Mocht u uit mijn vorige verhaal de conclusie getrokken hebben dat ik op het punt sta mij te bekeren, dan kan ik u geruststellen. Ik weet het, ik heb soms impulsieve buien, maar ik kan u verzekeren dat voor ik mij bekeer tot een religie die van mij verwacht dat ik elke morgen voor dag en dauw opsta omwille van een gebed, voortaan de wijn laat staan, en afscheid doe van een dierbaar stukje huid, ik het nodig acht eerst eens lange tijd goed na te denken. Ik hou van de islam om de eenvoud en kracht van het geloof, om de fantastische mystieke poezie, om de schoonheid van het collectieve gebed, en om de kunst en architectuur. Maar ik weet niet of ik me helemaal kan vinden in alle regels, wetten, verboden, geboden en voorschriften die moslims zichzelf en elkaar opleggen - misschien heb ik iets teveel Nietzsche gelezen, om vrijwillig een dergelijke manmade slavenmoraal te omarmen. En ik hou al helemaal niet van de toon waarop sommige moslims de absolute waarheid plegen te claimen, en de morele zelfingenomenheid waarmee ze vervolgens neerkijken op de 'ongelovige' Ander, en op zogenaamde 'niet echte' moslims. Ik dacht altijd dat alleen God kan oordelen - maar sommige roomser-dan-de-Paus moslims denken daar klaarblijkelijk heel anders over.
Voor de duidelijkheid: Maleisie is een land waar de islam veel invloed heeft op het publieke leven, wellicht meer dan in de meeste landen in het Midden-Oosten. Islamitische instellingen hebben veel macht. Sharia-rechtbanken hebben vergaande bevoegdheden. Religieuze minderheden worden gedoogd, zolang zij geen herrie schoppen en de economie draaiende houden, maar ze hebben zich te schikken naar de conservatieve moraal van de meerderheid. Vrouwen worden de facto verplicht een hoofddoek te dragen. De accijns op alcohol is bizar hoog (een klein biertje is duurder dan een bioscoopkaartje, of een bed in een dormitory). Grote westerse films worden gewoon vertoond, maar liefdesscenes worden opzichtig weggeknipt, zo merkte ik - alsof Hollywood niet braaf genoeg is (jammer, een sappige seksscene tussen Nicole Kidman en Hugh Jackman had die film misschien nog enigszins draaglijk gemaakt). Bekeerfoldertjes getuigen van de exclusivistische, intolerante versie van de islam die men wil verspreiden. De Saudische oliedollars doen hun werk naar behoren, zo lijkt.
De fundamentalistische islam is in essentie een discours van differentiatie. Het is gebaseerd op een mythische constructie van de 'ware islam' en zijn aanhangers, vroom en rechtschapen (die natuurlijk nooit echt als zodanig bestaan heeft of zal bestaan). Deze 'ware islam' wordt gecontrasteerd met het beeld van een immorele, verdorven Ander - de ongelovige, en de door hem gecorrumpeerde 'niet echte' moslims. De mythe van de pure islam laat geen ruimte voor pluriformiteit binnen de eigen traditie, voor een verscheidenheid aan interpretaties, of voor erkennig van de legitimiteit van het standpunt van de Ander. Het creeert zo een scherpe wij-zij dichotomie.
Nu is men in Azië bekend met dergelijke mythische constructies van alteriteit. Vaak hebben die een etnisch-nationalistisch karakter, zoals in het geval van Thailand en Japan (en wellicht China). Een unieke nationale identiteit (gebaseerd op traditie, religie, koningshuis, taal, spiritualiteit en, jawel, bloed) wordt discursief geconstrueerd, en vervolgens continu bevestigd. De eigen collectieve identiteit is iets unieks, dat wordt bepaald door geboorte. Het moge duidelijk zijn dat dergelijke ideeen een sterk racistische subtekst hebben. Het is dan ook geen toeval dat samenlevingen met een zo prominent etnisch-nationalistisch mythisch discours het vaak moeilijk hebben met minderheden; immers die problematiseren de mythen doordat ze verschillen van de geidealiseerde mainstream. Hun is dan vaak de keuze tussen assimilatie of marginaliteit.
Gerelateerd aan deze nationalistische discoursen, bestaat er een groter discours van differentiatie, prominent aanwezig in verschillende Aziatische landen. Dit discours bevestigt nationalisme, maar overstijgt het ook. De ultieme dichotomie is hier Oost-West. Er wordt eeen bepaalde pan-Aziatische identiteit verondersteld, en die wordt gecontrasteerd met 'het Westen' (dat niet nader gedefinieerd wordt). De westerling wordt voorgesteld als fundamenteel, a priori anders dan de oosterling. Dit is een existentiele alteriteit, die per definitie onoverbrugbaar is. De oosterling/Aziaat is, zo wil de mythe, in essentie onkenbaar. De Ander, of 'buitenstaander' (het is geen toeval dat woorden als farang en gaijin zo'n stigmatiserende werking hebben) kan nooit komen tot begrip van de oosterse traditie, want hij kan nooit volledig in het hart van de Aziaat kijken, zo is de aanname. Een Gadameriaanse dialoog, waarbij wederzijds begrip tot stand komt middels bewustwording van de eigen vooroordelen, is dus per definitie onmogelijk.
Soms kan een gesprek leiden tot een confrontatie. Een confrontatie kan je tijdelijk ongelukkig maken, maar toch het een en ander leren. Ik vond het leuk om uitgenodigd te worden voor een kop thee (was het niet Cat Stevens/Yusuf Islam die ons opriep toch vooral thee met elkaar te gaan drinken?). Ik raakte evenwel licht geirriteerd toen de jongen mij zelfbewust meedeelde dat mijn Aziatische vriendinnetje mij allleen wilde om mijn witte neus, en dat ze mij langzaam kapot zal maken, omdat het altijd zo gaat. Bedankt voor het 'advies', maar is niet elke individuele situatie anders? Toen begon hij over dat ik de frustratie van Aziatische jongens moest begrijpen (het 'ze pikken onze vrouwen in' sentiment), maar oh nee, ik zou het nooit kunnen begrijpen, want westerse mensen kunnen nooit Aziaten begrijpen (andersom was opmerkelijk genoeg geen probleem - hij studeerde niet voor niets communicatiewetenschap). Ik sputterde nog wat Gadameriaans tegen; er was toch een ontmoeting mogelijk, ik luisterde toch naar hem? Zo ervoer hij het niet - het feit dat ik zijn woorden niet klakkeloos aannam en zo naief was 'frustreerde' hem, zo zei hij. Het racisme in zijn argumentatie was evident en storend. Maar we bleven beleefd. We dronken immers thee.
Toen kwam de religie op tafel. Hij wilde weten of ze een hoofddoek draagt (neen, en God zegene haar lange zwarte haren), en of we gezoend hadden. 'Eh, ja.' Een vileine glimlach kwam op zijn gezicht. 'Zie je wel. Dat noemt zich moslim, maar ze is net als die andere meisjes. Een echte moslim zoent niet.' Oh kom op. 'Er is een verschil tussen regels en realiteit,' probeerde ik nog. 'Niet in Maleisie,' zei hij stellig. 'Ze is geen echte moslim.' 'En ik ben de moreel verdorven westerling die haar gecorrumpeerd heeft, zeker.' 'Ja, maar dat heeft ze zelf ook gedaan.' 'Oh kom op, waar staat dat, dat je niet mag zoenen? Staat dat in de Koran? "Thou shalt not kiss"?'
Zijn ogen schoten vuur. Kennelijk is het legitiem om anderen te veroordelen, om hun het recht op een eigen verhaal en ervaringen te ontzeggen, en om racistische bejegeningen goed te praten - maar kritiek op iemands religieuze moraal is een grote zonde. Hij beent weg en betaalt de thee. En ik? Ik geef hem wat hij wil: ik loop achter hem aan, en verontschuldig me. Nee sorry, ik wilde niet beledigen. Ik wil geloven in de dialoog. Maar ik bevestig simpelweg de mythe: ze zullen het nooit begrijpen, die westerlingen. Ze zijn moreel gedegenereerd. En ze proberen ons van het rechte pad af te brengen.
Ik dacht dat er maar één Rechter was. Waarom doen zoveel mensen dan, alsof ze op Zijn stoel zitten?
Het is een enkele anekdote, maar naar ik vrees niet een op zichzelf staande. Natuurlijk heb ik twee klassieke fouten begaan: 1) als je een persoonlijk verhaal met een vreemde deelt, kan hij er mee aan de haal gaan; en 2) als je op reis bent, is het gevaarlijk om je al te expliciet uit te laten over religieuze dan wel politieke zaken. Maar de ontmoeting maakte me een ding duidelijk: dat wanneer de in essentie racistische Oost-West dichotomie, zo prominent in Azie, een fusie aangaat met een moralistische 'ware islam' versus 'ongelovigen' dichotomie, twee differentiatiemythen elkaar versterken. De ene is cultureel-racistisch, de andere religieus-moreel. Ze zijn dus als het ware complementair. Dat maakt het tot een gevaarlijke combinatie, die kan leiden tot een volledige dehumanisering van de Ander - tot het punt dat hij niet langer gezien wordt als een mens die begrepen kan worden, en dus niet langer als iemand wiens leven waarde heeft.
Waar begrip wordt doodverklaard, viert de angst hoogtij. En waar de angst hoogtij viert, heeft de haat vrij spel.
Oppassen dus.
Tot slot dit. Begrijp me niet verkeerd: ook ik erken dat er grote verschillen zijn. Natuurlijk. Een reis door Azie is een lesje omgaan met 'anders zijn', neemt u dat van mij aan. Ook ik zie de miscommunicaties, de vooroordelen, de verschillende achtergronden. Maar ik geloof niet in statische, existentiele alteriteit; met andere woorden, ik geloof niet dat verschillen a priori onoverbrugbaar zijn. Alteriteit is situationeel, niet absoluut. In de ontmoeting met de Ander zie ik in de eerste plaats een individu, met een uniek verhaal - ik probeer mijn vooroordelen over de groep waartoe de Ander behoort niet al te zeer mijn interpretatie van zijn verhaal te laten beinvloeden, al slaag ik daar niet altijd even goed in. Gezien dat uitgangspunt ben ik, geloof ik, een humanist. Verschillen zijn menselijk, en soms zijn ze heel groot en lijken ze onoverbrugbaar - maar verschillen zijn geen natuurwetten, zijn niet absoluut. Jij bent niet zus of zo, omdat je Nederlander bent, omdat je man/vrouw bent, omdat je westerling bent. Wie jou zo zou wegverklaren, reduceert jou tot de categorieen waartoe je behoort, en ontneemt jou je individuele uniciteit. Dat maakt dat discoursen van differentiatie, zoals hierboven beschreven, dehumaniserend ('ontmenselijkend' ) werken. Dat maakt ze tot in essentie gewelddadige structuren.
Religie is vaak gewelddadig, maar dat wisten we al.
God zucht nog eens diep.
Showing posts with label islam. Show all posts
Showing posts with label islam. Show all posts
Saturday, 17 January 2009
Thursday, 15 January 2009
Gods knipoog
Ik ben op zoek naar God. Dat ben ik al tien jaar, dus wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. God is voor mij in veel opzichten namelijk een vreemde. In tegenstelling tot de overgrote meerderheid van de wereldbevolking heb ik Hem* niet met de paplepel ingegoten gekregen. Ik ben niet verbonden aan deze of gene religie, en heb zodoende geen uitgesproken religieuze identiteit. Toegegeven, met kerst gingen we naar de kerk omdat mijn grootmoeder dat graag wilde, en ze las ons wel eens voor uit de kinderbijbel (zij het meestal dezelfde verhalen). En ik ben natuurlijk beinvloed door de calvinistische zeeklei waaruit ik ontsproten ben. Maar de opvoeding die ik genoten heb was weinig religieus gekleurd, en ik heb nooit geleerd wat de Waarheid is. Dat heeft me de vrijheid gegeven om toen ik ouder werd zelf op onderzoek uit te gaan, en verschillende waarheden tegen het licht te houden. Ik flirtte met boeddhisme, shinto, verschillende vormen van protestantisme, animisme en islam. Ik vond veel moois, maar werd nergens ingezogen.
Ik zou mezelf nu omschrijven als een niet-religieus gebonden religieus persoon. Wie dat ziet als een contradictio in terminis, heeft een bekrompen geest. Wie dat veroordeelt als zijnde 'ietsisme' of 'religieus shoppen' begrijpt er evenmin iets van. Ik geloof niet in 'iets', ik geloof in God, vreemd en onmachtig maar leven- en troostschenkend, de beloften van heelwording. Dat is niet vrijblijvend, dat is een serieuze zaak. En ik heb een afkeer van alles wat riekt naar consumentisme, dus 'religieus shoppen' is niets voor mij. Dat klinkt me bovendien te oppervlakkig.
Met religieus flirten heb ik daarentegen geen enkele moeite. Glimpjes van God kunnen gezien worden in een mihrab, aan een kruis, in een beeld, in een boom, op een berg en in het gezicht van de Ander. Wie zijn ogen sluit voor de glimpjes die niet in zijn smalle straatje passen mist veel moois. Immers, God is christen noch moslim noch boeddhist, zoals Desmond Tutu ons leerde. God is een glimpje hier, een glimpje daar, een knipoog, een luisterend oor, een belofte. God is in geen enkel verhaal, hoe mooi ook, volledig te vatten. Wantrouw derhalve eenieder die het monopolie op God claimt. Mensen hebben de vervelende neiging alles te willen bezitten, zelfs Hem die ze het minst begrijpen, zelfs de Waarheid die ze vrezen. Wantrouw hen, die om het hardst roepen dat zij de Waarheid kennen - zij zijn het bangst. Vertrouw daarentegen hen, die weten dat zij de Waarheid niet kunnen kennen - zij zijn ook bang, maar accepteren hun angst. En vertrouw de enkeling die de Waarheid een beetje kent, en die geen woorden nodig heeft om je dat te vertellen. Want wie Waarheid in woorden probeert te vangen, is al begonnen haar te doden.
Het feit dat ik op zoek was naar God zal ongetwijfeld invloed hebben gehad op mijn beslissing om godsdienstwetenschap te gaan studeren. Sommige zoekers zweven vrolijk rond, maar daar had ik geen zin in. Ik hou niet zo van zweven. Ik heb liever een stevig paar bergschoenen om mijn voeten dan een parachute op mijn rug. Waar anderen ervan dromen een vogel te zijn, ben ik liever een kameel, olifant of muilezel. Met andere woorden: niet elke zoektocht naar God is kritiekloos en vrijblijvend. Het lezen van wetenschappelijke boeken en artikelen en het bezoeken van religieuze plaatsen leert mij meer over God dan, pak hem beet, edelstenen knuffelen in Oibibio.
Nu heeft het bestuderen van religie natuurlijk wel enige invloed op de wijze waarop je God ziet. Maar godzijdank kun je religie bestuderen zonder stelling te hoeven nemen aangaande God. Religie vertelt verhalen over God, maar de godsdienstwetenschapper vertelt louter verhalen over verhalen over God. Religie is een menselijke constructie, een politieke categorie. Wanneer ik religie bestudeer ben ik kritisch, kijk ik naar o zo menselijke zaken als macht en identiteit, ben ik methodisch welhaast atheistisch. En dat blijkt gek genoeg uitstekend verenigbaar met mijn eigen religieuze geloof. Religie claimt God, maar God overstijgt religie. Religie is menselijk, en al het menselijke moet bestudeerd en bekritiseerd worden. God is de Ander, onkenbaar, niet in woorden te vatten. God staat los van religie.
Maar wij zijn mensen, en we moeten het doen met menselijke constructies, of we dat nu leuk vinden of niet. Met mijn weigering om lid te worden van deze of gene religie, en zodoende een bepaald God-verhaal als het mijne te accepteren, maak ik het mezelf natuurlijk niet makkelijk. Mensen prefereren antwoorden boven vragen, en ik ben daarop geen uitzondering. Mijn postmodernistisch waarheidsbegrip mag prima functioneren in de collegezaal, in het dagelijks leven is er een continue strijd tussen de ik die weet dat hij niet kan weten, en de ik die simpelweg wil weten. Tussen de ik die geestelijk 'vrij' wil zijn, en de ik die zich thuis wil voelen bij een bepaalde religieuze gemeenschap en die in bepaalde verhalen wil geloven, al weet hij donders goed dat het menselijke constructies zijn. Ja, ik wil antwoorden, ik wil mythen om in te geloven, zelfs al verword ik daarmee tot mijn eigen studieobject. En waarom ook niet? Interne consistentie heeft nog nooit een mens gelukkig gemaakt. Er is niets mis mee op een bepaald niveau in een verhaal te geloven, en het op een ander niveau te ontleden.
Ik ben, kortom, op zoek naar God. Ik weet ook wel dat hij die zoekt niet zal vinden, maar de zoektocht is zo boeiend dat me dat niet zoveel kan schelen. Het gaat niet om het vinden, het gaat om het zoeken. En soms, als je gelukt hebt en er even niet op verdacht bent, knipoogt Hij even naar je. Zeker als je onzeker bent en veel vragen hebt, over jezelf en over de liefde en over de weg die je gaan moet, dan is zo'n knipoog een geschenk uit de hemel.
Zo gezegd, zo gedaan. Ik trok mijn wandelschoenen aan, deed mijn rugzak op en ging op pad, op zoek naar God. Ik had een paar vragen die ik Hem wilde stellen, vandaar. En een beetje troost kon ik ook wel gebruiken. Tja, op zoek naar God in Kuala Lumpur, waarom ook niet. Het zou in elk geval een boeiende zoektocht worden.
K.L.! Culturele melting pot, waar de Bollywoodmuziek concurreert met de Chinese boybands, waar nasi en curry en dimsum naast elkaar gegeten worden, waar Guanyin en Kali buurvrouwen zijn, waar in hijab en vleermuisjurk gehulde dames kleding kopen van meisjes in minirok! Etalage van moderne architectuur, waar islamitische, Oost-Aziatische en westerse elementen indrukwekkende fusies zijn aangegaan. Planologisch gedrocht, waar snelwegen dwars door het centrum snijden, waar krakkemikkige koloniale huisjes in de schaduw staan van imposante wolkenkrabbers, waar auto's de dienst uitmaken maar waar voetgangers desalniettemin onverstoord van winkel naar winkel navigeren. Stad van vele gezichten en verhalen en geschiedenissen, van bomvolle warenhuizen, van fundamentalistische islam en wierook uitademende tempels. Wat een stad!
Ik bezoek de belangrijkste hindoetempel van de stad. Het is een drukte van belang. Misschien is het vandaag een speciale dag, misschien is het altijd zo druk, wie zal het zeggen. Een lange rij mensen staat te wachten voor het centrale deel van de tempel, waar priesters een religieuze tekst reciteren. Ze komen nauwelijks uit boven het geluid van de grote bel die continu geluid wordt, van de in wit geklede heren die hun snaarinstrumenten en trommels bespelen, en van de vele mensen die kletsen en keuvelen. Bloemengeuren dansen rond. Overal staan beelden en hangen afbeeldingen van bekende en onbekende goden en godinnen. De dames dragen hun mooiste sari. Oude mannen liggen in de schaduw te dutten. In zijtempeltjes worden godinnen vereerd. Mensen bidden, huilen, offeren vruchten. Het is een lawaai van jewelste.
Ik bezoek een Chinese tempel. Te oordelen naar de oude mannen met lange baarden die vereerd worden is het een taoistische tempel, maar ik weet niet in hoeverre taoisme en boeddhisme gescheiden dan wel met elkaar verweven zijn. Ik weet eigenlijk schandalig weinig van Chinese religie, realiseer ik me. Het is minder druk dan in de hindoetempel, maar dit is dan ook een kleinere tempel. Voor de ingang zit een groep dakloze mannen te dutten. Als er een voorbijganger langskomt houden ze snel hun hand op. De tempel is rood en goud gekleurd, en versierd met grote lampionnen. In een gouden schaal staan tientallen dikke wierookstaven te roken. Meterslange tabellen tonen voorbijgangers of ze een pech- dan wel geluksjaar te wachten staat, en wat ze kunnen doen om eventueel onheil af te wenden. Een vrouw voorspelt een andere vrouw haar toekomst. De voorbereidingen voor het Chinese nieuwe jaar zijn in volle gang. Jongedames prepareren offergaven. Een oudere man leert een vrouw hoe zij een bepaald ritueel uitvoert. Een kast staat vol beelden van oude mannen met lange baarden. De sinaasappels op het altaar glimmen.
Ik kom toevallig (?) een galerie tegen met kunst- en religieuze voorwerpen. De meeste komen uit Borneo. Er is een indrukwekkende collectie maskers: maskers van boze boemannen, van gevaarlijke geesten, van wijze voorouders en van dwaze witte mannen. De betekenis van het meeste ontgaat me, maar ik zie wel dat een aantal van deze stukken niet zou misstaan in de collecties van het Tropenmuseum of het Musee du Quai Branly. Er is een prachtig versierde schedel van een Orang Oetan, een indrukwekkend godenmasker, en fraai versierde houten beelden, dolken en ivoren voorwerpen. Het gonst van de stemmen, maar ik kan ze niet verstaan. Ik vraag me af of de galeriehouder ze ook hoort. De maskers staren me aan, sommige vriendelijk, andere boos. God is mij vreemd, maar deze geesten zijn mij nog veel vreemder.
Ingeklemd tussen wolkenkrabbers, de lightrail en drukke wegen ligt een honderd jaar oude moskee te zonnen. Hij is versierd met Indiase koepeltjes en snoepige torentjes. De toegang wordt mij geweigerd, want het is tijd voor het gebed. Of kom ik om te bidden? Ik twijfel. Ik kom om God te zoeken, denk ik, maar dat bedoelt de jongeman natuurlijk niet. Nee, ik heb nooit geleerd hoe ik moet bidden. Ik loop verder. Jammer.
Aan het centrale plein ligt een kerk. Anglicaans, want Maleisie was lange tijd een Britse kolonie. Ik ga naar binnen. De houten banken en hoge ramen komen me bekend voor. Ik zit en probeer te bidden. Het is stil, heel stil. Evangelische foldertjes dragen me op te geloven in een God die in drieen opgesplitst was en mens werd en stierf en weer leefde. Dat alles omwille van zondige ik. Het is een mooi verhaal, maar behoorlijk vergezocht. Ik vraag me af waarom overhaalfoldertjes altijd in infantiele taal geschreven zijn. Evangelicalen, Jehova's getuigen, moslims, Soka Gakkais, het maakt niet uit: alle foldertjes die ze schrijven om je te bekeren lijken geschreven voor kleuters. Is het omdat geloofsdogma's nou eenmaal niet op intelligente wijze te communiceren zijn? Dat lijkt me sterk. Of is het omdat religieuze groepen hun pijlen richten op laag opgeleiden, en helemaal niet geinteresseerd zijn in bekeerlingen met hersens...? Wellicht. Ik verlaat de kerk, onverrichterzake.
Ik ga terug naar de moskee. Het gebed is voorbij. Ik mag om het begouw heenlopen, maar niet naar binnen. Maar ik wil graag bidden, zeg ik. Mag ik niet gewoon zitten? Ik maak geen foto. Wat een gezeik, in Turkije en Syrie ben je in de meeste moskeeen gewoon welkom. De jongeman zegt iets over het midden, wat ik maar opvat als een uitnodiging om bij de middelste ingang naar binnen te gaan. De moskee is uitermate fraai, met zuilen en koepeltjes en grote overdekte marmer binnenplaatsen. Tientallen mannen liggen in de schaduw te dutten. Ik doe mijn schoenen uit en ga naar binnen. Van binnen is de moskee eenvoudig. Het tapijt is grasgroen, de mihrab wijst naar het westen. Ik zou het gebed bij willen wonen. Ik zou wel mee willen doen.
Als ik weer vertrek vertelt de jongeman me over de islam. Vrouwen moeten zich altijd bedekken, zegt hij. Dat schijnt hier nogal een issue te zijn. Persoonlijk heb ik nooit begrepen waarom het dragen van de hijab een voorwaarde is voor goed moslimschap. De meeste argumentatie is seksistisch: alsof mannen geen vrouwenharen kunnen zien zonder aan seks te denken, en alsof vrouwen die in het openbaar treden geen goed religieus leven zouden kunnen leiden. Van mij mag iedere vrouw het hoofddeksel dragen waar zij zich goed bij voelt. Als een hoofddoek haar sterkt in haar identiteit, prima. Maar ga andere mensen niet lopen voorschrijven wat zij wel of niet moeten dragen. Denk je echt dat de liefde van God voor jou afhankelijk is van wat je op je hoofd draagt? Wat een bekrompen God zou dat zijn.
Ik bezoek het museum voor islamitische kunst. Alleen het gebouw is al een bezoek waard. Frank Llyod Wright meets Isfahan, zoiets. Het museum heeft een indrukwekkende collectie. Hoogtepunten zijn de maquettes van beroemde en minder beroemde moskeeen overal ter wereld (wauw, ik wil naar Oezbekistan!), een compleet Ottomaans interieur, een kopie van een tapijt uit Mekka met koranteksten, oude handschriften en fascinerende Chinese islamitische kaligrafieen. Een absolute aanrader.
Tot slot bezoek ik de nationale moskee. Het is een indrukwekkend modern gebouw, een architectonisch meesterwerk. Het is ruim, licht, en straalt rust uit. Veel horizontale lijnen, met een enkele hoge minaret. Het grote dak is stervormig. Het fraaie gebouw wordt helaas ontsierd door een groot spandoek dat oproept tot een boycot van Israelische producten, en het nodig vindt die boodschap kracht bij te zetten middels de foto van een Palestijns kinderlijkje. De centrale hal biedt plaats aan 15.000 mensen, maar niet aan niet-moslims. Zitten op het tapij is er niet bij, wij mogen slechts een blik naar binnen werpen.
Een oudere man vraagt me waar ik vandaan kom. Hij reageert blij als ik het hem vertel. Dertig jaar geleden verbleef hij eens een paar maanden in Kampen. Hij was uitgenodigd door een Nederlandse dominee. Hij mocht mee naar de kerk, hij mocht vooraan zitten. Iedereen was heel vriendelijk, niemand probeerde hem te bekeren. Hij vertelt over het islamitische gebed. Dat blijkt heel goed te zijn voor de gezondheid, want het heft energieblokkades op en maakt Qi vrij. Daarom heeft God ons opgedragen zo te bidden, omdat Hij het beste met ons voorheeft en wil dat wij gezond zijn. Het is een soort yoga, zegt de man glimlachend. Goh, zo heb ik het nou nog nooit bekeken.
We praten verder. Hij vertelt over de vele overeenkomsten tussen christendom, jodendom en islam. Hij toont mij een stamboom met alle profeten, van Adam via Abraham en Jakob en Jozef en Mozes en Jezus naar Mohammed, vrede zij met hem. Ik beaam. De nadruk op verschillen is politiek, de nadruk op overeenkomsten getuigt van waar religieus bewustzijn. Dat klinkt mooi, maar als puntje bij paaltje komt zegt ook deze vriendelijke man dat God het gebed van een niet-moslim niet erkent.
Maar in zijn glimlach lees ik een uitnodiging. Een uitnodiging om zelf op onderzoek uit te gaan. 'Studeer,' zegt hij me. 'Leer verder over verschillende religies. Vergelijk. En je zult gelukkig worden.' 'Inshallah', voeg ik daar maar aan toe.
Misschien is het de behoefte om mijn hart te luchten. Misschien is het de uitnodiging in zijn vriendelijke lach. Hoe dan ook, ik flap het er uiteindelijk toch uit:
'Ik ben momenteel extra geinteresseerd in de islam, want mijn vriendin is moslima.'
De man glimlacht. 'Al-hamdu lillah,' zegt hij. God zij geprezen.
'Misschien kun jij haar verder vertellen over de islam. Misschien is het geen toeval dat jullie elkaar zijn tegengekomen. Misschien heeft God jullie geleid. Al-hamdu lillah.'
Waar komt die brok in mijn keel toch vandaan?
Ik zou wel willen bidden, maar durf niet te vragen of ik naar binnen mag.
Ik krijg een stapel folders mee (toegegeven: even infantiel van toon als de gemiddelde evangelische folder), de namen van interessante auteurs, en het visitekaartje van de meneer. We geven elkaar de hand, en wensen elkaar vrede. Als ik wegloop, kleurt de lucht boven de skyline donkerblauw. Ik voel me veilig.
Ik denk dat ik vandaag een knipoog heb gekregen.
* Ik gebruik de persoonlijke voornaamwoorden 'Hij' en 'Hem' waar het God betreft met de nodige tegenzin. God is natuurlijk Hem noch Haar, God is genderoverstijgend. Maar onze taal is dat niet, en voor God worden in onze taal nu eenmaal mannelijke persoonlijke voornaamwoorden gebruikt. Ik houd mij nu maar aan de conventie, dat is wel zo makkelijk - maar met de kanttekening dat God zowel het mannelijke als het vrouwelijke omvat, en beide overstijgt.
Ik zou mezelf nu omschrijven als een niet-religieus gebonden religieus persoon. Wie dat ziet als een contradictio in terminis, heeft een bekrompen geest. Wie dat veroordeelt als zijnde 'ietsisme' of 'religieus shoppen' begrijpt er evenmin iets van. Ik geloof niet in 'iets', ik geloof in God, vreemd en onmachtig maar leven- en troostschenkend, de beloften van heelwording. Dat is niet vrijblijvend, dat is een serieuze zaak. En ik heb een afkeer van alles wat riekt naar consumentisme, dus 'religieus shoppen' is niets voor mij. Dat klinkt me bovendien te oppervlakkig.
Met religieus flirten heb ik daarentegen geen enkele moeite. Glimpjes van God kunnen gezien worden in een mihrab, aan een kruis, in een beeld, in een boom, op een berg en in het gezicht van de Ander. Wie zijn ogen sluit voor de glimpjes die niet in zijn smalle straatje passen mist veel moois. Immers, God is christen noch moslim noch boeddhist, zoals Desmond Tutu ons leerde. God is een glimpje hier, een glimpje daar, een knipoog, een luisterend oor, een belofte. God is in geen enkel verhaal, hoe mooi ook, volledig te vatten. Wantrouw derhalve eenieder die het monopolie op God claimt. Mensen hebben de vervelende neiging alles te willen bezitten, zelfs Hem die ze het minst begrijpen, zelfs de Waarheid die ze vrezen. Wantrouw hen, die om het hardst roepen dat zij de Waarheid kennen - zij zijn het bangst. Vertrouw daarentegen hen, die weten dat zij de Waarheid niet kunnen kennen - zij zijn ook bang, maar accepteren hun angst. En vertrouw de enkeling die de Waarheid een beetje kent, en die geen woorden nodig heeft om je dat te vertellen. Want wie Waarheid in woorden probeert te vangen, is al begonnen haar te doden.
Het feit dat ik op zoek was naar God zal ongetwijfeld invloed hebben gehad op mijn beslissing om godsdienstwetenschap te gaan studeren. Sommige zoekers zweven vrolijk rond, maar daar had ik geen zin in. Ik hou niet zo van zweven. Ik heb liever een stevig paar bergschoenen om mijn voeten dan een parachute op mijn rug. Waar anderen ervan dromen een vogel te zijn, ben ik liever een kameel, olifant of muilezel. Met andere woorden: niet elke zoektocht naar God is kritiekloos en vrijblijvend. Het lezen van wetenschappelijke boeken en artikelen en het bezoeken van religieuze plaatsen leert mij meer over God dan, pak hem beet, edelstenen knuffelen in Oibibio.
Nu heeft het bestuderen van religie natuurlijk wel enige invloed op de wijze waarop je God ziet. Maar godzijdank kun je religie bestuderen zonder stelling te hoeven nemen aangaande God. Religie vertelt verhalen over God, maar de godsdienstwetenschapper vertelt louter verhalen over verhalen over God. Religie is een menselijke constructie, een politieke categorie. Wanneer ik religie bestudeer ben ik kritisch, kijk ik naar o zo menselijke zaken als macht en identiteit, ben ik methodisch welhaast atheistisch. En dat blijkt gek genoeg uitstekend verenigbaar met mijn eigen religieuze geloof. Religie claimt God, maar God overstijgt religie. Religie is menselijk, en al het menselijke moet bestudeerd en bekritiseerd worden. God is de Ander, onkenbaar, niet in woorden te vatten. God staat los van religie.
Maar wij zijn mensen, en we moeten het doen met menselijke constructies, of we dat nu leuk vinden of niet. Met mijn weigering om lid te worden van deze of gene religie, en zodoende een bepaald God-verhaal als het mijne te accepteren, maak ik het mezelf natuurlijk niet makkelijk. Mensen prefereren antwoorden boven vragen, en ik ben daarop geen uitzondering. Mijn postmodernistisch waarheidsbegrip mag prima functioneren in de collegezaal, in het dagelijks leven is er een continue strijd tussen de ik die weet dat hij niet kan weten, en de ik die simpelweg wil weten. Tussen de ik die geestelijk 'vrij' wil zijn, en de ik die zich thuis wil voelen bij een bepaalde religieuze gemeenschap en die in bepaalde verhalen wil geloven, al weet hij donders goed dat het menselijke constructies zijn. Ja, ik wil antwoorden, ik wil mythen om in te geloven, zelfs al verword ik daarmee tot mijn eigen studieobject. En waarom ook niet? Interne consistentie heeft nog nooit een mens gelukkig gemaakt. Er is niets mis mee op een bepaald niveau in een verhaal te geloven, en het op een ander niveau te ontleden.
Ik ben, kortom, op zoek naar God. Ik weet ook wel dat hij die zoekt niet zal vinden, maar de zoektocht is zo boeiend dat me dat niet zoveel kan schelen. Het gaat niet om het vinden, het gaat om het zoeken. En soms, als je gelukt hebt en er even niet op verdacht bent, knipoogt Hij even naar je. Zeker als je onzeker bent en veel vragen hebt, over jezelf en over de liefde en over de weg die je gaan moet, dan is zo'n knipoog een geschenk uit de hemel.
Zo gezegd, zo gedaan. Ik trok mijn wandelschoenen aan, deed mijn rugzak op en ging op pad, op zoek naar God. Ik had een paar vragen die ik Hem wilde stellen, vandaar. En een beetje troost kon ik ook wel gebruiken. Tja, op zoek naar God in Kuala Lumpur, waarom ook niet. Het zou in elk geval een boeiende zoektocht worden.
K.L.! Culturele melting pot, waar de Bollywoodmuziek concurreert met de Chinese boybands, waar nasi en curry en dimsum naast elkaar gegeten worden, waar Guanyin en Kali buurvrouwen zijn, waar in hijab en vleermuisjurk gehulde dames kleding kopen van meisjes in minirok! Etalage van moderne architectuur, waar islamitische, Oost-Aziatische en westerse elementen indrukwekkende fusies zijn aangegaan. Planologisch gedrocht, waar snelwegen dwars door het centrum snijden, waar krakkemikkige koloniale huisjes in de schaduw staan van imposante wolkenkrabbers, waar auto's de dienst uitmaken maar waar voetgangers desalniettemin onverstoord van winkel naar winkel navigeren. Stad van vele gezichten en verhalen en geschiedenissen, van bomvolle warenhuizen, van fundamentalistische islam en wierook uitademende tempels. Wat een stad!
Ik bezoek de belangrijkste hindoetempel van de stad. Het is een drukte van belang. Misschien is het vandaag een speciale dag, misschien is het altijd zo druk, wie zal het zeggen. Een lange rij mensen staat te wachten voor het centrale deel van de tempel, waar priesters een religieuze tekst reciteren. Ze komen nauwelijks uit boven het geluid van de grote bel die continu geluid wordt, van de in wit geklede heren die hun snaarinstrumenten en trommels bespelen, en van de vele mensen die kletsen en keuvelen. Bloemengeuren dansen rond. Overal staan beelden en hangen afbeeldingen van bekende en onbekende goden en godinnen. De dames dragen hun mooiste sari. Oude mannen liggen in de schaduw te dutten. In zijtempeltjes worden godinnen vereerd. Mensen bidden, huilen, offeren vruchten. Het is een lawaai van jewelste.
Ik bezoek een Chinese tempel. Te oordelen naar de oude mannen met lange baarden die vereerd worden is het een taoistische tempel, maar ik weet niet in hoeverre taoisme en boeddhisme gescheiden dan wel met elkaar verweven zijn. Ik weet eigenlijk schandalig weinig van Chinese religie, realiseer ik me. Het is minder druk dan in de hindoetempel, maar dit is dan ook een kleinere tempel. Voor de ingang zit een groep dakloze mannen te dutten. Als er een voorbijganger langskomt houden ze snel hun hand op. De tempel is rood en goud gekleurd, en versierd met grote lampionnen. In een gouden schaal staan tientallen dikke wierookstaven te roken. Meterslange tabellen tonen voorbijgangers of ze een pech- dan wel geluksjaar te wachten staat, en wat ze kunnen doen om eventueel onheil af te wenden. Een vrouw voorspelt een andere vrouw haar toekomst. De voorbereidingen voor het Chinese nieuwe jaar zijn in volle gang. Jongedames prepareren offergaven. Een oudere man leert een vrouw hoe zij een bepaald ritueel uitvoert. Een kast staat vol beelden van oude mannen met lange baarden. De sinaasappels op het altaar glimmen.
Ik kom toevallig (?) een galerie tegen met kunst- en religieuze voorwerpen. De meeste komen uit Borneo. Er is een indrukwekkende collectie maskers: maskers van boze boemannen, van gevaarlijke geesten, van wijze voorouders en van dwaze witte mannen. De betekenis van het meeste ontgaat me, maar ik zie wel dat een aantal van deze stukken niet zou misstaan in de collecties van het Tropenmuseum of het Musee du Quai Branly. Er is een prachtig versierde schedel van een Orang Oetan, een indrukwekkend godenmasker, en fraai versierde houten beelden, dolken en ivoren voorwerpen. Het gonst van de stemmen, maar ik kan ze niet verstaan. Ik vraag me af of de galeriehouder ze ook hoort. De maskers staren me aan, sommige vriendelijk, andere boos. God is mij vreemd, maar deze geesten zijn mij nog veel vreemder.
Ingeklemd tussen wolkenkrabbers, de lightrail en drukke wegen ligt een honderd jaar oude moskee te zonnen. Hij is versierd met Indiase koepeltjes en snoepige torentjes. De toegang wordt mij geweigerd, want het is tijd voor het gebed. Of kom ik om te bidden? Ik twijfel. Ik kom om God te zoeken, denk ik, maar dat bedoelt de jongeman natuurlijk niet. Nee, ik heb nooit geleerd hoe ik moet bidden. Ik loop verder. Jammer.
Aan het centrale plein ligt een kerk. Anglicaans, want Maleisie was lange tijd een Britse kolonie. Ik ga naar binnen. De houten banken en hoge ramen komen me bekend voor. Ik zit en probeer te bidden. Het is stil, heel stil. Evangelische foldertjes dragen me op te geloven in een God die in drieen opgesplitst was en mens werd en stierf en weer leefde. Dat alles omwille van zondige ik. Het is een mooi verhaal, maar behoorlijk vergezocht. Ik vraag me af waarom overhaalfoldertjes altijd in infantiele taal geschreven zijn. Evangelicalen, Jehova's getuigen, moslims, Soka Gakkais, het maakt niet uit: alle foldertjes die ze schrijven om je te bekeren lijken geschreven voor kleuters. Is het omdat geloofsdogma's nou eenmaal niet op intelligente wijze te communiceren zijn? Dat lijkt me sterk. Of is het omdat religieuze groepen hun pijlen richten op laag opgeleiden, en helemaal niet geinteresseerd zijn in bekeerlingen met hersens...? Wellicht. Ik verlaat de kerk, onverrichterzake.
Ik ga terug naar de moskee. Het gebed is voorbij. Ik mag om het begouw heenlopen, maar niet naar binnen. Maar ik wil graag bidden, zeg ik. Mag ik niet gewoon zitten? Ik maak geen foto. Wat een gezeik, in Turkije en Syrie ben je in de meeste moskeeen gewoon welkom. De jongeman zegt iets over het midden, wat ik maar opvat als een uitnodiging om bij de middelste ingang naar binnen te gaan. De moskee is uitermate fraai, met zuilen en koepeltjes en grote overdekte marmer binnenplaatsen. Tientallen mannen liggen in de schaduw te dutten. Ik doe mijn schoenen uit en ga naar binnen. Van binnen is de moskee eenvoudig. Het tapijt is grasgroen, de mihrab wijst naar het westen. Ik zou het gebed bij willen wonen. Ik zou wel mee willen doen.
Als ik weer vertrek vertelt de jongeman me over de islam. Vrouwen moeten zich altijd bedekken, zegt hij. Dat schijnt hier nogal een issue te zijn. Persoonlijk heb ik nooit begrepen waarom het dragen van de hijab een voorwaarde is voor goed moslimschap. De meeste argumentatie is seksistisch: alsof mannen geen vrouwenharen kunnen zien zonder aan seks te denken, en alsof vrouwen die in het openbaar treden geen goed religieus leven zouden kunnen leiden. Van mij mag iedere vrouw het hoofddeksel dragen waar zij zich goed bij voelt. Als een hoofddoek haar sterkt in haar identiteit, prima. Maar ga andere mensen niet lopen voorschrijven wat zij wel of niet moeten dragen. Denk je echt dat de liefde van God voor jou afhankelijk is van wat je op je hoofd draagt? Wat een bekrompen God zou dat zijn.
Ik bezoek het museum voor islamitische kunst. Alleen het gebouw is al een bezoek waard. Frank Llyod Wright meets Isfahan, zoiets. Het museum heeft een indrukwekkende collectie. Hoogtepunten zijn de maquettes van beroemde en minder beroemde moskeeen overal ter wereld (wauw, ik wil naar Oezbekistan!), een compleet Ottomaans interieur, een kopie van een tapijt uit Mekka met koranteksten, oude handschriften en fascinerende Chinese islamitische kaligrafieen. Een absolute aanrader.
Tot slot bezoek ik de nationale moskee. Het is een indrukwekkend modern gebouw, een architectonisch meesterwerk. Het is ruim, licht, en straalt rust uit. Veel horizontale lijnen, met een enkele hoge minaret. Het grote dak is stervormig. Het fraaie gebouw wordt helaas ontsierd door een groot spandoek dat oproept tot een boycot van Israelische producten, en het nodig vindt die boodschap kracht bij te zetten middels de foto van een Palestijns kinderlijkje. De centrale hal biedt plaats aan 15.000 mensen, maar niet aan niet-moslims. Zitten op het tapij is er niet bij, wij mogen slechts een blik naar binnen werpen.
Een oudere man vraagt me waar ik vandaan kom. Hij reageert blij als ik het hem vertel. Dertig jaar geleden verbleef hij eens een paar maanden in Kampen. Hij was uitgenodigd door een Nederlandse dominee. Hij mocht mee naar de kerk, hij mocht vooraan zitten. Iedereen was heel vriendelijk, niemand probeerde hem te bekeren. Hij vertelt over het islamitische gebed. Dat blijkt heel goed te zijn voor de gezondheid, want het heft energieblokkades op en maakt Qi vrij. Daarom heeft God ons opgedragen zo te bidden, omdat Hij het beste met ons voorheeft en wil dat wij gezond zijn. Het is een soort yoga, zegt de man glimlachend. Goh, zo heb ik het nou nog nooit bekeken.
We praten verder. Hij vertelt over de vele overeenkomsten tussen christendom, jodendom en islam. Hij toont mij een stamboom met alle profeten, van Adam via Abraham en Jakob en Jozef en Mozes en Jezus naar Mohammed, vrede zij met hem. Ik beaam. De nadruk op verschillen is politiek, de nadruk op overeenkomsten getuigt van waar religieus bewustzijn. Dat klinkt mooi, maar als puntje bij paaltje komt zegt ook deze vriendelijke man dat God het gebed van een niet-moslim niet erkent.
Maar in zijn glimlach lees ik een uitnodiging. Een uitnodiging om zelf op onderzoek uit te gaan. 'Studeer,' zegt hij me. 'Leer verder over verschillende religies. Vergelijk. En je zult gelukkig worden.' 'Inshallah', voeg ik daar maar aan toe.
Misschien is het de behoefte om mijn hart te luchten. Misschien is het de uitnodiging in zijn vriendelijke lach. Hoe dan ook, ik flap het er uiteindelijk toch uit:
'Ik ben momenteel extra geinteresseerd in de islam, want mijn vriendin is moslima.'
De man glimlacht. 'Al-hamdu lillah,' zegt hij. God zij geprezen.
'Misschien kun jij haar verder vertellen over de islam. Misschien is het geen toeval dat jullie elkaar zijn tegengekomen. Misschien heeft God jullie geleid. Al-hamdu lillah.'
Waar komt die brok in mijn keel toch vandaan?
Ik zou wel willen bidden, maar durf niet te vragen of ik naar binnen mag.
Ik krijg een stapel folders mee (toegegeven: even infantiel van toon als de gemiddelde evangelische folder), de namen van interessante auteurs, en het visitekaartje van de meneer. We geven elkaar de hand, en wensen elkaar vrede. Als ik wegloop, kleurt de lucht boven de skyline donkerblauw. Ik voel me veilig.
Ik denk dat ik vandaag een knipoog heb gekregen.
* Ik gebruik de persoonlijke voornaamwoorden 'Hij' en 'Hem' waar het God betreft met de nodige tegenzin. God is natuurlijk Hem noch Haar, God is genderoverstijgend. Maar onze taal is dat niet, en voor God worden in onze taal nu eenmaal mannelijke persoonlijke voornaamwoorden gebruikt. Ik houd mij nu maar aan de conventie, dat is wel zo makkelijk - maar met de kanttekening dat God zowel het mannelijke als het vrouwelijke omvat, en beide overstijgt.
Labels:
Asia,
Christianity,
Hinduism,
islam,
religion,
travel stories
Monday, 21 April 2008
Rondom Regent's Park
Het was een volle week. Het volgen van mooie impulsen (in mijn geval: het last minute schrijven van een onderzoeksvoorstel en het solliciteren naar een AiO-plaats - zie mijn vorige verhaal) kan als vervelend gevolg hebben dat een netjes geplande planning de prullenbak in kan, waarop een bittere strijd volgt met een genadeloze deadline. Ik had vier dagen de tijd om een zwaarwegend essay van tienduizend woorden te schrijven, en dat bleek geen geringe opgave. Aan de andere kant komen uit dreigende deadlines paradoxaal genoeg soms de beste resultaten voort. Laten we hopen dat dat ook nu het geval blijkt - ik heb in ieder geval met veel plezier vier dagen zitten schrijven, mezelf verrast met nieuwe verbanden en interpretaties, en daar een mooi verhaal aan over gehouden waar ik zelf veel van geleerd heb. En daar gaat het per slot van rekening om: ik ben geen master gaan doen om me weer druk te gaan lopen maken over cijfertjes, maar wel om verder te gaan op de ontdekkingstocht die studeren heet. Dit essay was een mooie nieuwe etappe.
Toen kwam de donderdag. Het was een hele spannende donderdag, want ik mocht een lezing geven voor het research seminar van het Centre for the Study of Japanese Religions. Het onderwerp van mijn lezing was de Japanse pinkstergemeente waar ik een paar jaar geleden onderzoek heb gedaan (hetgeen de basis vormde voor de bachelorscriptie die ik vorig jaar heb geschreven), en dan met name de vraag hoe een kleine minderheidsreligie met een sterk afwijzende houding jegens de buitenwereld haar identiteit vormgeeft. Helaas waren er minder mensen dan anders, wat mij licht teleurstelde. Maar de lezing ging prima, tot mijn grote opluchting: ik kwam goed uit mijn woorden, hield me precies aan de tijd (een klein uur), en kreeg boeiende vragen. Voor ik er erg in had was het achter de rug en zat ik onder het genot van een beugelflesje Grolsch na te praten. Wat leuk, een lezing geven!
Het was een volle week, met een paar verrassingen en nieuwe ontmoetingen en een wandeling in een zonovergoten St. James Park en met vrienden Indiaas en Thais eten en een presentatie over de Kleine Zeemeermin voorbereiden (ideologie zit ook overal) en een nieuwe pubquiz (weer tweede) en een spontaan bezoekje aan Southwark Cathedral en lezen in de lentezon. De plannen voor de zomer werden helaas omgegooid - die reis naar Sri Lanka gaat er waarschijnlijk niet komen, want iedereen trok zich plotseling terug. Maar de plannen waren nog niet geannuleerd of er kwamen weer nieuwe mooie uitnodigingen. Ik vroeg me ook af of ik toch niet liever gewoon tot september in Londen wilde blijven. Als binnen een tijdsbestek van twee dagen drie schone jongedames je vertellen dat je echt moet blijven, dan ga je natuurlijk wel twijfelen... Maar ze hebben gelijk: hoe vaak in je leven heb je nu de kans in Londen te wonen, en hier de zomer door te brengen? Wordt vervolgd dus.
Lange tijd was Londen voornamelijk grijs. Maar de laatste weken heeft ze plotseling haar schoonheid onthuld. Kale kapstokken zijn plotseling veranderd in trotse bomen met uitbundige bloesempracht. Pleintjes zijn weelderige tuinen geworden; parken zijn met ongekende kracht tot leven gekomen. Veel van wat grijs was gaat nu schuil achter volle kleuren groen. De lente verspreidt haar tienduizend geuren, geuren die zo vol herinneringen zitten, herinneringen aan voetballen en verliefdheden en Japan en Amsterdam. De stad is uit haar cocon gekropen. De stad heeft mij voor zich gewonnen.
Ik loop. Ik moet eigenlijk mijn essays schrijven en mijn presentaties voorbereiden, maar soms gebeurt er iets waardoor je het even nodig hebt om te lopen.
De wandeling begint bij het beroemdste zebrapad van de stad. Ooit liep een viertal heren over dit zebrapad. Het zou het beroemdste viertal uit de muziekgeschiedenis worden. En omdat de foto waarop te zien was hoe zij dit zebrapad overstaken de hoes van een van hun beroemdste albums zou sieren, is het zebrapad onsterfelijk geworden. Een groepje toeristen maakt foto's van zichzelf op het zebrapad. Ik heb geen fototoestel bij me, dus ik steek maar gewoon over.
St. John's Wood is een nette buurt, met sjieke appartementen en brede straten met groene bomen en scholen en ziekenhuizen in statige negentiende eeuwse gebouwen. De St. John's Wood Kerk is zo'n trots neoclassicistisch bouwwerk. Ik bezoek de dienst. Protestants, noemt men dit, maar ik was nog nooit in zo'n high church dienst. Met zijn Latijnse gezangen en zijn grote hoeveelheid collectieve recitaties doet de dienst niet onder voor de gemiddelde katholieke mis. De preek is helaas ook weinig inspirerend. Na afloop van de dienst bezoek ik Londens voornaamste moskee, een steenworp verderop. De betonnen minaret en goudkleurige koepel zijn van verre zichtbaar. Van binnen is de moskee ruim en licht. Ik hou van religieuze plaatsen waar je gewoon op de grond mag zitten - het geeft me altijd het gevoel iets dichter bij God te zijn. Bovendien zijn de blauwe tapijten lekker zacht. Als ik wegloop drukt de bebaarde parkeerplaatsportier me een stapeltje folders in de hand. 'Wat de Bijbel zegt over Mohammed'. Goh, en ik maar denken dat Mohammed leefde toen de Bijbel al een paar eeuwen af was...
Regent's Park is prachtig. Regent's Park is vol met joggers en kinderen in gele bootjes en tulpen in alle kleuren van de regenboog en zwoele kersenbloesem en jonge ouders met kinderwagens en nog meer joggers en praktiserende tai chi'ers en Canadese ganzen en eenden met knalrode koppen en flamingo's en blauwe reigers en duiven en meerkoeten en verdienstelijke amateurvogelfotografen en nog meer joggers en Amerikaanse families en trainende bokseressen en weelderige treurwilgen en voetballers en rugbyers en nog meer joggers en lentegeuren en gedachten die heel mooi maar tegelijkertijd ook een beetje beangstigend zijn en mijn voetstappen.
Ik beklim Primrose Hill, en geniet van het fraaie uitzicht over de stad. In de verte zie ik de karakteristieke vormen van de Big Ben en de London Eye. Waarom was ik hier niet eerder? Ik loop verder, de gelijknamige wijk in, die een van de mooiste wijken van de stad blijkt te zijn. Fraaie bakstenen huizen met witte kozijnen flankeren de straten. Ik passeer een biologische supermarkt en delicatessenwinkels en een boekwinkeltje en stijlvolle cafés en een visrestaurant. Onder het genot van een kop koffie verkeerd lees ik een boek van de Japanse filosoof Nishida Kitaro. Hij schrijft over 'pure ervaring' - de ervaring die vooraf gaat aan de betekenis die eraan gegeven wordt. Ik ga deze notie interpreteren aan de hand van de ethiek van Levinas - de 'pure', oorspronkelijke ervaring als primair een ervaring van de Ander. Volgens Levinas gaat deze ervaring (de ervaring van verantwoordelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid en te kort schieten) vooraf aan alle andere ervaringen, en dus ook aan de betekenissen die daarop volgen. Betekenissen zijn, kortom, secundair. Anders gezegd: soms kan de behoefte iets te duiden je vervreemden van de oorspronkelijke ervaring. Dat geldt ook voor de ervaring van de Ander.
En zo vallen puzzelstukjes een beetje op hun plaats, en zo begrijp ik dat het waardevol kan zijn om sommige ervaringen niet direct te willen duiden, maar ze gewoon te laten zijn. Niet alles hoeft meteen een naam te hebben.
Ik loop langs het kanaal. Een meneer speelt accordeon. De woonboten zijn geschilderd in primaire kleuren en versierd met bloemmotieven. Een groot piratenkasteel heeft een hoge vlaggenmast met een wapperende doodshoofdvlag. Ik bereik Camden Lock, dat prachtige oude haventje bij de sluis waar nu de populairste markt van de stad is. Het is zondagmiddag, dus het is waanzinnig druk. Punkers met enorme knalrode hanenkammen en gezichten vol metaal lopen trots rond tussen de toeristen. Enkele maanden geleden was hier een grote brand, maar daar is niets meer van te merken. Kraampjes verkopen hippiekleren en grappige t-shirts en Palestijnensjaals en piercings en asbakken en waterpijpen en plateauzolen en frutsels. Andere kraampjes verkopen fajita's en takoyaki en Venezolaanse maïsbroodjes en falafel en paëlla en kebab met vers brood en fish and chips en felgekleurde Caribische gerechten en soba en loempia's en tajine en waterpijpen en donuts en pasta en biologische sandwiches. Ik laat me uiteindelijk verleiden door de verrukkelijke geuren van de West-Afrikaanse stoofpotjes, en ik krijg er geen spijt van. Na afloop van de maaltijd drink ik een potje muntthee in een typisch Marokkaans tentje met tapijten en kussens en houten tafeltjes en prachtige lampen. Ik lees verder. Ik moet nog veel lezen.
Het was een mooie zondag. De nieuwe week is begonnen.
Toen kwam de donderdag. Het was een hele spannende donderdag, want ik mocht een lezing geven voor het research seminar van het Centre for the Study of Japanese Religions. Het onderwerp van mijn lezing was de Japanse pinkstergemeente waar ik een paar jaar geleden onderzoek heb gedaan (hetgeen de basis vormde voor de bachelorscriptie die ik vorig jaar heb geschreven), en dan met name de vraag hoe een kleine minderheidsreligie met een sterk afwijzende houding jegens de buitenwereld haar identiteit vormgeeft. Helaas waren er minder mensen dan anders, wat mij licht teleurstelde. Maar de lezing ging prima, tot mijn grote opluchting: ik kwam goed uit mijn woorden, hield me precies aan de tijd (een klein uur), en kreeg boeiende vragen. Voor ik er erg in had was het achter de rug en zat ik onder het genot van een beugelflesje Grolsch na te praten. Wat leuk, een lezing geven!
Het was een volle week, met een paar verrassingen en nieuwe ontmoetingen en een wandeling in een zonovergoten St. James Park en met vrienden Indiaas en Thais eten en een presentatie over de Kleine Zeemeermin voorbereiden (ideologie zit ook overal) en een nieuwe pubquiz (weer tweede) en een spontaan bezoekje aan Southwark Cathedral en lezen in de lentezon. De plannen voor de zomer werden helaas omgegooid - die reis naar Sri Lanka gaat er waarschijnlijk niet komen, want iedereen trok zich plotseling terug. Maar de plannen waren nog niet geannuleerd of er kwamen weer nieuwe mooie uitnodigingen. Ik vroeg me ook af of ik toch niet liever gewoon tot september in Londen wilde blijven. Als binnen een tijdsbestek van twee dagen drie schone jongedames je vertellen dat je echt moet blijven, dan ga je natuurlijk wel twijfelen... Maar ze hebben gelijk: hoe vaak in je leven heb je nu de kans in Londen te wonen, en hier de zomer door te brengen? Wordt vervolgd dus.
Lange tijd was Londen voornamelijk grijs. Maar de laatste weken heeft ze plotseling haar schoonheid onthuld. Kale kapstokken zijn plotseling veranderd in trotse bomen met uitbundige bloesempracht. Pleintjes zijn weelderige tuinen geworden; parken zijn met ongekende kracht tot leven gekomen. Veel van wat grijs was gaat nu schuil achter volle kleuren groen. De lente verspreidt haar tienduizend geuren, geuren die zo vol herinneringen zitten, herinneringen aan voetballen en verliefdheden en Japan en Amsterdam. De stad is uit haar cocon gekropen. De stad heeft mij voor zich gewonnen.
Ik loop. Ik moet eigenlijk mijn essays schrijven en mijn presentaties voorbereiden, maar soms gebeurt er iets waardoor je het even nodig hebt om te lopen.
De wandeling begint bij het beroemdste zebrapad van de stad. Ooit liep een viertal heren over dit zebrapad. Het zou het beroemdste viertal uit de muziekgeschiedenis worden. En omdat de foto waarop te zien was hoe zij dit zebrapad overstaken de hoes van een van hun beroemdste albums zou sieren, is het zebrapad onsterfelijk geworden. Een groepje toeristen maakt foto's van zichzelf op het zebrapad. Ik heb geen fototoestel bij me, dus ik steek maar gewoon over.
St. John's Wood is een nette buurt, met sjieke appartementen en brede straten met groene bomen en scholen en ziekenhuizen in statige negentiende eeuwse gebouwen. De St. John's Wood Kerk is zo'n trots neoclassicistisch bouwwerk. Ik bezoek de dienst. Protestants, noemt men dit, maar ik was nog nooit in zo'n high church dienst. Met zijn Latijnse gezangen en zijn grote hoeveelheid collectieve recitaties doet de dienst niet onder voor de gemiddelde katholieke mis. De preek is helaas ook weinig inspirerend. Na afloop van de dienst bezoek ik Londens voornaamste moskee, een steenworp verderop. De betonnen minaret en goudkleurige koepel zijn van verre zichtbaar. Van binnen is de moskee ruim en licht. Ik hou van religieuze plaatsen waar je gewoon op de grond mag zitten - het geeft me altijd het gevoel iets dichter bij God te zijn. Bovendien zijn de blauwe tapijten lekker zacht. Als ik wegloop drukt de bebaarde parkeerplaatsportier me een stapeltje folders in de hand. 'Wat de Bijbel zegt over Mohammed'. Goh, en ik maar denken dat Mohammed leefde toen de Bijbel al een paar eeuwen af was...
Regent's Park is prachtig. Regent's Park is vol met joggers en kinderen in gele bootjes en tulpen in alle kleuren van de regenboog en zwoele kersenbloesem en jonge ouders met kinderwagens en nog meer joggers en praktiserende tai chi'ers en Canadese ganzen en eenden met knalrode koppen en flamingo's en blauwe reigers en duiven en meerkoeten en verdienstelijke amateurvogelfotografen en nog meer joggers en Amerikaanse families en trainende bokseressen en weelderige treurwilgen en voetballers en rugbyers en nog meer joggers en lentegeuren en gedachten die heel mooi maar tegelijkertijd ook een beetje beangstigend zijn en mijn voetstappen.
Ik beklim Primrose Hill, en geniet van het fraaie uitzicht over de stad. In de verte zie ik de karakteristieke vormen van de Big Ben en de London Eye. Waarom was ik hier niet eerder? Ik loop verder, de gelijknamige wijk in, die een van de mooiste wijken van de stad blijkt te zijn. Fraaie bakstenen huizen met witte kozijnen flankeren de straten. Ik passeer een biologische supermarkt en delicatessenwinkels en een boekwinkeltje en stijlvolle cafés en een visrestaurant. Onder het genot van een kop koffie verkeerd lees ik een boek van de Japanse filosoof Nishida Kitaro. Hij schrijft over 'pure ervaring' - de ervaring die vooraf gaat aan de betekenis die eraan gegeven wordt. Ik ga deze notie interpreteren aan de hand van de ethiek van Levinas - de 'pure', oorspronkelijke ervaring als primair een ervaring van de Ander. Volgens Levinas gaat deze ervaring (de ervaring van verantwoordelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid en te kort schieten) vooraf aan alle andere ervaringen, en dus ook aan de betekenissen die daarop volgen. Betekenissen zijn, kortom, secundair. Anders gezegd: soms kan de behoefte iets te duiden je vervreemden van de oorspronkelijke ervaring. Dat geldt ook voor de ervaring van de Ander.
En zo vallen puzzelstukjes een beetje op hun plaats, en zo begrijp ik dat het waardevol kan zijn om sommige ervaringen niet direct te willen duiden, maar ze gewoon te laten zijn. Niet alles hoeft meteen een naam te hebben.
Ik loop langs het kanaal. Een meneer speelt accordeon. De woonboten zijn geschilderd in primaire kleuren en versierd met bloemmotieven. Een groot piratenkasteel heeft een hoge vlaggenmast met een wapperende doodshoofdvlag. Ik bereik Camden Lock, dat prachtige oude haventje bij de sluis waar nu de populairste markt van de stad is. Het is zondagmiddag, dus het is waanzinnig druk. Punkers met enorme knalrode hanenkammen en gezichten vol metaal lopen trots rond tussen de toeristen. Enkele maanden geleden was hier een grote brand, maar daar is niets meer van te merken. Kraampjes verkopen hippiekleren en grappige t-shirts en Palestijnensjaals en piercings en asbakken en waterpijpen en plateauzolen en frutsels. Andere kraampjes verkopen fajita's en takoyaki en Venezolaanse maïsbroodjes en falafel en paëlla en kebab met vers brood en fish and chips en felgekleurde Caribische gerechten en soba en loempia's en tajine en waterpijpen en donuts en pasta en biologische sandwiches. Ik laat me uiteindelijk verleiden door de verrukkelijke geuren van de West-Afrikaanse stoofpotjes, en ik krijg er geen spijt van. Na afloop van de maaltijd drink ik een potje muntthee in een typisch Marokkaans tentje met tapijten en kussens en houten tafeltjes en prachtige lampen. Ik lees verder. Ik moet nog veel lezen.
Het was een mooie zondag. De nieuwe week is begonnen.
Labels:
Christianity,
islam,
London,
study abroad,
travel stories
Monday, 6 August 2007
Een stadswandeling
Aleppo is sneller, drukker en bedrijviger dan Damascus. In een traag tempo dromerig ronddrentelen is hier niet mogelijk, omdat men dan binnen de kortste keren omver gelopen wordt. In de nauwe steegjes van de souq is het een komen en gaan van jongetjes met karren en op fietsen, bestelbusjes die allemaal de lambada piepen wanneer ze achteruitrijden (wat ze nogal eens doen), winkelende dames van wie de gezichten schuilgaan achter stukken zwarte stof (hetgeen hen niet belet zonodig hun ellebogen te gebruiken), Irakezen die een centje bijverdienen door zware zakken van hier naar daar te tillen, verdwaasd rondkijkende toeristen die zich misschien wel een tapijt willen laten aansmeren, en een enkele verdwaalde muilezel. Buiten de souq toeteren de taxi's luider dan hun collega's in Damascus, lopen goedgeklede regeljongens je van je voeten zodra je een seconde stilstaat om een foto te maken van een fraaie gevel, en is voor het oversteken van een willekeurige weg een lichte mate van suicidaliteit vereist. Er wordt gehandeld, gewinkeld, geklust, getransporteerd, gehaast en gewerkt. Aleppo heeft haast.
Aleppo is sneller en minder vriendelijk dan Damascus, maar zit minstens even vol met prachtige plekjes, gebouwen en straatjes. De schoonheid zit hier niet in het grootse, maar in de details. Verborgen poortjes en tunneltjes en fraai gegraveerde gevels en prachtig versierde houten deuren en hekwerken van gietijzeren krullen en uitstekende, licht vervallen houten balkons en sprookjesachtige lantaarns en schitterende verstopte binnenplaatsjes en oude khans waar nu goedkope Chinese schoenen verkocht worden - een wandeling door Aleppo is een architectonische ontdekkingstocht. Soms wou ik dat ik gewoon architectuurgeschiedenis was gaan studeren, met als specialisatie het Midden-Oosten.
In een winkeltje dat sjaals en kleden verkoopt hangt een papier waarop staat: 'Beter dan de Bijenkorf, maar goedkoper dan de Hema. Echt waar!' Ik loop desalniettemin door, daar ik reeds het slachtoffer ben geworden van de meedogenloze verkooptechnieken van een Armeense handelaar in Damascus en mij zodoende geen verdere grote uitgaven kan veroorloven. Het slagersdeel van de souq is niet geheel geschikt voor supermarktverslaafde westerlingen met zwakke magen: naast complete koeien- en schapenkarkassen staan emmers vol darmen en liggen de koppen, levers, magen en testikels van de arme beesten uitgestald. Om me heen hoor ik het luide geroffel van meerdere hakmessen die tegelijkertijd hun werk doen. Ik loop door naar het kruidengedeelte, dat kruidiger ruikt dan welke kruidenmarkt ook. Intense vleugen nootmuskaat en komijn en saffraan en allerlei onbekende mysterieuze oosterse kruiden en specerijen vullen mijn neusgaten.
Een jong, vriendelijk echtpaar uit Nagoya heeft zijn werk opgezegd en is nu een jaar lang op reis. Het feit dat geen van beiden Engels spreekt bemoeilijkt hun reis enigszins. Wanneer ik vertel dat ik mij bezig ga houden met de bestudering van Japanse religie kijkt de vrouw me ietwat medelijdend aan, waarop ze me voorzichtig op de hoogte brengt van het feit dat er in Japan eigenlijk geen religie meer is. Ik vraag of haar familie een boeddhistisch altaar in huis heeft, of ze wel eens gaat bidden in een tempel en of ze een o-mamori bij zich draagt - het antwoord op alle vragen is instemmend. Als ik vervolgens zeg dat religieuze elementen dus wel degelijk een rol spelen in de Japanse samenleving, knikt ze overtuigd. Dan geeft ze me een o-mamori voor veilig reizen - ze had er voor de zekerheid eentje extra meegenomen. Haar man geeft me een glimmend, gelukbrengend 5 yen muntje. Voor een behouden terugreis.
Als ik de Grote Moskee wil betreden moet ik entreegeld betalen. Ik dacht dat de islam een universalistische religie was, maar de realiteit is even anders: zodra men mijn blonde kop ziet gaat men er automatisch van uit dat ik geen moslim ben, en moet ik lappen. Ik vraag me af hoe het is om als westerse bekeerling door het Midden-Oosten te reizen, en aan elke wantrouwige kaartjesverkoper te moeten uitleggen dat je toch echt moslim bent - weinig bemoedigend, vermoed ik. Uberhaupt stoort het me dat ik als niet-moslim moet betalen - is mijn gebed hier minder waard dan dat van mijn buurman? Waarin verschilt mijn kwartiertje stilte van dat van hem? Stel het je eens voor, dat voortaan de beroemde Europese kathedralen entreegeld zouden heffen voor niet-katholieken, terwijl de katholieken gratis naar binnen mochten - de beschuldigingen van discriminatie zouden niet van de lucht zijn, en uiteindelijk zou het een of andere Europese Hof de praktijk verwerpen. Maar hier mag men rustig discrimineren.
Een charismatisch prediker houdt een verhaal dat ik helaas niet kan verstaan. Mannen van alle leeftijden zitten met open mond te luisteren, hun handen in lichte extase opgeheven. Als het verhaal voorbij is deelt een meneer aan alle aanwezigen smakelijke chocoladesnoepjes uit. Ik krijg er ook eentje.
De laatste dag in Syrie is aangebroken. Morgen vertrekt mijn trein naar Istanbul.
Aleppo is sneller en minder vriendelijk dan Damascus, maar zit minstens even vol met prachtige plekjes, gebouwen en straatjes. De schoonheid zit hier niet in het grootse, maar in de details. Verborgen poortjes en tunneltjes en fraai gegraveerde gevels en prachtig versierde houten deuren en hekwerken van gietijzeren krullen en uitstekende, licht vervallen houten balkons en sprookjesachtige lantaarns en schitterende verstopte binnenplaatsjes en oude khans waar nu goedkope Chinese schoenen verkocht worden - een wandeling door Aleppo is een architectonische ontdekkingstocht. Soms wou ik dat ik gewoon architectuurgeschiedenis was gaan studeren, met als specialisatie het Midden-Oosten.
In een winkeltje dat sjaals en kleden verkoopt hangt een papier waarop staat: 'Beter dan de Bijenkorf, maar goedkoper dan de Hema. Echt waar!' Ik loop desalniettemin door, daar ik reeds het slachtoffer ben geworden van de meedogenloze verkooptechnieken van een Armeense handelaar in Damascus en mij zodoende geen verdere grote uitgaven kan veroorloven. Het slagersdeel van de souq is niet geheel geschikt voor supermarktverslaafde westerlingen met zwakke magen: naast complete koeien- en schapenkarkassen staan emmers vol darmen en liggen de koppen, levers, magen en testikels van de arme beesten uitgestald. Om me heen hoor ik het luide geroffel van meerdere hakmessen die tegelijkertijd hun werk doen. Ik loop door naar het kruidengedeelte, dat kruidiger ruikt dan welke kruidenmarkt ook. Intense vleugen nootmuskaat en komijn en saffraan en allerlei onbekende mysterieuze oosterse kruiden en specerijen vullen mijn neusgaten.
Een jong, vriendelijk echtpaar uit Nagoya heeft zijn werk opgezegd en is nu een jaar lang op reis. Het feit dat geen van beiden Engels spreekt bemoeilijkt hun reis enigszins. Wanneer ik vertel dat ik mij bezig ga houden met de bestudering van Japanse religie kijkt de vrouw me ietwat medelijdend aan, waarop ze me voorzichtig op de hoogte brengt van het feit dat er in Japan eigenlijk geen religie meer is. Ik vraag of haar familie een boeddhistisch altaar in huis heeft, of ze wel eens gaat bidden in een tempel en of ze een o-mamori bij zich draagt - het antwoord op alle vragen is instemmend. Als ik vervolgens zeg dat religieuze elementen dus wel degelijk een rol spelen in de Japanse samenleving, knikt ze overtuigd. Dan geeft ze me een o-mamori voor veilig reizen - ze had er voor de zekerheid eentje extra meegenomen. Haar man geeft me een glimmend, gelukbrengend 5 yen muntje. Voor een behouden terugreis.
Als ik de Grote Moskee wil betreden moet ik entreegeld betalen. Ik dacht dat de islam een universalistische religie was, maar de realiteit is even anders: zodra men mijn blonde kop ziet gaat men er automatisch van uit dat ik geen moslim ben, en moet ik lappen. Ik vraag me af hoe het is om als westerse bekeerling door het Midden-Oosten te reizen, en aan elke wantrouwige kaartjesverkoper te moeten uitleggen dat je toch echt moslim bent - weinig bemoedigend, vermoed ik. Uberhaupt stoort het me dat ik als niet-moslim moet betalen - is mijn gebed hier minder waard dan dat van mijn buurman? Waarin verschilt mijn kwartiertje stilte van dat van hem? Stel het je eens voor, dat voortaan de beroemde Europese kathedralen entreegeld zouden heffen voor niet-katholieken, terwijl de katholieken gratis naar binnen mochten - de beschuldigingen van discriminatie zouden niet van de lucht zijn, en uiteindelijk zou het een of andere Europese Hof de praktijk verwerpen. Maar hier mag men rustig discrimineren.
Een charismatisch prediker houdt een verhaal dat ik helaas niet kan verstaan. Mannen van alle leeftijden zitten met open mond te luisteren, hun handen in lichte extase opgeheven. Als het verhaal voorbij is deelt een meneer aan alle aanwezigen smakelijke chocoladesnoepjes uit. Ik krijg er ook eentje.
De laatste dag in Syrie is aangebroken. Morgen vertrekt mijn trein naar Istanbul.
Labels:
islam,
Japan,
Middle East,
travel stories
Tuesday, 31 July 2007
Beelden van Damascus
En toen bereikte ik Damascus, droomstad vol historische en architectonische juwelen en verste bestemming van mijn reis. Een lang gekoesterde droom ging in vervulling. Het backpackershotel dat ik nota bene twee maal opgebeld had om zeker te zijn van mijn reservering had een foutje gemaakt, waardoor ik een zweterige nacht op een matras op het dak moest doorbrengen, maar dat mocht de pret niet drukken. Ik ging mijn droomstad ontdekken.
(En nu moet ik mij een beetje indekken: de indrukken die twee dagen Damascus bij mij hebben achtergelaten zijn van zo groten getale en zo intens dat ze als bonte bijen rondzoemen in mijn hoofd en ik ze onmogelijk kan ordenen in een samenhangend verhaal. Vandaar dat u, lieve lezer, het zult moeten doen met enkele losse flarden.)
De gigantische Souq al-Hamidiyya huist onder een zuilvormig gietijzeren gewelf, bedekt met golfplaten. De gaten tussen de platen vormen een schitterende sterrenhemel, waaronder honderden kooplieden hun waren aan de man of vrouw proberen te brengen. Men verkoopt opgezette roofvogels met opengesperde vleugels en honderden bellen blazende bellenblaasapparaten en zelfbewegende herriemakende op hun ellebogen voortkruipende soldatenpoppen en creatieve komkommerschilmesjes en reuzenschildpaddenschilden en foeilelijke semi-sexy nachtkleding die in trek blijkt bij in volledig pikzwart gehulde dames en gedroogde krokodillen en met parelmoer ingelegde backgammonspellen en plastic imitaties daarvan en vreemde kruiden en pikzwart moerbeisap en biscuitjes en dezelfde blauwogige souvenirs die ik zag in Istanbul en Jeruzalem en dode marterachtigen en imitaties daarvan en stoffen in alle kleuren van de regenboog en die lelijke spijkerjurken die behoofddoekte studentenmeisjes hier dragen en parfums in toverdrankflesjes en jengelende babypoppen en knuffelpaashazen en kerststukjes en schapenorganen en gouden kruizen en versgeperst sinaasappelsap en nog heel, heel veel meer.
De mozaieken op de binnenplaats van de Omayyadenmoskee zijn misschien wel de mooiste die ik ooit heb gezien. Gouden paleizen met weelderige tuinen beelden het paradijs uit. De oude tapijten van de moskee liggen slordig her en der opgestapeld. Ze worden vervangen door heerlijk zachte nieuwe rode tapijten, waardoor een deel van de moskee afgesloten is. Naast de grote, uitbundig versierde mihrab in het midden heeft de moskee nog een drietal andere mihrabs; een voor elke rechtsschool. De grootste mihrab is gereserveerd voor de hier dominante Shafi'ieten, door mijn reisgids abusievelijk de 'meest gematigde' rechtsschool genoemd (men kan de rechtsscholen helemaal niet classificeren naar hun mate van gematigdheid). Her en der liggen mannen te slapen of te doezelen; een enkeling doet zijn gebed. De geur van zweetvoeten vult de indrukwekkende ruimte. Een groep Iraanse pelgrimtoeristen zingt met de hand op het hart een rouwlied, terwijl zij loopt naar het smoezelige, tl-verlichte zijkamertje waar het hoofd van Ali begraven zou zijn (het is tamelijk wrang dat de grote moskee van de Omayyaden, de dynastie die de macht naar zich toetrok door het gezag van Ali niet te erkennen en zo de basis legde voor de splitsing van de soennieten en de sjiieten, juist voor sjiieten een belangrijke pelgrimageplaats geworden is). Ik raak in gesprek met een vriendelijke jonge Syrische lerares Frans, die me uitnodigt voor een schaaltje verrukkelijk pistacheijs. Op haar mobieltje heeft ze een foto van het onmetelijk schattige en blauwogige dochtertje van President Junior.
Irak wint tot ieders verbazing het Aziatisch kampioenschap voetbal. En tot ieders vreugde, want niemand gunt de arrogante Saoedi's de zege, zo blijkt al snel. Iraakse vlaggen steken uit toeterende auto's. Ik deel de avondmaaltijd met enkele uitwisselingsstudenten die ik in Palmyra heb leren kennen en een vrolijk aangeschoten groep lachende en rouwliederen zingende Irakezen. De arak vloeit rijkelijk. Een aanstekelijk lachende, sympathieke documentairemaker brengt mij op de hoogte van zijn atheistische ideeen. De nacht gaat verder in een barretje in de christelijke wijk van de oude stad, alwaar wij doldwaas in de rondte dansen. Ik ben dusdanig moe van alle indrukken dat ik mij reeds om half twee verexcuseer, en ontdek dan dat een nachtwandeling door de oude stad van Damascus een van de beste nachtwandelingen is die een mens ooit kan maken. De markt slaapt, dus ik heb alle gelegenheid om te genieten van de scheve huisjes en de over de straat heen hangende verdiepingen met hun Anton Pieck-vensters en de verstopte tunneltjes en poortjes en eeuwenoude minaretjes die de stad rijk is.
Ofschoon het middenin de nacht is, geeft de termometer nog altijd 37 graden aan - vrij aangenaam vergeleken met de moordende hitte van de middag, wanneer het kwik nog een graad of tien verder stijgt.
Ik bezoek het nationale museum en het nabijgelegen gebouwencomplex van de grote Sinan, het kerkje op de plek waar Saul Paulus werd en een Syrisch-katholieke dienst, het graf van Saladin en dat van zijn broer (wiens tombe middenin zijn bibliotheek staat - dat lijkt me ook wel wat), en natuurlijk de indrukwekkende, druk bevolkte en rijk versierde sjiitische moskee waar de tombe staat van de kleine Rouqqaya (het dochtertje van de vermoorde Hussein, de zoon van Ali, dat stierf van verdriet toen zij als vierjarige plots het afgehakte hoofd van haar geliefde vader te zien kreeg). Maar het grootste deel van de tijd loop ik maar wat rond, genietend van de beelden, genietend van de stad, dagdromend en licht verdwalend. Ik drink een grote pul vers sap, help een legertje bacterien mijn darmen in door een niet al te hygienische falafelsandwich te eten (waarop een significante toename van het aantal toiletbezoeken volgt), besluit de schrikbarend dure Harry Potter nog maar even niet te kopen, oefen mijn drie woordjes Arabisch op een groepje kinderen, eet als een vorst in een beroemd restaurant met een van mijn nieuwe vrienden, maak een praatje met de vriendelijke Zuid-Sudanese jongen die er het toilet beheert, besluit nog maar even geen opgezette adelaar of bellenblaasapparaat te kopen, merk al niet eens meer dat op elke muur en op elk raam de portretten hangen van President Junior en wijlen President Senior (het enorme gouden borstbeeld van wijlen President Senior bij de ingang van het legermuseum valt daarentegen wel op, alsmede de vele posters waarop President Junior staat afgebeeld naast de Hezbollahbaas, alsmede de sticker in het internetcafe waarop President Junior te zien is in het midden van een groot rood hart), drink vele liters water, hoop dat mijn fototoestel de beelden onthoudt die ik alweer vergeten ben, lees de laatste hoofdstukken van het meesterwerk van Orhan Pamuk dat mij de afgelopen weken nog weer het een en ander duidelijk heeft gemaakt over de door velen veronderstelde Oost-West dichotomie, rook waterpijp, maak plannen voor de komende dagen, zit in een parkje om me heen te kijken naar de vele mensen...
en ik dans, dans, dans door Damascus.
(En nu moet ik mij een beetje indekken: de indrukken die twee dagen Damascus bij mij hebben achtergelaten zijn van zo groten getale en zo intens dat ze als bonte bijen rondzoemen in mijn hoofd en ik ze onmogelijk kan ordenen in een samenhangend verhaal. Vandaar dat u, lieve lezer, het zult moeten doen met enkele losse flarden.)
De gigantische Souq al-Hamidiyya huist onder een zuilvormig gietijzeren gewelf, bedekt met golfplaten. De gaten tussen de platen vormen een schitterende sterrenhemel, waaronder honderden kooplieden hun waren aan de man of vrouw proberen te brengen. Men verkoopt opgezette roofvogels met opengesperde vleugels en honderden bellen blazende bellenblaasapparaten en zelfbewegende herriemakende op hun ellebogen voortkruipende soldatenpoppen en creatieve komkommerschilmesjes en reuzenschildpaddenschilden en foeilelijke semi-sexy nachtkleding die in trek blijkt bij in volledig pikzwart gehulde dames en gedroogde krokodillen en met parelmoer ingelegde backgammonspellen en plastic imitaties daarvan en vreemde kruiden en pikzwart moerbeisap en biscuitjes en dezelfde blauwogige souvenirs die ik zag in Istanbul en Jeruzalem en dode marterachtigen en imitaties daarvan en stoffen in alle kleuren van de regenboog en die lelijke spijkerjurken die behoofddoekte studentenmeisjes hier dragen en parfums in toverdrankflesjes en jengelende babypoppen en knuffelpaashazen en kerststukjes en schapenorganen en gouden kruizen en versgeperst sinaasappelsap en nog heel, heel veel meer.
De mozaieken op de binnenplaats van de Omayyadenmoskee zijn misschien wel de mooiste die ik ooit heb gezien. Gouden paleizen met weelderige tuinen beelden het paradijs uit. De oude tapijten van de moskee liggen slordig her en der opgestapeld. Ze worden vervangen door heerlijk zachte nieuwe rode tapijten, waardoor een deel van de moskee afgesloten is. Naast de grote, uitbundig versierde mihrab in het midden heeft de moskee nog een drietal andere mihrabs; een voor elke rechtsschool. De grootste mihrab is gereserveerd voor de hier dominante Shafi'ieten, door mijn reisgids abusievelijk de 'meest gematigde' rechtsschool genoemd (men kan de rechtsscholen helemaal niet classificeren naar hun mate van gematigdheid). Her en der liggen mannen te slapen of te doezelen; een enkeling doet zijn gebed. De geur van zweetvoeten vult de indrukwekkende ruimte. Een groep Iraanse pelgrimtoeristen zingt met de hand op het hart een rouwlied, terwijl zij loopt naar het smoezelige, tl-verlichte zijkamertje waar het hoofd van Ali begraven zou zijn (het is tamelijk wrang dat de grote moskee van de Omayyaden, de dynastie die de macht naar zich toetrok door het gezag van Ali niet te erkennen en zo de basis legde voor de splitsing van de soennieten en de sjiieten, juist voor sjiieten een belangrijke pelgrimageplaats geworden is). Ik raak in gesprek met een vriendelijke jonge Syrische lerares Frans, die me uitnodigt voor een schaaltje verrukkelijk pistacheijs. Op haar mobieltje heeft ze een foto van het onmetelijk schattige en blauwogige dochtertje van President Junior.
Irak wint tot ieders verbazing het Aziatisch kampioenschap voetbal. En tot ieders vreugde, want niemand gunt de arrogante Saoedi's de zege, zo blijkt al snel. Iraakse vlaggen steken uit toeterende auto's. Ik deel de avondmaaltijd met enkele uitwisselingsstudenten die ik in Palmyra heb leren kennen en een vrolijk aangeschoten groep lachende en rouwliederen zingende Irakezen. De arak vloeit rijkelijk. Een aanstekelijk lachende, sympathieke documentairemaker brengt mij op de hoogte van zijn atheistische ideeen. De nacht gaat verder in een barretje in de christelijke wijk van de oude stad, alwaar wij doldwaas in de rondte dansen. Ik ben dusdanig moe van alle indrukken dat ik mij reeds om half twee verexcuseer, en ontdek dan dat een nachtwandeling door de oude stad van Damascus een van de beste nachtwandelingen is die een mens ooit kan maken. De markt slaapt, dus ik heb alle gelegenheid om te genieten van de scheve huisjes en de over de straat heen hangende verdiepingen met hun Anton Pieck-vensters en de verstopte tunneltjes en poortjes en eeuwenoude minaretjes die de stad rijk is.
Ofschoon het middenin de nacht is, geeft de termometer nog altijd 37 graden aan - vrij aangenaam vergeleken met de moordende hitte van de middag, wanneer het kwik nog een graad of tien verder stijgt.
Ik bezoek het nationale museum en het nabijgelegen gebouwencomplex van de grote Sinan, het kerkje op de plek waar Saul Paulus werd en een Syrisch-katholieke dienst, het graf van Saladin en dat van zijn broer (wiens tombe middenin zijn bibliotheek staat - dat lijkt me ook wel wat), en natuurlijk de indrukwekkende, druk bevolkte en rijk versierde sjiitische moskee waar de tombe staat van de kleine Rouqqaya (het dochtertje van de vermoorde Hussein, de zoon van Ali, dat stierf van verdriet toen zij als vierjarige plots het afgehakte hoofd van haar geliefde vader te zien kreeg). Maar het grootste deel van de tijd loop ik maar wat rond, genietend van de beelden, genietend van de stad, dagdromend en licht verdwalend. Ik drink een grote pul vers sap, help een legertje bacterien mijn darmen in door een niet al te hygienische falafelsandwich te eten (waarop een significante toename van het aantal toiletbezoeken volgt), besluit de schrikbarend dure Harry Potter nog maar even niet te kopen, oefen mijn drie woordjes Arabisch op een groepje kinderen, eet als een vorst in een beroemd restaurant met een van mijn nieuwe vrienden, maak een praatje met de vriendelijke Zuid-Sudanese jongen die er het toilet beheert, besluit nog maar even geen opgezette adelaar of bellenblaasapparaat te kopen, merk al niet eens meer dat op elke muur en op elk raam de portretten hangen van President Junior en wijlen President Senior (het enorme gouden borstbeeld van wijlen President Senior bij de ingang van het legermuseum valt daarentegen wel op, alsmede de vele posters waarop President Junior staat afgebeeld naast de Hezbollahbaas, alsmede de sticker in het internetcafe waarop President Junior te zien is in het midden van een groot rood hart), drink vele liters water, hoop dat mijn fototoestel de beelden onthoudt die ik alweer vergeten ben, lees de laatste hoofdstukken van het meesterwerk van Orhan Pamuk dat mij de afgelopen weken nog weer het een en ander duidelijk heeft gemaakt over de door velen veronderstelde Oost-West dichotomie, rook waterpijp, maak plannen voor de komende dagen, zit in een parkje om me heen te kijken naar de vele mensen...
en ik dans, dans, dans door Damascus.
Thursday, 26 July 2007
In het land van de Eufraat en de Tigris
Urfa wordt glorieus Urfa genoemd omdat Turkije er ooit won. Op het fort dat uitkijkt over de stad wappert fier en vuurrood de vlag.
Door de straten lopen Koerdische en Arabische vrouwen in prachtige jurken, hun hoofden bedekt met knallila doeken. Kinderen oefenen hun drie woorden Engels en willen op de foto. De meeste zjn lief. Een enkel ettertje gooit lege flesjes naar me toe.
In de grot naast de moskee vullen de pelgrims hun lege flessen met het bronwater waarmee Abraham ooit zijn dorst leste. In de vijver zwemmen dikke heilige karpers die je mag voeren maar niet opeten want dan word je blind. Een vriendelijke man wil dat ik een foto van hem maak, waarna hij mij hem laat nazeggen dat er geen God is dan God en dat Mohammed zijn Profeet is.
Ik schrijf een sonnet met een mooie laatste zin.
Een romantische gids c.q. tapijtverkoper heeft even genoeg verkocht en drinkt met mij een kopje thee. Hij wil graag dat ik zijn Nederlandse ex mail om te vragen hoe het met haar gaat. Bevlogen bediscussiert hij politiek. Zijn pogingen mij ervan te overtuigen dat de Armeense genocide nooit heeft plaatsgevonden en dat zij zijn begonnen en dat dat zoals alle problemen in de regio de schuld was van het Westen zijn evenwel vergeefs.
In het familiepensionnetje met het heerlijke eten en het gezellige binnenplaatsje kijken we naar de verkiezingsuitslag. We juichen mee want Erdogan wint en er gaan 24 zetels naar Koerdische kandidaten. De watermeloen smaakt er nog lekkerder door.
We moeten verzekeren dat we aan niemand vertellen wie ons de naam van die prachtige Koerdische muziek heeft gegeven. De muren hebben immers oren.
Het oude stadje Mardin is gezegend met prachtige medressa's en moskeeen en enige kerkjes. Als we de moskee bezoeken worden we door iedereen vriendelijk welkom geheten en begroet, en als we er weer weggaan krijgen we een verrukkelijk versgebakken kaneelbrood mee.
In een kerkje met fraaie doeken met avondmaaltaferelen kussen geemigreerde bezoekers de Bijbel. Even buiten het stadje wordt een schitterend saffraankleurig klooster met veel Europees geld gerestaureerd. De bebaarde bisschop bekijkt de toeristen goedkeurend.
De Turkse regering is grote delen van de regio onder water aan het zetten, daarmee de Eufraat langzaam leegslurpend en gebieden met een onschatbare historische en archeologische waarde vernietigend. Ontwikkeling,noemt men dat.
Ik ga de grens over.
Verdwaasd loop ik door Qamishle, op zoek naar het busstation. Een lieve jongen brengt me er speciaal naar toe. Terwijl ik wacht op mijn bus hoor ik vertellen van het verdriet van de Koerden. Velen van hen zijn hier statenloos. President Junior, wiens portret prominent in het kamertje van de busmaatschappij hangt, heeft naturalisatie beloofd, maar mijn gastheer loopt niet over van vertrouwen.
Vanuit de bus zie ik de lucht boven de uitgestrekte steppes rood kleuren. Plukjes schapen zijn met snelle penseeltoetsen in het landschap geplaatst. Ik wil hier altijd blijven, zittend in de bus, luisterend naar mijn muziek, en uitkijkend over dit door God geschilderde steppelandschap.
Deir ez-Zour toetert en toetert en toetert maar door. Mensen kijken me na en heten me met hun hand op hun hart welkom. In de souq verkopen de bedoeïenen hun waren. Het stinkt er naar rottende schapenhoofden. Een vrouw flirt met me vanachter haar niqaab terwijl ik naar het uitstekende archeologiemuseum loop.
Een Armeense kerk heeft een indrukwekkende expositie met zwartwitfoto's van bergen schedels en van vermoorde en uitgehongerde mensen.
De hitte is allesverzengend. Kinderen zoeken verkoeling in het donkergroene water van de Eufraat.
En wijlen President Senior bekijkt het alemaal vanaf zijn paard.
Door de straten lopen Koerdische en Arabische vrouwen in prachtige jurken, hun hoofden bedekt met knallila doeken. Kinderen oefenen hun drie woorden Engels en willen op de foto. De meeste zjn lief. Een enkel ettertje gooit lege flesjes naar me toe.
In de grot naast de moskee vullen de pelgrims hun lege flessen met het bronwater waarmee Abraham ooit zijn dorst leste. In de vijver zwemmen dikke heilige karpers die je mag voeren maar niet opeten want dan word je blind. Een vriendelijke man wil dat ik een foto van hem maak, waarna hij mij hem laat nazeggen dat er geen God is dan God en dat Mohammed zijn Profeet is.
Ik schrijf een sonnet met een mooie laatste zin.
Een romantische gids c.q. tapijtverkoper heeft even genoeg verkocht en drinkt met mij een kopje thee. Hij wil graag dat ik zijn Nederlandse ex mail om te vragen hoe het met haar gaat. Bevlogen bediscussiert hij politiek. Zijn pogingen mij ervan te overtuigen dat de Armeense genocide nooit heeft plaatsgevonden en dat zij zijn begonnen en dat dat zoals alle problemen in de regio de schuld was van het Westen zijn evenwel vergeefs.
In het familiepensionnetje met het heerlijke eten en het gezellige binnenplaatsje kijken we naar de verkiezingsuitslag. We juichen mee want Erdogan wint en er gaan 24 zetels naar Koerdische kandidaten. De watermeloen smaakt er nog lekkerder door.
We moeten verzekeren dat we aan niemand vertellen wie ons de naam van die prachtige Koerdische muziek heeft gegeven. De muren hebben immers oren.
Het oude stadje Mardin is gezegend met prachtige medressa's en moskeeen en enige kerkjes. Als we de moskee bezoeken worden we door iedereen vriendelijk welkom geheten en begroet, en als we er weer weggaan krijgen we een verrukkelijk versgebakken kaneelbrood mee.
In een kerkje met fraaie doeken met avondmaaltaferelen kussen geemigreerde bezoekers de Bijbel. Even buiten het stadje wordt een schitterend saffraankleurig klooster met veel Europees geld gerestaureerd. De bebaarde bisschop bekijkt de toeristen goedkeurend.
De Turkse regering is grote delen van de regio onder water aan het zetten, daarmee de Eufraat langzaam leegslurpend en gebieden met een onschatbare historische en archeologische waarde vernietigend. Ontwikkeling,noemt men dat.
Ik ga de grens over.
Verdwaasd loop ik door Qamishle, op zoek naar het busstation. Een lieve jongen brengt me er speciaal naar toe. Terwijl ik wacht op mijn bus hoor ik vertellen van het verdriet van de Koerden. Velen van hen zijn hier statenloos. President Junior, wiens portret prominent in het kamertje van de busmaatschappij hangt, heeft naturalisatie beloofd, maar mijn gastheer loopt niet over van vertrouwen.
Vanuit de bus zie ik de lucht boven de uitgestrekte steppes rood kleuren. Plukjes schapen zijn met snelle penseeltoetsen in het landschap geplaatst. Ik wil hier altijd blijven, zittend in de bus, luisterend naar mijn muziek, en uitkijkend over dit door God geschilderde steppelandschap.
Deir ez-Zour toetert en toetert en toetert maar door. Mensen kijken me na en heten me met hun hand op hun hart welkom. In de souq verkopen de bedoeïenen hun waren. Het stinkt er naar rottende schapenhoofden. Een vrouw flirt met me vanachter haar niqaab terwijl ik naar het uitstekende archeologiemuseum loop.
Een Armeense kerk heeft een indrukwekkende expositie met zwartwitfoto's van bergen schedels en van vermoorde en uitgehongerde mensen.
De hitte is allesverzengend. Kinderen zoeken verkoeling in het donkergroene water van de Eufraat.
En wijlen President Senior bekijkt het alemaal vanaf zijn paard.
Labels:
history,
islam,
Middle East,
travel stories
Saturday, 14 July 2007
De mevlevi's
Ik val met mijn neus in de boter. Het is dit jaar precies 800 jaar geleden dat de grote Rumi geboren werd. In het kader hiervan worden allerlei speciale activiteiten georganiseerd, zoals een grote tentoonstelling in Istanbul en verschillende speciale optredens van de Mevlevi's, de derwisjen, in Konya (en wellicht ook in andere steden). Ruim tachtig jaar nadat Atatürk de mystieke ordes in de ban deed zijn ze weer helemaal terug van weggeweest. Rumi is 'hot'...!
Even buiten het centrum van Konya bevindt zich een pronkstuk van moderne architectuur. Een groot glimmend gloednieuw gebouw met kegelvormige glazen daken staat ietwat onwennig tussen krakkemikkige huisjes, fietsenmakersschuurtjes en een fraai bakstenen moskeetje. Dit is het culturele centrum van Konya. Je vraagt je af of ze het geld dat dit gebouw gekost heeft niet beter voor armoedebestrijding hadden kunnen gebruiken, want dat is hier wel nodig, maar de wegen van gemeentelijke politici zijn nu eenmaal vaak ondoorgrondelijk - en leiden nogal eens naar prestigeprojecten waarvan het maatschappelijke nut niet zelden twijfelachtig is. Hoe het ook zij, het is een mooi gebouw geworden, ruim en met veel licht.
Onder een van de kegelvormige daken bevindt zich een grote houten cirkel, met daaromheen een groot aantal zitplaatsen (ik schat zo'n twee- a drieduizend), die vandaag voor ongeveer een derde gevuld zijn. Als het licht uitgaat verandert het dak in een prachtige sterrenhemel. Dan komen de muzikanten op. Iedereen draagt een hoge bruine vilten hoed (de grafsteen), een zwarte mantel (het graf zelf) en daaronder een witte jurk (het doodskleed). De kleurensymboliek doet denken aan Japanse pelgrims die eveneens in het wit gekleed gaan (de kleur van de dood) om daarmee aan te geven dat ze zichzelf overgeven aan de elementen en er klaar voor zijn de dood in de ogen te kijken. Een van de zangers zingt met volle stem een prachtig lied, waarna de fluit (de 'ney', een rieten fluit met een mooi hees geluid) het van hem overneemt (over de hele wereld wordt de fluit gebruikt als een instrument dat de kloof tussen de mens en het goddelijke kan overbruggen; niet voor niets speelt hij een belangrijke rol bij sjamanistische rituelen). Ik doezel weg onder de sterrenhemel.
Dan komen de heren soefi's op, negen in getal. Zij dragen allemaal hetzelfde als de muzikanten; alleen hun leider onderscheidt zich van de anderen doordat hij een soort tulband om zijn graftombehoed gewikkeld heeft. Een lang ritueel van buigingen over en weer volgt, waarna de groep gezelschap krijgt van een tweede negental. Tussen alle volwassen mannen bevindt zich een klein jongetje van nog geen tien jaar oud. Ieder is identiek gekleed.
Het licht verandert, de muziek wordt intenser. De fluit heeft gezelschap gekregen van enkele snaarinstrumenten, een trommel, een paar bekkens en een drietal zangstemmen. De zwarte mantels gaan uit, en dan begint de dans. De heren draaien hun rondjes in volle concentratie. De handen beginnen gevouwen voor de borst en vinden langzaam hun weg naar boven. De ene handpalm wijst naar de hemel, de andere naar de aarde: de stroom des levens. Onder de ronddraaiende witte jurken is het uiterst knappe voetenwerk te zien - ik zou het niet een-twee-drie na kunnen doen. Alles gaat tegen de klok in. Het is een wild maar liefdevol kabbelende zee, bestaande uit dansende witte tollen. Als in een droom.
De droom herhaalt zichzelf. Drie keer begint de dans en drie keer houdt hij ook weer op, na een tijdje zonder tijd. Het jongetje, dat danst als een van de besten, maakt aan het eind een foutje. Hij loopt even de verkeerde kant op. Snel herstelt hij zich.
De vrouw naast mij heeft haar handen voorzichtig opgeheven richting hemel. Ze heeft hele mooie handen.
Als aan het einde een van de zangers voorgaat in gebed, mompelt de hele zaal mee. God is groot, versta ik.
Een glimlach.
Even buiten het centrum van Konya bevindt zich een pronkstuk van moderne architectuur. Een groot glimmend gloednieuw gebouw met kegelvormige glazen daken staat ietwat onwennig tussen krakkemikkige huisjes, fietsenmakersschuurtjes en een fraai bakstenen moskeetje. Dit is het culturele centrum van Konya. Je vraagt je af of ze het geld dat dit gebouw gekost heeft niet beter voor armoedebestrijding hadden kunnen gebruiken, want dat is hier wel nodig, maar de wegen van gemeentelijke politici zijn nu eenmaal vaak ondoorgrondelijk - en leiden nogal eens naar prestigeprojecten waarvan het maatschappelijke nut niet zelden twijfelachtig is. Hoe het ook zij, het is een mooi gebouw geworden, ruim en met veel licht.
Onder een van de kegelvormige daken bevindt zich een grote houten cirkel, met daaromheen een groot aantal zitplaatsen (ik schat zo'n twee- a drieduizend), die vandaag voor ongeveer een derde gevuld zijn. Als het licht uitgaat verandert het dak in een prachtige sterrenhemel. Dan komen de muzikanten op. Iedereen draagt een hoge bruine vilten hoed (de grafsteen), een zwarte mantel (het graf zelf) en daaronder een witte jurk (het doodskleed). De kleurensymboliek doet denken aan Japanse pelgrims die eveneens in het wit gekleed gaan (de kleur van de dood) om daarmee aan te geven dat ze zichzelf overgeven aan de elementen en er klaar voor zijn de dood in de ogen te kijken. Een van de zangers zingt met volle stem een prachtig lied, waarna de fluit (de 'ney', een rieten fluit met een mooi hees geluid) het van hem overneemt (over de hele wereld wordt de fluit gebruikt als een instrument dat de kloof tussen de mens en het goddelijke kan overbruggen; niet voor niets speelt hij een belangrijke rol bij sjamanistische rituelen). Ik doezel weg onder de sterrenhemel.
Dan komen de heren soefi's op, negen in getal. Zij dragen allemaal hetzelfde als de muzikanten; alleen hun leider onderscheidt zich van de anderen doordat hij een soort tulband om zijn graftombehoed gewikkeld heeft. Een lang ritueel van buigingen over en weer volgt, waarna de groep gezelschap krijgt van een tweede negental. Tussen alle volwassen mannen bevindt zich een klein jongetje van nog geen tien jaar oud. Ieder is identiek gekleed.
Het licht verandert, de muziek wordt intenser. De fluit heeft gezelschap gekregen van enkele snaarinstrumenten, een trommel, een paar bekkens en een drietal zangstemmen. De zwarte mantels gaan uit, en dan begint de dans. De heren draaien hun rondjes in volle concentratie. De handen beginnen gevouwen voor de borst en vinden langzaam hun weg naar boven. De ene handpalm wijst naar de hemel, de andere naar de aarde: de stroom des levens. Onder de ronddraaiende witte jurken is het uiterst knappe voetenwerk te zien - ik zou het niet een-twee-drie na kunnen doen. Alles gaat tegen de klok in. Het is een wild maar liefdevol kabbelende zee, bestaande uit dansende witte tollen. Als in een droom.
De droom herhaalt zichzelf. Drie keer begint de dans en drie keer houdt hij ook weer op, na een tijdje zonder tijd. Het jongetje, dat danst als een van de besten, maakt aan het eind een foutje. Hij loopt even de verkeerde kant op. Snel herstelt hij zich.
De vrouw naast mij heeft haar handen voorzichtig opgeheven richting hemel. Ze heeft hele mooie handen.
Als aan het einde een van de zangers voorgaat in gebed, mompelt de hele zaal mee. God is groot, versta ik.
Een glimlach.
Friday, 13 July 2007
Bezoek aan Rumi
De dagen brachten een stralende zon. Ik bezocht de grandioze ruines van Efeze, het theater en de necropolis van Hierapolis, de prachtige oude stad van Priene, de tempel voor Apollo in Didyma en natuurlijk het fraaie Milete, dat enigszins anachronistisch de geboorteplaats van de wetenschap en de filosofie genoemd kan worden. In mij werd plots en onverwacht een interessevlam ontstoken: lopende door wat over is van de grote Ionische steden begon ik te begrijpen waarom mensen gegrepen worden door archeologie, waarom de klassieke wereld zoveel mensen zo tot de verbeelding spreekt, en begon ik me te realiseren hoezeer het bestuderen van de verwevenheid van politiek en religie in antieke tijden ons inzicht zou kunnen verschaffen in structuren die ook vandaag de dag uiterst relevant zijn. Verder vond ik een idyllisch strand aan de Egeische zee en genoot met volle tuigen van het zwemmen daarin en verloor mijn zonnebril en at popcorn en rookte waterpijp met leuke mensen op een terras en las een aangrijpend verhaal over een Bengaalse tijger op een reddingsboot. Voor het eerst sinds lange tijd maakte een heerlijk vakantiegevoel zich van mij meester.
Maar na een paar dagen ging het kriebelen, en dus ging de reis weer verder. De nachtbus bracht mij naar Konya, een grote stad in het midden van het land, de voormalige hoofdstad van de Seljuken-dynastie, en de plaats waar de legendarische Rumi de mystieke Mevlevi-orde stichtte.
Als ik uitstap bij de otogar, gelegen ver buiten de stad tussen de vers uit de grond gestampte blokkendozen die het hoofd moeten bieden aan de grote bevolkingsgroei, voelt het alsof ik pardoes van de ene naar de andere beschaving ben gehupt. Konya lijkt in niets op de westkust, en ik heb het gevoel dat ik het Midden-Oosten nader. De meeste vrouwen dragen hoofddoeken en lange dikke jassen van spijkerstof, terwijl het buiten 37 graden Celsius is. De kioskjes verkopen niet alleen pompoenpitten, sigaretten en drinken, maar ook allerlei religieuze souvenirs. De otogar heeft een eigen moskee opdat men even kan bidden tussen bussen in; een steenworp verderop wordt een nieuwe, veel grotere moskee gebouwd.
Ik neem de tram naar het centrum. Als ik opsta voor een oude dame roept ze me allemaal mooie dingen toe, waaronder iets met God. Ze puft en ze hijgt van de hitte. Ze draagt een lange grijze herfstjas.
Het centrum broeit, maar bij het museum en mausoleum van Rumi (Mevlana) is het een drukte van belang. Toeristen, pelgrims, pelgrimtoeristen, toeristenpelgrims en ander volk loopt door elkaar heen. We zien hoe de soefi's hun kamers plachten in te richten: met de kalligrafieen van koranteksen waarvan elk winkeltje in de stad goedkope kopieen verkoopt. Wassenbeeldensoefi's in fraaie kleren bevolken de kamers, en ik vraag me af of wassenbeelden ook kunnen smelten. Een meneer Mehmet spreekt me aan in het Frans en ik spreek terug. Het zal waarschijnlijk mijn moeheid zijn na een slechte nachtrust in een warme en drukke bus, maar ik heb pas door dat hij me aan het rondleiden is als ik er niet meer met goed fatsoen onderuit kan komen. Slim gedaan. Hij vertelt me veel wat mijn reisgids en ik reeds wisten, alsook een paar dingen die we nog niet wisten - maar ik had mijn geld liever aan iets anders besteed dan aan een rondleiding in het Frans (dat vanwege het accent ook nog eens niet heel eenvoudig te verstaan is) door een meneer die steeds vriendschappelijk zijn hand op mijn rug meent te moeten leggen.
Rumi was een van de grootste religieuze denkers uit de geschiedenis van de mensheid. De man die zo prachtig lyrisch schreef over de ervaring van het goddelijke, en over de eenwording daarmee. De man die donders goed begreep dat het God geen ene moer kan schelen via welke weg je bij Hem komt, zolang je Zijn schepping en kinderen met respect en compassie tegemoet treedt. Een beetje een bodhisattva dus.
En daar ligt hij, in die goudkleurige graftombe die zo groot is dat je er een orka in kwijt kunt. Naar goed soefi-gebruik is de tombe getooid met een tulband. Ernaast staat een tweede, bijna net zo grote tombe met een zelfde tulband; daarin ligt volgens mijn gids Rumi's zoon. De muren achter en de koepel boven de tombes zijn versierd met schitterende ornamenten, alles goudkleurig. Oudere dames bidden zachtjes tot de Meester. Een van hen heeft een boekje met gezangen in haar handen, waaruit zij in stilte zingt. Anderen maken foto's. Verderop liggen onder meer de scepter van de meester van Rumi, in de vorm van het Arabische woord voor God; een origineel exemplaar van de Masnevi, het magnum opus van Rumi; schitterend versierde middeleeuwse Korans, waarvan één niet groter dan een luciferdoosje; een speciale Koran met een selectie van geneeskrachtige soera's, waaraan een medicinale werking wordt toegeschreven; fraaie Perzische tapijten en natuurlijk het onvermijdelijke kistje met baardharen van de Profeet, vrede zij met hem. Wat een collectie.
Voor het vrijdagmiddaggebed verzamelen zich honderden mensen bij de Selimiye Moskee. Lang niet iedereen past in de moskee, dus vult het parkje ervoor zich met mensen. De mannen staan aan de voorkant van de fontein; in het gras, onder de bomen en tussen de bloemen. Hun schoenen liggen op de paadjes. Daarachter zitten de vrouwen toe te kijken en mee te luisteren naar de stem van de imam die via de luidsprekers naar buiten komt. En dan gebeurt het: het hele park knielt. Zelfs de bloemen knielen mee. Het is een onbeschrijflijk mooi beeld.
Ik sta even verderop toe te kijken, gevuld met tegenstrijdige verlangens. Na een tijdje loop ik weg. Ik blijf een buitenstaander.
Het Alaeddin Park is heerlijk voor een middagdutje, een moment om te schrijven en een nationaal Engelstalig nieuwsbiad te lezen dat me iets meer duidelijk maakt over hoe de politieke verhoudingen hier liggen. Een vriendelijke oude meneer maakt een praatje met me over religie. Verkiezingsbusjes met luide, triomfantelijke marsmuziek uitbrakende luidsprekers rijden rondjes om het park heen. Een jongetje valt me aan met een borstel, maar aangezien ik sandalen draag valt er weinig te poetsen; iets dat hem met razernij vervult, getuige zijn kwade roepen en het veelvuldige gebruik van zijn middenvinger. Naarmate de middag vordert komt de stad steeds meer tot leven. Een fraaie madrassa toont intrigerende inscripties met afbeeldingen van dieren en engelen (het verbod op afbeeldingen in de Islam is in de geschiedenis niet altijd in gelijke mate nageleefd, zo blijkt). Even later loop ik door een winkelstraatje. Ik koop een zonnebril en weet zowaar drie lira van de prijs af te dingen. En overal, werkelijk overal worden religieuze parafernalia verkocht.
Morgen gaat de verkenning van Rumi's stad verder.
Maar na een paar dagen ging het kriebelen, en dus ging de reis weer verder. De nachtbus bracht mij naar Konya, een grote stad in het midden van het land, de voormalige hoofdstad van de Seljuken-dynastie, en de plaats waar de legendarische Rumi de mystieke Mevlevi-orde stichtte.
Als ik uitstap bij de otogar, gelegen ver buiten de stad tussen de vers uit de grond gestampte blokkendozen die het hoofd moeten bieden aan de grote bevolkingsgroei, voelt het alsof ik pardoes van de ene naar de andere beschaving ben gehupt. Konya lijkt in niets op de westkust, en ik heb het gevoel dat ik het Midden-Oosten nader. De meeste vrouwen dragen hoofddoeken en lange dikke jassen van spijkerstof, terwijl het buiten 37 graden Celsius is. De kioskjes verkopen niet alleen pompoenpitten, sigaretten en drinken, maar ook allerlei religieuze souvenirs. De otogar heeft een eigen moskee opdat men even kan bidden tussen bussen in; een steenworp verderop wordt een nieuwe, veel grotere moskee gebouwd.
Ik neem de tram naar het centrum. Als ik opsta voor een oude dame roept ze me allemaal mooie dingen toe, waaronder iets met God. Ze puft en ze hijgt van de hitte. Ze draagt een lange grijze herfstjas.
Het centrum broeit, maar bij het museum en mausoleum van Rumi (Mevlana) is het een drukte van belang. Toeristen, pelgrims, pelgrimtoeristen, toeristenpelgrims en ander volk loopt door elkaar heen. We zien hoe de soefi's hun kamers plachten in te richten: met de kalligrafieen van koranteksen waarvan elk winkeltje in de stad goedkope kopieen verkoopt. Wassenbeeldensoefi's in fraaie kleren bevolken de kamers, en ik vraag me af of wassenbeelden ook kunnen smelten. Een meneer Mehmet spreekt me aan in het Frans en ik spreek terug. Het zal waarschijnlijk mijn moeheid zijn na een slechte nachtrust in een warme en drukke bus, maar ik heb pas door dat hij me aan het rondleiden is als ik er niet meer met goed fatsoen onderuit kan komen. Slim gedaan. Hij vertelt me veel wat mijn reisgids en ik reeds wisten, alsook een paar dingen die we nog niet wisten - maar ik had mijn geld liever aan iets anders besteed dan aan een rondleiding in het Frans (dat vanwege het accent ook nog eens niet heel eenvoudig te verstaan is) door een meneer die steeds vriendschappelijk zijn hand op mijn rug meent te moeten leggen.
Rumi was een van de grootste religieuze denkers uit de geschiedenis van de mensheid. De man die zo prachtig lyrisch schreef over de ervaring van het goddelijke, en over de eenwording daarmee. De man die donders goed begreep dat het God geen ene moer kan schelen via welke weg je bij Hem komt, zolang je Zijn schepping en kinderen met respect en compassie tegemoet treedt. Een beetje een bodhisattva dus.
En daar ligt hij, in die goudkleurige graftombe die zo groot is dat je er een orka in kwijt kunt. Naar goed soefi-gebruik is de tombe getooid met een tulband. Ernaast staat een tweede, bijna net zo grote tombe met een zelfde tulband; daarin ligt volgens mijn gids Rumi's zoon. De muren achter en de koepel boven de tombes zijn versierd met schitterende ornamenten, alles goudkleurig. Oudere dames bidden zachtjes tot de Meester. Een van hen heeft een boekje met gezangen in haar handen, waaruit zij in stilte zingt. Anderen maken foto's. Verderop liggen onder meer de scepter van de meester van Rumi, in de vorm van het Arabische woord voor God; een origineel exemplaar van de Masnevi, het magnum opus van Rumi; schitterend versierde middeleeuwse Korans, waarvan één niet groter dan een luciferdoosje; een speciale Koran met een selectie van geneeskrachtige soera's, waaraan een medicinale werking wordt toegeschreven; fraaie Perzische tapijten en natuurlijk het onvermijdelijke kistje met baardharen van de Profeet, vrede zij met hem. Wat een collectie.
Voor het vrijdagmiddaggebed verzamelen zich honderden mensen bij de Selimiye Moskee. Lang niet iedereen past in de moskee, dus vult het parkje ervoor zich met mensen. De mannen staan aan de voorkant van de fontein; in het gras, onder de bomen en tussen de bloemen. Hun schoenen liggen op de paadjes. Daarachter zitten de vrouwen toe te kijken en mee te luisteren naar de stem van de imam die via de luidsprekers naar buiten komt. En dan gebeurt het: het hele park knielt. Zelfs de bloemen knielen mee. Het is een onbeschrijflijk mooi beeld.
Ik sta even verderop toe te kijken, gevuld met tegenstrijdige verlangens. Na een tijdje loop ik weg. Ik blijf een buitenstaander.
Het Alaeddin Park is heerlijk voor een middagdutje, een moment om te schrijven en een nationaal Engelstalig nieuwsbiad te lezen dat me iets meer duidelijk maakt over hoe de politieke verhoudingen hier liggen. Een vriendelijke oude meneer maakt een praatje met me over religie. Verkiezingsbusjes met luide, triomfantelijke marsmuziek uitbrakende luidsprekers rijden rondjes om het park heen. Een jongetje valt me aan met een borstel, maar aangezien ik sandalen draag valt er weinig te poetsen; iets dat hem met razernij vervult, getuige zijn kwade roepen en het veelvuldige gebruik van zijn middenvinger. Naarmate de middag vordert komt de stad steeds meer tot leven. Een fraaie madrassa toont intrigerende inscripties met afbeeldingen van dieren en engelen (het verbod op afbeeldingen in de Islam is in de geschiedenis niet altijd in gelijke mate nageleefd, zo blijkt). Even later loop ik door een winkelstraatje. Ik koop een zonnebril en weet zowaar drie lira van de prijs af te dingen. En overal, werkelijk overal worden religieuze parafernalia verkocht.
Morgen gaat de verkenning van Rumi's stad verder.
Labels:
history,
islam,
Middle East,
travel stories
Tuesday, 24 May 2005
De moskee
Wie met enige regelmaat Torii Times leest weet dat Japan een land is dat een grote religieuze verscheidenheid kent. Hij of zij weet ook dat ik dit veelzijdige spectrum van ogenschijnlijk coëxisterende religieuze tradities één van de meest fascinerende aspecten van de moderne Japanse samenleving vind, en mij graag hierin verdiep. Sinds mijn eerste bezoek aan dit land heb ik reeds vele tempels van diverse boeddhistische pluimage, en een ongeveer even grote hoeveelheid Shinto-heiligdommen bezocht. Maar behalve mainstream Boeddhisme en Shinto interesseer ik mij ook vooral voor de minder bekende en sociaal geaccepteerde religieuze stromingen en hun positie. Ik bezocht reeds de hoofdtempel van een gemarginaliseerde, volgens de officiële lezing obscure, nieuwe religie; een lokaal centrum van een andere, eveneens gedemoniseerde maar desalniettemin zeer grote nieuwe religie; en twee pinksterkerken, waarvan één meerdere keren.
Afgezien van dergelijke nieuwe religieuze bewegingen, die vooral aantrekkingskracht uitoefenen op autochtone, in grote steden woonachtige Japanners, bestaat er nog een groep religieuze stromingen die niet tot de mainstream religieuze traditie van Japan behoort en die, in tegenstelling tot bovengenoemde nieuwe religies waarover altijd de nodige sappige indianenverhalen de ronde doen, weinig aandacht krijgt van media of van de wetenschap: de religies van migranten. De zogenaamd homogene Japanse samenleving herbergt in werkelijkheid verschillende groepen minderheden, met name in de grote steden, die natuurlijk hun eigen religieuze tradities hebben. Zo bevinden zich in de bergen nabij Osaka, een stad met een grote Koreaanse populatie, Koreaanse boeddhistische tempels die sterk verschillen van Japanse, zowel wat betreft uiterlijk, organisatie als doctrine. Ook zijn overal in de grote steden, onder andere bij mij in de buurt, Koreaanse kerken te vinden. Het is zeer aannemelijk dat ook Chinese, Braziliaanse en Filippijnse immigranten hun eigen tempels en kerken hebben, al weet ik hier minder van af.
De afgelopen tien, twintig jaar is het aantal immigranten uit islamitische landen, met name Indonesië, Pakistan en Iran, snel toegenomen. Momenteel bevinden zich in Japan naar schatting ongeveer 100.000 moslims (op een bevolking van 125 miljoen), het merendeel daarvan afkomstig uit één van deze drie landen. Er zijn in het hele land om en nabij de 35 officiële moskeeën, en nog eens 80 á 100 niet-permanente gebedsruimtes.
Afgelopen weekend had ik de gelegenheid een moskee te bezoeken in Chiba, een voorstad van Tokyo. Ik heb het geluk momenteel een vak te volgen over maatschappelijke ontwikkelingen in Iran en Pakistan bij een docente die niet alleen een schat aan kennis heeft over dit gebied en over de Islam in het algemeen, maar die ook nog eens een uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar moslims in Japan. Zij had dit bezoek voor ons georganiseerd. En zo verzamelden wij ons zaterdagmiddag voor een mij onbekend metrostation. Wij waren met zeven mensen: de docente, een immer enthousiast springtouwmeisje van in de veertig die meeslepend kan vertellen over haar ervaringen als uitwisselingsstudente aan een door Khomeini gesticht religieus seminarium voor vrouwen of als onderzoekster in het Pakistaanse Peshawar naar misbruikte ontwikkelingsgelden, en die met haar gulle, stralende lach vervolgens alle politieke problemen weer wat lichter weet te maken; mijn klasgenoten, een zachtaardige, ietwat stuntelige jongen uit Litouwen en een tamelijk streng christelijk maar zeer gemotiveerd Koreaans meisje dat in haar eentje het hele Midden-Oosten wil bereizen; en drie enthousiaste Japanse eerstejaarsstudenten, twee meisjes en een jongen, die een ander vak volgen bij dezelfde docente.
Het duurt even voordat we de moskee gevonden hebben. De vier dames hebben allen prachtige zijden sjaaltjes meegenomen om hun hoofd mee te bedekken, wat ze erg mooi staat. De drie verdiepingen tellende moskee staat tussen twee andere gebouwen ingeklemd, maar is duidelijk te herkennen aan de fraaie, urnvormige, met twee minaretjes versierde witte voorgevel. We worden hartelijk welkom geheten door een ietwat gezette, licht bebaarde Pakistaanse man van een jaar of veertig, die vloeiend Japans, Engels en Urdu spreekt. Voor zijn glimlachende ogen draagt hij een klein brilletje. Hij leidt ons naar de gebedsruimte voor mannen, op de tweede verdieping - de aanwezigheid van vrouwen is geen probleem. Op de vloer van de rechthoekige kamer ligt een warm rood pluche Perzisch tapijt. De muren zijn crèmekleurig. De ruimte wordt verlicht door een gigantische kroonluchterachtige lamp aan het plafond. Eén muur wordt voor een groot deel in beslag genomen door een redelijk gevulde boekenkast; de muur daartegenover heeft in het midden de mihrab - de ronde nis die de richting van Mekka aangeeft (ik vermoed dat er niet veel mensen zijn die mij kunnen nazeggen in een moskee geweest te zijn waar de mihrab in zuidwestelijke richting ligt!) . In de nis staat een fraaie houtsnede van een korantekst in de vorm van een waterkan. Voor de boekenkast zitten zeven mannen op een rijtje. Een magere man in een lange beige jurk met een zwarte baard en een mutsje in dezelfde kleur als zijn jurk zit bij een grote videocamera; hij stelt zich voor als de cameraman en elektronicaexpert van de moskee. Naast hem zit een dikke man met een lange witte dwergenbaard en een glanzend kaal hoofd die reeds veertig jaar in Japan woont en het meest het woord zal voeren; ook hij is vloeiend in drie talen, afgezien van het feit dat hij af en toe vergeet te articuleren, waardoor hij enigszins moeilijk te verstaan is. Daarnaast zit een niet al te oude maar toch reeds bijzonder streng kijkende man met een donkere huid, een zware baard en fraaie traditionele kleding; hij blijkt de rol van imam te vervullen. In het midden van de rij zit een magere, bejaarde heer in witte kleding. Daaroverheen draagt hij een donkerblauw vest. Hij heeft een lange witte neus en draagt een grote bril. Op zijn hoofd heeft hij een okerkleurige, kokervormige muts. De man blijkt een vooraanstaande Indiase schriftgeleerde te zijn, die in India een madrassa voor vrouwen gesticht heeft die naar verluidt één van de grootste uit de hele islamitische wereld is. Daarnaast heeft hij verscheidene madrassa's gesticht in de Verenigde Staten. Momenteel werkt hij aan een boek waarin hij de vier wetscholen van de Soennitische Islam met elkaar vergelijkt en kijkt naar overeenkomsten. Naast hem zit een man zonder baard, maar met een groenbruine gebreide Mart Smeets-trui en een knobbelneus, en een goedlachse Sudanese man die werkt in Australië en op vakantie is in Tokyo, alwaar hij een moskee is binnengelopen, waar hij even later plotseling een stel studenten zag binnenlopen. De rij wordt gecompleteerd door een jongen van mijn leeftijd uit Ghana, die brandt van de vele onopgeloste vragen waar hij mee zit. Behalve de twee Afrikanen en de Indiase heer komt iedereen uit Pakistan.
We krijgen thee en iedereen stelt zich voor. Al vrij snel is het tijd voor de salat en wordt het gesprek even onderbroken. Het mooiste van het islamitische gebed vind ik het moment dat men het diepste geknield zit. Niet alleen omdat het een mooi gebaar van dank en overgave aan God is, maar ook en vooral omdat wanneer mensen in deze houding zitten hun voeten zo mooi te zien zijn. Onder de grote ruggen en billen piepen zeven paar voetjes tevoorschijn, drie daarvan met, vier zonder sokken. Vooral bij de voeten zonder sokken zie je duidelijk de rimpels in de voetzolen en de netjes opgevouwde teentjes. Bij de Afrikaanse mannen valt de lichte huidskleur van de voetzolen in vergelijking met de rest van hun lichaam op. Het heeft iets kwetsbaars, al die voeten naast elkaar - en dat is natuurlijk ook de essentie van het gebed.
Na het gebed komen twee Japanse vrouwen met hoofddoeken de ruimte binnen, die de echtgenotes van twee van de Pakistaanse heren blijken te zijn. Ze hebben twee kleuters bij zich. Het gesprek gaat verder, en we krijgen de gelegenheid vragen te stellen. Onze dappere docente vat direct de koe bij de horens en vraagt naar situaties waarin er conflicten ontstaan tussen de Japanse en de islamitische wet - bijvoorbeeld wanneer het de verdeling van bezit in het geval van een echtscheiding betreft. De dikke man zegt ietwat verbolgen dat iedereen moslim is en zich dus per definitie aan de islamitische wet houdt, maar de schriftgeleerde verbetert hem (zonder dat door te hebben, want hij verstaat natuurlijk geen woord Japans) en legt uit hoe het werkelijk zit: moslims hebben de plicht de wet van het land waar zij wonen te gehoorzamen. In het geval van een echtscheiding in Japan betekent dat dus dat die echtscheiding in overeenstemming met de Japanse wet, die zegt dat mannen en vrouwen gelijk zijn, dient te gebeuren. Wel wordt duidelijk gemaakt dat in een situatie waarin de islamitische wet niet in conflict is met de Japanse wet deze gewoon geldt; een islamitische man mag zoals we weten dus wel met een christelijke of joodse, maar niet met een boeddhistische vrouw trouwen.
Het gesprek gaat verder. Verschillende fundamentele onderdelen van de religie passeren de revue. De heren doen hun best alle aanwezigen te overtuigen van hun goede bedoelingen. Ze stellen expliciet dat de kern van 'alle' religies gelijk is - het geloof in één God, in de morele imperatief, in de profeten als boodschappers van God (het was me al eerder opgevallen dat veel moslims vaak - terecht - de overeenkomsten met het Christendom en het Jodendom benadrukken, maar polytheïstische religies vormen een iets groter probleem. Ik herinner me een Afrikaanse heer in de moskee in Rome die op lyrische wijze het Christendom en Jodendom prees, maar die toen wij vertelden dat we in Leiden ook het Hindoeïsme en het Boeddhisme bestuderen verontwaardigd snoof dat dat geen religies zijn) en in het bestaan van hemel en hel (waar het Boeddhisme natuurlijk wel vrolijk aan meedoet). Ze leggen bij dit laatste punt duidelijk de nadruk op de daden die wij doen als zijnde bepalend voor waar wij uiteindelijk terechtkomen, en ik kan moeilijk de gedachte onderdrukken dat dit toch een stuk humanistischer is dan de zwartwittheologie van al die zich als konijnen over de wereld verspreidende evangelische kerken en stromingen die stelt dat wie niet gelooft in de feitelijke feitelijkheid van de dood van Christus, zoon van God, omwille van onze eigen zonden, uiteindelijk sowieso zal branden in de hel, al heeft hij nog zoveel scholen en ziekenhuizen gesticht. Ik heb medelijden met mijn Koreaanse klasgenote die zich op dit moment realiseert dat zij waarschijnlijk de enige in het gezelschap is die strakjes niet zal branden in de hel. Het is ook een verademing om de heren horen te vertellen dat God overal is, of dat nou een moskee, een kerk of een tempel is. In essentie is het dus net zo goed mogelijk om tot Hem te bidden in een moskee, naast je bed, of in een boeddhistische tempel, zolang je maar bidt tot de ene God en niet tot een heilige of een bodhisattva. Daar heb ik recentelijk ook wel eens iets anders over gehoord.
Ik wil het gesprek weer op de positie van de Islam in Japan brengen en vraag naar contacten en conflicten tussen moslims van verschillende achtergronden. Een Nederlandse Turkse moslim zal in principe nooit een Marokkaanse moskee binnenstappen, en vice versa - ik kan mij dus voorstellen dat Pakistaanse en Indonesische moslims (om nog maar te zwijgen van Iraanse sjiieten, al gaan verreweg de meeste Iraniërs in Japan naar verluidt nooit naar de moskee) er weinig behoefte aan hebben elkaars moskeeën te bezoeken. Ik wil weten of verschillen in cultuur, taal en religieuze oriëntatie in de begintijd van de islamitische migratie naar Japan tot moeilijkheden geleid heeft. Het antwoord is weinig bevredigend: alle moslims geloven hetzelfde, er zijn geen verschillende denominaties zoals binnen het Christendom en het Boeddhisme (daar zou ik tegenin brengen dat iedere moskee en iedere imam fungeert als een zelfstandige denominatie; als er één religie is waarin een veelheid aan meningen, onafhankelijke organisaties en uiteenlopende interpretaties bestaat dan is het wel de Islam - dat blijkt reeds uit het feit dat de hier aanwezige heren elkaar regelmatig tegenspreken). Iedere moslim is welkom in iedere moskee (dat weet ik ook wel; maar dat zegt natuurlijk niets over de realiteit van de moslimgemeenschap in Japan). Mijn volgende vraag, of de heren in Japan wel eens iets als islamofobie ervaren hebben, wordt beantwoord met een volmondig 'nee' - een beetje te volmondig, misschien. Hoe het ook zij, men is erg geïnteresseerd in het overbrengen van de goede punten van de Islam als religie, maar wanneer we vragen naar de concrete situatie van de Islam in Japan komen we niet veel verder dan enkele nietszeggende, politiek correcte antwoorden.
Wanneer we aan het eind van de middag op het punt staan weg te gaan worden we uitgenodigd voor de avondmaaltijd. We krijgen basmatirijst met curry en linzensoep. Het smaakt heerlijk. Na afloop krijgen we allemaal een fraaie agenda mee naar huis, gevuld met Japanse vertalingen van koranteksten, advertenties van een halal slagerij in Tokyo en een reisbureau gespecialiseerd in reizen naar Mekka, en schema's met de tijdstippen waarop het gebed plaats moet vinden. We bedanken iedereen hartelijk voor de gastvrijheid.
Weer een mooi thema voor een afstudeerscriptie of verder onderzoek...
Insjallah.

Afgezien van dergelijke nieuwe religieuze bewegingen, die vooral aantrekkingskracht uitoefenen op autochtone, in grote steden woonachtige Japanners, bestaat er nog een groep religieuze stromingen die niet tot de mainstream religieuze traditie van Japan behoort en die, in tegenstelling tot bovengenoemde nieuwe religies waarover altijd de nodige sappige indianenverhalen de ronde doen, weinig aandacht krijgt van media of van de wetenschap: de religies van migranten. De zogenaamd homogene Japanse samenleving herbergt in werkelijkheid verschillende groepen minderheden, met name in de grote steden, die natuurlijk hun eigen religieuze tradities hebben. Zo bevinden zich in de bergen nabij Osaka, een stad met een grote Koreaanse populatie, Koreaanse boeddhistische tempels die sterk verschillen van Japanse, zowel wat betreft uiterlijk, organisatie als doctrine. Ook zijn overal in de grote steden, onder andere bij mij in de buurt, Koreaanse kerken te vinden. Het is zeer aannemelijk dat ook Chinese, Braziliaanse en Filippijnse immigranten hun eigen tempels en kerken hebben, al weet ik hier minder van af.
De afgelopen tien, twintig jaar is het aantal immigranten uit islamitische landen, met name Indonesië, Pakistan en Iran, snel toegenomen. Momenteel bevinden zich in Japan naar schatting ongeveer 100.000 moslims (op een bevolking van 125 miljoen), het merendeel daarvan afkomstig uit één van deze drie landen. Er zijn in het hele land om en nabij de 35 officiële moskeeën, en nog eens 80 á 100 niet-permanente gebedsruimtes.
Afgelopen weekend had ik de gelegenheid een moskee te bezoeken in Chiba, een voorstad van Tokyo. Ik heb het geluk momenteel een vak te volgen over maatschappelijke ontwikkelingen in Iran en Pakistan bij een docente die niet alleen een schat aan kennis heeft over dit gebied en over de Islam in het algemeen, maar die ook nog eens een uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar moslims in Japan. Zij had dit bezoek voor ons georganiseerd. En zo verzamelden wij ons zaterdagmiddag voor een mij onbekend metrostation. Wij waren met zeven mensen: de docente, een immer enthousiast springtouwmeisje van in de veertig die meeslepend kan vertellen over haar ervaringen als uitwisselingsstudente aan een door Khomeini gesticht religieus seminarium voor vrouwen of als onderzoekster in het Pakistaanse Peshawar naar misbruikte ontwikkelingsgelden, en die met haar gulle, stralende lach vervolgens alle politieke problemen weer wat lichter weet te maken; mijn klasgenoten, een zachtaardige, ietwat stuntelige jongen uit Litouwen en een tamelijk streng christelijk maar zeer gemotiveerd Koreaans meisje dat in haar eentje het hele Midden-Oosten wil bereizen; en drie enthousiaste Japanse eerstejaarsstudenten, twee meisjes en een jongen, die een ander vak volgen bij dezelfde docente.
Het duurt even voordat we de moskee gevonden hebben. De vier dames hebben allen prachtige zijden sjaaltjes meegenomen om hun hoofd mee te bedekken, wat ze erg mooi staat. De drie verdiepingen tellende moskee staat tussen twee andere gebouwen ingeklemd, maar is duidelijk te herkennen aan de fraaie, urnvormige, met twee minaretjes versierde witte voorgevel. We worden hartelijk welkom geheten door een ietwat gezette, licht bebaarde Pakistaanse man van een jaar of veertig, die vloeiend Japans, Engels en Urdu spreekt. Voor zijn glimlachende ogen draagt hij een klein brilletje. Hij leidt ons naar de gebedsruimte voor mannen, op de tweede verdieping - de aanwezigheid van vrouwen is geen probleem. Op de vloer van de rechthoekige kamer ligt een warm rood pluche Perzisch tapijt. De muren zijn crèmekleurig. De ruimte wordt verlicht door een gigantische kroonluchterachtige lamp aan het plafond. Eén muur wordt voor een groot deel in beslag genomen door een redelijk gevulde boekenkast; de muur daartegenover heeft in het midden de mihrab - de ronde nis die de richting van Mekka aangeeft (ik vermoed dat er niet veel mensen zijn die mij kunnen nazeggen in een moskee geweest te zijn waar de mihrab in zuidwestelijke richting ligt!) . In de nis staat een fraaie houtsnede van een korantekst in de vorm van een waterkan. Voor de boekenkast zitten zeven mannen op een rijtje. Een magere man in een lange beige jurk met een zwarte baard en een mutsje in dezelfde kleur als zijn jurk zit bij een grote videocamera; hij stelt zich voor als de cameraman en elektronicaexpert van de moskee. Naast hem zit een dikke man met een lange witte dwergenbaard en een glanzend kaal hoofd die reeds veertig jaar in Japan woont en het meest het woord zal voeren; ook hij is vloeiend in drie talen, afgezien van het feit dat hij af en toe vergeet te articuleren, waardoor hij enigszins moeilijk te verstaan is. Daarnaast zit een niet al te oude maar toch reeds bijzonder streng kijkende man met een donkere huid, een zware baard en fraaie traditionele kleding; hij blijkt de rol van imam te vervullen. In het midden van de rij zit een magere, bejaarde heer in witte kleding. Daaroverheen draagt hij een donkerblauw vest. Hij heeft een lange witte neus en draagt een grote bril. Op zijn hoofd heeft hij een okerkleurige, kokervormige muts. De man blijkt een vooraanstaande Indiase schriftgeleerde te zijn, die in India een madrassa voor vrouwen gesticht heeft die naar verluidt één van de grootste uit de hele islamitische wereld is. Daarnaast heeft hij verscheidene madrassa's gesticht in de Verenigde Staten. Momenteel werkt hij aan een boek waarin hij de vier wetscholen van de Soennitische Islam met elkaar vergelijkt en kijkt naar overeenkomsten. Naast hem zit een man zonder baard, maar met een groenbruine gebreide Mart Smeets-trui en een knobbelneus, en een goedlachse Sudanese man die werkt in Australië en op vakantie is in Tokyo, alwaar hij een moskee is binnengelopen, waar hij even later plotseling een stel studenten zag binnenlopen. De rij wordt gecompleteerd door een jongen van mijn leeftijd uit Ghana, die brandt van de vele onopgeloste vragen waar hij mee zit. Behalve de twee Afrikanen en de Indiase heer komt iedereen uit Pakistan.
We krijgen thee en iedereen stelt zich voor. Al vrij snel is het tijd voor de salat en wordt het gesprek even onderbroken. Het mooiste van het islamitische gebed vind ik het moment dat men het diepste geknield zit. Niet alleen omdat het een mooi gebaar van dank en overgave aan God is, maar ook en vooral omdat wanneer mensen in deze houding zitten hun voeten zo mooi te zien zijn. Onder de grote ruggen en billen piepen zeven paar voetjes tevoorschijn, drie daarvan met, vier zonder sokken. Vooral bij de voeten zonder sokken zie je duidelijk de rimpels in de voetzolen en de netjes opgevouwde teentjes. Bij de Afrikaanse mannen valt de lichte huidskleur van de voetzolen in vergelijking met de rest van hun lichaam op. Het heeft iets kwetsbaars, al die voeten naast elkaar - en dat is natuurlijk ook de essentie van het gebed.
Na het gebed komen twee Japanse vrouwen met hoofddoeken de ruimte binnen, die de echtgenotes van twee van de Pakistaanse heren blijken te zijn. Ze hebben twee kleuters bij zich. Het gesprek gaat verder, en we krijgen de gelegenheid vragen te stellen. Onze dappere docente vat direct de koe bij de horens en vraagt naar situaties waarin er conflicten ontstaan tussen de Japanse en de islamitische wet - bijvoorbeeld wanneer het de verdeling van bezit in het geval van een echtscheiding betreft. De dikke man zegt ietwat verbolgen dat iedereen moslim is en zich dus per definitie aan de islamitische wet houdt, maar de schriftgeleerde verbetert hem (zonder dat door te hebben, want hij verstaat natuurlijk geen woord Japans) en legt uit hoe het werkelijk zit: moslims hebben de plicht de wet van het land waar zij wonen te gehoorzamen. In het geval van een echtscheiding in Japan betekent dat dus dat die echtscheiding in overeenstemming met de Japanse wet, die zegt dat mannen en vrouwen gelijk zijn, dient te gebeuren. Wel wordt duidelijk gemaakt dat in een situatie waarin de islamitische wet niet in conflict is met de Japanse wet deze gewoon geldt; een islamitische man mag zoals we weten dus wel met een christelijke of joodse, maar niet met een boeddhistische vrouw trouwen.
Het gesprek gaat verder. Verschillende fundamentele onderdelen van de religie passeren de revue. De heren doen hun best alle aanwezigen te overtuigen van hun goede bedoelingen. Ze stellen expliciet dat de kern van 'alle' religies gelijk is - het geloof in één God, in de morele imperatief, in de profeten als boodschappers van God (het was me al eerder opgevallen dat veel moslims vaak - terecht - de overeenkomsten met het Christendom en het Jodendom benadrukken, maar polytheïstische religies vormen een iets groter probleem. Ik herinner me een Afrikaanse heer in de moskee in Rome die op lyrische wijze het Christendom en Jodendom prees, maar die toen wij vertelden dat we in Leiden ook het Hindoeïsme en het Boeddhisme bestuderen verontwaardigd snoof dat dat geen religies zijn) en in het bestaan van hemel en hel (waar het Boeddhisme natuurlijk wel vrolijk aan meedoet). Ze leggen bij dit laatste punt duidelijk de nadruk op de daden die wij doen als zijnde bepalend voor waar wij uiteindelijk terechtkomen, en ik kan moeilijk de gedachte onderdrukken dat dit toch een stuk humanistischer is dan de zwartwittheologie van al die zich als konijnen over de wereld verspreidende evangelische kerken en stromingen die stelt dat wie niet gelooft in de feitelijke feitelijkheid van de dood van Christus, zoon van God, omwille van onze eigen zonden, uiteindelijk sowieso zal branden in de hel, al heeft hij nog zoveel scholen en ziekenhuizen gesticht. Ik heb medelijden met mijn Koreaanse klasgenote die zich op dit moment realiseert dat zij waarschijnlijk de enige in het gezelschap is die strakjes niet zal branden in de hel. Het is ook een verademing om de heren horen te vertellen dat God overal is, of dat nou een moskee, een kerk of een tempel is. In essentie is het dus net zo goed mogelijk om tot Hem te bidden in een moskee, naast je bed, of in een boeddhistische tempel, zolang je maar bidt tot de ene God en niet tot een heilige of een bodhisattva. Daar heb ik recentelijk ook wel eens iets anders over gehoord.
Ik wil het gesprek weer op de positie van de Islam in Japan brengen en vraag naar contacten en conflicten tussen moslims van verschillende achtergronden. Een Nederlandse Turkse moslim zal in principe nooit een Marokkaanse moskee binnenstappen, en vice versa - ik kan mij dus voorstellen dat Pakistaanse en Indonesische moslims (om nog maar te zwijgen van Iraanse sjiieten, al gaan verreweg de meeste Iraniërs in Japan naar verluidt nooit naar de moskee) er weinig behoefte aan hebben elkaars moskeeën te bezoeken. Ik wil weten of verschillen in cultuur, taal en religieuze oriëntatie in de begintijd van de islamitische migratie naar Japan tot moeilijkheden geleid heeft. Het antwoord is weinig bevredigend: alle moslims geloven hetzelfde, er zijn geen verschillende denominaties zoals binnen het Christendom en het Boeddhisme (daar zou ik tegenin brengen dat iedere moskee en iedere imam fungeert als een zelfstandige denominatie; als er één religie is waarin een veelheid aan meningen, onafhankelijke organisaties en uiteenlopende interpretaties bestaat dan is het wel de Islam - dat blijkt reeds uit het feit dat de hier aanwezige heren elkaar regelmatig tegenspreken). Iedere moslim is welkom in iedere moskee (dat weet ik ook wel; maar dat zegt natuurlijk niets over de realiteit van de moslimgemeenschap in Japan). Mijn volgende vraag, of de heren in Japan wel eens iets als islamofobie ervaren hebben, wordt beantwoord met een volmondig 'nee' - een beetje te volmondig, misschien. Hoe het ook zij, men is erg geïnteresseerd in het overbrengen van de goede punten van de Islam als religie, maar wanneer we vragen naar de concrete situatie van de Islam in Japan komen we niet veel verder dan enkele nietszeggende, politiek correcte antwoorden.
Wanneer we aan het eind van de middag op het punt staan weg te gaan worden we uitgenodigd voor de avondmaaltijd. We krijgen basmatirijst met curry en linzensoep. Het smaakt heerlijk. Na afloop krijgen we allemaal een fraaie agenda mee naar huis, gevuld met Japanse vertalingen van koranteksten, advertenties van een halal slagerij in Tokyo en een reisbureau gespecialiseerd in reizen naar Mekka, en schema's met de tijdstippen waarop het gebed plaats moet vinden. We bedanken iedereen hartelijk voor de gastvrijheid.
Weer een mooi thema voor een afstudeerscriptie of verder onderzoek...
Insjallah.


Friday, 5 November 2004
Gekke wereld
Ik sta te wachten voor een stoplicht wanneer mijn mobiele telefoon 'It's a small world' begint te zingen, waarmee hij mij attendeert op het feit dat hij zojuist een e-mail heeft ontvangen. Meestal is het leuk om een e-mail te krijgen, maar in dit geval niet, aangezien de e-mail mij zegt dat Theo van Gogh, zelfverklaard beschermheilige van de politieke incorrectheid en de vrijheid van beledigingsuiting, op brute wijze om het leven is gebracht.
Wie haat zaait, zal haat oogsten, helaas - niet iedereen die onophoudelijk in de meest ranzige bewoordingen beledigd en gekwetst wordt is in staat daar zijn schouders over te blijven ophalen (ik zal hier niet deze bewoordingen herhalen; iedereen die het afgelopen jaar de Metro heeft gelezen weet waar ik op doel). Onder het zogenaamd fortuynistische motto 'alles moet maar gezegd kunnen worden' hebben lieden als Theo van Gogh, Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali zich met onvoorwaardelijke hulp van verscheidene vaderlandse massamedia de afgelopen twee jaar met vereende krachten ingezet voor het verspreiden van brede maatschappelijke angst voor en haat jegens de 'onverdraagzame' Islam (de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet, zou ik zeggen), iets waar zij helaas behoorlijk in geslaagd zijn.
Eén van de gevolgen van deze polarisatie is het feit dat enkele jongeren van islamitische achtergrond zich, klaarblijkelijk, in hun in identiteit bedreigd voelen; reden voor hen om zich op kleine schaal te organiseren in groepjes gefrustreerde individuen die niks beters te doen hebben dan zich in hun 'eer' (wat dat dan ook moge zijn) aangetast voelen. Wanneer één zo'n groepje de daad bij het woord voegt spreken politici en media direct van een 'extremistische organisatie' - dat bekt zo lekker, en bovendien zet het Nederland internationaal weer aardig op de kaart (zelfs de Japan Times vinden de gebeurtenis een drie kolommen tellend artikel met een fotootje waard). Van Gogh wordt pardoes gepromoveerd van ordinaire schreeuwlelijk tot groot onbegrepen visionair en martelaar voor de seculiere goden 'democratie' en 'vrijheid van meningsuiting'. De boze burgers mogen weer in alle vrijheid hun zondebokken uitkiezen en daar in collectieve verongelijktheid tegenaan schoppen. Massahysterie, ga uw gang!
De ironie is dat Van Gogh, nu hij vermoord is, eindelijk de invloed en aandacht gekregen heeft die hij zich altijd gewenst heeft. Tijdens zijn leven tot weinig meer in staat dan met modder gooien, heeft hij nu hij dood is plotseling de status van martelaar gekregen. Spanningen in de samenleving hebben weer een mooi excuus gekregen om zich verder te ontwikkelen. Hij krijgt zijn zin; met de angst zal ook de haat jegens de Islam verder groeien. Complottheorieën kunnen weer floreren.
Elke moord is verwerpelijk. Geen mens heeft het recht een ander mens het leven te ontnemen. Maar buiten dat waren de oppervlakkige, kwetsende en meestal onjuiste ideeën van Van Gogh een dergelijk martelaarschap simpelweg niet waard.
Het tweede bedrijf van de soap zal wereldwijd veel verstrekkender gevolgen hebben, vrees ik.
Alsof zijn regering door haar op onwaarheden gebaseerde, ontstellend kortzichtige buitenlandse politiek niet verantwoordelijk is voor het creëren van een machtsvacuüm in Irak dat kon leiden tot een guerillaoorlog met duizenden doden, daarmee anti-Amerikaanse sentimenten wereldwijd in enkele jaren tijd tot recordhoogte oppompend en op beangstigend effectieve wijze de voorwaarden voor verdere terroristische activiteiten scheppend, hebben 59 miljoen mensen de heer Double U Bush herkozen als president van hun land. Alsof zijn regering door haar absurde belastingverlagingen voor hen die reeds zeer vermogend zijn en soortgelijke boekhoudkundig onverstandige beslissingen niet verantwoordelijk is voor een enorm begrotingstekort, een gigantische werkloosheid, en een vrij dramatische waardevermindering van de dollar, hebben 59 miljoen mensen de heer Double U Bush herkozen als president van hun land. Alsof zijn regering door haar schaamteloze misbruik van de angst van de bevolking niet verantwoordelijk is voor de vernietiging van grondrechten van die bevolking op het gebied van privacy, persoonlijke vrijheid en rechtsgelijkheid hebben 59 miljoen mensen de heer Double U Bush herkozen als president van hun land.
Waarom? Omdat hij het bijbelboek Openbaring gebruikt als leidraad voor zijn internationale beleid? Omdat hij demonische zaken als abortus en homoseksualiteit uit wil bannen? Omdat hij door de miljarden die hij ten koste van andere zaken in het leger pompt de nationale veiligheid garandeert? Of simpelweg omdat hij een echte Amerikaanse jongen is, die de sterren en strepen in zijn hart en nieren heeft zitten, die een brok in zijn keel heeft bij het horen van het volkslied, en die er heilig van overtuigd is dat zijn volk door God uitverkoren is?
Omdat hij ten minste consistent is in zijn kortzichtigheid...?
En zo kan de Amerikaanse democratie zich langzaam omvormen tot een semi-totalitair systeem, waarin burgerrechten ondergeschikt worden gemaakt aan de veiligheid van het collectief - dat dat een schijnveiligheid is doet er niet toe, mensen geloven graag in dergelijke illusies. Zo kunnen de Verenigde Staten doorgaan met het rücksichtslos negeren van internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, internationale rechtspraak en het broeikaseffect. Zo kan Irak zich langzaam omvormen tot een fundamentalistische staat - al dan niet via een bloedige burgeroorlog. Zo kan Gods naam verder misbruikt worden als legitimatie voor agressie en uitbuiting wereldwijd.
De wereld is een beetje gek.
Wie haat zaait, zal haat oogsten, helaas - niet iedereen die onophoudelijk in de meest ranzige bewoordingen beledigd en gekwetst wordt is in staat daar zijn schouders over te blijven ophalen (ik zal hier niet deze bewoordingen herhalen; iedereen die het afgelopen jaar de Metro heeft gelezen weet waar ik op doel). Onder het zogenaamd fortuynistische motto 'alles moet maar gezegd kunnen worden' hebben lieden als Theo van Gogh, Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali zich met onvoorwaardelijke hulp van verscheidene vaderlandse massamedia de afgelopen twee jaar met vereende krachten ingezet voor het verspreiden van brede maatschappelijke angst voor en haat jegens de 'onverdraagzame' Islam (de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet, zou ik zeggen), iets waar zij helaas behoorlijk in geslaagd zijn.
Eén van de gevolgen van deze polarisatie is het feit dat enkele jongeren van islamitische achtergrond zich, klaarblijkelijk, in hun in identiteit bedreigd voelen; reden voor hen om zich op kleine schaal te organiseren in groepjes gefrustreerde individuen die niks beters te doen hebben dan zich in hun 'eer' (wat dat dan ook moge zijn) aangetast voelen. Wanneer één zo'n groepje de daad bij het woord voegt spreken politici en media direct van een 'extremistische organisatie' - dat bekt zo lekker, en bovendien zet het Nederland internationaal weer aardig op de kaart (zelfs de Japan Times vinden de gebeurtenis een drie kolommen tellend artikel met een fotootje waard). Van Gogh wordt pardoes gepromoveerd van ordinaire schreeuwlelijk tot groot onbegrepen visionair en martelaar voor de seculiere goden 'democratie' en 'vrijheid van meningsuiting'. De boze burgers mogen weer in alle vrijheid hun zondebokken uitkiezen en daar in collectieve verongelijktheid tegenaan schoppen. Massahysterie, ga uw gang!
De ironie is dat Van Gogh, nu hij vermoord is, eindelijk de invloed en aandacht gekregen heeft die hij zich altijd gewenst heeft. Tijdens zijn leven tot weinig meer in staat dan met modder gooien, heeft hij nu hij dood is plotseling de status van martelaar gekregen. Spanningen in de samenleving hebben weer een mooi excuus gekregen om zich verder te ontwikkelen. Hij krijgt zijn zin; met de angst zal ook de haat jegens de Islam verder groeien. Complottheorieën kunnen weer floreren.
Elke moord is verwerpelijk. Geen mens heeft het recht een ander mens het leven te ontnemen. Maar buiten dat waren de oppervlakkige, kwetsende en meestal onjuiste ideeën van Van Gogh een dergelijk martelaarschap simpelweg niet waard.
Het tweede bedrijf van de soap zal wereldwijd veel verstrekkender gevolgen hebben, vrees ik.
Alsof zijn regering door haar op onwaarheden gebaseerde, ontstellend kortzichtige buitenlandse politiek niet verantwoordelijk is voor het creëren van een machtsvacuüm in Irak dat kon leiden tot een guerillaoorlog met duizenden doden, daarmee anti-Amerikaanse sentimenten wereldwijd in enkele jaren tijd tot recordhoogte oppompend en op beangstigend effectieve wijze de voorwaarden voor verdere terroristische activiteiten scheppend, hebben 59 miljoen mensen de heer Double U Bush herkozen als president van hun land. Alsof zijn regering door haar absurde belastingverlagingen voor hen die reeds zeer vermogend zijn en soortgelijke boekhoudkundig onverstandige beslissingen niet verantwoordelijk is voor een enorm begrotingstekort, een gigantische werkloosheid, en een vrij dramatische waardevermindering van de dollar, hebben 59 miljoen mensen de heer Double U Bush herkozen als president van hun land. Alsof zijn regering door haar schaamteloze misbruik van de angst van de bevolking niet verantwoordelijk is voor de vernietiging van grondrechten van die bevolking op het gebied van privacy, persoonlijke vrijheid en rechtsgelijkheid hebben 59 miljoen mensen de heer Double U Bush herkozen als president van hun land.
Waarom? Omdat hij het bijbelboek Openbaring gebruikt als leidraad voor zijn internationale beleid? Omdat hij demonische zaken als abortus en homoseksualiteit uit wil bannen? Omdat hij door de miljarden die hij ten koste van andere zaken in het leger pompt de nationale veiligheid garandeert? Of simpelweg omdat hij een echte Amerikaanse jongen is, die de sterren en strepen in zijn hart en nieren heeft zitten, die een brok in zijn keel heeft bij het horen van het volkslied, en die er heilig van overtuigd is dat zijn volk door God uitverkoren is?
Omdat hij ten minste consistent is in zijn kortzichtigheid...?
En zo kan de Amerikaanse democratie zich langzaam omvormen tot een semi-totalitair systeem, waarin burgerrechten ondergeschikt worden gemaakt aan de veiligheid van het collectief - dat dat een schijnveiligheid is doet er niet toe, mensen geloven graag in dergelijke illusies. Zo kunnen de Verenigde Staten doorgaan met het rücksichtslos negeren van internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, internationale rechtspraak en het broeikaseffect. Zo kan Irak zich langzaam omvormen tot een fundamentalistische staat - al dan niet via een bloedige burgeroorlog. Zo kan Gods naam verder misbruikt worden als legitimatie voor agressie en uitbuiting wereldwijd.
De wereld is een beetje gek.
Subscribe to:
Posts (Atom)