Showing posts with label music. Show all posts
Showing posts with label music. Show all posts

Saturday, 30 January 2010

Ruth

Song of Ruth

I am a stranger here
I have left my land
I have crossed your path
I have followed your steps

You told me: go back
Do not trust me
But you're a part of me
Without you, I can't be

And I know, the future is unknown
And the darkness is near
And a long journey through the desert
Lies ahead of us

But your land is my land
Your people are my people
Your language is my language
Your God is my God
Your dream is my dream
Your path is my path
Your future my future
Your heart is my heart

I know, your people are afraid
Of us, who are different
But I will build bridges
Over the abyss

And I will long back
When a strong wind comes
From the far South
Where I was born

But I will be strong
And I will survive
I want to stand with you
Hard though it may be

For your land is my land
Your people are my people
Your language is my language
Your God is my God

Your dream is my dream
Your path is my path
Your future my future
Your heart is my heart

My part is your part
My bread is your bread
Your life is my life
Your death is my death

And when the darkness comes
And your people hide from me
I will give my love, I will
Make the hatred disappear

For your house is my house
Your fear is my fear
Your silence my silence
Your land is my land


Lied van Ruth

Ek is n vreemde hier
Ek het my land gelos
Ek het jou pad gekruis
Ek het jou spoor gevolg

Jy het gese gaan terug
Moe nie op my vertrou
Maar jy s n deel van my
Wat doen ek sonder jou

En ek weet die toekoms is onseker
En die donker is digby
En ek weet ons wag n lang reis
Reg deur die woestyn

Maar jou land is my land
Jou volk is my volk
Jou taal is my taal
Jou God is my God
Jou droom is my droom
Jou pad is my pad
Jou toekoms my toekoms
Jou hart is my hart

Ek weet jou volk is bang
Voor ons wat anders is
Maar ek sal brugge bou
Daar waar die afgrond is

En ek sal terugverlang
Wanneer die wind sal waai
Wat uit die suide kom
Van my geboorte grond

Maar ek sal sterk wees
En ek sal oorleef
Want ek wil naas jou staan
Al sal dit moeilyk wees

Maar jou land is my land
Jou volk is my volk
Jou taal is my taal
Jou God is my God

Jou droom is my droom
Jou pad is my pad
Jou toekoms my toekoms
Jou hart is my hart

My deel is jou deel
My brood is jou brood
Jou lewe is my lewe
Jou dood is my dood

En wanneer die donker kom
En jou mense my ontwyk
Sal ek my liefde gee
Totdat die haat verdwyn

Want jou huis is my huis
Jou angs is my angs
Jou stilte my stilte
Jou land is my land


"Ik vind dat de wereld zonder grenzen zou moeten zijn. Ik weet dat dat een naïef idee is, maar het is toch belachelijk dat wij deze aardbol ingedeeld hebben in grenzen, en dat je daar allerlei papieren voor nodig hebt. God betere het."



Lyrics: Stef Bos
Translation: Aike Rots
Illustration: Marc Chagall, 'Ruth and Boaz meet'

Tuesday, 10 November 2009

Waken

http://www.fi-donc.nl/artwork/ajk/ajk0138dolf.jpg

Het was een klein blauw regeltje op nu.nl, niet meer dan dat, maar het trok mijn volledige aandacht. 'Herman van Veen bedreigd om PVV-uitspraken', stond er. Ik werd op slag verdrietig. Van Veen is een zanger, een clown, en een groot verhalenverteller. Hij is de man van de zachte maatschappijkritiek (Alfred J. Kwak, Opzij, De bom valt nooit), van de hoop (Signalen), van de nostalgie (Hilversum III, Adieu café) en van de liefde (Liefde van later, Anders anders, Anne). Hij is geen man van haat, geen man van polarisatie. Hij is een troubadour, hij moet een spiegel zijn, dat is zijn rol. Maar als zelfs een troubadour niet meer mag zeggen en zingen wat hij denkt, omdat hij door aanhangers van nota bene de 'Partij voor de Vrijheid' middels doodsbedreigingen het zwijgen wordt opgelegd, is het einde van de vrijheid zoek. Ik heb het eerder gezegd: de grootste bedreiging voor de vrijheid in Nederland is de zogenaamde Partij voor de Vrijheid.

Bagatelliseren en goedpraten is evenmin een oplossing als negeren. Benoemen moeten we. Dat is precies wat Van Veen deed, tijdens die toespraak in Utrecht. Hij zei dat de PVV een fundamenteel ondemocratische structuur heeft; dat ze geen politieke partij is, maar een beweging rondom één individu, die alle macht heeft. Daar valt verdomd weinig tegen in te brengen. Hij zei dat we ervoor moeten waken dat de partij zich niet ontwikkelt tot een NSB-achtige totalitaire beweging, die, als ze aan de macht zou komen, onze rechten en vrijheden zou inperken. Dat is niet overdreven. Momenteel wordt de vrijheid van meningsuiting al bedreigd door een nieuw soort politieke correctheid, waarin eenieder die de geestverwanten van Fortuyn en Van Gogh van repliek dient verweten wordt bij te dragen aan een klimaat van demonisering. Wie weigert zich daarnaar te schikken, krijgt een proces aan zijn broek, en/of wordt bestookt met beledigingen en bedreigingen. De omgekeerde wereld, natuurlijk: Wilders en zijn maten demoniseren zichzelf, omdat het ze electorale winst oplevert. Jammerlijk verklaart hij zichzelf tot martelaar voor de vrijheid van meningsuiting, maar ondertussen doen zijn stromannen alles wat ze kunnen om anderen diezelfde vrijheid te ontzeggen.

Het gevaarlijkste is misschien wel het klimaat van haat dat geschapen is. Wilders is daar niet alleen verantwoordelijk voor. Lees een willekeurig internetforum, en u zult versteld staan van de grofheden en discrimerende opmerkingen die u daar zult aantreffen. U hoeft niet eens naar Geenstijl of de Telegraaf, trotse koplopers van de vuilbekkerijcultus, om een indruk te krijgen van het soort uitingen dat momenteel in zwang is: de sites van de Volkskrant, het AD of nujij.nl volstaan. Wanneer politici openlijk spreken over het breken van neuzen van journalisten of het neerschieten van 'Marokkaanse' jongeren, dragen zij bij aan een verdere verheerlijking van geweld in het publieke discours. Dan heb ik het nog niet eens over het ongestraft plegen van geweld in regeringsgebouwen. De normalisering van het spreken in gewelddadige bewoordingen is een gevaarlijke ontwikkeling, zeker wanneer deze gepaard gaat met een anti-democratische partijstructuur, het systematisch uitsluiten van een hele bevolkingsgroep, en utopische toekomstbeloften. Dat zijn zo'n beetje de klassieke kenmerken van een fascistische beweging. De stap van woorden naar daden wordt steeds kleiner, vrees ik. Aan de legitimatie van die daden wordt namelijk hard gewerkt.

Sterkte, Herman. Laat je niet tot zwijgen brengen. Blijf waakzaam, we hebben je nodig.




Saturday, 22 November 2008

Later

Tommie en Ieniemienie zaten op schoot bij Gerda. Ze zong een liedje voor ze:
"Later mijn kind
als je groter zult zijn
dan moet je werken
dat zul je wel merken
later mijn kind
als je groter zult zijn
wat voor werk
lijkt jou dan fijn?"
Dat lieten Tommie en Ieniemienie zich geen twee keer vragen. Ze werden astronaut, brandweerman en zangeres. Ze werden rijk, succesvol en beroemd. De toekomst was ver weg en mooi.

Later was altijd ver weg, een eeuwige belofte. Later werd ik zeeman, later werd ik kinderboekenschrijver en -tekenaar, later werd ik acteur, later werd ik politicus of diplomaat, later werd ik wetenschapper. Nu nog niet. Later was veilig opgeborgen, aan gene zijde van het nu. Tot voor kort.

Ineens was het later geworden. Zonder aan te kloppen had de toekomst bezit genomen van het heden. En ineens bleken alle grote dromen en idealen tien vogels in de lucht te zijn, en bleven mijn handen vertwijfeld leeg - vooralsnog, tenminste. Het lied van Stef Bos dreunde mijn trommelvliezen binnen:

"We speelden ooit verstoppertje
in de pauze op het plein
we hadden grote dromen
want we waren toen nog klein
de ene werd een voetballer
de ander werd een held
we geloofden in de toekomst
want de meester had verteld
jullie kunnen alles worden
als je maar je huiswerk kent
maar je moet geduldig wachten
tot je later groter bent

Is dit nu later?
is dit nu later als je groot bent
een diploma vol met leugens
waarop staat dat je volwassen bent
is dit nu later?
is dit nu later als je groot bent
ik snap geen donder van het leven
ik weet nog steeds niet wie ik ben
is dit nu later?"

http://www.youtube.com/watch?v=ugZUtCVkIaU&feature=related

Ik wilde er eigenlijk nog niet aan geloven. Diep in mijn hart omarmde ik de Noorse en Amerikaanse afwijzingen voor een promotieplaats en -beurs. Ik solliciteerde niet naar die aantrekkelijke functie die ik tegenkwam, waarbij ik onderzoek en politiek had kunnen combineren - ook al had ik de sollicitatiebrief al af. Ik wilde even rust en ruimte. Ik wilde die tien vogels nog even laten fladderen, daar boven mijn hoofd. En, bovenal, ik wilde 'iets van de wereld zien' en in volledige vrijheid door Azië huppelen, alvorens mij vast te leggen op een woning, baan of partner, in deze of gene stad. Eenvoudig was het niet. Verschillende keuzemogelijkheden bleven door mijn hoofd spoken. Ik las artikelen van en interviews met succesvolle leeftijdsgenoten: publicisten, schrijvers, politici, diplomaten in de dop, artiesten. En wat had ik nou helemaal bereikt? Geen ene donder, inderdaad. Een zeker gevoel van urgentie, gevoed door een soort calvinistisch plichtsbesef, maakte zich bij tijd en wijle dan ook van mij meester. Maar ik vermande me, en kocht doodleuk een ticket naar Thailand. Enkele reis, welteverstaan. Kortom, ik zegde de toekomst nog even brutaal de wacht toe.

In de tussentijd moest natuurlijk wel gewerkt worden, omdat men van de wind nou eenmaal niet kan leven. Na enkele malen bot gevangen te hebben besloot ik mij niet direct meer te richten tot winkeliers en horeca-ondernemers, maar gewoon te gaan werken via een uitzendbureau. Dat had ik eerder moeten bedenken, want ik kon direct aan de slag.

De eerste week werkte ik via uitzendbureau A fulltime bij een bekend warenhuis. Tja, wat zal ik erover zeggen. Het is een hele verantwoordelijkheid hoor, koekjes en kopjes netjes in de schappen leggen, beveiligingsdingen aan sjaals prikken en reusachtige kerstboomtakken van magazijn zus naar magazijn zo verplaatsen, dat begrijpt u wel... Nee, zonder gekheid, de saaiheid spatte van het werk af. Toegegeven, het was wel leerzaam om eens te zien hoe een organisatie disfunctioneert (communicatie en coördinatie zijn niet de meest eenvoudige zaken, zo bleek). En de meeste collega's waren best aardig. Maar het blijft een vreemde gewaarwording, vuilcontainers legen samen met een doctorandus in de economie, en kerstversieringen uitpakken samen met een Master of Science in de psychologie (beide waren net afgestudeerd, net als ik). Nu las ik laatst ergens dat studenten met bijbaantjes de arbeidsmarkt verstoppen, en bijdragen aan werkloosheid onder ongeschoolden, door werk te doen dat eigenlijk bedoeld is voor hen. Bedrijven laten liever studenten het domme werk doen, want die werken harder of zijn betrouwbaarder, weet ik veel. Zo ook in dit warenhuis. Maar eigenlijk is het een beetje raar dat hier mensen met academisch niveau voor ingezet worden.

Ik richtte mij tot uitzendbureau B, gespecialiseerd in horeca en catering. Verscheidene mensen hadden mij laten weten dat zulk werk niets voor mij zou zijn, maar daar was ik het niet helemaal mee eens. Ik kan best dociel glimlachend wijn of koffie serveren, en tafels afruimen moet ook nog wel lukken, zo dacht ik. En inderdaad, het werk bevalt beter dan wat ik in het warenhuis moest doen, al was het alleen maar vanwege de afwisseling. De ene keer sta ik op een congres koffie te schenken, de andere keer bij een galadiner te bedienen, een derde keer in de pauze van een toneelvoorstelling drankjes te verkopen. Toegegeven, ook dit werk heeft zo zijn keerzijden: behalve dat je uitzendbureau je soms doodleuk op het laatste moment afbelt of een dagdeel minder laat werken, en de verdiensten minimaal zijn, is het natuurlijk ook niet echt leuk om door een verwaande windbuil van een pensioenfondsdirecteur geschoffeerd te worden omdat er een druppel koffie op zijn schoteltje ligt. Maar je merkt al snel dat vriendelijkheid in de meeste gevallen wederzijdse vriendelijkheid genereert, en de uitzonderingen leren je op zijn minst dat maatschappelijk succes niet altijd samengaat met elementaire fatsoensnormen - nooit zo'n windbuil worden, luidt het devies. Rondlopend op congressen en officiële diners zie je in elk geval precies hoe het wel en hoe het niet moet. Goede leiders stellen zich beleefd op, zien iedereen staan, laten zich niet verblinden door status. Slechte leiders zijn daarentegen narcistisch, doen uit de hoogte en zijn geobsedeerd door hiërarchische structuren. (Daarom is er ook zoveel slecht leiderschap in Nederland: op het studentencorps, waar de meerderheid van de toekomstige machthebbers rondloopt, zijn hiërarchisch denken, doorgeschoten assertiviteit en nepotisme - en seksisme, niet te vergeten - de norm. Durf die geijkte patronen maar eens achter je te laten, als je jong, ambitieus, talentvol en bovenal onzeker bent.) Hoe het ook zij, volgende week mag ik politieke hoogwaardigheidsbekleders bedienen, dus dat wordt pas echt interessant. Ik zal mijn ogen en oren open houden.

Gelukkig ben ik nog met een andere klus bezig, want elke dag lief lachen is ook weer wat veel van het goede. Bovendien kan ik van die paar centen die ik met bedienen verdien weliswaar net rondkomen, maar geld sparen voor de reis is er niet of nauwelijks bij. Vandaar dat ik blij was toen een Londense vriendin mij wees op een vacature van een Brits onderzoeksbureau, waarin gevraagd werd om iemand die zowel de Nederlandse als de Engelse taal vloeiend beheerst. Ik reageerde, en werd aangenomen. Zodoende ben ik deze weken bezig met het schrijven van een dik rapport, waarvoor ik statistische data moet analyseren en een verhaal schrijven over recente demografische, economische en culturele ontwikkelingen in Nederland, teneinde potentiële investeerders een beeld te schetsen van de Nederlandse markt en samenleving. Het is weer eens wat anders, maar een boeiende ervaring. Gelukkig heeft het CBS een uitstekende website.

Ondertussen komt mijn reis beangstigend dichtbij. Op 11 december reeds vlieg ik van Düsseldorf via München en Bangkok naar Chiang Mai, in het noorden van Thailand. Dat is over minder dan drie weken. Ik moet nog van alles regelen: een verzekering, malariapillen, een Thais visum. Stiekem vind ik het allemaal behoorlijk eng. Zuidoost Azië is toch wel wat anders dan Japan of het Midden-Oosten, en ik was nog nooit zo lang alleen op reis als ik nu van plan ben. Maar tegelijkertijd geniet ik ook van de voorpret. Het plan, zoals dat er nu uitziet, is als volgt: ik begin mijn reis in Chiang Mai, om van daaruit in twee weken tijd via de oude steden Sukhotai en Ayutthaya naar Bangkok te trekken. Daar ontmoet ik een vriendin, met wie ik kerstmis vier en vervolgens in een paar weken tijd via Zuid-Thailand naar Maleisië en Singapore trek. Zij gaat dan weer naar huis, waarna ik de Straat van Malakka oversteek, om via Sumatra naar Java te gaan. Bali en Sulawesi volgen, waarna ik ergens half februari terugvlieg naar Bangkok. Via Cambodja ga ik dan naar Vietnam, om vervolgens noordwaarts te gaan. Ik hoop dan een visum voor China te krijgen, waar ik enige tijd rond wil reizen. Mogelijk steek ik dan in april over naar Japan en/of Korea om vrienden te bezoeken, maar dat zal afhankelijk zijn van mijn financiële situatie. Uiteindelijk wil ik in Peking op de trein stappen, om via Mongolië en Siberië terug naar Europa te gaan, waar ik ergens in mei of juni weer hoop te zijn.

Natuurlijk gaat het altijd anders dan gepland. Natuurlijk kunnen er vervelende dingen gebeuren, waardoor je eerder naar huis moet, of je reisplannen moet verzetten. Natuurlijk kun je onderweg oude plannen inwisselen voor nieuwe - misschien beland ik uiteindelijk wel in India of Australië, wie zal het zeggen. Natuurlijk bestaat de kans dat ik de Ware tegen het lijf loopt, met wie ik op een tropisch eilandje een bed & breakfast ga beginnen. Er komen altijd onverwachte dingen op je pad als je op reis bent - het lijkt het echte leven wel. Maar waar ik ook beland en wat er ook gebeurt, dat zal niets afdoen aan het plezier dat het plannen maken me nu geeft.

En natuurlijk is er de mogelijkheid dat ik ergens in de loop van het voorjaar plotseling hoor van een mooie promotieplaats, en besluit om eerder naar huis te gaan. Want dat is toch echt wat ik na deze reis het liefste wil, geloof ik: een spannend onderzoek doen, daar een mooi boek over schrijven, en uiteindelijk een doctorstitel halen. Deo volente, zullen we maar zeggen. Ik heb in elk geval recentelijk in een vlaag van inspiratie een opzetje geschreven voor het proefschrift dat ik zou willen schrijven. Het zou een sterk filosofisch verhaal worden, en het plan is heel erg ambitieus. Maar dromen mag, vind ik. Om Mandela te citeren: "We ask ourselves, who am I to be brilliant, gorgeous, talented, and fabulous? Actually, who are you not to be? You are a child of God. Your playing small doesn't serve the world. There's nothing enlightened about shrinking so that other people won't feel insecure around you. We are all meant to shine, as children do. We are born to make manifest the glory of God that is within us. It's not just in some of us, it's in everyone." Boven het maaiveld uitsteken dus, hoe eng ook. Your playing small doesn't serve the world - durf groot te zijn. Niet ter meerdere eer en glorie van het ego, integendeel - maar om de wereld, de Ander, te dienen. Op je eigen manier.

Dus als ik later groot ben, dan word ik wetenschapper, dan word ik filosoof, dan word ik professor, dan word ik schrijver, dan word ik politicus, dan word ik minister, dan word ik vredestichter, dan word ik papa.

Maar eerst een tijdje op reis. Later wacht nog wel even.

Monday, 26 May 2008

De inbraak

De titel van dit verhaal had eigenlijk 'The Dark Side of the Moon' moeten zijn, of 'Het Amerikaanse diner'. Maar ik kan u helaas niet de mooie verhalen vertellen die ik u had willen vertellen, want er is iets tussen gekomen. Soms gebeuren er nu eenmaal vervelende dingen, die je eventjes behoorlijk bezig houden en uit balans brengen. En daar ik altijd graag met u deel wat mij bezighoudt, wil ik u ook de recente gebeurtenissen niet onthouden.

De week begon zo mooi. Ik bezocht met twee vrienden de voormalige Millennium Dome, die inmiddels Zuurstof Arena heet (volgens mij heeft het iets met mobiele telefoons te maken, maar dat terzijde): een circustent van gigantische proporties. Hier speelde Roger Waters, een van de grotere genieen uit de popgeschiedenis, en wij hadden kaarten weten te bemachtigen. Het concert was, in een woord, fantastisch. Zelden ging muziek zo diep, zelden had het zo'n kracht en raakte het me zo als op deze avond. De muzikanten die Waters ondersteunden waren geweldig; vooral de drums en de saxofoon lieten een grote indruk achter. De videobeelden die geprojecteerd werden op een groot scherm achter het podium waren spannend, intrigerend en soms tamelijk psychedelisch, en versterkten de ervaring van de muziek. De geluidskwaliteit was uitstekend. Voor de pauze werden we verwend met sommige van de beste rocksongs ooit gemaakt, waaronder 'Shine On You Crazy Diamond' (biggelende tranen, gelooft u mij) en 'Wish You Were Here' - live klinken ze zo oneindig veel beter dan in de huiskamer, en in de huiskamer klinken ze al prachtig, kun je nagaan - en een aantal nieuwere nummers, waaronder een vlammende anti-Bush protestsong. Na de pauze kregen we onder meer de volledige Dark Side of the Moon cadeau. Het was weergaloos. De subject-object dichotomie vervaagde, verdween bij vlagen, en ik werd de muziek. Wat een avond.

De boeken die ik nodig heb voor mijn scriptie waren er plotseling, dus ik moest weer aan de studie - te meer daar ze over enkele weken weer terug moeten naar Japan. Helaas mag ik de boeken alleen in een afgesloten ruimte in de bibliotheek raadplegen, en helaas sluit die ruimte om 5 uur 's middags en 's weekends, waardoor het aantal contacturen tussen mij en de boeken danig beperkt wordt. Het feit dat ik de komende dagen in Devon vertoef is ook niet echt bevorderlijk voor mijn scriptieonderzoek. Maar hoe dan ook is het een opluchting dat de boeken hier zijn. We gaan er vooralsnog maar vanuit dat het wel goed komt met die scriptie.

En er was meer goed nieuws. Ik had een schandalig hoog cijfer voor het tienduizend woorden tellende, zwaarwegende essay over de mythe van de Japanse liefde voor de natuur, en liep te stralen. Ook voor een ander essay kreeg ik een fraai cijfer. De DVD van Hurlyburly was eindelijk af, en we bekeken hem met een gezonde mengeling van schaamte en trots. Nieuwe Nederlandse bezoekers kwamen, en de gezelligheid kende geen tijd. Tussen de bedrijven door wachtte ik met kloppend hart op nieuws uit Oslo, maar vooralsnog heb ik geen bericht mogen ontvangen.

Ik werd uitgenodigd om mee te gaan naar een diner van het Woodrow Wilson Instituut, waar de jaarlijkse Woodrow Wilson Awards werden uitgereikt.* Ik had een smoking geleend, en mijzelf een paar fraaie zilverkleurige manchetknopen met I Ching-achtige streepjes cadeau gedaan. Het diner vond plaats in de prachtige Guildhall, het Gothische gebouw waar in vroeger tijden de gilden bijeen plachten te komen. De meeste aanwezigen waren Amerikaans, en werkten, evenals de jongedame die ik vergezelde, voor de Amerikaanse ambassade. Ik ontmoette een met een wagonlading medailles versierde marineman, die ervan overtuigd was mij al eens eerder ontmoet te hebben. Hij waardeerde de Nederlandse krijgsmacht zeer: 'jullie doen goed werk voor ons in Afganistan'. (Oh, doen we het voor Amerika? Dat vertelt de Nederlandse regering ons nou nooit; die houdt ons voor dat 'we' in Uruzgan zitten om de zielige mensen aldaar te helpen, niet vanwege de Verenigde Staten. Deze marineman was tenminste eerlijk...) Ik ontmoette een vriendelijke meneer die met ons sprak over moderne kunst en de naderende presidentsverkiezingen (hij steunde dezelfde kandidaat als ieder weldenkend mens, maar had weinig hoop op een goede afloop). Iedereen was informeel en stelde zich voor met louter de voornaam - het cultuurverschil, zo veronderstelde ik, want in Europa verwacht men niet op een officieel 'black tie' diner een zo informele sfeer aan te treffen. Champagneglazen werden voortdurend bijgevuld. Ik ontmoette een echtpaar dat op het consulaat in Sapporo gewerkt had, en zich kwaad maakte over de gouverneur van Colorado die zijn naam gespeld wil zien met een accent op de N. Het eten was uitstekend, de wijn werd voortdurend bijgevuld. Op een scherm werden filmpjes vertoond waarin het instituut zichzelf en de gelukkigen die deze avond een prijs zouden kregen ongegeneerd en ongenuanceerd de hemel in prees. De winnaars waren de beroemde musicalcomponist Andrew Lloyd Webber en een mij onbekende kapitalist-filantroop. Mijn favoriete Italiaanse huisgenoot probeerde me steeds te bellen, maar ik kon moeilijk tijdens de speeches weglopen. Na het diner belde ik hem terug.

'Aike, er is ingebroken. Ze hebben onze laptops meegenomen. De jouwe is ook weg.'

St. Paul's, Central Line... Mijn foto's, mijn foto's... Andere bestanden... Als ze mijn USB-stick maar hebben laten liggen... Mijn camera, de geheugenkaarten, oh God laat ze die niet gevonden hebben... Holborn, Piccadilly Line... Wanneer heb ik voor het laatst backups van mijn foto's gemaakt... Vorig jaar zomer... Mijn beer, mijn beer, oh als ze maar met hun vieze poten van mijn lieve beer zijn afgebleven... Dit moet die verzekering toch gewoon vergoeden... Manor House, bus 29... Ik ben de foto's van mijn afstudeer- en afscheidsborrel kwijt, voorgoed... Die in elk geval... Moet ik nu hier een nieuwe laptop kopen, of kan ik beter wachten... Halte St. Ann's Road, uitstappen... Die kerel die daar loopt, zou die het geweest kunnen zijn... Mijn beer, en mijn camera...

Ze zijn er nog, zie ik. Behalve mijn laptop en mijn lege rugzak lijken ze niets te hebben meegenomen. Ik druk mijn beer stevig tegen me aan. Twee van mijn huisgenoten hebben morgen een examen, en zitten gestresst in de huiskamer te studeren, wachtend op de politie. Het is druk vanavond, en pas om twee uur 's nachts komen ze. We proberen na te gaan hoe het precies gebeurd kan zijn, en tellen onze zegeningen: op de kamer van mijn huisgenote lag vierhonderd pond aan contant geld voor vaste lasten open en bloot te wachten, maar dat hebben ze simpelweg over het hoofd gezien. Ook de dure camera van mijn andere huisgenoot is er nog. Volgens de agenten is ons slot eenvoudig te forceren, en is het waarschijnlijk dat dit is wat er is gebeurd. Meerdere malen hadden we onze huisbaas gevraagd om een beter slot, maar deze achtte dat onnodig (de eerste huisbaas die zich ook maar enigszins bekommert om het lot van zijn bewoners moet volgens mij nog geboren worden). Hij wordt bedankt.

De volgende dag vind ik mijn rugzak op de stoep. Hij was er gisteravond nog niet. Waarom zouden ze die in vredesnaam komen terugbrengen? We krijgen bezoek van twee rechercheurs. Er is geen vingerafdruk te vinden. Ze zijn uitermate vriendelijk, maar het is wel duidelijk dat we onze laptops niet terug zullen krijgen. Mijn huisgenoten maken hun examens slecht, gespannen als ze zijn door het gebeurde. Ook ik voel me gespannen. Een laptop is een ding dat vervangen kan worden; vervelend, maar niet onoverkomelijk. Het verliezen van foto's en andere bestanden is veel erger, maar gelukkig heb ik van het meeste back-ups. Het vervelendste is echter de inbreuk die gemaakt wordt op je prive-sfeer, en het besef dat je je niet meer veilig kunt voelen in je eigen kamer. Het ergste is de angst dat er iets gebeurd is met je beer.

Tijd om uit te waaien, tijd om te wandelen. Maar daarover meer in het volgende verhaal.



* Woodrow Wilson was de president van de Verenigde Staten ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Zijn idealistische notie van het 'zelfbeschikkingsrecht der volkeren' werd door Engeland en Frankrijk handig ingezet om de Habsburgse en Ottomaanse rijken te doen uiteenvallen (en vervolgens zelf het Midden-Oosten in te pikken). Ook liggen zijn ideeen ten grondslag aan de oprichting van de Volkerenbond, de voorloper van de Verenigde Naties.

Monday, 31 March 2008

Pasen in de fjorden

Het is een witte Witte Donderdag, zie ik als ik door het raampje naar beneden kijk. De bergen in de verte zijn bedekt met een dikke laag sneeuw. Ook de donkergrijze vlakten in het zuidwesten zijn bezaaid met witte vlekken. Een beekje kringelt zich er tussendoor, op weg naar de zee, waarin een eenzame vissersboot ligt te dobberen. De huisjes van het dorpje aan de kust zijn van lego gemaakt. Een enkele weg leidt naar de hoofdstad, even verderop in noordelijke richting. Nergens is een boom te bekennen. We dalen en dalen en landen geruisloos. Ik ben in IJsland.

De bus brengt mij naar het busstation van Reykjavík, waar ik opgewacht word door mijn vriend en voormalige huisgenoot Jan, die momenteel aan de Universiteit van IJsland studeert (wie een indruk wil krijgen van het leven van een uitwisselingsstudent in Reykjavík leze zijn boeiende weblog, http://www.janengelen.waarbenjij.nu). Het is goed om elkaar weer te zien en bij te kletsen. We wandelen door het kleine, overzichtelijke en gezellige Reykjavík. Overal staan huisjes van golfplaat, geverfd in zachte pasteltinten. Sommige hebben vrolijke sprookjeskozijnen. Barretjes, galerieën en winkeltjes flankeren de voornaamste winkelstraat en haar zijstraten. De majestueuze berg Esja kijkt vanaf de overkant van de baai uit over de stad. Een snijdende koude wind leert me dat ik er de komende dagen goed aan doe nog een extra laag kleren aan te trekken.

Op de hoogste heuvel van de stad staat de trotse en imposante Hallgrímskirkja. De basalten vleugels, de hoge toren en het woeste vikingbeeld op het plein ervoor moeten de grootsheid van de natie symboliseren; de kitscherige schilderijen met lijdende Jezusgezichten binnen in de kerk de grootsheid Gods. Ik val met mijn neus in de boter: vandaag vindt hier een uitvoering plaats van de Passie van de Estse componist Arvo Pärt. Ik ken Pärt alleen van zijn prachtige dromerige pianomuziek, niet van zijn religieuze werken, en ik kan de verleiding niet weerstaan een kaartje te kopen en het concert te bezoeken. De Passie is veel grimmiger dan de lieve pianoklanken die ik van hem ken. De minimalistische stijl, het continue herhalen van dezelfde tonen, het trage tempo, de krachtige lage stem van Jezus en bovenal de bij vlagen dramatische, indringende koorpartijen wekken bij mij tegelijkertijd een gevoel van vervreemding als een gevoel van ontzag en bewondering op. Ik vermoed dat dat ook de bedoeling was.

Jan en ik genieten van een heerlijk stukje zalm met een bijpassende witte wijn. Op een dag als deze heeft het delen van wijn voor mij toch stiekem net iets meer betekenis dan op andere dagen. Daarna ontmoet ik de mensen met wie ik de komende dagen op reis ga naar de Westfjorden, het schiereiland in het noordwesten. Het is altijd een beetje spannend, op reis te gaan met mensen die je nog niet kent, maar iedereen is vriendelijk en ik vertrouw erop dat we elkaar snel zullen leren kennen. Het reisgezelschap bestaat uit acht mensen, afkomstig uit Finland, Zweden, Spanje en Nederland. Een mooie gelegenheid om een paar nieuwe vreemde talen te leren, kortom.

Het is een prachtige, heldere Goede Vrijdag. Twee stoere SUV's staan klaar om ons naar het hoge noorden te brengen (ik weet het, ik heb in een eerder verhaal gefulmineerd tegen dergelijke auto's, maar wanneer de reis over wegen gaat die weinig meer zijn dan besneeuwde bergpaadjes vind ik het gebruik ervan wel te rechtvaardigen). Geen van beide Nederlandse jongens is in het bezit van een rijbewijs, maar een ongekende luxe is ons deel: een drietal schone Scandinavische privé-chauffeuses. Meer heeft een man niet nodig om gelukkig te worden.

De reis naar het noorden is lang, maar ik kan me niet herinneren ooit zo genoten te hebben van een autoreis. De landschappen die aan ons voorbij trekken ontlokken mij meerdere oh's en ah's. De blauwe zee en de glooiende heuvels maken geleidelijk aan plaats voor indrukwekkende bergen en besneeuwde maanvlaktes. Wollen knuffelpaarden wandelen rond. Nergens is een boom te bekennen. We pauzeren bij de ingang van de hel. Uit de grond komen wolken stoom, en de lucht ruikt naar zwavel. Even verderop bekijken we een woeste rivier, compleet met waterval. Overal komt water uit de grond. Het stroomt de rivier in. De aarde gutst en klotst en is vol leven. Welkom in IJsland.

Iemand komt op het idee om een binnenweggetje te nemen, omdat dat op de kaart een stuk sneller oogt. Maar binnenweggetjes in IJsland zijn soms weinig meer dan karrensporen. We hotsen en hobbelen ons een weg door de gaten in de weg. Binnenweggetje zus leidt naar binnenweggetje zo, en binnen de kortste keren zijn we licht verdwaald. Als we uiteindelijk het weggetje gevonden hebben dat ons naar de snelweg moet brengen blijkt het een grindpad te zijn. We durven het risico niet te nemen en keren om. Helaas, een paar uur verloren. Ik kan er echter niet mee zitten. Zelden zag ik zo'n indrukwekkend, uitgestrekt landschap.

Eenmaal terug op de hoofdweg bezoeken we een pompstation. Het rijdt lekker, zo'n SUV, maar ze slurpen benzine. Ook vermoeden we dat de boodschap die het dashboard ons geeft, 'olie verversen', wel eens van belang zou kunnen zijn. We vragen of men ons kan vertellen hoe urgent deze boodschap is, en of we nieuwe olie moeten aanschaffen. Een kleine, lichtblonde Daantje de wereldkampioen opent onze motorkap en verricht enkele rituele handelingen. We staan erbij en kijken ernaar. Wat zijn we ook een stelletje domme studenten - wat heb je er nou aan te weten wie Plato was als je niet eens weet hoe je je olie moet controleren? Gelukkig kan Daantje ons vertellen dat de olietank leeg is, en deze vervolgens voor ons bijvullen. We zijn hem eeuwig dankbaar.

Eindelijk maken we vaart. Hoe noorderlijker we geraken, hoe ruiger het landschap, en hoe meer sneeuw er ligt. De middag is reeds vergevorderd, en we realiseren ons dat we onze eindbestemming vandaag niet zullen halen. In plaats daarvan regelen we een overnachting in een gasthuis in Hólmavík, aan de oostkant van de Westfjorden. Het is gezellig in de auto. Raadspelletjes, woordslangen, quizzen en paprikachips houden ons zoet. Onderwijl genieten we van het indrukwekkende fjordenlandschap om ons heen en de bizarre wolkpartijen boven ons. Eenmaal in Hólmavík aangekomen delen we een meer dan acceptabele improvisatiemaaltijd, en maken we een avondwandeling door het dorp en zijn vissershaventje. Nooit was een maan zo vol, zo fel. Een wolk slaagt er niet in haar te bedekken. Ze schijnt er dwars doorheen.

Het is een koude, maar lichte Stille Zaterdag. In Hólmavík bevindt zich een hekserijmuseum, en een deel van de groep (waaronder ondergetekende) wil daar graag een bezoek aan brengen. Het museum is uitermate boeiend. Het vertelt een verhaal van heksenvervolgingen in de zeventiende eeuw (netjes uitgevoerd door protestanten, jawel!), van magische praktijken die in deze regio plaats vonden (met andere woorden: van bepaalde religieuze handelingen en ideeën die door de gevestigde orde gedemoniseerd werden), en van het oeroude zondebokmechanisme (wie heeft de macht te beschuldigen, te labelen, te classificeren?). Na afloop van het museumbezoek doen we ons te goed aan een heerlijk foute fastfoodmaaltijd, waarna we op weg gaan naar Ísafjörður, de enige plaats van formaat in de regio. De autoreis duurt een paar uur, en is een ware traktatie. De fjorden zijn van een spectaculaire schoonheid. De bergen worden weerspiegeld in het zeewater. Zonlicht dartelt in het rond. We genieten met volle teugen.

We verblijven twee nachten in een schattig huisje in het dorp Flateyri, dat zich op een kwartier rijden van Ísafjörður bevindt. Vanavond gaan we de stad in. Na genoten te hebben van een smakelijke pizza, ons geserveerd door een hele grote hele vriendelijke reus, begeven we ons naar de loods in de haven. De officiële reden voor deze reis was namelijk het muziekfestival 'Aldrei fór ég suður' ('nooit ging ik naar het zuiden' ) dat hier dit weekeinde plaatsvindt. Onze vertragingen hebben er voor gezorgd dat we aanzienlijk minder tijd op dit festival kunnen besteden dan men aanvankelijk gepland had, maar vanavond worden we dan toch nog een aantal uur verwend met livemuziek.

Allerlei verschillende bandjes passeren de revue, en de kwaliteit wisselt. Het eerste bandje dat we zien belooft weinig goeds: heren met boevenmaskertjes begeleiden een middelmatige Björkkloon. Het tweede bandje bestaat uit een vijftal strakke gouden broeken dragende, heavy metal spelende heren. De woeste muziek wordt enigszins ontkracht door het feit dat je de randjes van hun onderbroeken wat al te duidelijk door het goud heen ziet schijnen. Daar staat tegenover dat de zanger beschikt over een vervaarlijke, knappe vikingkop, compleet met stroblond haar en baard, hoge jukbeenderen en een kaarsrechte neus. Als ik in de middeleeuwen in een Europees kuststadje had geleefd, en deze kerel was langs gekomen om mijn stadje leeg te plunderen, dan had ik het vermoedelijk wel in mijn broek gedaan. Dan toch maar liever metalherrie. Gelukkig heb ik oordopjes bij me.

Al snel wordt de muziek beter. Een leuk bandje speelt allerlei swingende rocknummers, en weet de sfeer er goed in te brengen. Na hen is het de beurt aan een zangeres met een prachtige stem. Haar nummers klinken melancholisch en mysterieus. De invloeden van folkmuziek zijn duidelijk hoorbaar. Het is het mooiste optreden van de avond, en het welverdiende daverende applaus dat ze krijgt brengt de zangeres eventjes van haar stuk. Ik moet toch nog even zien te achterhalen hoe deze dame heet, en kijken of ik ergens wat muziek van haar kan vinden, bedenk ik me nu ik dit schrijf.

Naarmate de avond vordert worden de artiesten gekker en gekker. Buiken en billen worden ontbloot, microfoons worden in onderbroeken gestoken. De skáll's klinken almaar luider. Na verschillende ruige rockbandjes is het de beurt aan stoere IJslandse hiphop. De hoofdstad en haar inwoners, toch vermoedelijk de meerderheid van de aanwezigen, worden flink belachelijk gemaakt. Wij vermaken ons ondertussen uitstekend met onze fototoestellen, waarvoor wij naar hartenlust poseren. Het is een mooie avond.

Het is een schitterende Eerste Paasdag. Flateyri ligt vredig in het zonnige fjord. Een grote zwarte raaf kijkt ons nieuwsgierig aan vanaf zijn plekje, bovenop het kruis op de toren van het dorpskerkje. Ik besluit het niet te interpreteren als een omineus, maar juist als een hoopgevend beeld. Immers, ook een raaf is een deel van de natuur, een stukje Schepping, een kindje van God, als ik mij zo uit mag drukken (en in de lente, die wonderbaarlijke tijd waarin de natuur opnieuw geboren wordt, druk ik mij nu eenmaal graag zo uit). Ook de raaf begroet de voorjaarszon.

Naast het kerkje staat een monument voor de twintig mensen die hier in 1995 overleden als gevolg van een verwoestende lawine, hetgeen een ongekende schok voor dit dorp zal zijn geweest. Het verklaart de reden voor de grote aarden wal die men naast het dorp heeft gebouwd. We zijn even stil. Dan is het tijd voor de wandeling.

We lopen met zijn vieren rond Önundarfjörður. De bergen zijn wijze witte reuzen, de zee is hun spiegel. Een sledehond wijst ons de weg. De sneeuw knerpt onder onze voeten.

We praten en lachen en maken knotsgekke foto's. De chauffeur van een grote groene truck vraagt ons of we de skiërs zijn die hij op moet halen. Voor een eenzaam huisje staat een vrouw met een baby op haar arm. Ze begroet ons vriendelijk. De lucht betrekt, en we verliezen ons uitzicht.

Skiërs druppelen een grote groene truck binnen. We lunchen met biscuitjes, wortels en tortillachips op de veranda van een verlaten zomerhuisje. Het wit van de sneeuw gaat over in het wit van de lucht, maar het wit zit vol met lichte tinten groen en bruin en blauw. Wit kan prachtig vol zijn.

Ik adem uit.

Wanneer we op driekwart zijn, gebeurt het wonder. Het begint met een glimpje licht, hoog in de lucht. Het silhouet van een bergtop wordt voorzichtig zichtbaar. Aanvankelijk is het zo klein en vaag dat het nauwelijks opvalt, maar geleidelijk wint het beeld aan kracht. Dan blijkt aan de andere kant van het fjord hetzelfde te gebeuren. Ook daar wordt langzaam een bergtop zichtbaar. En nog een, en nog een. Steeds meer bergtoppen worden om ons heen geboren, en ze beginnen te groeien. Langzaam maar onontkoombaar dringt het licht de nevel terug. De tekeningen van sneeuw op de bergtoppen worden almaar duidelijker. Het licht wint steeds meer terrein. De bovenste helft van de bergen is nu zichtbaar. Ze drijven in het niets. De bergen worden groter en groter, de nevel zakt steeds verder weg. Het fjord is van een onbeschrijflijke schoonheid. De dalende zon danst in het zeewater. Wanneer we het eindpunt van onze wandeling bereikt hebben, is de nevel verdwenen. Wat een geschenk.

Nooit heb ik zo direct ervaren wat de belofte van Pasen is als op dit moment. Hoe donker het soms ook is, er zal altijd weer licht zijn. Zoiets.

De avond is geweldig. Het beruchte briefjesspel, waarbij men bekende mensen moet beschrijven en uitbeelden, zorgt voor veel hilariteit, en vormt het begin van een spontane bonte avond. De groep blijkt over een niet geringe dosis komisch acteertalent te beschikken. We maken allerlei sketches over Pascal le Reykjavíkois, een min of meer fictief personage. Pascal is een Franse uitwisselingsstudent die in Reykjavík belandt, en daar door zijn ietwat wereldvreemde gedrag in allerlei komische situaties terecht komt. Een kruising tussen Mr. Bean en Lost in Translation, met een scheutje Scandinavische slapstick. Ik heb in jaren niet zo gelachen.

Het is een gure Tweede Paasdag. De lange autoreis terug naar Reykjavík wordt de eerste uren bemoeilijkt door sneeuwstormen, maar onze chauffeuses staan hun mannetje. Nadat we Hólmavík gepasseerd zijn verbetert het weer gelukkig snel. Quizzen, raadspelletjes en paprikachips houden ons zoet. Dankbaar realiseer ik me dat dit weekeinde mij niet alleen prachtige vergezichten, maar ook een aantal lieve nieuwe vrienden gegeven heeft. Ik doe een heerlijk dutje.

Aan het eind van de middag zijn we weer in Reykjavík. Het was een prachtig paasweekeinde.

Monday, 17 March 2008

Zingen en spelen

Ik zal mijn verhaal dit keer niet beginnen met een filosofische verhandeling over het fenomeen tijd. Maar ik wil wel even kwijt dat ik er geen drol van begrijp. Om de een of andere wonderbaarlijke reden is het tweede trimester reeds voorbij. Gelooft u mij, ik heb nog nooit de tijd zo onbegrijpelijk snel voorbij zien vliegen als in de afgelopen maanden. Drie keer met mijn ogen knipperen en hopsakee, dat was het dan. Aangezien het volgende trimester gereserveerd is voor het schrijven van essays en het maken van tentamens (die ik niet heb), en zodoende grotendeels collegevrij is, heb ik vanaf nu bijna geen colleges meer. Dat is een vreemde gedachte, daar ik zeker nog niet het gevoel heb over een acceptabele hoeveelheid kennis te beschikken. Helaas, het is niet anders. Het jaar raast met shinkansenvaart voort.

Er zijn veel mooie plannen. Donderdag vertrek ik voor een week naar IJsland, om daar een vriend te bezoeken en Pasen te vieren tussen de natuurgoden. Terug in Londen wachten mij een drietal papers van formaat, twee presentaties en mijn eerste officiële lezing. April wordt dus een hele belangrijke maand - de maand, wellicht, waarin ik de basis kan leggen voor een goede cijferlijst, hetgeen van vrij cruciaal belang is voor mijn verdere academische carrière. Mei wordt vervolgens de maand van de voorbereidingen voor mijn scriptie - het verzamelen van alle relevante literatuur en het beginnen met lezen. Ik hoop tussendoor af en toe tijd te hebben voor een mooie wandeling. Half juni ga ik al weer terug naar Nederland, zo heb ik besloten. Ik kan mijn scriptie net zo goed schrijven in een stacaravan in een Groningse tuin als in een kamer in Londen, en het geldbedrag dat ik daarmee uitspaar is dusdanig significant dat het mij in de gelegenheid stelt om in juli met vier vrienden op reis te gaan naar het land van één van hen, Sri Lanka. Augustus is vervolgens gereserveerd voor het afschrijven van mijn scriptie, die ik in september in moet leveren. De periode daarna is nog volstrekt ongewis, al dartelen er al wel verschillende prille plannetjes rond in mijn hoofd. Maar die houd ik nog even voor me.

Dan nu een mededeling van huishoudelijke aard: mocht iemand van mijn lezers van half juni tot half september een kamer nodig hebben in Londen (voor onderzoek, stage, wat dan ook), dan wel iemand kennen voor wie dit geldt, gelieve contact met mij op te nemen. Ik heb gedurende deze periode namelijk een kamer in onderhuur in de aanbieding, op een aantrekkelijke locatie en tegen een relatief lage huur. Ik hoor graag van u.

De afgelopen week was waanzinnig. Ik heb u eerder verteld over het wereldkoor waarin ik zong, alsmede over het toneelstuk Hurlyburly waarin ik speelde. Welnu, het geval wilde dat zowel het grote wereldkoor concert als de drie voorstellingen van Hurlyburly in dezelfde week plaats vonden. Voeg daarbij de drukte van de bijna dagelijkse repetities en de colleges die natuurlijk gewoon doorgingen, en het moge duidelijk zijn dat het een intensieve en vermoeiende week was. Maar hij was elke extra geeuw dubbel en dwars waard.

Het grote wereldkoor concert vindt plaats in de City Temple Church, nabij St. Paul's Cathedral. We zijn met tachtig mensen, onder wie ongeveer vijftien mannen. Iedereen gaat gekleed in het zwart, met her en der een beetje rood. Tijdens het inzingen horen we al de fantastische akoestiek van de kerk. De sopranen klinken nog mooier dan anders, maar wij bassen staan ook ons mannetje. Om kwart voor acht komt het publiek binnen. Er zijn zeker vijfhonderd mensen op het concert afgekomen, en de kerk zit bomvol. We beginnen met het lied 'Asikhatali', een ode aan de vrijheid die gezongen werd door de zwarte bevolking van Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. Het is een krachtig lied, en een mooie en gepaste ouverture voor deze avond. Daarna volgt een vrolijk Zimbabwaans lied over een oude man die de geneugten van bier bezingt. Vrouwen zijn onbetrouwbaar en verraderlijk, dus hij geeft de voorkeur aan bier, want daar kun je altijd op bouwen. Het volgende lied is het prachtige 'Dindirin', een vijftiende eeuws lied in een combinatie van Frans, Spaans en Catalaans over de zang van een nachtegaal - misschien wel mijn favoriet. Dan volgt de betoverende Zweedse 'Langdans', twee Bulgaarse liederen, en het krachtige Georgische 'Nardaninai'. Vervolgens gaan we weer terug naar Afrika, voor het swingende 'Helele Mama', een lofzang op de schoonheid van het continent en een feest om te zingen, en het vrolijke 'Yami Yami', waarmee we het hele publiek laten meezingen. Als finale zingen we de originele versie uit de jaren dertig van het geweldige 'Mbube' ('leeuw' ) uit Zuid-Afrika, dat later door jan en alleman en Disney gejat zou worden om wereldberoemd te worden onder de titel 'In the jungle'. Het samen zingen is magisch, en geeft me ontzettend veel energie. Na afloop van 'Mbube' geeft het publiek ons een staande ovatie, en sentimentele ik raakt even helemaal gevuld met een heel licht en mooi gevoel. Als toegift zingen we het swingende Zimbabwaanse lied 'Chirochacha'. Wat een avond, en wat een geschenk om deel te mogen uitmaken van zo'n groep. Er was even heel veel liefde in de kerk vanavond, als u mij toestaat dat grote woord te gebruiken.

Mocht ik u nieuwsgierig gemaakt hebben, dan verwijs ik u graag door naar YouTube (dit zijn niet de officiële opnames, en de geluidskwaliteit is verre van optimaal, maar de filmpjes geven niettemin een goede impressie van de avond):
http://www.youtube.com/watch?v=TzVwwWx8KQc
http://www.youtube.com/watch?v=5WQTK2obTsA
http://www.youtube.com/watch?v=mZSsNL5GUjo
http://www.youtube.com/watch?v=UYgQWOKD-J4
http://www.youtube.com/watch?v=Q7O-SyO9Smk
http://www.youtube.com/watch?v=yuXOuZ5po_w
http://www.youtube.com/watch?v=niF1tZwLyds

Nota bene: voor het luttele bedrag van 4,50 (3 pond) per stuk kunt u bij mij de officiële CD dan wel DVD bestellen!

Dan is het tijd voor Hurlyburly. Hurlyburly is een Amerikaans stuk uit 1984, geschreven door David Rabe. De titel, die zoveel betekent als 'chaos' of 'tumult', verwijst naar een passage uit MacBeth. De centrale figuur in het verhaal is Eddie, een bij vlagen paranoïde casting director uit Hollywood. Hij heeft een ingewikkelde driehoeksverhouding met Darlene, een onafhankelijke fotografe, en de cynische Mickey, zijn beste vriend en huisgenoot (gespeeld door ondergetekende). Ook is hij bevriend met Phil, een labiele en bij vlagen agressieve filmacteur. Het stuk kan gezien worden als een zwarte komedie, maar ook als een eigentijds drama. Het is een vlijmscherpe weergave van de anomie van onze tijd, de vergeefse zoektocht naar betekenis, en het materialisme, het cynisme en de apathie die daarbij komen kijken. 'Fuck destiny, fate and all metaphysical stuff', is een treffend citaat uit het stuk. En verderop: 'Anybody can go under. We're all going fucking under. So how about a little laugh along the way.' Drugs, alcohol, seks en misogynie zijn de voornaamste middelen waarmee de hoofdrolspelers de ondraaglijke zinloosheid van hun bestaan draaglijk proberen te maken. Maar al doende raken ze steeds meer vervreemd van de wereld en van elkaar. Nee, Hurlyburly is geen optimistisch stuk - maar wel een krachtige maatschappelijke satire. Bovendien laat het ons nadenken over onze eigen angsten. Ik schreef in een eerder verhaal over de moeilijkheid van het maken van keuzes, en de angst die sommige mensen hiervoor hebben. Deze angst voor het maken van keuzes is in feite niets meer of minder dan een existentiële angst voor het leven zelf, zoals Kierkegaard ons leerde. Dit is een angst die we allemaal wel eens ervaren, maar niet iedereen weet er even goed mee om te gaan - apathie, cynisme en verdovende middelen zijn populaire methoden om angstgevoelens te verdringen, maar onder de oppervlakte blijven ze wel degelijk een rol spelen. Het is geen toeval dat in Hurlyburly verschillende malen geknipoogd wordt naar psychoanalytische theorieën.

De première op donderdag gaat beter dan ik had durven dromen. Er wordt mooi gespeeld en we hebben de goede energie te pakken. En wat het belangrijkste is: het publiek geniet en is zeer positief, te oordelen naar de reacties na afloop. Op vrijdagavond spelen we een degelijke voorstelling, al laat een enkeling zich een beetje imponeren door de tweede-avond-mythe en haalt niet iedereen het niveau van de eerste avond. Maar gelukkig is het publiek andermaal positief ('Aike, ik ben er trots op je huisgenoot te zijn' - wat lief als iemand zoiets tegen je zegt!). De derde en laatste voorstelling, op zaterdagavond, is echter de beste. Er is veel spelplezier en energie, en er wordt collectief een niveau gehaald dat we nog niet eerder gehaald hebben. Ik voel die heerlijke flow die er soms is als je goed staat te spelen. Vooral de belangrijke scène met de confrontatie tussen Eddie en Mickey in de laatste akte gaat goed. De reacties na afloop zijn hartverwarmend. Het is net zo'n mooie avond als dinsdag, en ik voel weer even van top tot teen waarom ik zo van toneel houd.

En het feestje na afloop ging door tot in de vroege uurtjes - maar dat zal vast niemand verbazen.

Tuesday, 4 March 2008

A wicked day

Opeens was het schrikkeldag. Ik kon mij niet herinneren wanneer ik voor het laatst een schrikkeldag had meegemaakt, en meende dat het vele jaren geleden geweest moest zijn. 'Vier jaar, om precies te zijn', beweerde mijn gesprekspartner. Ik was niet geheel van haar gelijk overtuigd, daar ik mij niet kon herinneren vier jaar geleden schrikkeldag gevierd te hebben. Ten minste tien jaar geleden, vond ik, hetgeen voor haar aanleiding was mij eens goed uit te lachen. Ik snap nog steeds niet wat er nou zo grappig was. Ze zal vast wel gelijk gehad hebben, want ze is veel slimmer dan ik, maar in het verhaal van Aike bevond zich tot op dat moment nou eenmaal nog geen schrikkeldag.

Als je zomaar een extra dag cadeau krijgt, moet je dat cadeautje ook uitpakken. Ik weet mijn natuurlijke neiging tot uitslapen te overwinnen en neem samen met een vriendin de metro naar Victoria. Direct tegenover het station bevindt zich het Apollo theater, de reden voor onze komst. Hier speelt de musical Wicked, het verhaal van de heksen van Oz. We hebben geluk: de voorstelling van vanavond is niet volledig uitverkocht, zodat we voor het studententarief van vijfentwintig pond kaarten kunnen aanschaffen die normaliter zestig pond kosten. De koffie verkeerd die we vervolgens genieten smaakt net even lekkerder dan anders, waarna ieder huppelend zijns weegs gaat. Tot vanavond!

Ik zou natuurlijk de metro terug kunnen nemen naar de universiteit en netjes een dagje gaan studeren. De argumenten daarvoor zijn zwaarwegend. Maar de dag nodigt mij uit. Ik weet dat ze maar één keer komt, en ik ben nieuwsgierig naar wat ze me wil geven. Het argument is heerlijk lichtwegend. En dus fladder ik de dag in, zonder afgebakend plan, vertrouwend op mijn voeten.

Ik loop Knightsbridge in. Roomwitte huizen verhullen hun voordeuren achter statige Ionische zuilen, maar hun verdiepingen hebben ze verwend met uitbundige Korinthische zuilen. Aan en om Belgrave Square wapperen de vlaggen van de wereld fier. Ik kan de verleiding niet weerstaan en doe de quiz. De Europese vlaggen zijn makkelijk, en ook Trinidad en Tobago, Colombia en Maleisië weet ik te raden. Alleen de vlaggen van Brunei en Lesotho kan ik niet plaatsen. Hetzelfde geldt voor de fascinerende blauwgele vlag met vlinders en een slang die aan een van de gevels wappert. Ik vermoed een bebost animistisch Melanesisch eilandstaatje, en sta op het punt om naar binnen te lopen en een visum aan te vragen, maar zie dan dat het de vlag is van het Britse psychiatrische genootschap. Jammer. Even later loop ik langs de Syrische ambassade, en onwillekeurig moet ik terugdenken aan de soap die ik meemaakte in de Syrische ambassade in Brussel, afgelopen zomer. Men heeft kennelijk hoog bezoek: voor de ambassade staat een glimmende Rolls Royce, met het kenteken 007. 007!? Het zal toch niet waar zijn...?

Overal staan glimmende dure auto's geparkeerd, maar ik doe mijn best ze te negeren. Ik kom langs een wijnwinkel waar flessen champagne van honderden ponden in de etalage liggen. Daarnaast bevindt zich de winkel van een beroemde ontwerpster van sexy lingerie en seksspeeltjes voor miljonairs. De kledingstukken die zij haar etalagepoppen heeft omgehangen wekken bij mij eerder lachlust op dan andere lusten, maar ik ben dan ook geen miljonair. Dus hier halen baronessen en ambassadeursvrouwen hun ondeugende ondergoed... Ik loop verder, langs de vlaggen van Denemarken, IJsland en de Faeroer eilanden, en kom op het fraaie plein van Hans met zijn hoge lichtrode bakstenen huizen. Schattige miljonairsdochtertjes met pofbroeken en vlechtjes worden opgehaald van hun privéschooltje. Een paar straten verderop zie ik plotseling een beroemd logo. Ik was nog nooit in Harrods, en wat is een mooiere dag voor een eerste bezoek dan de eerste schrikkeldag sinds ten minste tien jaar?

Als ik naar binnen loop verzoekt de portier mij beleefd mijn rugzak in mijn hand te nemen. Even verderop heet het wassen beeld van Mohamed Al-Fayed mij met een grootvaderlijke glimlach welkom in zijn paradijs. De beste man draagt een afzichtelijke combinatie van een geruit grijs colbertje met een niet-bijpassende beige pantalon en een zwart overhemd met een witte boord. Ik loop naar de roltrappen, en mijn mond valt open van verbazing. Het veelkleurige glimmende marmer, de oriëntalistische lampen, de rondgestrooide hiërogliefen en afbeeldingen van Egyptische goden, de glas-in-lood-achtige plafonds... Ik heb nog nooit zulke fantastische kitsch gezien, en ik kan het niet laten een paar keer met de roltrap op en neer te gaan. Maar het kan nog grotesker, zie ik als ik de Egyptische hal binnenloop en oog in oog kom te staan met een levensgrote gouden sfinx. Hoera, ik ben in een sprookjespark beland!

Ik loop naar de levensmiddelenafdeling. De dames en heren achter de kassa's dragen Venetiaanse strohoedjes en groene vlinderdasjes. Chocoladehazen doen hun best passanten te verleiden. De oester- en de sushibar doen goede zaken, en het visrestaurantje verkoopt fish and chips van achttien pond. Op de fruitafdeling glimmen alle appeltjes gelijk. Ik kom bij een fascinerend winkeltje dat vol staat met glazen vaten en vazen gevuld met mysterieuze felgekleurde vloeistoffen. Het doet me denken aan de kamer waarin de Grote Vriendelijke Reus zijn dromen bewaarde. Plotseling word ik aangesproken. Ik draai me om, en sta oog in oog met een betoverend mooi paar ogen. Ook haar lange glanzende donkerbruine haren en voorzichtige glimlach mogen er zijn. Ze vraagt me met een zangerig accent of ze me kan helpen, en ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om het standaardantwoord 'nee dank u, ik kijk alleen even wat rond' te zeggen. In plaats daarvan stamel ik iets onduidelijks, en voor ik er erg in heb krijg ik een rondleiding door de wondere wereld van pistachelikeur en bloedsinaasappelwodka, van mango- en frambozenbalsamico en olijfolie met rozemarijn. Om de een of andere reden kan ik me niet helemaal concentreren op de waren die ze verkoopt. Ze laat me proeven van de balsamico en olie. Die lach, die lach... Ik vraag waar ze vandaan komt. Nog nooit sprak iemand de naam 'Bordeaux' zo mooi uit. We spreken verder in het Frans. Nu zou ik eigenlijk haar telefoonnummer moeten vragen, maar daar heb ik natuurlijk het lef niet voor. Ik beloof haar nog eens terug te komen en dan wel wat te kopen. We zeggen elkaar gedag, en ik zweef de roltrap op.

Licht als een veertje vervolg ik mijn ontdekkingstocht door Harrods. Futuristische designbedden die zo uit een startrekschip lijken te komen staan naast renaissancistische ledikanten met spreien van goudbrokaat. Het enige dat ze gemeen hebben is de prijs. Een medewerker van de pianoafdeling speelt Chopin op een van de vleugels. Watertandend loop ik rond, mijzelf belovend dat ik, zodra ik ergens gesettled ben en mijn financiële situatie het toestaat, een piano aanschaf en weer les ga nemen. Via de CD- en de boekenafdeling (de kast met Lonely Planets zorgt voor het gebruikelijke oponthoud) kom ik bij de edelstenen en fossielen. Een kolossale mammoettand wacht geduldig op een koper. Op de antiekafdeling staat tussen alle stijve krulstoelen en salontafeltjes een prachtige globe uit 1925. Ik mag hem niet aanraken, maar geef mijn ogen des te meer de kost. Het ding staat in een fraaie houten stellage, komt tot anderhalve meter hoogte en verkeert in perfecte staat. Mocht iemand een ton overhebben, dan houd ik mij graag aanbevolen.

Ik loop via de sportafdeling (compleet met een etalagepop van een levensgroot paard, een ferrari-racefiets en een mini-bobslee voor verwende kinderen) en speelgoedafdeling (waar een pluche varkentje rondwandelt met een gele ballon aan zijn staartje, en helikoptertjes als bromvliegen door de lucht scheren) naar de afdeling met antieke kaarten. Een winkeldame van middelbare leeftijd doet haar best iets aan de muur te hangen. 'Vreselijk, als je moet werken met een kater. Boem-boem-boem doet mijn hoofd', vertrouwt ze me toe. Ik knik instemmend. 'Ik was gisteren jarig, maar ik had beter vandaag vrij kunnen nemen,' verzucht ze. Ik vraag haar of ik de kaarten van Japan mag zien, en ze geeft me een grote map vol kaarten van Oost- en Zuidoost-Azië. Er zit een fraaie zeventiende eeuwse VOC-kaart tussen, maar ik heb helaas geen tienduizend pond bij me. We raken in gesprek over de Mongolen die probeerden Japan binnen te vallen maar tegengehouden werden door een vernietigende tyfoon, en over haar Japanse buren die haar altijd prachtig ingepakte cadeautjes geven. Ze wil weten waar de Japanners oorspronkelijk vandaan komen, en ik doe een poging een wetenschappelijk verantwoord antwoord te geven. Ze vertelt over de wijnvlek van haar dochter, en zegt dat dat een genetische afwijking is die oorspronkelijk van de Mongolen en de Vikingen stamt. Ik ben niet bepaald een expert op het gebied van genetische aandoeningen en uitermate sceptisch als het gaat om het achterhalen van de 'oorsprong' van volkeren, maar desalniettemin spreekt ze me streng toe als ik blijk geef van mijn onwetendheid. 'Ik had toch wel verwacht dat iemand die Japanse geschiedenis studeert weet dat wijnvlekken van Mongoolse oorsprong zijn!' zegt ze afkeurend. Tja.

Wanneer ik eindelijk Harrods verlaat, is de middag reeds vergevorderd. Ik eet een kommetje Harira en drink een kop thee bij Leon, een gezellig en betaalbaar biologisch lunchtentje. Dan loop ik naar het Natural History Museum. Een gigantische diplodocus heet me welkom. Ik loop langs het skelet van een vier meter lange luiaard en langs allerlei opgezette vogels (waaronder een duo dode dodo's) naar de Earth Gallery, waar een roltrap mij naar het binnenste van de aarde brengt. Daar begint een nieuwe ontdekkingstocht. Ik leer over aardbevingen en vulkanen, over gesteenten en mineralen. Ik sta te schudden in een kruidenierswinkel in Kobe en zie een auto vol vulkanische as in een Filipijnse stad. Ik bewonder beroemde diamanten en zie de verschillende manieren waarop stenen en rotsen gevormd worden. Ik leer over de big bang, en over het heelal, en over het ontstaan van de tijd. Ik snap niets van de big bang, maar ik geloof dat ik niet de enige ben. Een gevoel van ontzag en verbazing maakt zich van mij meester. Ik loop langs de planeten en leer over de verschillen in atmosfeer, zwaartekracht en temperatuur. Pluto heeft hier nog een plekje bij de planeten, ook al is hij een paar jaar geleden gedegradeerd. Ik leer over het ontstaan van leven. De kans dat leven zou ontstaan is zo onvoorstelbaar klein dat ik stiekem wel een beetje begrijp waarom mensen geloven dat er een plan achter moet zitten, een Hand die de boel gestuurd heeft. Het is te groot, het heelal, de wereld, het leven, en wij zijn zo klein dat het ons bang maakt. Maar als ik van de eencellige beestjes via de degenkrabbetjes en pissebedden en vissen en amfibieën en dinosaurussen en sabeltandtijgers en aapmensen naar de apocalyps loop ben ik vooral heel blij en dankbaar dat ik hier mag lopen. Ik ben een onbeduidend ukkie in een onbegrijpelijk grote schepping, ik ben weinig meer dan een oogwenk... maar ik bèn. Wat een cadeau. Ik weet niet wie of wat ik ervoor moet bedanken, maar toch bedankt.

Ik stuiter de museumwinkel binnen. Een boek met het formaat van een schilderij staat vol satelietfoto's van planeten en sterrenstelsels en kleurige sterrennevels die zo uit het penseel van Turner lijken te zijn gekomen. Ik wou dat ik een bèta was, dan zou ik het Geheim ontrafelen, echt waar... En ofschoon het mij vandaag in Harrods urenlang gelukt is geen cent uit te geven, kan ik mij nu niet langer beheersen. Ik koop het boek.

Als ik terugloop naar Victoria regent het zachtjes. In mijn ene hand heb ik een bananenmilkshake, in mijn andere een plastic tas met een heel groot boek. Ik denk na. Ik ben nu halverwege mijn master, en weet niet waar ik over een half jaar ben en wat ik dan doe. De onzekerheid is groot. Dit is een tijd van vragen, van keuzes en van twijfels. Dat geldt niet alleen voor mij: ik zie en hoor het overal om me heen, en sommige mensen hebben het er veel moeilijker mee dan ik. De afgelopen twee jaar heb ik veel zulke verhalen gehoord. We realiseren het ons maar al te goed: ze is bijna voorbij, de tijd van luieren en leren, onschuldig potverteren, beschonken zijn en blij. Er moeten knopen doorgehakt worden, en dat valt niet iedereen even licht. Mensen zijn bang voor de lange toekomst die als een duisternis voor ze ligt. Het maken van een keuze wordt door velen niet ervaren als een stap vooruit, maar als het verliezen van datgene waarvoor níet gekozen is. We ervaren onze toekomst als een zwaard van Damocles, in plaats van als een belofte. Mensen zijn bang zich te binden, want binden voelt zo definitief, maar tegelijkertijd zijn ze bang voor de onzekerheid van de ongebondenheid. Relaties mogen niet te diep gaan, niet te definitief worden, want de toekomst is lang. Alles gaat voorbij, ieder contact gaat verloren, dus waarom jezelf aan iemand geven als je niet weet of je die ander wel kunt vertrouwen? Of, erger nog, wat te doen als het plotseling serieus wordt en je gevangen komt te zitten in een zelfde langeafstandsrelatie als die ene vriend van je? Het is geen toeval dat driekwart van al die mooie en intelligente masterstudenten die ik ken (weer) vrijgezel is, en angstvallig poogt dat zo te houden - onderwijl dromend van het tegendeel. En ja, we hebben ze allemaal, die oud-klasgenoten die altijd in dezelfde stad zijn blijven wonen, inmiddels een baan en een eigen woning hebben, en soms al getrouwd zijn en/of kinderen hebben. We zijn blij niet in hun schoenen te staan, blij de toekomst nog niet dichtgetimmerd te hebben, en we koesteren onze vrijheid. Maar stiekem benijden we ze ook een beetje. Zij hebben de keuzes reeds gemaakt, of ze zijn er automatisch in gerold. Wij zien daarentegen de keuzes als een berg voor ons liggen, en we zijn net zo bang ze te maken als ze niet te maken.

Maar het is niet nodig bang te zijn. Niemand heeft ooit gezegd dat paden altijd recht zijn, en niemand heeft gezegd dat de keuze om een bepaalde richting in te slaan betekent dat je nooit meer van richting kunt veranderen. Het gaat niet om de bestemming van het pad, het gaat om de reis zelf. Het is een groot misverstand, en een oorzaak voor veel onterechte angst, te denken dat je keuzes maakt voor de toekomst. De toekomst bestaat slechts in het heden. Angst voor de toekomst is angst in het nu. Keuzes vinden hier en nu plaats, en zijn gebaseerd op niets dan wat er nu is. Het heden is alles dat er is. Het enige dat nodig is is vertrouwen in je eigen gedachten en gevoelens. Vertrouw in wie je nu bent, wees nu, en je zult de goede keuzes maken. Ze zijn goed, want ze kloppen nu.

Zacht valt de regen op mijn hoed en handen. Ik heb al in geen eeuwen een milkshake gehad, en hij smaakt heerlijk. Terwijl ik van mijn milkshake geniet draag ik in een plastic draagtas het heelal bij me. Wat een mooie schrikkeldag, denk ik.

Ik ontmoet mijn vriendin. Na een heerlijk foute all-you-can-eat pizzamaaltijd gaan we naar het theater. We hebben goede stoelen, maar mijn ogen zijn van dusdanig matige kwaliteit dat ik blij ben dat ik voor vijftig pence een verrekijkertje kan huren. Wicked vertelt het verhaal van de heksen uit The Wizard of Oz: de groene Elphaba, de Wicked Witch of the West, en de 'goede' fee Glinda. De twee ontmoeten elkaar op de toveruniversiteit, waar ze na een periode van animositeit de beste vriendinnen worden. Na hun schooltijd gaan ze samen naar de hoofdstad van Oz, om hun droom in vervulling te laten gaan: werken voor de Wizard himself. Maar helaas, hij blijkt een fraudulente totalitaristische Texaan te zijn die de bevolking dom houdt en opzet tegen een gecreëerde zondebok, de pratende dieren. Elphaba weigert zich met hem in te laten, en kiest voor het verzet. Maar de ironie van het verhaal is dat haar idealistische keuzes ervoor zorgen dat zij gezien wordt als de 'slechte' heks, terwijl haar narcistische en egocentrische vriendin uiteindelijk het 'goede' komt te vertegenwoordigen.

Wicked is een heerlijk politiek sprookje, dat standaardmotieven aangaande de strijd tussen Goed en Kwaad speels maar genadeloos onderuit haalt. Het is een postmodernistisch meesterwerkje, getuige het adagium van de Wizard of Oz dat 'waarheid is wat de meeste mensen willen geloven' en het patchwork aan stijlen en subtiele verwijzingen naar andere musicals, films en verhalen dat de revue passeert. Het is een muzikaal feest, waarin swingende nummers, vette karikaturen en gevoelige duetten moeiteloos in elkaar overgaan (met als absoluut hoogtepunt het fantastische pauzenummer, 'Defying gravity', waarin we Elphaba langzaam zien opstijgen in een aureool van groen licht). Maar wat Wicked vooral wicked maakt is de fenomenale zang van de hoofdrolspeelster, Kerry Ellis, en het aanstekelijke spelplezier van de gehele cast. Toegegeven, niet alle verhaallijnen worden even goed uitgewerkt, maar ik kan er dit keer echt niet mee zitten. Ik heb nog nooit zo'n swingende, humoristische en tegelijkertijd politiek kritische musical gezien. Wat een feest!

De mooiste schrikkeldag ooit wordt in stijl afgesloten: met een paar smakelijke drankjes en fijne gesprekken. De dag heeft me veel moois gegeven, en als ik vroeg in de morgen eindelijk ga slapen ligt er een glimlach op mijn lippen.

Ik ben klaar voor de lente, klaar om te vliegen. I think I'll try defying gravity...!

Sunday, 24 February 2008

Mijn week

Het was zomaar een week in februari, een week als alle andere weken, een unieke week. Het was een mooie week, misschien iets voller dan anders, maar verder vrij representatief voor mijn leven hier. Het was een nieuwe week in Londen.

Een beeld van mijn week.

Het is zondag. Nadat ik lang heb uitgeslapen en genoten van een ontbijt bestaande uit geroosterde boterhammen met gebakken ei en sinaasappelsap loop ik naar Turnpike Lane. Ik passeer de Turkse kruidenier, de Koerdische kebabtent, het Cypriotische theehuis, het Soedanese restaurant, de lampenwinkel en de bloemenwinkel met de knalroze knuffelberen in de etalage. De zon schijnt gul. Bij de bushalte van Turnpike Lane stap ik op bus 41, die me naar Archway brengt. Daar ontmoet ik een Engelse vriendin, met wie ik een middagje ga wandelen. We lopen langs de begraafplaats van Highgate maar besluiten om het graf van Marx voor een andere keer te bewaren. Verderop vinden we plotseling een prachtig hofje met donkerbruine Anton Pieck-huizen, compleet met torentjes, glas-in-lood raampjes en krulversieringen. We lopen verder, de Hampstead Heath in. Dit is waarschijnlijk het mooiste park van Londen, en we zijn niet de enigen die op het idee zijn gekomen om deze zonovergoten zondagmiddag hier door te brengen. De heuvel geeft ons een fraai uitzicht over de stad. Ik mag Londen graag, maar moet toch echt toegeven dat haar skyline ongelooflijk lelijk is. Het ergste is het fallische ruimteschipgebouw dat de koepel van St. Paul's Cathedral overschaduwt. Maar de blauwe lucht en het groen om ons heen maken alles goed. Kinderen spelen, zwanen zwemmen parmantig rond, grasparkieten laten zich graag fotograferen, mensen liggen te zonnen. We genieten van een sandwich en een flesje perencider. Ze nodigt me uit voor het avondeten in haar nieuwe woning, en ik help haar met de bereiding van de vegetarian roast. Ik heb nog nooit roast gegeten (sterker nog, ik wist niet eens wat het was), maar het smaakt prima. We genieten van een ovengerecht met wortel, ui en geroosterde noten, frietjes van pastinaak, gebakken aardappels, een sausje van koolraap, gekookte broccoli en uienjus. Na afloop van de maaltijd bekijken we een film over surfende pinguïns op Hawaï. Dan ga ik terug naar huis, waar het internet mij vertelt dat FC Groningen van AZ gewonnen heeft. Tevreden ga ik slapen.

Het is maandag. Ik heb geen college, en besteed wat tijd aan e-mail correspondentie. De coördinator van mijn programma is het eens met mijn voorstel voor mijn scriptieonderwerp. Ik ga mijzelf verdiepen in de wondere wereld van Japans christelijk zionisme. Nee, ik maak het mezelf niet gemakkelijk, maar daarvoor ben ik dan ook niet naar Londen gekomen. Ik hoop origineel onderzoek te kunnen doen, en daar uiteindelijk een artikel over te schrijven. Het grootste probleem is vooralsnog hoe ik aan al die obscure bronnen ga komen... Behalve aan het schrijven van e-mails besteed ik enige tijd aan facebook-gerelateerd studieontwijkend gedrag. Na het middageten lees ik een uurtje of twee in The Catalpa Bow, het klassieke standaardwerk over Japans sjamanisme. Ofschoon er het nodige op aan te merken is blijft het een belangrijk werk. Dan is het tijd om te gaan. Ik neem mijn fiets en loop naar de enige fietsenwinkel hier in de buurt die ik ken. Een paar weken geleden hebben boeven mijn zadel ontvreemd, en ik kwam steeds maar niet toe aan een bezoek aan de fietsenwinkel, die zich op een klein half uur lopen van mijn huis bevindt. Ik loop met mijn fiets door Finsbury Park, en geniet van het zonnetje. Wat een februari... Als ik bij de fietsenwinkel ben komt er een man binnenlopen met een eveneens ontzadelde fiets. We lachen, en ik maak een grapje over de fietszadelbendes die de stad onveilig maken. Dan fiets ik naar de universiteit, waar ik nog een tijdje studeer. Om zes uur ga ik naar een van de gebouwen van de grote broer, het University College London, waar we repetitie hebben. Over drie weken is onze première al, maar de repetitie verloopt belabberd en het gebrek aan concentratie van sommigen irriteert me. Na afloop ga ik nog even langs de pub voor de tweewekelijkse borrel voor postgraduate studenten. De opkomst is laag, maar het is wel gezellig. Om een uur of twaalf fiets ik naar huis.

Het is dinsdag. Na een snelle douche en een kom ontbijtgranen spring ik op de fiets. Ik ben blij dat ik weer kan fietsen en niet elke dag ben aangewezen op een volle metro. Ik ben ook blij dat ik een helm draag, bedenk ik me als ik ternauwernood de moordaanslagen van Miss Diyarbakir '63, Opa Konstantinos en buschauffeur Bill overleef. Even afkloppen. Ik heb college in het gebouw aan Vernon Square. We kijken naar de vorming van laat-negentiende eeuwse mythen over de Indo-Europese oorsprong, naar de identificatie van het gebied van oorsprong met de Duitse gebieden (de 'Urheimat' ), en naar de creatie van de niet-Indo-Europese Ander als een bedreiging voor de pure oorspronkelijke cultuur - kortom, naar hoe antisemitisme deels voortkwam uit en gelegitimeerd werd door (semi-)wetenschappelijke theorieën. Na afloop van het college fiets ik naar het hoofdgebouw aan Russell Square. Ik haal mijn nagekeken papers op bij de faculty office, en zie tot mijn vreugde dat ik hoge cijfers heb gekregen en vooralsnog op koers lig voor een distinction. Dan ga ik naar de postgraduate common room, waar ik mij in een van de bordeauxrode luie stoelen nestel en artikelen lees over Japans ascetisme. Om zes uur ontmoet ik een vriendin, met wie ik eerst een kom ramen eet bij Tortoise and Hare, om vervolgens naar de repetitie van het wereldkoor te gaan. Binnenkort is onze uitvoering, en we herhalen een aantal liederen dat we eerder geleerd hebben; twee van de Balkan en drie uit zuidelijk Afrika. Zoals elke week geeft het zingen me veel energie. Na afloop lopen we naar de Theems. De Orchestra of the Age of Enlightenment geeft een concert in het kader van Nightshift: één uur durende concerten in een informele sfeer, waar studenten voor slechts vier pond naar toe kunnen. We krijgen enkele pianoconcerten van Mozart te horen. De pianist vertelt dat Mozart in feite een jazzpianist avant-la-lettre was, die tussen het orkest door improviseerde, de orkestleden en zichzelf daarmee uitdaagde en het publiek verraste. Hij laat ons horen hoe dat geklonken moet hebben, en het is fascinerend. Daarna krijgen we een dramatisch werk van Beethoven te horen - het contrast kon niet duidelijker zijn. Na een laatste drankje fiets ik naar huis.

Het is woensdag. De dag begint met een college 'Theory and Method in the Study of Religions'. Elke week verheug ik mij op deze twee uren, maar deze week nog een beetje meer dan anders, want de docent heeft een PhD-student uitgenodigd om te komen vertellen over zijn vergelijkende onderzoek naar de Kyoto School en recente Franse filosofie. Maar helaas, zijn verhaal is rommelig en onsamenhangend, hij geeft geen enkele uitleg bij de personen en concepten die hij ten tonele voert, zijn vraagstelling wordt mij niet duidelijk, en ik zet mijn vraagtekens bij zijn interpretatie van Nishida. Ik haal snel een kop koffie en een sandwich en ga dan naar mijn tweede college van de dag. We spreken over verschillende ascetische praktijken in Japan, hoe deze dienen tot het verkrijgen van charisma en religieuze macht, en hoe ze, in tegenstelling tot de gangbare idee, primair collectieve aangelegenheden zijn. We zien een fascinerende documentaire over Nichiren-monniken die in hartje winter honderd dagen vasten en continu emmers koud water over zichzelf heen gooien, onderwijl sutra's schreeuwend. Na afloop van het college ga ik alvast op zoek naar literatuur voor mijn afstudeerscriptie. Ik vind een paar interessante werken over verschillende vormen van de mythe van de verloren stammen van Israël en over Japan en haar Anderen, en ben aangenaam verrast. Aan het eind van de middag drink ik een biertje in de studentenbar, en ga dan met een vriend een hapje eten. In de kelder van een Koreaanse kruidenierswinkel bevindt zich een klein illegaal restaurantje, waar je voor nog geen vijf euro een kom bibimbap met een schaaltje kimchi en een bekertje soep krijgt. We hebben een vrij bizar gesprek over Liechtenstein en apenhersenen, waarna we teruggaan naar de bar om mee te doen aan de pubquiz. We doen het niet slecht, maar winnen niet omdat de quizmaster wilde horen dat de voodoo religie uit West-Afrika stamt. Ja hoor, en het christendom is ontstaan in het oude Egypte, ga toch fietsen. Voodoo is toch echt een Haïtiaanse constructie, deels gebaseerd op West-Afrikaanse, deels op Rooms-katholieke elementen. Maar ach, de derde plaats is ook leuk, vertellen we elkaar als we genieten van onze prijs, een fles wijn. Dan vraagt een vriend van mijn vriend of wij hem die avond willen aanmoedigen, omdat hij meedoet aan een travestieshow. Aha, vandaar die jurk en haklaarzen... Waarom ook niet. We gaan nog even langs Chinatown voor een hapje eten bij Kintaro, mijn favoriete Koreaans-Japanse restaurant, en begeven ons dan naar Soho. Voor de deur van de club staan twee meter lange kerels met sexy pruiken en minirokken te roken. Ik betreed voor het eerst in mijn leven een homoclub in Soho. Het is er eigenlijk best gezellig, en de muziek is prima. Na een tijdje gedanst te hebben is het tijd voor de show. Er wordt gejoeld en geklapt, er worden vrij hilarische karikaturen neergezet en er wordt veel gelachen. Best grappig, voor een keertje, maar ik wil het niet al te laat maken en ga dus toch maar halverwege naar huis.

Het is donderdag. Ik druk wat al te vaak op 'snooze', en moet me dus haasten. Omdat ik de vorige dag met de bus naar huis ben gegaan moet ik nu met de metro naar de universiteit. Ik las in de krant dat het Londense vervoersbedrijf geweigerd heeft een poster met een naakte renaissance-dame in de metro te hangen, omdat mensen daar wel eens aanstoot aan zouden kunnen nemen. Nou, preutse sukkels, ik neem aanstoot aan al die reclame voor louche Scheringa-achtige woekeraars die mensen in het ongeluk storten en voor plastische chirurgie en botox-behandelingen die geadverteerd worden alsof het de normaalste zaak van de wereld is, en aan die vreselijke infantiele posters met behaarde cupido's en couch potatoes die adverteren voor de een of andere datingsite. Een beetje kunst, dat zou de metro goed doen! Ik ben helaas een kwartier te laat voor mijn werkcollege, wat jammer is want mijn studiegenote geeft een interessante presentatie, gevolgd door een boeiende discussie. Na de lunch ga ik naar de postgraduate common room om te studeren. Ik heb volgende week een presentatie over Okinawaans sjamanisme en de rol van gender. Het is een fascinerend onderwerp, maar ik moet nog veel lezen want ik weet nog vrijwel niets van Okinawaanse religie. Maar oh, wat is die bank lekker zacht... Ik kan het niet laten, en geniet van een heerlijk middagdutje. Daarna lees ik verder. Om vijf uur is de wekelijkse lezing van de mytholoog. Hij spreekt even zacht, monotoon en lang als de vorige keren. Zijn verhaal zit vol met details waar ik nauwelijks chocola van kan maken. Ik teken een gemene joker, een stoere voetballer, een zwevende monnik, een emoe, een vlinder en een torii. Omdat ik vanavond niet bij de toneelrepetitie hoef te zijn ga ik na afloop van de vermoeiende lezing met mijn docente en een paar postdocs een hapje eten in het vegetarische Indiase restaurantje om de hoek. Er wordt gesproken over conferenties, over het nieuwste nummer van de nieuwsbrief waarvoor ik ook een stukje heb geschreven, en over het verschil tussen de Europese en de Amerikaanse academie. Wordt dit straks ook mijn wereld? Het klinkt in elk geval behoorlijk spannend allemaal...

Het is vrijdag. Vrijdag is een vrije dag, maar er moet wel gestudeerd worden. Dat lukt eigenlijk niet. Ik doe de was en ruim mijn kamer op, want beide waren hoognodig. Ik doe wat administratieve dingen die ik veel te lang heb laten liggen en schrijf twee kaartjes. Ik stuur een paar mailtjes en heb onverwacht een lang en vrij serieus chatgesprek met iemand. Ik bel naar White Hart Lane om te vragen of er al kaarten te koop zijn voor de UEFA-Cup wedstrijd tegen PSV, maar krijg te horen dat ik nog even geduld moet hebben. Tegen de tijd dat ik aan lezen toekom is de dag al vergevorderd. Na een tijdje gelezen te hebben doe ik boodschappen. Ik maak een eenvoudige doch smakelijke pasta met een tomaten-champignon roomsaus met zongedroogde tomaatjes, kappertjes en blaadjes van het basilicumplantje in de vensterbank. Het smaakt prima. Later die avond volgt een aangename verrassing: Zwartboek is op tv. Ik had de film nog niet gezien en bekijk hem samen met twee huisgenoten. De verhaallijn is soms wat ongeloofwaardig, maar dat neemt niet weg dat het een spannende en zeer onderhoudende film is.

Het is zaterdag. Ik realiseer me dat die presentatie steeds dichterbij komt, en lees een ietwat gedateerd boekje over de religie van Okinawa als achtergrondinformatie. Ik lees dat de hogepriesteres huisde in het paleis Shuri, dat ik drie jaar geleden bezocht heb, en bedenk me dat ik te zijner tijd best wel een jaartje in Okinawa zou willen wonen om onderzoek te doen voor mijn proefschrift. Ik eet een restje pasta en neem mijn tekst nog eens door, want om vijf uur heb ik tekstrepetitie. Het gaat onverwacht goed en ik krijg weer wat meer vertrouwen in de voorstelling. Ik ga direct door naar het feest voor postgraduate studenten van UCL en SOAS. Er zijn weinig mensen die ik ken, en de muziek is vrij beroerd, maar verder is het heel gezellig, getuige het ongemerkt voorbij vliegen van de tijd. Mogelijk heeft het feit dat de drankjes maar 1,50 kosten daar ook een en ander mee te maken. Om een uur of twee neem ik de bus terug naar huis. Na een middernachtelijke maaltijd ga ik slapen. Het was een mooie week.

Sunday, 28 October 2007

Het Wereldkoor

Het werd steeds vroeger donker. De stoepen van Bloomsbury lagen vol met gele en rode bladeren. Een enkele fietser was nog zo gek om een korte broek te dragen, maar de meeste mensen hadden hun sjaals en handschoenen al tevoorschijn gehaald. De colleges waren op gang gekomen, en de studenten werden geacht stapels boeken en artikelen door te werken. De zorgeloze introductiedagen leken een eeuwigheid geleden. Een mobiele telefoon stond vol met nummers van niet meer teruggevonden mensen - sommige namen bleken zelfs geen gezicht meer te hebben. Ondertussen begon zich langzaam een vast weekritme uit te kristalliseren. Hij genoot van de inspirerende colleges, van de fiets- en wandeltochten, van het studeren en wegdoezelen op een diepe sofa in de postgraduate common room, van de lezingen van het seminar (al was de laatste behoorlijk saai), van spontane borrels en avondjes uit, en natuurlijk van de wekelijkse pubquiz (mede doordat hij wist hoeveel protonen er in een neonatoom zitten, hoe de havenstad nabij het oude Rome heette en tussen welke twee steden de eerste TGV reed, was zijn team de laatste keer zowaar als tweede geëindigd). Toch voelde hij zich drie jaar geleden, toen hij in Tokyo studeerde, veel sneller en gemakkelijker thuis dan nu - maar hij vermoedde dat dat meer te maken had met hoe hij zelf veranderd was, dan met de omgeving waarin hij zich bevond.

De societies waarvoor hij zich had ingeschreven bestookten hem, zoals viel te verwachten, met e-mails. Alleen de karaoke society bleek een snelle dood te zijn gestorven. Daar stond tegenover dat men inmiddels een Japanse èn een Midden-Oosterse society had opgericht - onnodig te zeggen dat hij zich voor allebei had aangemeld. Hij had de tijd noch de energie om alle interessante activiteiten waarmee zijn inbox gevuld raakte te bezoeken (zo organiseerde de Palestijnse society om de paar weken een complete tweedaagse conferentie met gerenommeerde polemische sprekers), maar een selectie ontstond min of meer vanzelf. De Amnesty society kwam bijeen op de dag dat hij geen college had en dus thuis was. Hetzelfde gold voor de Christian Union, al had hij daarvan wel een bijeenkomst bezocht. Het voorspelbare 'het grootste geschenk dat je kunt krijgen is wat Hij daar aan dat kruis voor jóu gedaan heeft' verhaaltje was weinig inspirerend, maar daar stond tegenover dat hij zich er welkom voelde en dat de mensen uiterst sympathiek waren. Het verschil tussen hen en hem was echter dat zij met zekerheid meenden te weten wat De Waarheid was, terwijl hij al lang blij zou zijn als hij een keer een mooi subjectief waarheidje zou vinden. Hij vermoedde ook dat als ze zouden zien dat hij op zijn Facebook-pagina bij 'religie' had aangegeven zowel christen, boeddhist, moslim als animist te zijn, ze misschien iets anders tegen hem zouden aankijken.

Bij de Green Group zaten weliswaar ook een paar dogmatische denkers, maar daar was ten minste niemand die hem vertelde wat hij moest geloven. Bovendien vergaderde men op de woensdagmiddag, wat hem goed uitkwam. Het was een gezellig groepje milieuactivisten. Sommigen van hen besteedden meer tijd in boomhutten in ten dode opgeschreven bossen dan in collegezalen, en reeds tijdens de eerste vergadering van het jaar had men geïnformeerd wie van de nieuwe leden bereid was zich te laten arresteren voor de goede zaak, maar gelukkig waren er ook andere serieuze studenten die net als hij liever iets deden aan de belachelijk hard loeiende verwarming en aan de wegwerpbekers op de universiteit dan zich vast te ketenen aan een boom. Men hield ervan inefficiënt en ongestructureerd te vergaderen over socialistische vergadertechnieken en naaimachines en of een gastspreker uit Zwitserland wel of niet met de trein zou willen komen. Maar men hield ook van een goede pint na afloop, en al snel had hij er een paar leuke vrienden, dus zolang het hem niet teveel tijd kostte bleef hij gezellig meedoen.

De drama society was een ander verhaal. Hij had hen voorgesteld een bepaald toneelstuk te doen, maar had daar direct bij gezegd dat als ze al andere plannen hadden hij het ook prima vond met iets anders mee te spelen, dan wel te regisseren. Aanvankelijk had de lange hippe semi-ongerichte artistiekelijkige voorzitter van de society hem in een fladderig maar vriendelijk mailtje laten weten zijn voorstel een goed idee te vinden en erop terug te komen. De eerste kennismakingsontmoeting van alle nieuwe potentiële leden was vervolgens weinig verhelderend, maar niettemin een goede kans om wat gezichten te leren kennen. De lange hippe semi-ongerichte artistiekelijkige voorzitter verzekerde eenieder dat oude leden geen voorrang zouden krijgen boven nieuwe. Na afloop had hij geen tijd om verder te spreken over het voorstel, maar hij zou nog contact opnemen. Dat gebeurde niet. Wel kwam er een algemene mail waarin stond aan welke platte komedie men in het eerste trimester zou gaan werken. Ook had de lange hippe semi-ongerichte artistiekelijkige voorzitter natuurlijk kans gezien het allercharmantste, -knapste en -zelfverzekerdste eerstejaars meisje van de universiteit uit te nodigen voor een rendez-vous, om eens onder vier ogen te bespreken wat zij dit jaar kon betekenen voor de drama society. Een tweede e-mail van ondergetekende bleef echter onbeantwoord.

Kennelijk heeft meneer helemaal geen behoefte aan andere mensen met ervaring. Bekijk het dan ook maar, graag of niet. Ik kan alleen bijzonder slecht tegen egotrippers die doen alsof ze alles cool vinden en voor alles openstaan, maar vervolgens niet reageren als iemand met concrete suggesties komt, bang als ze zijn voor wat ze zien als concurrentie. Een toneelclubje waar beslissingen gemaakt worden op basis van feromonen in plaats van artistieke overwegingen zal bovendien vermoedelijk niet een plaats zijn waar veel interessante dingen gemaakt worden.

Hoe een jaar zonder toneel door te komen...? Het antwoord liet gelukkig niet lang op zich wachten. SOAS heeft namelijk een Wereldkoor.

Het is een drukte van belang in de collegezaal waar we repeteren. Er zijn zeker zestig mensen, misschien nog meer. Voor het luttele bedrag van twee pond mag je een jaar lang meedoen. Ik herken een aantal mensen van colleges en van de introductiedagen. Driekwart van de aanwezigen is vrouw, een kwart is man. Iedereen is welkom, ongeacht je ervaring, want zingen is voor iedereen, en samen maken we er wel iets moois van. Iemand noemt mijn naam, en ik herken mijn toekomstige echtgenote, die verlegen naar me glimlacht. Wat leuk dat ze mijn naam nog weet - we hebben maar drie zinnen uitgewisseld, en dat was twee weken geleden. Godzijdank weet ik haar naam ook nog, maar net als ik haar wil vragen wat ze eigenlijk studeert begint de repetitie en worden alle mannen gesommeerd naar de andere kant van het lokaal.

We staan in een grote cirkel, behoorlijk boven op elkaar omdat de ruimte te klein is voor het grote aantal mensen, maar niemand klaagt. In het midden van de cirkel staat Liz, een jonge vrouw met een hele lange bruine paardenstaart en een aanstekelijk enthousiasme, die het koor leidt. Ze bruist van de energie. Het eerste dat ze ons vraagt is of we onze schoenen uit willen trekken. Het inzingen is al leuk. Het is bijna een hoorspel, compleet met politiesirenes, optrekkende motoren en zoenende boeven. Vervolgens leren we een vrolijk lied in een Afrikaanse taal die niemand van de aanwezigen kent. We beginnen met het nazeggen van de tekst, om de uitspraak te leren. Dan gaan we zingen. Eerst leren de sopranen hun deel, dan is het de beurt aan de alten. Omdat er weinig tenoren zijn en de tenorpartij niet zo hoog is kom ik met een paar anderen hen gezelschap houden. Tot slot zijn de bassen aan de beurt, en als we vervolgens allemaal samen zingen, klinkt het onverwacht prachtig. Ongelooflijk, dat je in een kwartiertje een zo grote groep zo mooi kunt laten zingen in een taal die niemand kent... We leren er een paar simpele pasjes bij, en al snel is het een swingende boel.

Dan gaan we naar Bulgarije. Het lied klinkt als een balkansmartlap. De tekst heeft heel veel mysterieuze vgornjov-klanken, maar gaat over het kopen van een sjaal op de markt. Dit lied is moeilijker dan het vorige, maar ook hier is het eindresultaat schitterend. Wat zijn die sopranen goed... Natuurlijk hoort ook hier een dansje bij. Helaas blijkt het lokaal toch echt te klein voor een Oost-Europese rondedans met zoveel mensen, maar dat mag de pret niet drukken.

Tot slot leren we een lied in een Zuid-Afrikaanse taal. Het werd gezongen door mensen in de townships ten tijde van de Apartheid, en is een lofzang op de vrijheid. Het is swingend en ontroerend tegelijkertijd, en het mooiste lied dat we vanavond geleerd hebben.

Wanneer we klaar zijn gaan we met zijn allen naar de ingang van het universiteitsgebouw om daar aan toevallige passanten een spontaan optreden te geven. We vormen een grote cirkel voor de receptie, en de portier kijkt ons verbaasd aan. Liz staat in het midden van de cirkel en geeft aanwijzingen. We brengen het eerste en het derde lied ten gehore. Verschillende mensen blijven staan luisteren naar wat we doen. We zingen uit volle borst, en dansen vrolijk mee. De hele cirkel geniet met volle teugen.

Op mijn gezicht ligt een grote glimlach, die er de rest van de avond zal blijven. Ik kan niet wachten tot het weer dinsdag is.

Saturday, 14 July 2007

De mevlevi's

Ik val met mijn neus in de boter. Het is dit jaar precies 800 jaar geleden dat de grote Rumi geboren werd. In het kader hiervan worden allerlei speciale activiteiten georganiseerd, zoals een grote tentoonstelling in Istanbul en verschillende speciale optredens van de Mevlevi's, de derwisjen, in Konya (en wellicht ook in andere steden). Ruim tachtig jaar nadat Atatürk de mystieke ordes in de ban deed zijn ze weer helemaal terug van weggeweest. Rumi is 'hot'...!

Even buiten het centrum van Konya bevindt zich een pronkstuk van moderne architectuur. Een groot glimmend gloednieuw gebouw met kegelvormige glazen daken staat ietwat onwennig tussen krakkemikkige huisjes, fietsenmakersschuurtjes en een fraai bakstenen moskeetje. Dit is het culturele centrum van Konya. Je vraagt je af of ze het geld dat dit gebouw gekost heeft niet beter voor armoedebestrijding hadden kunnen gebruiken, want dat is hier wel nodig, maar de wegen van gemeentelijke politici zijn nu eenmaal vaak ondoorgrondelijk - en leiden nogal eens naar prestigeprojecten waarvan het maatschappelijke nut niet zelden twijfelachtig is. Hoe het ook zij, het is een mooi gebouw geworden, ruim en met veel licht.

Onder een van de kegelvormige daken bevindt zich een grote houten cirkel, met daaromheen een groot aantal zitplaatsen (ik schat zo'n twee- a drieduizend), die vandaag voor ongeveer een derde gevuld zijn. Als het licht uitgaat verandert het dak in een prachtige sterrenhemel. Dan komen de muzikanten op. Iedereen draagt een hoge bruine vilten hoed (de grafsteen), een zwarte mantel (het graf zelf) en daaronder een witte jurk (het doodskleed). De kleurensymboliek doet denken aan Japanse pelgrims die eveneens in het wit gekleed gaan (de kleur van de dood) om daarmee aan te geven dat ze zichzelf overgeven aan de elementen en er klaar voor zijn de dood in de ogen te kijken. Een van de zangers zingt met volle stem een prachtig lied, waarna de fluit (de 'ney', een rieten fluit met een mooi hees geluid) het van hem overneemt (over de hele wereld wordt de fluit gebruikt als een instrument dat de kloof tussen de mens en het goddelijke kan overbruggen; niet voor niets speelt hij een belangrijke rol bij sjamanistische rituelen). Ik doezel weg onder de sterrenhemel.

Dan komen de heren soefi's op, negen in getal. Zij dragen allemaal hetzelfde als de muzikanten; alleen hun leider onderscheidt zich van de anderen doordat hij een soort tulband om zijn graftombehoed gewikkeld heeft. Een lang ritueel van buigingen over en weer volgt, waarna de groep gezelschap krijgt van een tweede negental. Tussen alle volwassen mannen bevindt zich een klein jongetje van nog geen tien jaar oud. Ieder is identiek gekleed.

Het licht verandert, de muziek wordt intenser. De fluit heeft gezelschap gekregen van enkele snaarinstrumenten, een trommel, een paar bekkens en een drietal zangstemmen. De zwarte mantels gaan uit, en dan begint de dans. De heren draaien hun rondjes in volle concentratie. De handen beginnen gevouwen voor de borst en vinden langzaam hun weg naar boven. De ene handpalm wijst naar de hemel, de andere naar de aarde: de stroom des levens. Onder de ronddraaiende witte jurken is het uiterst knappe voetenwerk te zien - ik zou het niet een-twee-drie na kunnen doen. Alles gaat tegen de klok in. Het is een wild maar liefdevol kabbelende zee, bestaande uit dansende witte tollen. Als in een droom.

De droom herhaalt zichzelf. Drie keer begint de dans en drie keer houdt hij ook weer op, na een tijdje zonder tijd. Het jongetje, dat danst als een van de besten, maakt aan het eind een foutje. Hij loopt even de verkeerde kant op. Snel herstelt hij zich.

De vrouw naast mij heeft haar handen voorzichtig opgeheven richting hemel. Ze heeft hele mooie handen.

Als aan het einde een van de zangers voorgaat in gebed, mompelt de hele zaal mee. God is groot, versta ik.

Een glimlach.

Wednesday, 1 June 2005

Karaoke voor dummies

Ik wil Japan leren kennen! Echt! Maar dat ene durf ik niet...

Je kunt je nog zo verdiept hebben in Zenfilosofie, de bubbeleconomie, pornotekenfilms of Anton Geesink, uiteindelijk is er natuurlijk maar één manier om Japan en de Japanner daadwerkelijk te doorgronden en de kwaliteit van het Japanse leven volledig te leren appreciëren. Edoch, niet voor iedere onwetende buitenlander is de drempel van een karaoketempel even laag. Het vooruitzicht ooit live een evergreen ten gehore te moeten brengen bezorgt menige in Japan vertoefende gaijin slapeloze nachten. Voor wie niet opgegroeid is met de edele kunst van de karaoke kan een bezoek aan een karaokebox een vervreemdende, welhaast beangstigende ervaring zijn. Aan de andere kant: willen wij niet allen diep doordringen tot de wondere wereld waarin wij beland zijn, en al haar verborgen geheimen leren kennen? Precies! Wie zijn angst overwint zal verblijd worden met ongekende inzichten en grote geneugten. Een goede voorbereiding is daarbij wel essentiëel. Vandaar deze beknopte inleiding tot de schatkamer van de karaoke.


Wat is een karaokebox?

Onwetenden denken vaak dat karaoke alleen plaats kan vinden in een café. Niets is echter minder waar. Meestal vindt karaoke plaats in de beschutte omgeving van de karaokebox. Men stelle zich voor: een tussen de drie en de tien verdiepingen tellend gebouw, waar zich behalve een balie, een keuken en toiletten alleen maar kamertjes bevinden. De meeste kamertjes kunnen zo'n zes mensen herbergen, ofschoon er ook speciale kamers zijn voor grote groepen. De kamertjes hebben plastic banken en in het midden een grote tafel waarop enkele dikke, met duizenden titels van liedjes gevulde telefoonboeken en een afstandsbediening liggen. In een hoek staat een joekel van een TV. Afhankelijk van de prijs die men betaalt zijn er discolampen en worden op de muren afbeeldingen van kleurrijke luchtkastelen, dolfijnen, ruimteschepen en God weet wat nog meer geprojecteerd. Men komt dus met zijn vrienden of collega's en deelt met hen een kamertje, dat men voor een bepaalde tijd (meestal één á twee uur, ofschoon men ook het hele-nacht-lang-arrangement kan nemen) huurt. Men kan drank en eten bestellen via een telefoon aan de muur die in verbinding staat met de balie.


Maar dat zingen dan? Hoe gaat dat?

U neemt het telefoonboek en zoekt een liedje dat u geschikt lijkt. Naast dat liedje staat een aantal cijfers; deze voert u in in de afstandsbediening, waarna u op de groene bevestigingsknop drukt. Op de TV verschijnt nu de titel van het liedje. Of, wanneer iemand anders nog met een liedje bezig is, onthoudt de TV netjes wat u hebt ingevoerd voor daarna (als er meer dan één liedje is ingevoerd worden deze ook allemaal onthouden, en wordt er automatisch een afspeellijst gemaakt). Wanneer uw liedje aan de beurt is, neemt u de microfoon en zingt u uit volle borst met de muziek mee. Maar er zijn een paar manieren om dit te veraangenamen. Ten eerste: men kan zowel het volume van de microfoon als dat van de muziek met één druk op de knop aanpassen aan de eigen voorkeuren. Ten tweede: men kan de toonsoort met één druk op de knop aanpassen aan het eigen bereik. En ten derde: men kan een beetje valsspelen, door de zogenaamde gids aan te zetten. De gids is een tamelijk irritant nasaal deuntje dat net boven de muziek uitkomt en precies aangeeft welke melodie je moet zingen - ideaal voor lieden die geen toon kunnen houden.


En welk liedje moet ik dan zingen?

U moet u bedenken dat uw Japanse gezellen een vast repertoire hebben waaruit zij kiezen wanneer zij in gezelschap zingen. Dit repertoire bestaat uit liedjes die zij vaak al vele tientallen malen gezongen hebben en die dus volledig ingesleten zijn. Kies dus vooral voor een liedje dat u enigszins vertrouwd is en waarvan u vermoedt dat uw stem het aankan - heren dienen zich te bedenken dat gezellig meebrommen een stuk aangenamer klinkt dan schel meepiepen. Probeer dus niet bij uw eerste bezoek een nummer als 'Feel' of 'Kiss from a Rose' te zingen - u zult lelijk op uw neus kijken. Gouwe ouwen als 'Yesterday', 'Hotel California', 'La vie en rose' of 'Mrs. Robinson' zijn veiliger keuzes - bovendien zult u uw Japanse gezellen zeer vermaken wanneer u iets zingt dat zij, wereldburgers als ze zijn, ook kennen. Grote loftuitingen en applaus zullen uw deel zijn, ongeacht uw zangkwaliteiten. Daarnaast loont het de moeite u te bekwamen in één of twee Japanse smartlappen. Deze zijn vrij eenvoudig onder de knie te krijgen - mits men in staat is ten minste hiragana te lezen, natuurlijk - en u zult uw gezellen de avond van hun leven bezorgen. Tot slot een laatste tip: liedjes uit Disney-tekenfilms zijn vaak betrekkelijk eenvoudig te zingen, genieten een grote bekendheid en maken alle aanwezigen vrolijk - zij zijn dus uitermate geschikt voor karaoke.
Een typische karaoke-avond van ondergetekende bevat derhalve ten minste 'The Boxer' (de gouwe ouwe), 'Nada sousou' (de Japanse smartlap) en 'Be Our Guest' (de Disneyknaller). En om een laatste tip van de privé-sluier op te lichten: uw weblogger geniet ook met volle teugen wanneer hij wild met zijn heupen wiegend met zware Elvisstem 'Blue Suede Shoes' ten gehore brengt.


Wanneer kan ik het beste gaan?

Dat hangt van uw budget af. Wanneer u op een doordeweekse ochtend gaat betaalt u voor een uur zingen op sommige plaatsen minder dan een euro per persoon; wanneer u echter op vrijdag- of zaterdagavond gaat bent u voor een uur gauw tussen de zes en acht euro per persoon kwijt. Wie alleen zijn zang wil oefenen doet er dus goed aan een druilerige dinsdagmorgen op te offeren. Echter, karaoke is in essentie een sociale activiteit, waarbij, idealiter, grote hoeveelheden alcohol muurbloempjes omtoveren tot ware Jamais. Wanneer men de volledige karaoke-experience wil ondergaan, doet men er goed aan een paar centen te spenderen en onder het genot van een paar drankjes plezier te maken met de andere aanwezigen. Uiteindelijk leent de vrijdagavond zich hier toch het beste voor. Overigens zult u merken dat alcohol niet alleen remmingen wegneemt, maar ook uw kritische muzikale gehoor in slaap sust. U kunt er dus op vertrouwen dat, wanneer ze wat op hebben, de anderen ook niet al te kritisch uw prestaties onder de loep zullen nemen.


Wat is een goede karaokebox?

Karaokeboxen zijn er in velerlei soorten, variërend van obscure oude rokerige stinkkamertjes tot smetteloze neoclassicistische kitschhallen. Vaak geldt de vuistregel: hoe opzichtiger de entrée, hoe meer liedjes, hoe kitscheriger (maar ook: hoe schoner) de kamertjes, hoe beter de service, hoe hoger de prijs. Een zeer gerenommeerde, ik denk landelijke karaokeketen is de zogenaamde Karaokekan; hoge blauwige gebouwen met enorme uithangborden van blauw en rood neonlicht, de inrichting van een Romeins badhuis, werknemers in zwart-witte basketbalscheidsrechtersuniforms en een grote keuze aan liedjes (de karaokekan in Shinjuku is de meest verbazingwekkende van allemaal, aangezien deze een groot disneylandkasteel op het dak heeft). Wanneer men echter van plan is veel vloeistof te consumeren, doet men er goed aan op zoek te gaan naar een karaoke die nomihoudai (all-you-can-drink) aanbiedt (van buiten te herkennen aan de volgende Japanse tekens: 飲み放題) .


Laatste vraag: als ik geen Japans kan lezen, hoe herken ik dan een karaokebox?

Wanneer u een uithangbord ziet waarop in grote letters カラオケ staat, kunt u niet missen.

http://photos1.blogger.com/img/262/1756/640/DSC00143.jpg