potjes met basilicum, munt, sla, waterkers en taugé, mijn jas ophang en mijn schoenen uitdoe, voel ik mij ongewoon veilig. De glimlach van de ander wanneer ze me vervolgens verwelkomt is met geen pen te beschrijven. De prenten op de muren en de goden op de kast vertellen verhalen van verre reizen, maar zijn blij een plekje gevonden te hebben waar ze even tot rust mogen komen. En wij ook.

Wednesday, 4 August 2010

Geld wisselen

De laatste week in Vietnam is aangebroken. Na een enerverende reis door Yunnan en Laos genieten we van een laatste verblijf in Hoi An. Aanstaande zaterdag nemen we voorlopig afscheid van dit land. Voor die tijd rest ons nog één allerlaatste bureaucratische opgave: geld wisselen. Dat is in de meeste landen een fluitje van een cent, maar hier niet. Want dit is Vietnam, kafkaëske heilstaat, waar alles anders werkt dan in normale landen. Dus vooruit dan maar, een laatste verslag van de bureaucratische absurditeiten hier. Om het af te leren.

We hebben de afgelopen maanden hard gewerkt, en mijn inkomen was relatief hoog. Ook mijn vrouw werkte hard en verdiende aardig. De kosten voor levensonderhoud waren daarentegen laag, en we hebben tamelijk zuinig geleefd. Zodoende zijn we erin geslaagd een niet gering bedrag bij elkaar te sparen. Tweeënhalf keer mijn maandsalaris, om precies te zijn. Het is een welkom appeltje voor de dorst, dat ons zal helpen de eerste maanden in Nederland en Noorwegen door te komen. Mits we er in slagen het geld het land uit te krijgen, natuurlijk.

Het probleem is dat wij onze salarissen uitbetaald kregen in Vietnamese dong. Het is namelijk illegaal om salarissen in Vietnam uit te betalen in buitenlandse valuta. Het is echter ook praktisch onmogelijk om dong legaal om te wisselen voor andere valuta. Dat wil zeggen, banken wisselen maar al te graag vreemde valuta om voor dong, en bijna elke geldautomaat in Vietnam accepteert buitenlandse pinpassen, maar het omwisselen van dong voor andere valuta is aan een waslijst van voorwaarden en restricties verbonden. In theorie is het geloof ik mogelijk kleine bedragen om te wisselen, mits je een stapel papierwerk kunt voorleggen waaruit blijkt dat het geld op legale wijze verdiend is, aan kunt tonen waarvoor de vreemde valuta nodig zijn, beschikt over een contract waaruit blijkt dat je goederen exporteert en importeert, bereid bent lange tijd te wachten, en bevriend bent met iemand die een hoge functie bekleedt binnen een bank. De facto onmogelijk dus. De realiteit is dan ook dat de meeste banken simpelweg weigeren.

Nu word ik sowieso niet heel enthousiast van de gedachte met een grote stapel bankbiljetten een lange reis te moeten maken, dus ik wissel lieve niet alles om voor contant geld. Maar geld overmaken naar het buitenland is al even onmogelijk als geld omwisselen voor vreemde valuta. Hoe meer geld Vietnam binnenkomt, hoe liever het de regering is: Vietnamese emigranten wereldwijd maken jaarlijks vele miljoenen over naar hun familieleden in Vietnam, en geld ontvangen is bijzonder eenvoudig. Maar wie daarentegen als expat in Vietnam werkt, en net als die Vietnamese migranten in Europa zijn eerlijk verdiende geld naar huis wil sturen, wordt dat compleet onmogelijk gemaakt. Banken weigeren normaliter botweg internationale transacties te verrichten. Niet dat ze daar niet toe in staat zijn, maar er zijn allerlei regels die ze daartoe beletten, al dan niet zelfopgelegd. En wie toch een bank zo gek krijgt een internationale transactie te verrichten loopt het risico zijn geld kwijt te raken dankzij de een of andere digitale incompatibiliteit, zo las ik onlangs. Zoveel mogelijk geld het land in, zo weinig mogelijk eruit, dat is de bottom line. Dat dat tot absurde situaties leidt kan de regering niets schelen. Per slot van rekening blinkt ze niet bepaald uit in goed bestuur, maar des te meer in corruptie en zelfverrijking.

Zelfs geld verzenden met Western Union – de meest eenvoudige manier om internationaal geld te versturen, favoriet van migranten wereldwijd – is welhaast onmogelijk. Weliswaar zijn overal in Vietnam, zelfs in provinciedorpen en -stadjes, Western Union agentschappen te vinden, maar het gros daarvan ontvangt slechts, en weigert geld te verzenden. Ze zouden het wel kunnen, natuurlijk, maar ze doen het niet. En wanneer je dan eindelijk een bank met een Western Union agentschap gevonden hebt waar wel geld verzonden kan worden, word je geconfronteerd met een volgende serie barricades. Ten eerste: de overheid eist dat iedereen kan documenteren waar het verstuurde geld vandaan komt. Flauwekul, maar vooruit, dat mogen ze vragen – ik ben wel bereid kopietjes van mijn arbeidscontract en loonstrookjes te laten maken (al zal het me niets verbazen als daar ergens de een of andere benodigde stempel ontbreekt, of als men problemen maakt van het feit dat mijn geld verdiend is in Hanoi, maar ik het wil verzenden vanuit een andere plaats). Ten tweede: ik mag per maand maar één keer een bedrag versturen, dat niet hoger mag zijn dan een enkel maandsalaris. Gespaard geld kan dus nergens heen. En ten derde: de bank weigert Vietnamese dong aan te nemen en te verzenden. Ik mag alleen dollars versturen – waarvan ik de oorsprong natuurlijk niet kan bewijzen, omdat het onmogelijk is die legaal te verkrijgen. Het is werkelijk te absurd voor woorden:

a) Salarissen in Vietnam worden uitbetaald in dong; het is illegaal werknemers uit te betalen in dollars.
b) Het is praktisch onmogelijk dong legaal om te wisselen voor dollars.
c) Alleen dollars kunnen (beperkt en onder voorwaarden) verzonden worden naar het buitenland. Geen dong.

Er is, kortom, geen enkele manier om legaal van al die stapels hier verdiende dong af te komen, anders dan ze uit te geven. De enige mogelijkheid die rest is de zwarte markt, waar in Vietnam enorme geldbedragen verdiend worden, omdat het voor de meeste mensen de enige manier is om aan hun favoriete valuta (Amerikaanse dollars) te komen. Meestal zijn het juwelierszaakjes die goud verkopen, en daarnaast fungeren als clandestiene wisselkantoren. De geldhandel daar is illegaal, maar iedereen weet ervan. Ter illustratie: wanneer ik de bankemployee vertwijfeld vraag hoe ik dan in vredesnaam aan dollars moet komen om te verzenden met Western Union, verwijst ze me zonder blikken of blozen door naar een illegaal wisselkantoor.

We waren eenmaal eerder in zo’n wisselkantoortje, een maand geleden, in Hanoi. We wilden wat dong wisselen voor Chinese yuan, Laotiaanse kip en Amerikaanse dollars. Het was een interessante ervaring. Het zag er van buiten uit als een eenvoudige juwelierszaak, maar uit de vele scooters middenin de winkel en het gebrek aan mooie juwelen bleek wel dat hun voornaamste business een andere was. We liepen door naar een kamer achter de winkel. Het leek een gewone woonkamer, compleet met keukentje, ware het niet dat er een man/vrouw of twintig rondliep, er een aantal telmachines stond te ratelen, en de grote tafel in het midden vooral diende voor het omruilen van bankbiljetten. Maar er waren geen loketten, er was geen groot bord waarop de wisselkoersen stonden, er waren geen geüniformeerde werknemers, en het vreemde geld werd bewaard in een geheime kluis in het achterhuis, waar geen klant kon komen – het werd pas opgehaald nadat de bestelling was gedaan en de benodigde dong waren getoond. Mocht er een politie-inval op handen zijn, dan zou men binnen een kwartiertje de boel kunnen omtoveren tot een eenvoudige woonkamer.

Dat is echter niet waarschijnlijk, want ondanks het semigeheimzinnige gedoe opereren deze wisselkantoren behoorlijk in het openbaar, en iedereen weet ze te vinden. De politie doet waar ze goed in zijn: koffie drinken, geld vangen en een oogje toeknijpen. Er wordt nauwelijks opgetreden tegen de zwarte markt. Waarom niet, vraagt u zich misschien af – wat is het nut van wetgeving als deze niet gehandhaafd wordt? En waarom wordt het systeem niet hervormd, zodat het makkelijker wordt om je aan de wet te houden? Het probleem is dat Vietnam op papier weliswaar een socialistische eenpartijstaat is, maar de facto een oligarchie (of, om precies te zijn, een kleptocratie) waar een kleine elite bijna alles in handen heeft – inclusief de illegale wisselkantoren. Deze kantoren kunnen ongestraft opereren, zolang ze de bescherming genieten van ofwel de politie, ofwel een ander machtig misdaadsyndicaat. En daar ze in handen zijn van hoge partijfunctionarissen of legerofficiers, blijven ze opereren, zolang de eigenaar zijn netwerk goed onderhoudt en niet te veel machtige vijanden maakt. Onnodig daarbij te vermelden dat de grotere kantoren een omzet hebben van vele miljoenen per jaar. Dollars, wel te verstaan. Ga maar na: de wisselkoers ligt er hoger dan de officiële koers, die gehanteerd wordt door banken, de regering en werkgevers. En, belangrijker, ze betalen natuurlijk geen cent belasting.

Het moderne Vietnam is een Januskop. Alles heeft er twee gezichten. Op papier is het socialistisch, in de praktijk meedogenloos kapitalistisch, met enorme verschillen tussen arm en rijk. Voor de donoren gepresenteerd als een arm land dat ontwikkelingshulp nodig heeft, voor de investeerders als een dynamische groei-economie. Het is een land dat buitenlandse bezoekers met een glimlach en gastvrijheid verwelkomt – maar waar onder de oppervlakte agressief winstbejag en xenofobisch dedain leven. Het heeft een prachtige natuur, maar kent ook enorme problemen als ontbossing en luchtvervuiling. Het is een van de veiligste landen van de regio, maar ook een van de landen met de meeste corruptie en de minste individuele vrijheden. Het is een land met een uitermate bescheiden officiële economie, maar een uit zijn kluiten gewassen officieuze – hetgeen niet alleen leidt tot inflatie, maar vroeger of later ook tot het instorten van de opgepompte grondprijzen, en daarmee van de gehele fragiele economie (zie Griekenland). Vietnam is een land waar van alles en nog wat volgens de regels niet mag, maar waar alles kan wat God en Partij verboden hebben, zolang er maar betaald wordt. Het is, kortom, een land waar niets is wat het lijkt, en waar alles twee kanten heeft. Voor wie netjes alles volgens de wet wil doen kan dat behoorlijk frustrerend zijn.

We hebben nog drie dagen om een hoge stapel dong om te wisselen voor een iets minder hoge stapel eurobiljetten. Echte, bij voorkeur. De tijd dringt. Hopelijk kunnen we in Saigon (vanwaar we zaterdag het land uit zullen vliegen) een illegaal maar betrouwbaar wisselkantoortje vinden, want ik wil toch wel graag mijn geld mee naar huis nemen.

Het is een vreemd land, Vietnam. Bij vlagen volslagen absurd.

Stiekem zal ik het missen.

Monday, 22 March 2010

Politie

Een van de redenen waarom wij onze vorige woning verlieten was het feit dat onze huisbaas weigerde ons in te schrijven bij de politie, als gevolg waarvan wij daar illegaal woonden. Dit heeft onze huwelijksprocedure danig vertraagd, daar ik niet bewijzen kon woonachtig te zijn op het adres waarop ik bij mijn ambassade stond ingeschreven. Het feit dat op verschillende papieren verschillende adressen stonden was voor de ambtenaren in Tam Ky een mooi excuus om ons lange tijd te negeren, en meer smeergeld bij ons los te peuteren. We zijn weliswaar naar de lokale politie gegaan om te proberen een bewijs te krijgen dat we toch echt op dat adres woonden, maar we kregen daar nul op ons rekest. Niet direct, natuurlijk - politieagenten hier spelen graag machtsspelletjes, en deze poogde mij bang te maken door te doen alsof mijn visum niet geldig was - maar dat was wel de uitkomst. Dat mijn huisbaas strafbaar was, door een kamer te verhuren aan een buitenlander zonder daarvoor een vergunning te hebben, kon ze niets schelen. Klaarblijkelijk hadden de huisbaas en de politie een goede zakelijke relatie, als u begrijpt wat ik bedoel.

Laat me dit even verduidelijken. In Vietnam moeten buitenlanders te allen tijde geregistreerd zijn, zodat de regering hen continu in de gaten kan houden. Het is om die reden dat hotels in dit land gasten altijd om hun paspoort vragen. Wie onderdak verleent aan buitenlanders dient daarvoor toestemming te hebben, en extra belasting te betalen. Geïnstitutionaliseerde discriminatie, natuurlijk, en een van de excuzen voor hotels en huisbazen om buitenlanders fors meer te laten betalen dan Vietnamezen. Hoe dan ook, wie in dit land bij mensen logeert is illegaal bezig, tenzij de gastheren vooraf bij de politie toestemming verkregen hebben. Daarvoor moet normaliter echter de nodige hoeveelheid smeergeld betaald worden. Want één ding moge duidelijk zijn: politie en ambtenaren doen in dit land zelden wat ze uit hoofde van hun functie horen te doen. Pas als je lapt, krijg je je stempeltje.

Door schade en schande wijs geworden vroegen wij expliciet aan onze nieuwe huisbaas of hij ons kon registreren. We lieten het zelfs in het huurcontract opnemen. De relatief lage huur deed weliswaar het vermoeden bij mij rijzen dat onze huisbaas - geen professionele huisjesmelker, zoals de meeste mensen die hier appartementen aan buitenlanders verhuren, maar een particulier die zijn tweede woning verhuurde - niet op de hoogte was van het feit dat voor registratie betaald zou moeten worden, maar ons werd verzekerd dat het geen probleem zou zijn. Daar vertrouwden wij dus maar op.

Twee maanden gingen voorbij. Mijn werkgever bood mij een voltijdcontract aan, hetgeen betekende dat ik niet meer freelance voor hem werkte, maar officieel bij hem in dienst kwam. Het betekende ook dat mijn werkgever nu verantwoordelijk werd voor mijn visa en vergunningen, en de kosten daarvan voor zijn rekening nam. De keerzijde: ik moest nu toch echt werk maken van een werkvergunning. Dat is in dit land voorwaar geen sinecure. De expatgemeenschap en haar internetfora barsten uit hun voegen van de verhalen over bureaucratische nachtmerries. Het verkrijgen van werkvergunningen kan vele maanden in beslag nemen. Of langer: een collega van mij is reeds een jaar bezig. Alleen al het verzamelen van de juiste papieren en het verkrijgen van de juiste stempels kan maanden duren. Als de papieren eenmaal ingeleverd zijn bij de juiste overheidsinstelling kan het nog eens maanden duren voordat ze behandeld zijn. Ondertussen zit iedereen met het probleem dat er geen visa meer worden uitgegeven voor periodes langer dan drie maanden, en dat het verlengen van visa peperduur is, en niet altijd mogelijk. (Ter illustratie: ik heb inmiddels vijf Vietnamese visa in mijn paspoort, alsmede zeven stempels, die gezamenlijk tien pagina's in beslag nemen - en er zullen er nog meer bijkomen.)

Tussen ons gezegd en gezwegen: ik betwijfel ten zeerste of ik mijn werkvergunning heb voordat ik het land verlaat. Maar mijn werkgever weet nog niet van mijn plannen om in het najaar terug te keren naar Europa, en totdat die plannen definitieve vormen aangenomen hebben houd ik dat nog maar even zo.

Enfin. Ik deed in elk geval netjes wat ik moest doen om een werkvergunning te kunnen krijgen. Ik onderging de verplichte medische test. Een verpleegster verweet me kleurenblindheid, maar dat deed er weinig toe, want het enige dat de regering echt wilde weten was of ik HIV had - per slot van rekening ben ik een buitenlander, en dus promiscue (terzijde: ik had geen HIV). Ik liet mijn diploma's kopiëren en certificeren op de Nederlandse en Britse ambassades, die weliswaar ook grof geld vragen voor hun stempeltjes, maar waar je tenminste vriendelijk en snel behandeld wordt. En ik vroeg aan mijn huisbaas of hij een papiertje kon laten bestempelen door de lokale politie, opdat mijn werkgever voor mij bij de een of andere instantie een Verklaring Van Gedrag kon aanvragen. Een formaliteit, zou je zeggen.

Ai.

Natuurlijk had mijn huisbaas ons niet ingeschreven. De meeste Vietnamezen vrezen en verachten de politie, en ontwijken ze dus zoveel mogelijk. Met reden. In tegenstelling tot andere landen is de Vietnamese politie er namelijk niet om de wet te handhaven, en burgers te beschermen. Op papier wel, natuurlijk, maar de praktijk is anders. De politie is strak hiërarchisch georganiseerd. Salarissen zijn laag, maar worden aangevuld door inkomsten uit boetes en smeergeld. Agenten worden geacht een deel van die inkomsten af te dragen aan hun meerderen, die weer een deel afdragen aan hun meerderen. Hoe meer geld in het laatje, hoe groter de kans op promotie. Het gevolg is dat ze wetten verzinnen en negeren al naar gelang het ze uitkomt. De politie is door en door corrupt, maakt zich schuldig aan afpersing, en biedt bescherming in ruil voor geld. Het opereert, kortom, als een machtig misdaadsyndicaat - in naam van het Volk, natuurlijk, want het land heet socialistisch te zijn.

Maar ja, ik had die stempel nodig. Bovendien wilde ik toch wel graag legaal wonen. Na weken zeuren, en dreigen dat we onze woning zouden verlaten als hij niet toegaf (per slot van rekening stond het in het contract), stemde de huisbaas eindelijk in. Maar we moesten zelf maar naar de politie gaan om het te regelen. Hij had een afspraak voor ons gemaakt, zo verzekerde hij.
We komen aan in het politiebureau en vragen naar de agent met wie we een afspraak denken te hebben. We moeten plaatsnemen op plastic stoeltjes, terwijl we op hem wachten. We zijn in de ruimte met een zichtbaar geëmotioneerde, aangeschoten man, die kwaad de politie verwijten maakt. Zijn aanwezige familieleden proberen hem rustig te houden, maar slagen daar nauwelijks in. Een agent laat het stoïcijns over zich heen komen. Zijn collega's hebben de man korte tijd geleden in elkaar geslagen, en deze is nu in benevelde toestand teruggekomen om verhaal te halen, zo blijkt uit zijn woorden. De agent kan een arrogant lachje niet onderdrukken.
We worden gedirigeerd naar de kamer van de agent met wie we een afspraak denken te hebben. Hij is er in elk geval niet op gekleed. Hij draagt een vies hemd en is ongeschoren. Ongeïnteresseerd hoort hij ons uit, waarna we een vijftal documenten moeten invullen. Daarnaast wil hij een gecertificeerde kopie van het huurcontract, van mijn arbeidscontract (alsof dat relevant zou zijn) en van ons huwelijkscertificaat (dat we inmiddels gelukkig bezitten, en dat is maar goed ook, want ongehuwd samenleven is illegaal, zo is ons verteld). We worden gesommeerd adressen en persoonlijke gegevens van onze familieleden op te geven. De wanden van de kamer zijn kaal en vuilig donkergeel. De enige decoratie is, hoe kan het ook anders, het borstbeeld van Ho Chi Minh.
Maar die is dood. Morsdood.
De baas van de agent komt driftig de kamer binnengemarcheerd. Hij is jonger dan de ongeschoren man, maar staat duidelijk hoger in de pikorde. Hij draagt het gifgroene uniform dat de politie in dit land zo lelijk maakt, en hij draagt het met trots. Op zijn kippenborst prijken insignes. Hij keurt ons geen blik waardig, maar is des te meer geïnteresseerd in de formulieren die we hebben ingevuld. Binnen de kortste keren vindt hij wat hij zoekt, hetgeen niet verwonderlijk is, want de buurtstasi had de politie natuurlijk al lang op de hoogte gebracht van mijn verblijf daar. Juist: we wonen er al drie maanden. Waarom komen we ons nu pas registreren? Omdat we met de huisbaas hadden afgesproken dat hij dat zou doen, antwoorden we naar waarheid, omdat dat zijn verantwoordelijkheid is. Niets mee te maken: boete. Het ventje blaft nog wat over de Wet en het Volk, zonder ons aan te kijken maar met een bijzonder onvriendelijke stem, en marcheert vervolgens de kamer uit, het vuile werk aan zijn collega latend. Hij krijgt zijn centen later wel.
160.000 dong, zo luidt het oordeel. Of we dan het stempel kunnen krijgen? Per slot van rekening hebben we aan alle voorwaarden voldaan. We zullen zien, we zullen zien, komt u morgen nog maar eens terug. Hartelijk dank voor uw hulp. Hier heeft u nog een kleingheidje voor 'een kop koffie', als blijk van onze dankbaarheid, want zo hoort het. Nog eens 100.000 lichter dus.
De volgende dag gaan mijn vrouw en de huisbaas samen naar de politie. Die heeft plotseling bedacht dat de boete niet 160.000 dong is, maar 80.000. Kijk eens aan, dat is nou aardig, heeft ons koffiegeld toch geholpen. Oh nee, toch niet: we moeten daarnaast nog eens 800.000 dong extra betalen. Bonusje. 800.000 dong, daar kan een Vietnamees gezin een week van leven. Maar voor een buitenlander is het kleingeld, zo denkt men.
De baas wil ook koffie, zegt de agent, zonder blikken of blozen.
Het is je reinste afpersing, maar nu de teerling eenmaal geworpen is en we alle formulieren hebben ingevuld hebben we geen keus dan te betalen. Wanneer we thuis zijn brabbel ik nog wat over in beroep gaan, over het Recht, maar word meewarig aangekeken door vrouw en vrienden. Denk je echt dat jouw kleingeld het Recht ook maar ene bal kan schelen? Het Recht is net zo aangetast door de kanker die corruptie heet als de politie. Er is hier geen scheiding der machten; het is een enkel, zichzelf in stand houdend systeem. Slikken en betalen, dat is de enige oplossing. Je went eraan, zeggen ze.
We betalen de corrupte bende.
Misschien moeten we er gewoon om leren lachen.

Tuesday, 2 March 2010

Tam Ky

Het is een onbeduidende provinciestad, omringd door rijstvelden. Het ligt toevallig aan de grote weg die Hanoi met Saigon verbindt, en krijgt dus het nodige vrachtverkeer te verwerken. Het staat bekend om zijn lẩu: een grote pan hete soep met mie, vis en/of vlees, en verse groenten, die door meerdere mensen gedeeld wordt. Er is net een grote supermarkt gebouwd. Religie doet het er om de een of andere reden goed. Zo bevinden zich er enkele evangelische kerken, een grote Cao Đài tempel, en een tientallen meters hoog beeld van de bodhisattva van het mededogen. De overblijfselen van tempeltorens uit de Champatijd, ten noorden en ten zuiden van de stad, zijn evenwel indrukwekkender. Maar geen van de toeristenbussen stopt hier, dus ze zien maar weinig bezoekers. In de hele stad is welgeteld één hotel waar mensen met een buitenlandse nationaliteit mogen verblijven, en dat hotel is tamelijk belabberd.

Toen Danang een stadsprovincie werd, inmiddels ruim tien jaar geleden, werd besloten om van Tam Ky de nieuwe hoofdstad van de provincie Quang Nam te maken. Sindsdien zijn er aanzienlijke bedragen gepompt in de bouw van brede nieuwe wegen en protserige overheidsgebouwen. Er was ruimte in overvloed, dus men heeft het groots aangepakt. De wegen zijn hier breder dan in Hanoi, al rijdt er nauwelijks verkeer. De overheidsgebouwen liggen tientallen meters uit elkaar. Op de tussenliggende lappen grasland grazen gemoedelijk runderen. De enige hoogbouw is de televisiemast. Tam Ky maakt haar grootheidswaanzin geen moment waar.

Wij waren hier eenmaal eerder, afgelopen september, om onze hersengolven te laten meten door vooroorlogse martelwerktuigen, om stapels papieren te laten bestempelen, en om geïnterviewd te worden door een ambtenaar van de burgerlijke stand. Dat alles omdat wij graag wilden trouwen. Het was een bizarre, stressvolle dag, die ik uitgebreid beschreven heb in mijn verhaal Gekkenhuizen. Wij wisten toen niet wat ons nog te wachten zou staan; wij wisten niet dat die dag een vijf maanden durende bureaucratische nachtmerrie inluidde. Over die nachtmerrie heeft u kunnen lezen in de verhalen Meer papieren en Woede, dus ik zal u de details nu verder besparen. Laten we het erop houden dat enkele ambtenaren in Tam Ky hun uiterste best heeft gedaan onze procedure zo goed ze konden te frustreren. En laten we het erop houden dat een en ander ons soms kwaad en moedeloos maakte.

Maar wat ons niet doodde, maakte ons sterker. Onze relatie werd beproefd, kwam onder druk te staan, en groeide. We vochten, we scholden, en we leerden dat je soms gewoon geduld moet hebben, en vertrouwen dat het goed komt. We leerden ook hoe de bureaucratie in dit land functioneert – wettelijk vastgelegde procedures zijn van secundair belang, waar het om draait is de juiste hoeveelheid smeergeld bij de juiste persoon te krijgen. We vervloekten de corruptie, maar kozen uiteindelijk toch eieren voor ons geld. We betaalden, en droegen zo bij aan de instandhouding van een ziek systeem. Na maandenlang stress, waarin telkens weer een nieuw papier geëist en telkens weer een nieuwe stempel ongeldig verklaard werd, realiseerden we ons dat dat de enige optie was.

En ja hoor. We hadden nog niet betaald, of alle zogenaamd onoverkomelijke problemen betreffende stempels die niet zouden voldoen, adressen die niet overeen zouden komen en een interview wiens geldigheid verlopen zou zijn verdwenen als sneeuw voor de zon. Plotseling konden wij officieel bij de Partij voorgedragen worden, werd ons toestemming verleend, en werden wij uitgenodigd om op het kantoor in Tam Ky onze huwelijkspapieren te komen tekenen. Vijf maanden getraineer en getreiter door de twee dames die verantwoordelijk waren voor onze procedure kwamen tot een abrupt einde, dankzij tweemaal vijftig euro smeergeld bovenop de officiële kosten. Het was niet te geloven.

En dus namen wij bij aankomst op het vliegveld in Danang de bus naar Tam Ky in plaats van die naar Hoi An. Het was een kleine bus, en hij was stampvol geladen. Veel mensen waren op weg naar hun familie, om met hen Vietnamees Nieuwjaar te vieren. Naast een groot aantal passagiers, van wie de meeste moesten staan, vervoerde de bus een nieuwe matras, een fiets, een metershoge perzikboom en tientallen koffers en tassen, die het halve gangpad blokkeerden. Wij voelden ons als haringen in een ton. Een fietsstuur prikte in mijn rug. Desalniettemin vond de dame die de buskaartjes verkocht dat ik het dubbele tarief moest betalen, aangezien ik als enige in de bus een witte kop had. Dat vertikte ik.

De reis duurde bijna vier uur, en ik moest bijna al die tijd staan. Gelukkig hielden de heren Leonard Cohen en Stef Bos me gezelschap. Op het dashboard stond een fraai wit beeldje van de bodhisattva van het mededogen. Er lagen een pitaya en een mango bij. Toen we in Tam Ky aankwamen, was het al donker. We begaven ons naar een hotel, maar kregen te horen dat daar geen plaats was voor buitenlanders, waarop we doorliepen naar het enige hotel dat wel buitenlandse gasten accepteerde. Het was tamelijk belabberd, maar we waren zo moe dat we direct in slaap vielen.

De volgende ochtend stonden we vroeg op. Heel vroeg. We liepen over een brede stoep langs een brede weg waarover heel weinig verkeer reed. In een cafeetje dronken we een kop koffie, voor een kwart van het bedrag dat je er in Hanoi meestal voor kwijt bent. Mijn zwager, die werkzaam is in Tam Ky, hield ons gezelschap. Toen we de koffie op hadden liepen we naar het provinciale Huis van de Wet (of: Huis Waar Je Gek Wordt). Een dame met een gezicht dat eruit zag alsof ze net in een citroen had gebeten heette ons welkom. Nou ja, wat heet welkom: we werden gesommeerd te gaan zitten en braaf te wachten tot we aan de beurt waren, en vervolgens een kwartier genegeerd. Niet dat er enige reden was om te wachten, want er was niemand vóór ons, maar het ging om het idee - we moesten niet denken dat we zomaar door konden lopen.

We kenden de dame goed. Ze had maandenlang actief onze procedure gefrustreerd. Pas toen we haar een weeksalaris 'cadeau' deden liet ze haar bezwaren varen. Aan haar gezicht te oordelen was het geld reeds op, en hoopte ze op meer. Dat kon ze echter op haar dikke buik schrijven.

Uiteindelijk mochten we dan toch naar boven. In een klein zaaltje zaten de andere dame die onze papieren maandenlang genegeerd had, en haar baas. We kenden haar nog van het interview dat ze ons in september afgenomen had. Ze zag er een stuk vrolijker uit dan toen. Of dat kwam doordat het bijna Nieuwjaar was, of doordat ze ons dankbaar was voor het weeksalaris dat we haar 'cadeau' hadden gedaan, konden we niet met zekerheid zeggen. Ze sprak wat lege woorden, we kregen een boeketje in onze handen gedrukt (waar we later voor moesten betalen, drie keer de marktwaarde, maar dat terzijde), en we mochten het contract tekenen. Mijn geboorteplaats was verkeerd gespeld, zag ik direct, als 'Smallinggerland'. Stomme ambtenaren. Maar wat niet weet, wat niet deert, dus ik hield wijselijk mijn mond, ervan uitgaande dat dit kleine detail onze toekomstige registratie bij de Nederlandse burgerlijke stand niet zal bemoeilijken. Dat hoop ik dan maar.

We tekenden de papieren, we tekenden onze pagina in het Boek van de Wet, en we zagen hoe de papieren getekend werden door de baas. We mochten naar voren komen, en tussen hem en het borstbeeld van Ho Chi Minh in komen staan. Hij overhandigde ons de papieren, mijn zwager maakte een foto, en toen was het reeds voorbij. De ceremonie was kort en zo kaal als een biljartbal. Er kwam geen ritueel bij kijken.

Maar het kon ons weinig schelen. We hadden onze papieren, we hadden een hoge barricade geslecht. We waren officieel, wettelijk, man en vrouw. Op de rituelen en het feest moesten we nog even wachten. Tot tien april, om precies te zijn, want dan is de eigenlijke bruiloft. Hoe dan ook, de bureaucratische nachtmerrie was achter de rug. Vijf maanden stress en honderden euro's, en dat voor een paar lullige velletjes papier, met een stempeltje, een handtekening en een verkeerd gespelde geboorteplaats... Maar het zat erop. Blij en opgelucht liepen we weg van het Huis van de Wet.

We bezochten de Champatorens. Ze waren fraai en gaaf. We bewonderden de reliëfs van dansende hemelwezens, de sierlijke ornamenten en de beelden van Shiva, Parvati en Garuda. We waren de enige. Het was nog vroeg, maar de zon scheen fel, en het was warm. Alleen in de torens was het koel. Het rook er naar vleermuizen. We dankten de goden.

Toen zegden we Tam Ky vaarwel, en stapten op de bus. Onze reis ging verder.


Het Huis van de Wet in Tam Ky

De handtekening

Het is officieel

De champatorens ten zuiden van de stad

De champatorens ten noorden van de stad


De Godin