Niet alle dialecten en accenten zijn streekgebonden. Sommige zijn gerelateerd aan sociale klassen. In Engeland, klassenmaatschappij bij uitstek, kun je van iemands accent vaak zijn of haar sociale achtergrond afleiden. Ook in Nederland is dat niet zelden het geval: een corpsbal spreekt bekakt, ongeacht de stad waar hij woont, en heeft per definitie een ander accent dan zijn laagopgeleide buurman. De manier waarop iemand spreekt is onlosmakelijk verbonden met diens social identiteit. Geen wonder dat veel mensen die thuis dialect spreken op hun werk verwoede pogingen doen zich in 'algemeen beschaafd Nederlands' uit te drukken.
Er is vermoedelijk geen Europees land waar mensen zo gek zijn op dialecten als Noorwegen. Elke Noor met wie je spreekt zal beweren dat 'standaardnoors' niet bestaat, althans niet als spreektaal. Er is een geschreven standaardtaal (Bokmål), er is een alternatieve geschreven standaardtaal (Nynorsk), maar er is geen 'algemeen beschaafde' spreektaal, zo zegt men. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is, en ieder vogeltje is daar nog trots op ook. Stelt u zich voor: de redactiekamer van een landelijk dagblad in Amsterdam, waar door de aanwezigen Amsterdams, Gronings, Limburgs, Goois, Twents, Haags en Vlaams gesproken wordt - en wie een ander niet verstaat, schaamt zich, en laat daar niets van merken. Moeilijk voor te stellen in de Nederlandse context, maar zo is ongeveer de situatie in de gemiddelde organisatie in Oslo.
Maar die vreemde voorliefde voor plattelandsdialecten ('in míjn dal spreken we zus zo uit') betekent niet dat er niet zoiets bestaat als klassegebonden taalgebruik. Integendeel. De mythe luidt weliswaar dat de Noorse samenleving zo goed als egalitair is, in werkelijkheid hebben veel Noren een sterk ontwikkeld klassenbewustzijn, zeker in Oslo. Zoals Haren opgedeeld is in 'de goede kant van het spoor' en 'de verkeerde kant van het spoor', zo is Oslo opgedeeld in 'de goede kant van de rivier' en 'de verkeerde kant van de rivier'.
'De rivier' is een lullig beekje dat van noord naar zuid stroomt, dwars door de stad. Het stelt weinig voor: het zit vol met afval, en langs de oevers huizen junks en daklozen. Niettemin figureert het prominent in de verbeelding van veel mensen. Want aan de oostkant van de rivier wonen 'de arbeiders', en aan de westkant 'de elite'. Als ik mijn collega's mag geloven is dat een belangrijke tegenstelling. Mijn opmerking dat zulks toch een reliek is van tientallen jaren geleden, en dat dergelijke ongelijkheden toch niet passen in het huidige egalitaristische Noorwegen, wordt eenvoudig gepareerd aan de hand van taalkundige voorbeelden. Aan de westkant spreekt men namelijk héél anders dan aan de oostkant.
Een klein voorbeeldje: het gebruik van vrouwelijke uitgangen. Het Noors kent drie geslachten, evenals het Duits. Maar vrouwelijke woorden worden vaak vervoegd als mannelijke woorden. 'Het boek' is in het Noors vrouwelijk, en zou dus vervoegd moeten worden als boka - maar in plaats daarvan zeggen veel mensen boken - ze geven het de mannelijke uitgang. 'Mijn vrouw' is kona mi, maar er zijn ook mensen die konen min zeggen.
Het zijn met name de kakkers uit West-Oslo die het vrouwelijke geslacht verwaarlozen, en alle woorden mannelijk vervoegen. Het zijn vooral de arbeiders, de 'mensen van het volk', die vrouwelijke uitgangen en lidwoorden gebruiken. Wannabe-socialisten doen hun dat natuurlijk na, en doen er bovendien nog een schepje bovenop: zelfs sommige woorden die eigenlijk mannelijk zijn worden door hen vrouwelijk vervoegd (zo spreken sommige linkse elementen naar verluidt van revolusjona in plaats van revolusjonen). Een beetje zoals Paul Rosenmöller, die zich in zijn tijd als havenarbeider en vakbondsleider een volks Rotterdams accent eigen maakte, terwijl hij stiekem uit een deftig katholiek nest kwam. Daarentegen speelde de koningin het klaar om Belgia - de officiële Noorse aanduiding voor België - te verbasteren tot Belgien.
U begrijpt: het is een gevoelige kwestie. Taal is identiteit, en kleine verschillen in vocabulaire en grammatica kunnen grote consequenties hebben. De buitenlander die zich de taal eigen wil maken doet er goed aan uitermate voorzichtig te zijn, vooral als het gaat om vragen betreffende taalgebruik. Voor je er erg in hebt heb je iemand beledigd, want een simpele vraag kan zomaar geïnterpreteerd worden als een persoonlijke aanval.
Mijn Noorse taaldocente doet het prima. Ze motiveert en complimenteert haar studenten, ze heeft moderne opvattingen, en ze haalt bij tijd en wijle Chomsky aan. Een leuke dame dus. Ze is ook een groot voorstander van taalkundige variëteit - op mijn opmerking dat ik graag wilde oefenen met het luisteren naar verschillende accenten omdat 'veel Noren dialect spreken' zei ze streng: 'alle Noren spreken dialect'. Ik ben de discussie maar niet aangegaan. Zelf spreekt ze normaliter ook haar plattelandsdialect, maar tijdens haar lessen doet ze haar best Oslo-Noors te spreken. Ze spreekt duidelijk, en is altijd goed te verstaan.
Op een gegeven moment schrijft ze een zin op het bord, waarin de uitdrukking 'te laat' voorkomt. For seint, schrijft ze op het bord. "Hè," reageer ik verbaasd, "ik dacht dat het for sent was, zonder I." "Nee hoor, dit kan ook," zegt ze. Ik ben ietwat verbaasd, want zo heb ik het nog nooit geschreven zien staan. "Het ziet er zo Nynorsk uit," flap ik eruit, mij niet realiserend wat een lullig I'tje allemaal wel niet kan symboliseren.
Ze draait zich om. "Waar woon je?" vraagt ze. Ze is nog steeds vriendelijk, maar haar stem heeft iets kils gekregen. De vraag verrast me. "Eh... Niet ver van hier. Bij het voetbalstadion," zeg ik. "Ja hoor, dan heb je gelijk," zegt ze bits. "Dan mag je for sent zeggen." Ik begrijp niet helemaal wat ze bedoelt, mijn klasgenoten evenmin. Er valt een ongemakkelijke stilte.
"Sorry," begin ik, maar ze onderbreekt me. "Nee, nee, geen sorry. Je hebt helemaal gelijk. Als je in het westen van Oslo woont, zeg je for sent. Dat is he-le-maal correct." De anders zo vriendelijke dame klinkt plotseling ijskoud. Ik voel me schuldig, want ik heb haar kennelijk op haar tenen getrapt. Maar ik bedoelde er niets mee. Ik had geen flauw benul hoe gevoelig één enkel lettertje wel niet kan liggen.
Taal is persoonlijk, en het persoonlijke is politiek. Het leren van een vreemde taal is als het betreden van een mijnenveld. Elke keer is het weer een verrassing waar de mijnen liggen. Toch raad ik iedereen van harte aan om de zoveel jaar een nieuwe taal te leren. Ongevaarlijk is het niet, maar er gaan werelden voor je open.
Showing posts with label language. Show all posts
Showing posts with label language. Show all posts
Tuesday, 10 May 2011
Saturday, 26 February 2011
Japanse notities (2): De kunst van het spreken
Ik had me nog wel zo voorgenomen om elke dag wat korte notities – observaties, associaties, vragen – op papier te zetten. Maar veel verder dan wat krabbels in een notitieboekje ben ik niet gekomen. Dat betekent natuurlijk niet dat ik niet overloop van de gedachten die ik maar al te graag zou willen verwerken door ze om te zetten naar een min of meer gestructureerd narratief. Vanzelfsprekend wel, ik ben immers in Japan, een land dat nooit nalaat mij te prikkelen en literaire ambities in mij aan te wakkeren. Het betekent wel dat de onderzoeksworkshop waaraan ik de eerste negen dagen van mijn verblijf heb deelgenomen mij van begin tot eind bezig heeft gehouden, en ik tijd noch energie had om mijn verhalen op te schrijven. Het betekent ook dat ik mij de dagen erna geen moment heb verveeld. Van even stilzitten en dingen op een rijtje zetten is het vooralsnog niet gekomen. Gedachten zoemen door mijn hoofd.
Laat ik het eerst maar eens over die workshop hebben. Al kwam ik niet aan schrijven toe, ik heb veel kunnen spreken en luisteren. De workshop was gericht op het verkrijgen van onderzoeksmateriaal in het huidige Japan, dus we leerden over verschillende databases, zoekmachines en gedigitaliseerde archieven. De deelnemers kwamen uit verschillende landen, maar de workshop werd geheel in het Japans gehouden. Vijf van de negen deelnemers waren onderzoekers, de vier andere werkten in buitenlandse universiteitsbibliotheken met Japanse materialen. De onderwerpen varieerden van politiek tot sociologie, en van het vinden van Japanse wetten tot het gebruik van sociale netwerksites. We hadden vier volle dagen met werkcolleges. (Voor een journalistiek verslag, klik hier.) Daarnaast kregen we twee dagen om zelf onderzoek te gaan doen in deze of gene bibliotheek, en moesten we een korte lezing geven over onze respectievelijke onderzoeksprojecten. Al met al een druk programma.
Zoals u in mijn vorige verhaal heeft kunnen lezen was ik tamelijk zenuwachtig toen ik vorige week naar Japan kwam. Mijn zorgen betroffen onder meer mijn taalkennis. Toen ik vijf jaar geleden in Japan studeerde had ik een relatief hoog niveau: ik sprak de taal probleemloos, ik verstond het meeste van wat ik hoorde, en ik kon een beetje lezen, al moest ik nog wel karakters opzoeken. Had ik vervolgens doorgezet, dan had mijn Japans nu niet ondergedaan voor mijn Engels. Maar ik raakte geïnteresseerd in antropologische theorie en in filosofie; ik volgde colleges over politieke antropologie, structuralisme, mythevorming en godsdienstwetenschappelijke theorie, in plaats van mijn taalkennis te perfectioneren. Spijt heb ik daar niet van – per slot van rekening liggen mijn academische ambities deels op het gebied van theorievorming – maar het heeft er wel voor gezorgd dat ik nog steeds enigszins onzeker ben over mijn taalkennis, en mijn kennis van vocabulaire en karakters naar mijn eigen mening nog te beperkt is. Daarbij komt het eenvoudige feit dat ik de afgelopen vijf jaar niet meer in Japan ben geweest, waardoor het niet meer dan natuurlijk is dat de taal een beetje is weggezakt.
Ik moest gelijk het diepe in, vorige week. Nog half dronken van de jetlag moest ik op maandagochtend gelijk een jikoshōkai geven. Een jikoshōkai is veel meer dan even kort jezelf voorstellen: het is een geritualiseerde vorm van verbale autobiografie, waarbij de spreker niet alleen bewust kiest welke informatie z/hij over zichzelf prijsgeeft, maar ook impliciet aangeeft hoe z/hij zich verhoudt tot de andere aanwezigen. Dat hangt samen met het feit dat Japans is een taal die meerdere niveaus van beleefdheid kent, variërend van grof en informeel tot standaard formeel tot uitermate nederig en hoogachtend. Het kiezen van de juiste formulering luistert daarom nauw, en heeft een directe sociale relevantie.
De zaak wordt gecompliceerd door het feit dat hoe hoger het niveau van beleefdheid is, hoe gecompliceerder de grammaticale constructies zijn, en hoe moeilijker het wordt om correct te spreken – maar des te belangrijker. Ter illustratie: als je beleefd spreekt zeg je niet gewoon ‘ik zou graag willen deelnemen aan deze workshop’ – dat wil zeggen, je kunt niet gewoon het werkwoord ‘deelnemen’ vervoegen met de uitgang van willen, en dan laten volgen door ‘ik denk dat’ met de gangbare beleefde uitgang. Niet beleefd genoeg. In plaats daarvan geef je het werkwoord de uitgang van de causativus – iemand iets laten doen – gevolgd door het nederige werkwoord voor ontvangen, gevolgd door ‘ik denk dat’ met de beleefde uitgang. Logisch, nietwaar?
Het zal geen verbazing wekken dat de taal met de grootste verschillen tussen niveaus van beleefdheid gesproken wordt in een land waar sociale verhoudingen niet alleen situationeel bepaald zijn, maar ook, afhankelijk van de situatie, een in hoge mate geformaliseerd en geritualiseerd karakter hebben. De kunst van het netwerken is nergens zo gespecialiseerd als hier, de uitwisseling van visitekaartjes is een belangrijke rituele bevestiging van elke formele eerste ontmoeting, en connecties zijn van levensbelang. Voeg dat bij het simpele feit dat een eerste indruk altijd lang blijft hangen – om het even waar – en het belang van een fatsoenlijke jikoshōkai zal duidelijk zijn.
We mochten drie keer aan de bak, die eerste maandag. Ik vond het al eng genoeg mezelf formeel voor te stellen aan de andere deelnemers, maar dat was niets vergeleken bij wat ons later die dag stond te wachten: een bezoek aan de hoogste baas van de nationale bibliotheek, die onze workshop mede had georganiseerd. We mochten naar de hoogste verdieping van het gebouw, waar de muren van donker hout waren en een dik tapijt op de grond lag. We mochten zitten aan de zware houten vergadertafel, kregen groene thee, en moesten ons in ons allerbeleefdste Japans voorstellen. Ik deed mijn best, maar ik haalde het niet bij het vlekkeloze nederige taalgebruik van de Amerikaanse deelneemster, die imposante grammaticale constructies uit haar mouw schudde alsof het niets was. Ik was al lang blij dat ik geen gênante fouten maakte.
De beste manier om een taal op te halen is het voortdurend te spreken en luisteren. De workshop werd gehouden in formeel, academisch Japans, hetgeen voorwaar een uitdaging was. Als ik mij concentreerde kon ik het meeste volgen, maar als ik mijn gedachten te lang liet afdwalen moest ik moeite doen de draad weer op te pakken. Gelukkig had ik mijn elektronische woordenboek bij me, zodat ik af en toe een woordje kon opzoeken. En toen bleek het tot mijn eigen verbazing opeens behoorlijk goed te gaan, en bleek ik in staat gecompliceerd Japans grotendeels te kunnen volgen – zolang er niet te veel specialistisch juridisch of politiek jargon gebruikt werd, tenminste, want toen dat gebeurde moest ik afhaken (niet als enige, gelukkig – zelfs de Japanse deelnemers hadden moeite dat te volgen). Maar over het algemeen kon ik behoorlijk meekomen, hetgeen een hele opluchting was.
Voor mijn spreken gold hetzelfde als voor mijn luistervaardigheid. Die eerste dag struikelde ik nog wel eens over mijn woorden, maakte ik niet alle zinnen af, en had ik moeite vocabulaire te vinden om over de meer theoretische aspecten van mijn onderzoeksproject te spreken. Maar de derde jikoshōkai van de dag – tijdens de officiële receptie – ging al een stuk makkelijker dan de eerste en de tweede, en een paar dagen later merkte ik al dat ik steeds makkelijker sprak. Natuurlijk zijn kom ik nog regelmatig woorden tegen die ik niet ken, maar ik heb in elk geval mijn zelfvertrouwen weer een beetje terug – en dat is belangrijk als je voor je onderzoek deels afhankelijk bent van verbale communicatie.
De kunst van het spreken reikt natuurlijk verder dan het vermogen complexe grammaticale constructies correct te gebruiken, en fraai jargon te beheersen. Spreken is communiceren, en communiceren is het delen van informatie. Dat geldt helemaal voor mensen die doceren, die lezingen en presentaties geven. Uiteindelijk draait het daarbij niet om de spreker – hoe fraai gecomponeerd zijn of haar discours ook mag zijn – maar om het publiek. Als dat het verhaal niet kan volgen maakt dat het verhaal waardeloos. Een goede spreker is daarom eerst en vooral een goede verteller. Z/hij moet in staat zijn het publiek te boeien door ze mee te nemen in een verhaal. Dat mag best moeilijk en ingewikkeld zijn, maar het moet wel verteld worden, niet gereciteerd of voorgelezen. Een gesproken presentatie is van een fundamenteel ander genre dan een geschreven tekst, en moet zodoende voldoen aan andere regels om succesvol te zijn. Regel één: maak contact met je publiek, vertel ze een verhaal. Het gaat om hen, niet om jou.
Helaas, het is een bewustzijn dat niet tot alle wetenschappers is doorgedrongen. Regelmatig heb ik lezingen bijgewoond waar de spreker een geschreven artikel van begin tot einde voorlas, zonder het publiek te engageren, of ook maar contact te maken. Ik haak dan meestal af, en verbijt me. Spreken is een kunst die lang niet alle wetenschappers beheersen, om over studenten maar helemaal niet te spreken. Jammer, want als je de basisregels eenmaal beheerst worden je lezingen of colleges direct een flink stuk interessanter. De inhoud hoeft daarbij niet veranderd te worden – het gaat om de manier waarop die inhoud gecommuniceerd wordt.
Japan is helemaal een ramp op dit gebied. Bij de term ‘workshop’ denkt men aan een combinatie van les en training, een soort werkcolleges, waarbij veel ruimte is voor oefening en vragen. Maar laten we het erop houden dat niet alle docenten hier ter lande er een zelfde interpretatie op na houden. Geloof me, als iemand drie uur lang aan één stuk door praat over om het even welk onderwerp, dan haak je vroeger of later af. Als die persoon dan ook nog eens meer aandacht heeft voor haar eigen aantekeningen en microfoon dan voor haar publiek, dat ze niettemin bestookt met specialistisch jargon uit de wereld van de wetgeving, dan haak je wel heel snel af - hoe mooi haar zinnen ook gebouwd zijn.
Dat gezegd hebbende, men moet een gegeven paard niet teveel in de bek kijken, en ik ben tevreden met de grote hoeveelheid nieuwe dingen die ik geleerd heb. Ik ben ook dankbaar voor de logistieke hulp die ik heb gekregen bij het verzamelen van eigen onderzoeksmateriaal, en voor de kans om voor het eerst een officiële presentatie van mijn onderzoek te geven in het Japans, vorige week zaterdag. Toen moest ik pas echt het diepe in. Een presentatie geven in het Engels of het Nederlands is al spannend genoeg, maar in het Japans is het helemaal eng, dus ik kneep hem behoorlijk.
Gelukkig ging het aardig. Ik was zo slim geweest om mijn presentatie te beginnen met een voorbeeld dat iedereen kende: Tonari no Totoro. Vervolgens had ik de aandacht van mijn publiek, en kon ik verder vertellen over mijn onderzoek. Ik geloof dat men mij redelijk kon volgen. Ik betrapte mezelf op twee foutjes, en ik struikelde een of twee keer over mijn woorden, maar verder wist ik me aardig te redden. Ik had de indruk dat ik mijn publiek wel wist te boeien, al is dat altijd lastig in te schatten. Maar belangrijk vind ik het wel. Als ik een verhaal vertel, dan wil ik iets delen. Dan wil ik boeien. Zelfs in het Japans, zelfs in een taal waar ik af en toe nog flink mee worstel. Je zult mij niet afstandelijk iets horen voorlezen, want ik wil mijn verhaal delen. Diep in mijn hart blijf ik een acteur, ook nu ik me wetenschapper mag noemen.
Laat ik het eerst maar eens over die workshop hebben. Al kwam ik niet aan schrijven toe, ik heb veel kunnen spreken en luisteren. De workshop was gericht op het verkrijgen van onderzoeksmateriaal in het huidige Japan, dus we leerden over verschillende databases, zoekmachines en gedigitaliseerde archieven. De deelnemers kwamen uit verschillende landen, maar de workshop werd geheel in het Japans gehouden. Vijf van de negen deelnemers waren onderzoekers, de vier andere werkten in buitenlandse universiteitsbibliotheken met Japanse materialen. De onderwerpen varieerden van politiek tot sociologie, en van het vinden van Japanse wetten tot het gebruik van sociale netwerksites. We hadden vier volle dagen met werkcolleges. (Voor een journalistiek verslag, klik hier.) Daarnaast kregen we twee dagen om zelf onderzoek te gaan doen in deze of gene bibliotheek, en moesten we een korte lezing geven over onze respectievelijke onderzoeksprojecten. Al met al een druk programma.
Zoals u in mijn vorige verhaal heeft kunnen lezen was ik tamelijk zenuwachtig toen ik vorige week naar Japan kwam. Mijn zorgen betroffen onder meer mijn taalkennis. Toen ik vijf jaar geleden in Japan studeerde had ik een relatief hoog niveau: ik sprak de taal probleemloos, ik verstond het meeste van wat ik hoorde, en ik kon een beetje lezen, al moest ik nog wel karakters opzoeken. Had ik vervolgens doorgezet, dan had mijn Japans nu niet ondergedaan voor mijn Engels. Maar ik raakte geïnteresseerd in antropologische theorie en in filosofie; ik volgde colleges over politieke antropologie, structuralisme, mythevorming en godsdienstwetenschappelijke theorie, in plaats van mijn taalkennis te perfectioneren. Spijt heb ik daar niet van – per slot van rekening liggen mijn academische ambities deels op het gebied van theorievorming – maar het heeft er wel voor gezorgd dat ik nog steeds enigszins onzeker ben over mijn taalkennis, en mijn kennis van vocabulaire en karakters naar mijn eigen mening nog te beperkt is. Daarbij komt het eenvoudige feit dat ik de afgelopen vijf jaar niet meer in Japan ben geweest, waardoor het niet meer dan natuurlijk is dat de taal een beetje is weggezakt.
Ik moest gelijk het diepe in, vorige week. Nog half dronken van de jetlag moest ik op maandagochtend gelijk een jikoshōkai geven. Een jikoshōkai is veel meer dan even kort jezelf voorstellen: het is een geritualiseerde vorm van verbale autobiografie, waarbij de spreker niet alleen bewust kiest welke informatie z/hij over zichzelf prijsgeeft, maar ook impliciet aangeeft hoe z/hij zich verhoudt tot de andere aanwezigen. Dat hangt samen met het feit dat Japans is een taal die meerdere niveaus van beleefdheid kent, variërend van grof en informeel tot standaard formeel tot uitermate nederig en hoogachtend. Het kiezen van de juiste formulering luistert daarom nauw, en heeft een directe sociale relevantie.
De zaak wordt gecompliceerd door het feit dat hoe hoger het niveau van beleefdheid is, hoe gecompliceerder de grammaticale constructies zijn, en hoe moeilijker het wordt om correct te spreken – maar des te belangrijker. Ter illustratie: als je beleefd spreekt zeg je niet gewoon ‘ik zou graag willen deelnemen aan deze workshop’ – dat wil zeggen, je kunt niet gewoon het werkwoord ‘deelnemen’ vervoegen met de uitgang van willen, en dan laten volgen door ‘ik denk dat’ met de gangbare beleefde uitgang. Niet beleefd genoeg. In plaats daarvan geef je het werkwoord de uitgang van de causativus – iemand iets laten doen – gevolgd door het nederige werkwoord voor ontvangen, gevolgd door ‘ik denk dat’ met de beleefde uitgang. Logisch, nietwaar?
Het zal geen verbazing wekken dat de taal met de grootste verschillen tussen niveaus van beleefdheid gesproken wordt in een land waar sociale verhoudingen niet alleen situationeel bepaald zijn, maar ook, afhankelijk van de situatie, een in hoge mate geformaliseerd en geritualiseerd karakter hebben. De kunst van het netwerken is nergens zo gespecialiseerd als hier, de uitwisseling van visitekaartjes is een belangrijke rituele bevestiging van elke formele eerste ontmoeting, en connecties zijn van levensbelang. Voeg dat bij het simpele feit dat een eerste indruk altijd lang blijft hangen – om het even waar – en het belang van een fatsoenlijke jikoshōkai zal duidelijk zijn.
We mochten drie keer aan de bak, die eerste maandag. Ik vond het al eng genoeg mezelf formeel voor te stellen aan de andere deelnemers, maar dat was niets vergeleken bij wat ons later die dag stond te wachten: een bezoek aan de hoogste baas van de nationale bibliotheek, die onze workshop mede had georganiseerd. We mochten naar de hoogste verdieping van het gebouw, waar de muren van donker hout waren en een dik tapijt op de grond lag. We mochten zitten aan de zware houten vergadertafel, kregen groene thee, en moesten ons in ons allerbeleefdste Japans voorstellen. Ik deed mijn best, maar ik haalde het niet bij het vlekkeloze nederige taalgebruik van de Amerikaanse deelneemster, die imposante grammaticale constructies uit haar mouw schudde alsof het niets was. Ik was al lang blij dat ik geen gênante fouten maakte.
De beste manier om een taal op te halen is het voortdurend te spreken en luisteren. De workshop werd gehouden in formeel, academisch Japans, hetgeen voorwaar een uitdaging was. Als ik mij concentreerde kon ik het meeste volgen, maar als ik mijn gedachten te lang liet afdwalen moest ik moeite doen de draad weer op te pakken. Gelukkig had ik mijn elektronische woordenboek bij me, zodat ik af en toe een woordje kon opzoeken. En toen bleek het tot mijn eigen verbazing opeens behoorlijk goed te gaan, en bleek ik in staat gecompliceerd Japans grotendeels te kunnen volgen – zolang er niet te veel specialistisch juridisch of politiek jargon gebruikt werd, tenminste, want toen dat gebeurde moest ik afhaken (niet als enige, gelukkig – zelfs de Japanse deelnemers hadden moeite dat te volgen). Maar over het algemeen kon ik behoorlijk meekomen, hetgeen een hele opluchting was.
Voor mijn spreken gold hetzelfde als voor mijn luistervaardigheid. Die eerste dag struikelde ik nog wel eens over mijn woorden, maakte ik niet alle zinnen af, en had ik moeite vocabulaire te vinden om over de meer theoretische aspecten van mijn onderzoeksproject te spreken. Maar de derde jikoshōkai van de dag – tijdens de officiële receptie – ging al een stuk makkelijker dan de eerste en de tweede, en een paar dagen later merkte ik al dat ik steeds makkelijker sprak. Natuurlijk zijn kom ik nog regelmatig woorden tegen die ik niet ken, maar ik heb in elk geval mijn zelfvertrouwen weer een beetje terug – en dat is belangrijk als je voor je onderzoek deels afhankelijk bent van verbale communicatie.
De kunst van het spreken reikt natuurlijk verder dan het vermogen complexe grammaticale constructies correct te gebruiken, en fraai jargon te beheersen. Spreken is communiceren, en communiceren is het delen van informatie. Dat geldt helemaal voor mensen die doceren, die lezingen en presentaties geven. Uiteindelijk draait het daarbij niet om de spreker – hoe fraai gecomponeerd zijn of haar discours ook mag zijn – maar om het publiek. Als dat het verhaal niet kan volgen maakt dat het verhaal waardeloos. Een goede spreker is daarom eerst en vooral een goede verteller. Z/hij moet in staat zijn het publiek te boeien door ze mee te nemen in een verhaal. Dat mag best moeilijk en ingewikkeld zijn, maar het moet wel verteld worden, niet gereciteerd of voorgelezen. Een gesproken presentatie is van een fundamenteel ander genre dan een geschreven tekst, en moet zodoende voldoen aan andere regels om succesvol te zijn. Regel één: maak contact met je publiek, vertel ze een verhaal. Het gaat om hen, niet om jou.
Helaas, het is een bewustzijn dat niet tot alle wetenschappers is doorgedrongen. Regelmatig heb ik lezingen bijgewoond waar de spreker een geschreven artikel van begin tot einde voorlas, zonder het publiek te engageren, of ook maar contact te maken. Ik haak dan meestal af, en verbijt me. Spreken is een kunst die lang niet alle wetenschappers beheersen, om over studenten maar helemaal niet te spreken. Jammer, want als je de basisregels eenmaal beheerst worden je lezingen of colleges direct een flink stuk interessanter. De inhoud hoeft daarbij niet veranderd te worden – het gaat om de manier waarop die inhoud gecommuniceerd wordt.
Japan is helemaal een ramp op dit gebied. Bij de term ‘workshop’ denkt men aan een combinatie van les en training, een soort werkcolleges, waarbij veel ruimte is voor oefening en vragen. Maar laten we het erop houden dat niet alle docenten hier ter lande er een zelfde interpretatie op na houden. Geloof me, als iemand drie uur lang aan één stuk door praat over om het even welk onderwerp, dan haak je vroeger of later af. Als die persoon dan ook nog eens meer aandacht heeft voor haar eigen aantekeningen en microfoon dan voor haar publiek, dat ze niettemin bestookt met specialistisch jargon uit de wereld van de wetgeving, dan haak je wel heel snel af - hoe mooi haar zinnen ook gebouwd zijn.
Dat gezegd hebbende, men moet een gegeven paard niet teveel in de bek kijken, en ik ben tevreden met de grote hoeveelheid nieuwe dingen die ik geleerd heb. Ik ben ook dankbaar voor de logistieke hulp die ik heb gekregen bij het verzamelen van eigen onderzoeksmateriaal, en voor de kans om voor het eerst een officiële presentatie van mijn onderzoek te geven in het Japans, vorige week zaterdag. Toen moest ik pas echt het diepe in. Een presentatie geven in het Engels of het Nederlands is al spannend genoeg, maar in het Japans is het helemaal eng, dus ik kneep hem behoorlijk.
Gelukkig ging het aardig. Ik was zo slim geweest om mijn presentatie te beginnen met een voorbeeld dat iedereen kende: Tonari no Totoro. Vervolgens had ik de aandacht van mijn publiek, en kon ik verder vertellen over mijn onderzoek. Ik geloof dat men mij redelijk kon volgen. Ik betrapte mezelf op twee foutjes, en ik struikelde een of twee keer over mijn woorden, maar verder wist ik me aardig te redden. Ik had de indruk dat ik mijn publiek wel wist te boeien, al is dat altijd lastig in te schatten. Maar belangrijk vind ik het wel. Als ik een verhaal vertel, dan wil ik iets delen. Dan wil ik boeien. Zelfs in het Japans, zelfs in een taal waar ik af en toe nog flink mee worstel. Je zult mij niet afstandelijk iets horen voorlezen, want ik wil mijn verhaal delen. Diep in mijn hart blijf ik een acteur, ook nu ik me wetenschapper mag noemen.
Thursday, 4 November 2010
Noorse les
Vorige week zijn we begonnen aan onze cursus Noors. Elke woensdagmiddag hebben we drie uur les. Er zijn ongeveer vijftien leerlingen, allemaal wetenschappers en hun partners. Zeker tien nationaliteiten zijn er vertegenwoordigd. De docente is een vrolijke en vlotte jonge vrouw die Inger heet. Ze doet het prima.
Nhung en ik hebben de basisgroep overgeslagen, en zitten nu in groep twee. Het niveau ligt niet al te hoog, want de beta's moeten het ook kunnen volgen, maar het is moeilijk genoeg om leuk te blijven.
Vandaag is de tweede les. Het thema: familie. De docente schrijft een zin op het bord, die u ook zonder enige voorkennis van de Noorse taal wel zult begrijpen: Er familie viktig i Norge? Ja, dat haal je de koekoek. Geen enkel volk zegt van zichzelf dat het familie niet belangrijk vindt. Het belang van familiebanden speelt een centrale rol in om het even welke nationale ideologie.
Maar het klopt wel: Noren zijn behoorlijk familieziek. Men gaat voor vijf uur huiswaarts, want de avond dient thuis doorgebracht, met partner en kinderen. Het weekend is al net zo heilig, want dan gaat het hele gezin er samen op uit. Het bos is dan vol met buggy's, draagzakken en kraaiend grut. Alles van kop tot teen ingepakt, natuurlijk, compleet met bivakmutsen en reflecterende hesjes.
Dat Noren veel belang hechten aan hun familie is dus wel duidelijk. Maar de vraag is natuurlijk wat er verstaan wordt onder de term 'familie'. Dat is namelijk niet overal hetzelfde, zo blijkt vandaag.
De docente schrijft de namen voor verschillende familieleden op het bord. Ze begint met mamma en pappa, of mor en far. Mama eerst, natuurlijk. We leren ook dat mama de kone is van papa, en papa de mann van mama. Zij hebben twee barn (kinderen), een sønn en een datter, die elkaars bror en søster zijn. Tot zover weinig bijzonders.
Was ik de docent geweest, dan was ik nu verder gegaan met de grootouders, gevolgd door de ooms en tantes. Maar in plaats daarvan verschijnen op het bord de woorden samboer, de partner met wie je samenwoont, en kjæreste, vriend(innet)je. Je hoeft niet getrouwd te zijn om een gezinnetje te beginnen, natuurlijk, wat dat betreft is Noorwegen hetzelfde als Nederland.
Daarna wordt het pas echt interessant. De docente schrijft de woorden halvbror, halvsøster, stebror en stesøster op het bord. (Die hoef ik niet te vertalen, toch?) Vervolgens schrijft ze bonusbarn.
Wat is in godsnaam een 'bonuskind', zult u zich afvragen, en u bent niet de enige. Welnu, volgens onze docente is dit het woord dat gebruikt wordt voor de kinderen van je partner. Dat wil zeggen: de kinderen die je partner heeft overgehouden aan een eerdere relatie, en waar jij vervolgens voor mag zorgen, zijn je 'bonuskinderen'.
Pas dan verschijnen, in een hoekje van het inmiddels gevulde schoolbord, bestemor en bestefar (grootmoeder en grootvader). Ooms en tantes blijven evenwel onbenoemd. Wel krijgen we, als klap op de vuurpijl, het woord likekjønnetekteskap cadeau. Homohuwelijk, noemen we dat in Nederland.
Een gedeelte van de klas begint zich te roeren. Niet vanwege het feit dat homo's in Noorwegen kunnen trouwen - 's lands wijs, 's lands eer - maar wel vanwege het feit dat tussen alle samenwoners en stiefzussen en bonuskinderen geen plaats is voor ooms, tantes, neven en nichten.
Vooral de Italiaanse studenten maken bezwaar, en ik sluit me bij hen aan. Sinds een half jaar heb ik niet alleen Vietnamese schoonzusters en zwagers, maar ook vier neefjes en twee nichtjes, en ondanks alle communicatieproblemen zijn ze belangrijk voor me. Ook heb ik een goede band met veel van mijn ooms, tantes, neven en nichten. Halfbroers en stiefzusjes heb ik daarentegen niet - laat staan bonuskinderen.
Ingers reactie is veelzeggend. Ze ziet haar ooms en tantes een of twee keer per jaar. Haar zoontje kent de namen van zijn neven en nichten niet. Het gezin mag heilig zijn in Noorwegen, het is een kleine eenheid. Extended family kent men nauwelijks. De Italianen staren haar met open mond aan.
Niet iedereen volgt de hele discussie. Het duurt even voordat de Tanzaniaanse man achter in de klas doorheeft waar we het over hebben. Hij was even weggedroomd, maar als hij hoort dat neven en nichten in Noorwegen niet belangrijk gevonden worden schrikt hij op.
Zijn reactie brengt bij mij een antropologiecollege dat ik jaren geleden bijwoonde in herinnering. De professor vertelde over het belang van extended family in Oost-Afrika. Bij de Masaï, zo leerden we, zijn oudere vrouwelijke familieleden verantwoordelijk voor de socialisatie van kinderen in de gemeenschap. Ze zijn ook verantwoordelijk voor de seksuele socialisatie van puberjongens, door ze de fijne kneepjes van het vak bij te brengen.
'What about the aunts? NOT EVEN THE AUNTS!?' roept mijn klasgenoot luid, zijn stem vol onbegrip en verontwaardiging.
God zegene de cultuurverschillen. Het leren van een nieuwe taal wordt er nog leuker van.
Nhung en ik hebben de basisgroep overgeslagen, en zitten nu in groep twee. Het niveau ligt niet al te hoog, want de beta's moeten het ook kunnen volgen, maar het is moeilijk genoeg om leuk te blijven.
Vandaag is de tweede les. Het thema: familie. De docente schrijft een zin op het bord, die u ook zonder enige voorkennis van de Noorse taal wel zult begrijpen: Er familie viktig i Norge? Ja, dat haal je de koekoek. Geen enkel volk zegt van zichzelf dat het familie niet belangrijk vindt. Het belang van familiebanden speelt een centrale rol in om het even welke nationale ideologie.
Maar het klopt wel: Noren zijn behoorlijk familieziek. Men gaat voor vijf uur huiswaarts, want de avond dient thuis doorgebracht, met partner en kinderen. Het weekend is al net zo heilig, want dan gaat het hele gezin er samen op uit. Het bos is dan vol met buggy's, draagzakken en kraaiend grut. Alles van kop tot teen ingepakt, natuurlijk, compleet met bivakmutsen en reflecterende hesjes.
Dat Noren veel belang hechten aan hun familie is dus wel duidelijk. Maar de vraag is natuurlijk wat er verstaan wordt onder de term 'familie'. Dat is namelijk niet overal hetzelfde, zo blijkt vandaag.
De docente schrijft de namen voor verschillende familieleden op het bord. Ze begint met mamma en pappa, of mor en far. Mama eerst, natuurlijk. We leren ook dat mama de kone is van papa, en papa de mann van mama. Zij hebben twee barn (kinderen), een sønn en een datter, die elkaars bror en søster zijn. Tot zover weinig bijzonders.
Was ik de docent geweest, dan was ik nu verder gegaan met de grootouders, gevolgd door de ooms en tantes. Maar in plaats daarvan verschijnen op het bord de woorden samboer, de partner met wie je samenwoont, en kjæreste, vriend(innet)je. Je hoeft niet getrouwd te zijn om een gezinnetje te beginnen, natuurlijk, wat dat betreft is Noorwegen hetzelfde als Nederland.
Daarna wordt het pas echt interessant. De docente schrijft de woorden halvbror, halvsøster, stebror en stesøster op het bord. (Die hoef ik niet te vertalen, toch?) Vervolgens schrijft ze bonusbarn.
Wat is in godsnaam een 'bonuskind', zult u zich afvragen, en u bent niet de enige. Welnu, volgens onze docente is dit het woord dat gebruikt wordt voor de kinderen van je partner. Dat wil zeggen: de kinderen die je partner heeft overgehouden aan een eerdere relatie, en waar jij vervolgens voor mag zorgen, zijn je 'bonuskinderen'.
Pas dan verschijnen, in een hoekje van het inmiddels gevulde schoolbord, bestemor en bestefar (grootmoeder en grootvader). Ooms en tantes blijven evenwel onbenoemd. Wel krijgen we, als klap op de vuurpijl, het woord likekjønnetekteskap cadeau. Homohuwelijk, noemen we dat in Nederland.
Een gedeelte van de klas begint zich te roeren. Niet vanwege het feit dat homo's in Noorwegen kunnen trouwen - 's lands wijs, 's lands eer - maar wel vanwege het feit dat tussen alle samenwoners en stiefzussen en bonuskinderen geen plaats is voor ooms, tantes, neven en nichten.
Vooral de Italiaanse studenten maken bezwaar, en ik sluit me bij hen aan. Sinds een half jaar heb ik niet alleen Vietnamese schoonzusters en zwagers, maar ook vier neefjes en twee nichtjes, en ondanks alle communicatieproblemen zijn ze belangrijk voor me. Ook heb ik een goede band met veel van mijn ooms, tantes, neven en nichten. Halfbroers en stiefzusjes heb ik daarentegen niet - laat staan bonuskinderen.
Ingers reactie is veelzeggend. Ze ziet haar ooms en tantes een of twee keer per jaar. Haar zoontje kent de namen van zijn neven en nichten niet. Het gezin mag heilig zijn in Noorwegen, het is een kleine eenheid. Extended family kent men nauwelijks. De Italianen staren haar met open mond aan.
Niet iedereen volgt de hele discussie. Het duurt even voordat de Tanzaniaanse man achter in de klas doorheeft waar we het over hebben. Hij was even weggedroomd, maar als hij hoort dat neven en nichten in Noorwegen niet belangrijk gevonden worden schrikt hij op.
Zijn reactie brengt bij mij een antropologiecollege dat ik jaren geleden bijwoonde in herinnering. De professor vertelde over het belang van extended family in Oost-Afrika. Bij de Masaï, zo leerden we, zijn oudere vrouwelijke familieleden verantwoordelijk voor de socialisatie van kinderen in de gemeenschap. Ze zijn ook verantwoordelijk voor de seksuele socialisatie van puberjongens, door ze de fijne kneepjes van het vak bij te brengen.
'What about the aunts? NOT EVEN THE AUNTS!?' roept mijn klasgenoot luid, zijn stem vol onbegrip en verontwaardiging.
God zegene de cultuurverschillen. Het leren van een nieuwe taal wordt er nog leuker van.
Monday, 7 June 2010
Een taal leren
Wanneer ik door een buitenlander in het Nederlands word aangesproken, praat ik altijd in het Nederlands terug. Ook al kan ik aan zijn accent horen dat hij uit Engeland, Duitsland of Verweggistan komt, en ook al is zijn kennis van het Nederlands nog zo beperkt, als hij de moed heeft Nederlands te spreken, dan moedig ik dat aan. Ook spreek ik buitenlandse vrienden die bezig zijn de Nederlandse taal te leren regelmatig in het Nederlands aan. Het belangrijkste voor het goed leren van een taal is immers het overwinnen van psychologische barrières als gêne en onzekerheid. Dus spreek maar, klets maar, maak maar fouten - zo leer je het snelst. Ik help je graag.
Ik ben daarin niet uniek, maar ik behoor wel tot een minderheid. Veel meertalige mensen hebben de vreemde neiging anderen het recht te misgunnen zich hun taal eigen te maken. Dat geldt nadrukkelijk niet voor mensen die Engels als moedertaal hebben, want hun taal is de huidige lingua franca van de wereld. Het geldt nadrukkelijk wel voor mensen die een taal spreken die min of meer direct verbonden is aan een bepaalde nationale identiteit, zoals Nederlanders, Fransen, Japanners en Vietnamezen.
Voorbeelden te over. Toeristen in Frankrijk mogen graag mopperen over het feit dat weinig Fransen Engels spreken, maar daar staat tegenover dat veel jonge Fransen die wel de Engelse taal beheersen de vervelende neiging hebben met niet-francofone anderen überhaupt geen Frans te willen spreken. Zo hebben in het buitenland woonachtige Fransen niet zelden de gewoonte hun eigen taal volledig te vermijden, tenzij ze met landgenoten zijn (in dat geval schakelen ze opgelucht over op die verfoeilijke jeugdtaal van ze, quoi, waarbij alle nedroow diaardegmo worden, quoi). Als je ze in accentloos Frans aanspreekt, loop je het risico in het Engels gevraagd te worden waarom je Frans zo goed is, en waar je het geleerd hebt - met een zwaar accent, natuurlijk, want de eerste Fransman die accentloos een vreemde taal spreekt moet nog geboren worden.
Japanners kunnen er ook wat van. Gek genoeg zijn mensen in Japanse grote steden er inmiddels aardig aan gewend buitenlanders te ontmoeten die vloeiend Japans spreken, maar zodra ze de grens oversteken verandert dat, en komen nationalistische reflexen op. De meeste Japanners die ik in Vietnam ontmoet heb weigeren domweg mij in het Japans te beantwoorden, en brabbelen dus maar een beetje in hun beroerde Engrish. Misplaatste beleefdheid? Misschien, maar volgens mij ligt er iets heel anders aan ten grondslag: de diepgewortelde overtuiging dat de Japanse taal het unieke geestelijke eigendom is van het Japanse volk, nauw verbonden aan nationale identiteit, principieel niet te doorgronden door buitenlanders. In Hoi An, waar ik Japanse les gaf aan het plaatselijke universiteitje, kreeg ik zelfs te maken met subtiele pesterijtjes - geheel onschuldig, maar bijzonder effectief in het ondergraven van zelfvertrouwen.
Ik hou er niet van met Fransen, Japanners of Duitsers Engels te moeten spreken. Ik spreek liever Frans, Japans of Duits - of Nederlands, natuurlijk. (Ik hou er eerlijk gezegd ook niet van met Spanjaarden, Italianen of Zweden Engels te spreken, maar mijn kennis van het Spaans, Italiaans en Zweeds is dusdanig beroerd dat er weinig anders op zit.) En ik hou er ook niet van met mijn vrouw Engels te spreken. Liever communiceer ik in het Vietnamees of het Nederlands. Helaas is onze kennis van elkaars talen nog beperkt. Maar ik spreek inmiddels gelukkig een aardig mondje Vietnamees, al is het nog verre van voldoende om een serieus gesprek te kunnen voeren.
Er is één probleem. De grammatica van het Vietnamees is weliswaar eenvoudig, de uitspraak is dat niet. Wie een klinker een tikje ongewoon uitspreekt, of met de verkeerde intonatie, wordt niet begrepen. Vietnamezen zijn bijzonder slecht in het verstaan van vreemde accenten, al zijn woordkeuze en grammatica nog zo correct. Dat is opmerkelijk, gezien het feit dat 'het' Vietnamees helemaal niet bestaat. Geen mens spreekt algemeen beschaafd Vietnamees. 'Het' Vietnamees is een verzamelnaam voor ten minste vier verschillende talen, en tientallen dialecten. Deze vertonen weliswaar flinke gelijkenis, maar kennen ook aanzienlijke verschillen, juist op het gebied van de uitspraak van klinkers en tonen. (Voor de goede orde: dan hebben we het nog niet eens over de tientallen minderheidstalen die Vietnam kent - die zijn vaak helemaal niet verwant aan het Vietnamees, maar bijvoorbeeld aan het Thais, het Khmer of het Tibetaans.)
Een voorbeeldje: vraag iemand uit Hanoi, iemand uit Haiphong, iemand uit Vinh, iemand uit Danang, iemand uit Saigon en iemand uit Can Tho om het woord phở (het meest populaire nationale gerecht) uit te spreken, en je krijgt zes verschillende antwoorden. Dat kleine vraagtekentje op de klinker staat voor een bepaalde intonatie, maar niemand schijnt te weten wat de juiste intonatie is.
Mijn uitspraak is aanzienlijk beter dan die van vrijwel alle buitenlanders die ik hier ontmoet heb. Eenoog in het land der blinden, dat weet ik wel, maar ik wil maar zeggen dat mijn uitspraak weliswaar niet perfect is, maar toch alleszins acceptabel. Echter, mijn probleem is dat mijn vrouw een andere taal spreekt dan het Vietnamees van Hanoi - en natuurlijk neem ik haar uitspraak over. Zij verstaat me prima, en complimenteert me geregeld met mijn uitspraak. Maar als ik Vietnamees probeer te spreken met de dames op het kantoor van mijn school verdwijnt mijn zelfvertrouwen als sneeuw voor de zon.
Zoals gezegd: Vietnamezen zijn beroerd waar het gaat om het herkennen van woorden, zodra deze met een ander accent uitgesproken worden. Het is een van de redenen waarom mijn vrouw als ze met mensen hier spreekt vaak meermalen moet herhalen wat ze zegt. Dat probleem heb ik ook. Als je, als beginnende spreker van een taal, keer op keer niet-begrijpend wordt aangekeken, wordt de drempel om die taal te gaan spreken steeds hoger. Het simpele woordje để sau (later), waarvan ik de precieze intonatie was vergeten, bracht me enkele wanhopige minuten. En toen ik iemand vroeg of ze een markt of winkel wist waar we goede bưởi (pompelmoezen) zouden kunnen krijgen, werd ik recht in mijn gezicht uitgelachen. Ik sprak het woord volgens mij correct uit, precies zoals ik dat al een jaar doe, en precies zoals mijn vrouw het uitspreekt - maar het deed mijn gesprekspartner denken aan een niet-zo-netjes woord voor penis.
Hallo zeg, als ik eens zou beginnen mensen hier uit te lachen elke keer als ze fork uitspreken als fuck, of soortgelijke foutjes maken... En dit was niet eens een fout, het was simpelweg mijn accent. Hoe dan ook, dergelijke reacties zijn funest voor je zelfvertrouwen, en behoorlijk irritant. Zo worden mijn pogingen Vietnamees te praten effectief de grond in geboord.
Waarom zouden ze het doen? Begrijpen ze me echt niet? Misschien, maar doe dan op zijn minst een poging tot goed luisteren. Ook mijn vrouw wordt vaak niet direct begrepen, maar zij wordt niet in haar gezicht uitgelachen. Als een Braziliaan met een Zuid-Limburgs accent een gesprekje aanknoopt met iemand in Franeker zal hij ook niet direct begrepen worden. Dat hoeft ook niet. Maar geef hem op zijn minst de kans te zeggen wat hij wil, en doe je best te luisteren. Er is niets mis met een keertje 'wat zeg je?' vragen.
Maar ik geloof dat er meer aan de hand is, en dat er onbewust eenzelfde motief speelt als in het geval van veel Japanners. Vietnam is een uniek land, met een unieke taal, natuurlijk homogeen, en anders dan elk ander land, zo gaat de mythe. Het niet erkennen van de pogingen van de ander de taal te leren is een manier om jezelf als natie af te zonderen. Jij bent een buitenstaander, spreek jij maar lekker Engels, zoals het hoort - zo lijkt de boodschap te luiden. Het is een vorm van exclusivisme. Alsof je, wanneer je Vietnamees spreekt, een poging doet een taboe te doorbreken, en de natuurlijke orde der dingen in de war brengt. Uitlachen is dan een succesvol sanctiemiddel.
Maar dat mensen die in een talenschool werken zo weinig pedagogisch inzicht hebben, vind ik tamelijk schokkend. De enige die me daadwerkelijk aanmoedigen in mijn leerproces, en me complimenteren met mijn paar woordjes Vietnamees, zijn degenen van wie je het het minste zou verwachten: de schoonmaaksters. Hun enthousiasme naar aanleiding van een paar eenvoudige zinnetjes van mij is even hartverwarmend als bemoedigend.
Ik ben daarin niet uniek, maar ik behoor wel tot een minderheid. Veel meertalige mensen hebben de vreemde neiging anderen het recht te misgunnen zich hun taal eigen te maken. Dat geldt nadrukkelijk niet voor mensen die Engels als moedertaal hebben, want hun taal is de huidige lingua franca van de wereld. Het geldt nadrukkelijk wel voor mensen die een taal spreken die min of meer direct verbonden is aan een bepaalde nationale identiteit, zoals Nederlanders, Fransen, Japanners en Vietnamezen.
Voorbeelden te over. Toeristen in Frankrijk mogen graag mopperen over het feit dat weinig Fransen Engels spreken, maar daar staat tegenover dat veel jonge Fransen die wel de Engelse taal beheersen de vervelende neiging hebben met niet-francofone anderen überhaupt geen Frans te willen spreken. Zo hebben in het buitenland woonachtige Fransen niet zelden de gewoonte hun eigen taal volledig te vermijden, tenzij ze met landgenoten zijn (in dat geval schakelen ze opgelucht over op die verfoeilijke jeugdtaal van ze, quoi, waarbij alle nedroow diaardegmo worden, quoi). Als je ze in accentloos Frans aanspreekt, loop je het risico in het Engels gevraagd te worden waarom je Frans zo goed is, en waar je het geleerd hebt - met een zwaar accent, natuurlijk, want de eerste Fransman die accentloos een vreemde taal spreekt moet nog geboren worden.
Japanners kunnen er ook wat van. Gek genoeg zijn mensen in Japanse grote steden er inmiddels aardig aan gewend buitenlanders te ontmoeten die vloeiend Japans spreken, maar zodra ze de grens oversteken verandert dat, en komen nationalistische reflexen op. De meeste Japanners die ik in Vietnam ontmoet heb weigeren domweg mij in het Japans te beantwoorden, en brabbelen dus maar een beetje in hun beroerde Engrish. Misplaatste beleefdheid? Misschien, maar volgens mij ligt er iets heel anders aan ten grondslag: de diepgewortelde overtuiging dat de Japanse taal het unieke geestelijke eigendom is van het Japanse volk, nauw verbonden aan nationale identiteit, principieel niet te doorgronden door buitenlanders. In Hoi An, waar ik Japanse les gaf aan het plaatselijke universiteitje, kreeg ik zelfs te maken met subtiele pesterijtjes - geheel onschuldig, maar bijzonder effectief in het ondergraven van zelfvertrouwen.
Ik hou er niet van met Fransen, Japanners of Duitsers Engels te moeten spreken. Ik spreek liever Frans, Japans of Duits - of Nederlands, natuurlijk. (Ik hou er eerlijk gezegd ook niet van met Spanjaarden, Italianen of Zweden Engels te spreken, maar mijn kennis van het Spaans, Italiaans en Zweeds is dusdanig beroerd dat er weinig anders op zit.) En ik hou er ook niet van met mijn vrouw Engels te spreken. Liever communiceer ik in het Vietnamees of het Nederlands. Helaas is onze kennis van elkaars talen nog beperkt. Maar ik spreek inmiddels gelukkig een aardig mondje Vietnamees, al is het nog verre van voldoende om een serieus gesprek te kunnen voeren.
Er is één probleem. De grammatica van het Vietnamees is weliswaar eenvoudig, de uitspraak is dat niet. Wie een klinker een tikje ongewoon uitspreekt, of met de verkeerde intonatie, wordt niet begrepen. Vietnamezen zijn bijzonder slecht in het verstaan van vreemde accenten, al zijn woordkeuze en grammatica nog zo correct. Dat is opmerkelijk, gezien het feit dat 'het' Vietnamees helemaal niet bestaat. Geen mens spreekt algemeen beschaafd Vietnamees. 'Het' Vietnamees is een verzamelnaam voor ten minste vier verschillende talen, en tientallen dialecten. Deze vertonen weliswaar flinke gelijkenis, maar kennen ook aanzienlijke verschillen, juist op het gebied van de uitspraak van klinkers en tonen. (Voor de goede orde: dan hebben we het nog niet eens over de tientallen minderheidstalen die Vietnam kent - die zijn vaak helemaal niet verwant aan het Vietnamees, maar bijvoorbeeld aan het Thais, het Khmer of het Tibetaans.)
Een voorbeeldje: vraag iemand uit Hanoi, iemand uit Haiphong, iemand uit Vinh, iemand uit Danang, iemand uit Saigon en iemand uit Can Tho om het woord phở (het meest populaire nationale gerecht) uit te spreken, en je krijgt zes verschillende antwoorden. Dat kleine vraagtekentje op de klinker staat voor een bepaalde intonatie, maar niemand schijnt te weten wat de juiste intonatie is.
Mijn uitspraak is aanzienlijk beter dan die van vrijwel alle buitenlanders die ik hier ontmoet heb. Eenoog in het land der blinden, dat weet ik wel, maar ik wil maar zeggen dat mijn uitspraak weliswaar niet perfect is, maar toch alleszins acceptabel. Echter, mijn probleem is dat mijn vrouw een andere taal spreekt dan het Vietnamees van Hanoi - en natuurlijk neem ik haar uitspraak over. Zij verstaat me prima, en complimenteert me geregeld met mijn uitspraak. Maar als ik Vietnamees probeer te spreken met de dames op het kantoor van mijn school verdwijnt mijn zelfvertrouwen als sneeuw voor de zon.
Zoals gezegd: Vietnamezen zijn beroerd waar het gaat om het herkennen van woorden, zodra deze met een ander accent uitgesproken worden. Het is een van de redenen waarom mijn vrouw als ze met mensen hier spreekt vaak meermalen moet herhalen wat ze zegt. Dat probleem heb ik ook. Als je, als beginnende spreker van een taal, keer op keer niet-begrijpend wordt aangekeken, wordt de drempel om die taal te gaan spreken steeds hoger. Het simpele woordje để sau (later), waarvan ik de precieze intonatie was vergeten, bracht me enkele wanhopige minuten. En toen ik iemand vroeg of ze een markt of winkel wist waar we goede bưởi (pompelmoezen) zouden kunnen krijgen, werd ik recht in mijn gezicht uitgelachen. Ik sprak het woord volgens mij correct uit, precies zoals ik dat al een jaar doe, en precies zoals mijn vrouw het uitspreekt - maar het deed mijn gesprekspartner denken aan een niet-zo-netjes woord voor penis.
Hallo zeg, als ik eens zou beginnen mensen hier uit te lachen elke keer als ze fork uitspreken als fuck, of soortgelijke foutjes maken... En dit was niet eens een fout, het was simpelweg mijn accent. Hoe dan ook, dergelijke reacties zijn funest voor je zelfvertrouwen, en behoorlijk irritant. Zo worden mijn pogingen Vietnamees te praten effectief de grond in geboord.
Waarom zouden ze het doen? Begrijpen ze me echt niet? Misschien, maar doe dan op zijn minst een poging tot goed luisteren. Ook mijn vrouw wordt vaak niet direct begrepen, maar zij wordt niet in haar gezicht uitgelachen. Als een Braziliaan met een Zuid-Limburgs accent een gesprekje aanknoopt met iemand in Franeker zal hij ook niet direct begrepen worden. Dat hoeft ook niet. Maar geef hem op zijn minst de kans te zeggen wat hij wil, en doe je best te luisteren. Er is niets mis met een keertje 'wat zeg je?' vragen.
Maar ik geloof dat er meer aan de hand is, en dat er onbewust eenzelfde motief speelt als in het geval van veel Japanners. Vietnam is een uniek land, met een unieke taal, natuurlijk homogeen, en anders dan elk ander land, zo gaat de mythe. Het niet erkennen van de pogingen van de ander de taal te leren is een manier om jezelf als natie af te zonderen. Jij bent een buitenstaander, spreek jij maar lekker Engels, zoals het hoort - zo lijkt de boodschap te luiden. Het is een vorm van exclusivisme. Alsof je, wanneer je Vietnamees spreekt, een poging doet een taboe te doorbreken, en de natuurlijke orde der dingen in de war brengt. Uitlachen is dan een succesvol sanctiemiddel.
Maar dat mensen die in een talenschool werken zo weinig pedagogisch inzicht hebben, vind ik tamelijk schokkend. De enige die me daadwerkelijk aanmoedigen in mijn leerproces, en me complimenteren met mijn paar woordjes Vietnamees, zijn degenen van wie je het het minste zou verwachten: de schoonmaaksters. Hun enthousiasme naar aanleiding van een paar eenvoudige zinnetjes van mij is even hartverwarmend als bemoedigend.
Tuesday, 7 July 2009
Engelse namen
What's in a name? that which we call a rose
By any other name would smell as sweet
- William Shakespeare
In sommige Aziatische landen is het gebruikelijk om kinderen twee voornamen te geven: een naam in de eigen taal, en een Engelse naam. Dat geldt voor voormalige Britse koloniën als Hongkong en Singapore, maar ook voor een land als Taiwan. Wanneer ze in contact komen met buitenlanders heten Li en Chang plotseling niet meer Li en Chang, maar Danny en James. De laatste jaren nemen ook steeds meer Koreanen en Chinezen een Engelse naam naast hun eigenlijke voornaam. Wat de reden daarvoor is weet ik niet. Wellicht heeft het te maken met de wens om modern en internationaal te zijn, mogelijk ook met de aanname dat buitenlanders niet in staat zijn Koreaanse en Chinese namen te onthouden en uit te spreken. In mijn kennissenkring bevinden zich inmiddels onder meer een Sean, een Douglas, een Roy, een April, een Amy en een Irene. Hun eigenlijke namen zou ik u niet kunnen vertellen.
Japanners doen hier niet aan mee. Japanners hebben fraaie meerlettergrepige voornamen als Toshifune, Yasunari en Noriko. Ze hebben zelden middelnamen, laat staan Engelse namen. Wel korten ze hun namen vaak af, opdat buitenlandse kennissen ze kunnen onthouden. Toshifune en Yasunari worden dan Toshi en Yasu. Dat is jammer, maar het is altijd nog beter dan het inruilen van de eigen naam voor een suffe Engelse naam als Paul, Jack of Jenny. Dat weigeren Japanners pertinent. Terecht, naar mijn mening. Wanneer een Chinees me vertelt dat hij Jimmy heet krijg ik altijd een ongemakkelijk gevoel. Je hebt een mooie naam in je eigen taal, met een bepaalde achterliggende betekenis, geschreven in karakters, gegeven in overeenstemming met numerologische en astrologische voorschriften - en je ruilt die in voor, met alle respect, Jenny of Jimmy? Waarom dan toch...?
Ook Vietnamezen hebben mooie namen. Meisjes heten Hoa (bloem), Nguyệt (maan) of Minh (licht, helder); jongens hebben namen als Hùng (dapper) en Cường (sterk). Daarnaast hebben de meeste mensen een of twee middelnamen, en natuurlijk een familienaam. Slechts een enkeling heeft een westerse naam. De trend in andere Aziatische landen om naast de eigen naam een Engelse naam aan te nemen is nog niet echt tot Vietnam doorgedrongen. Vooralsnog hebben de meeste Vietnamezen geen Engelse reservenaam.
Daar begint evenwel langzaam verandering in te komen. Een van de redenen daarvoor is het feit dat Engelse talenscholen van hun studenten verwachten dat zij een Engelse naam aannemen. Waarom? In de eerste plaats omdat de meeste docenten buitenlanders zijn, die niet gewend zijn aan Vietnamese namen. Het duurt namelijk even voor je als buitenlander de juiste uitspraak van het Vietnamees onder de knie hebt. Hoe spreek je namen als Diễm en Tuyết uit? Niet als [Diem] en [Tujet], zoals je misschien zou verwachten, maar als [Yì-ím] en [Twiet?] - maar dat weet je niet als je hier net woont. Daarnaast zijn namen die je maar met moeite uit kunt spreken over het algemeen lastig te onthouden. Een en ander zou de aandacht maar afleiden van het onderwijs, en bovendien het gezag van de docent ondermijnen. Immers, hakkelende docenten maken over het algemeen geen zelfverzekerde indruk.
Maar waarom zou de docent zich niet de moeite kunnen getroosten om de namen van zijn studenten te bestuderen, en deze te onthouden? Een half uurtje oefenen, eventueel met een Vietnamese collega die de uitspraak corrigeert, moet voldoende zijn. Is dat teveel gevraagd? Wat mij betreft niet. Ik woon en werk nu eenmaal in Vietnam. Dan vind ik dat ik mij best een beetje mag inspannen om Vietnamese namen correct te leren uitspreken.
Wellicht is er nog iets anders aan de hand. Door van studenten te vragen dat zij hun naam veranderen - tijdens de les, ten minste - wordt een kunstmatig onderscheid geschapen tussen twee werelden: de wereld van de eigen cultuur en taal, en die andere wereld, het Westen. Taal is per slot van rekening een belangrijke marker van identiteit. Wie Engels spreekt, stapt een imaginaire grens over, en wordt zo een ander persoon. Daarbij hoort een andere naam. Ik ben ervan overtuigd dat bij Chinezen in Hongkong en Singapore eenzelfde motief een rol speelt: ze leven in twee werelden, culturen zo je wilt, en daarbij horen twee verschillende identiteiten. Immers, een naam is als een kostuum. Wanneer ik werk draag ik wat anders dan wanneer ik op reis ben, om maar eens wat te noemen. Het hebben van twee verschillende namen vergemakkelijkt het switchen tussen twee verschillende identiteiten, en maakt het zodoende eenvoudiger de twee werelden gescheiden te houden. Het is een strategie om de eigen traditie symbolisch af te schermen van externe invloeden. Het is niet My die Engels studeert - het is Cathy. My en Cathy zijn een en hetzelfde meisje, maar twee verschillende personen, symbolisch van elkaar gescheiden door hun naam.
Het is natuurlijk tamelijk ironisch dat alle studenten verplicht zijn een Engelse naam aan te nemen, terwijl de docent - ondergetekende - zelf geen Engelse naam heeft. Nu ligt de Friese taal, waaruit zijn naam afkomstig is, weliswaar wat dichter bij het Engels dan de Vietnamese, maar daar gaat het niet om. Wanneer de docent consequent zou zijn, zou hij zich Peter noemen - uitgesproken op zijn Engels, natuurlijk. Maar daar heeft hij helemaal geen zin in. Hij heet Aike, en hij heeft absoluut geen behoefte om zijn naam te veranderen. Zijn studenten mogen hem Aike noemen, of teacher, dat zal hem verder worst wezen - zo lang hij zelf maar geen Engelse naam hoeft aan te nemen. Alsof de Engelse taal voorbehouden zou zijn aan mensen met Engelse namen. Het mooie van die taal is nou juist dat ze door zoveel verschillende mensen op de wereld gesproken wordt. Leve de verschillen. Van mij mag iedereen gewoon zijn of haar eigen naam gebruiken.
Het zou wat zijn, als we voor elke taal die we leerden een nieuwe naam moesten aannemen. In dat geval zou ik maar liefst zes namen hebben. Best een leuke gedachte, eigenlijk. Mijn Engelse naam zou waarschijnlijk toch gewoon mijn middelnaam Peter zijn, daar kom ik niet onderuit. Maar voor mijn Franse naam zou ik vermoedelijk kiezen voor François Marie, en mijn Duitse naam zou ongetwijfeld Goldmund worden. Mijn Japanse naam zou Kikujirō zijn, en mijn Vietnamese naam Nhất Hạnh. En waarom zou ik het daarbij laten? Mocht ik ooit besluiten om Zweeds te gaan studeren, dan noem ik mezelf Karlsson; wordt het Perzisch, dan word ik Abū Alī; mijn Deense naam zou natuurlijk Søren zijn; en mocht ik ooit op het idee komen om Amhaars te gaan studeren, dan luidt mijn nieuwe naam Haile.








De meeste studenten kiezen hun Engelse naam pas tijdens de les. Het is de taak van de docent om nieuwe studenten een Engelse naam te geven. Daar pas ik echter voor. Ik kan namen verzinnen voor knuffelbeesten en voor huisdieren, maar voor mensen van vlees en bloed doe ik dat liever niet. Ik wacht nog even tot ik zelf kinderen heb, als u het niet erg vindt. Van mij mogen studenten dus hun eigen naam uitkiezen. Daar zijn ze oud en wijs genoeg voor. Alleen wanneer ze niets kunnen verzinnen wil ik ze wel enkele suggesties aan de hand doen, maar ze kiezen uiteindelijk zelf.
De meeste studenten kiezen voor vrij normale namen. Ik geef les aan Tina, Becky, Mary, Kevin, Tom, Donna, Vicky, William, enzovoorts. Maar niet iedereen is tevreden met een standaardnaam. Sommigen maken van de gelegenheid gebruik om zichzelf een fraai pseudoniem te verschaffen. Zo bevinden zich onder mijn studenten een Lion, een Friendship, een Pink, een Angel, een New, een Top en een Fahrenheit. Een bokkige puber eiste het recht op zichzelf Phantom te noemen. Van mij mag-ie. Een andere bokkige puber, die alle Engelse namen die ik hem voorstelde afwees, noemde zichzelf Reborn. Toe maar. Het maakte me wel nieuwsgierig naar zijn religieuze overtuigingen - maar misschien vond hij het gewoon een hippe naam. En een collega van mij heeft een Stinky bij haar in de klas zitten.
Leuk zijn ook de namen waar je nog nooit van gehoord hebt, maar die volgens de betreffende studenten wel degelijk 'Engels' zijn. Een wat oudere dame noemde zichzelf Kallynn, niet bepaald een veel voorkomende naam. Ze had een Canadese vriendin die zo heette, vandaar. Andere studenten noemden zich Lawliet, Kah en Mya - stuk voor stuk namen waar ik nog nooit van gehoord had, maar het bleken personages uit Japanse tekenfilms en stripboeken te zijn. Typisch Engels, inderdaad.
Een speciale categorie wordt gevormd door jongens met voetbalnamen. Nu heb je dat niet altijd direct door - David, Steven en Wayne zijn natuurlijk gewone Engelse namen. Maar als ze fan zijn van Zuid-Amerikaanse of Zuid-Europese spelers is het een ander verhaal. Zo heb ik een student met de naam Messi - voorwaar een veelvoorkomende Engelse voornaam! Echter, de voetballer Messi kan in Vietnam qua populariteit niet tippen aan de Portugese windbuil Christiano Ronaldo (zonder enige twijfel de meest overschatte speler uit de wereldgeschiedenis, maar dat terzijde - zag u hem spartelen, tijdens de Champions League-finale?). In bijna elke klas zit wel een Christiano of een Ronaldo. Maar van mij mogen ze. Het is niet aan mij om te beoordelen wat wel of niet een 'echte' Engelse naam is. Christiano is net zo goed een legitieme Engelse naam als Yusuf, Kazuo of Barack Hussein, om maar eens wat te noemen.
Dan zijn er nog de studenten die geen zin hebben van naam te veranderen. Veel zijn het er niet, maar toch. Vaak veranderen ze hun naam een klein beetje, pro forma. Zo geef ik les aan een Vy wier Engelse naam Vi is - of andersom, dat ben ik vergeten. En aan een Trang die haar naam verengelst heeft door er een Y achter te plakken: Trangy. Een andere Trang in een andere klas weigerde evenwel pertinent haar naam te veranderen. Naar de reden kon ik gissen. Ik had ook geen zin om het haar te vragen. Deze Trang is een klein donderwolkje, dat steevast in een hoekje van het klaslokaal zit te mokken terwijl de rest van de klas zich vermaakt. Ik heb haar nog niet op een glimlach kunnen betrappen. Maar van mij mag ze haar naam houden, ik kan er niet mee zitten.
De student met de meest bizarre naam zit niet bij mij in de klas, maar bij een collega van me. Zijn Engelse naam luidt Nixon. U leest het goed: Nixon. Voor de onwetenden onder u: Richard Nixon was president van de Verenigde Staten van 1969 tot 1974, en als zodanig verantwoordelijk voor het nodige bloedvergieten in Vietnam. Mijn collega, een Amerikaanse linkse rakker, was behoorlijk geschokt toen hij vernam wat de Engelse naam van deze student was. Hij vroeg hem waarom hij deze naam gekozen had. 'Omdat Nixon zoveel goeds voor het Vietnamese volk gedaan heeft,' antwoordde de student, naar verluidt zonder een spoortje cynisme in zijn stem. Dat geloof ik graag: cynisme en ironie zijn stijlvormen die men in Azië niet kent. De student méénde wat hij zei. Mijn collega stond perplex. Ik had graag zijn gezicht gezien op het moment dat hij zijn student deze woorden hoorde zeggen.
Tja. What's in a name...
By any other name would smell as sweet
- William Shakespeare
In sommige Aziatische landen is het gebruikelijk om kinderen twee voornamen te geven: een naam in de eigen taal, en een Engelse naam. Dat geldt voor voormalige Britse koloniën als Hongkong en Singapore, maar ook voor een land als Taiwan. Wanneer ze in contact komen met buitenlanders heten Li en Chang plotseling niet meer Li en Chang, maar Danny en James. De laatste jaren nemen ook steeds meer Koreanen en Chinezen een Engelse naam naast hun eigenlijke voornaam. Wat de reden daarvoor is weet ik niet. Wellicht heeft het te maken met de wens om modern en internationaal te zijn, mogelijk ook met de aanname dat buitenlanders niet in staat zijn Koreaanse en Chinese namen te onthouden en uit te spreken. In mijn kennissenkring bevinden zich inmiddels onder meer een Sean, een Douglas, een Roy, een April, een Amy en een Irene. Hun eigenlijke namen zou ik u niet kunnen vertellen.
Japanners doen hier niet aan mee. Japanners hebben fraaie meerlettergrepige voornamen als Toshifune, Yasunari en Noriko. Ze hebben zelden middelnamen, laat staan Engelse namen. Wel korten ze hun namen vaak af, opdat buitenlandse kennissen ze kunnen onthouden. Toshifune en Yasunari worden dan Toshi en Yasu. Dat is jammer, maar het is altijd nog beter dan het inruilen van de eigen naam voor een suffe Engelse naam als Paul, Jack of Jenny. Dat weigeren Japanners pertinent. Terecht, naar mijn mening. Wanneer een Chinees me vertelt dat hij Jimmy heet krijg ik altijd een ongemakkelijk gevoel. Je hebt een mooie naam in je eigen taal, met een bepaalde achterliggende betekenis, geschreven in karakters, gegeven in overeenstemming met numerologische en astrologische voorschriften - en je ruilt die in voor, met alle respect, Jenny of Jimmy? Waarom dan toch...?
Ook Vietnamezen hebben mooie namen. Meisjes heten Hoa (bloem), Nguyệt (maan) of Minh (licht, helder); jongens hebben namen als Hùng (dapper) en Cường (sterk). Daarnaast hebben de meeste mensen een of twee middelnamen, en natuurlijk een familienaam. Slechts een enkeling heeft een westerse naam. De trend in andere Aziatische landen om naast de eigen naam een Engelse naam aan te nemen is nog niet echt tot Vietnam doorgedrongen. Vooralsnog hebben de meeste Vietnamezen geen Engelse reservenaam.
Daar begint evenwel langzaam verandering in te komen. Een van de redenen daarvoor is het feit dat Engelse talenscholen van hun studenten verwachten dat zij een Engelse naam aannemen. Waarom? In de eerste plaats omdat de meeste docenten buitenlanders zijn, die niet gewend zijn aan Vietnamese namen. Het duurt namelijk even voor je als buitenlander de juiste uitspraak van het Vietnamees onder de knie hebt. Hoe spreek je namen als Diễm en Tuyết uit? Niet als [Diem] en [Tujet], zoals je misschien zou verwachten, maar als [Yì-ím] en [Twiet?] - maar dat weet je niet als je hier net woont. Daarnaast zijn namen die je maar met moeite uit kunt spreken over het algemeen lastig te onthouden. Een en ander zou de aandacht maar afleiden van het onderwijs, en bovendien het gezag van de docent ondermijnen. Immers, hakkelende docenten maken over het algemeen geen zelfverzekerde indruk.
Maar waarom zou de docent zich niet de moeite kunnen getroosten om de namen van zijn studenten te bestuderen, en deze te onthouden? Een half uurtje oefenen, eventueel met een Vietnamese collega die de uitspraak corrigeert, moet voldoende zijn. Is dat teveel gevraagd? Wat mij betreft niet. Ik woon en werk nu eenmaal in Vietnam. Dan vind ik dat ik mij best een beetje mag inspannen om Vietnamese namen correct te leren uitspreken.
Wellicht is er nog iets anders aan de hand. Door van studenten te vragen dat zij hun naam veranderen - tijdens de les, ten minste - wordt een kunstmatig onderscheid geschapen tussen twee werelden: de wereld van de eigen cultuur en taal, en die andere wereld, het Westen. Taal is per slot van rekening een belangrijke marker van identiteit. Wie Engels spreekt, stapt een imaginaire grens over, en wordt zo een ander persoon. Daarbij hoort een andere naam. Ik ben ervan overtuigd dat bij Chinezen in Hongkong en Singapore eenzelfde motief een rol speelt: ze leven in twee werelden, culturen zo je wilt, en daarbij horen twee verschillende identiteiten. Immers, een naam is als een kostuum. Wanneer ik werk draag ik wat anders dan wanneer ik op reis ben, om maar eens wat te noemen. Het hebben van twee verschillende namen vergemakkelijkt het switchen tussen twee verschillende identiteiten, en maakt het zodoende eenvoudiger de twee werelden gescheiden te houden. Het is een strategie om de eigen traditie symbolisch af te schermen van externe invloeden. Het is niet My die Engels studeert - het is Cathy. My en Cathy zijn een en hetzelfde meisje, maar twee verschillende personen, symbolisch van elkaar gescheiden door hun naam.
Het is natuurlijk tamelijk ironisch dat alle studenten verplicht zijn een Engelse naam aan te nemen, terwijl de docent - ondergetekende - zelf geen Engelse naam heeft. Nu ligt de Friese taal, waaruit zijn naam afkomstig is, weliswaar wat dichter bij het Engels dan de Vietnamese, maar daar gaat het niet om. Wanneer de docent consequent zou zijn, zou hij zich Peter noemen - uitgesproken op zijn Engels, natuurlijk. Maar daar heeft hij helemaal geen zin in. Hij heet Aike, en hij heeft absoluut geen behoefte om zijn naam te veranderen. Zijn studenten mogen hem Aike noemen, of teacher, dat zal hem verder worst wezen - zo lang hij zelf maar geen Engelse naam hoeft aan te nemen. Alsof de Engelse taal voorbehouden zou zijn aan mensen met Engelse namen. Het mooie van die taal is nou juist dat ze door zoveel verschillende mensen op de wereld gesproken wordt. Leve de verschillen. Van mij mag iedereen gewoon zijn of haar eigen naam gebruiken.
Het zou wat zijn, als we voor elke taal die we leerden een nieuwe naam moesten aannemen. In dat geval zou ik maar liefst zes namen hebben. Best een leuke gedachte, eigenlijk. Mijn Engelse naam zou waarschijnlijk toch gewoon mijn middelnaam Peter zijn, daar kom ik niet onderuit. Maar voor mijn Franse naam zou ik vermoedelijk kiezen voor François Marie, en mijn Duitse naam zou ongetwijfeld Goldmund worden. Mijn Japanse naam zou Kikujirō zijn, en mijn Vietnamese naam Nhất Hạnh. En waarom zou ik het daarbij laten? Mocht ik ooit besluiten om Zweeds te gaan studeren, dan noem ik mezelf Karlsson; wordt het Perzisch, dan word ik Abū Alī; mijn Deense naam zou natuurlijk Søren zijn; en mocht ik ooit op het idee komen om Amhaars te gaan studeren, dan luidt mijn nieuwe naam Haile.
De meeste studenten kiezen hun Engelse naam pas tijdens de les. Het is de taak van de docent om nieuwe studenten een Engelse naam te geven. Daar pas ik echter voor. Ik kan namen verzinnen voor knuffelbeesten en voor huisdieren, maar voor mensen van vlees en bloed doe ik dat liever niet. Ik wacht nog even tot ik zelf kinderen heb, als u het niet erg vindt. Van mij mogen studenten dus hun eigen naam uitkiezen. Daar zijn ze oud en wijs genoeg voor. Alleen wanneer ze niets kunnen verzinnen wil ik ze wel enkele suggesties aan de hand doen, maar ze kiezen uiteindelijk zelf.
De meeste studenten kiezen voor vrij normale namen. Ik geef les aan Tina, Becky, Mary, Kevin, Tom, Donna, Vicky, William, enzovoorts. Maar niet iedereen is tevreden met een standaardnaam. Sommigen maken van de gelegenheid gebruik om zichzelf een fraai pseudoniem te verschaffen. Zo bevinden zich onder mijn studenten een Lion, een Friendship, een Pink, een Angel, een New, een Top en een Fahrenheit. Een bokkige puber eiste het recht op zichzelf Phantom te noemen. Van mij mag-ie. Een andere bokkige puber, die alle Engelse namen die ik hem voorstelde afwees, noemde zichzelf Reborn. Toe maar. Het maakte me wel nieuwsgierig naar zijn religieuze overtuigingen - maar misschien vond hij het gewoon een hippe naam. En een collega van mij heeft een Stinky bij haar in de klas zitten.
Leuk zijn ook de namen waar je nog nooit van gehoord hebt, maar die volgens de betreffende studenten wel degelijk 'Engels' zijn. Een wat oudere dame noemde zichzelf Kallynn, niet bepaald een veel voorkomende naam. Ze had een Canadese vriendin die zo heette, vandaar. Andere studenten noemden zich Lawliet, Kah en Mya - stuk voor stuk namen waar ik nog nooit van gehoord had, maar het bleken personages uit Japanse tekenfilms en stripboeken te zijn. Typisch Engels, inderdaad.
Een speciale categorie wordt gevormd door jongens met voetbalnamen. Nu heb je dat niet altijd direct door - David, Steven en Wayne zijn natuurlijk gewone Engelse namen. Maar als ze fan zijn van Zuid-Amerikaanse of Zuid-Europese spelers is het een ander verhaal. Zo heb ik een student met de naam Messi - voorwaar een veelvoorkomende Engelse voornaam! Echter, de voetballer Messi kan in Vietnam qua populariteit niet tippen aan de Portugese windbuil Christiano Ronaldo (zonder enige twijfel de meest overschatte speler uit de wereldgeschiedenis, maar dat terzijde - zag u hem spartelen, tijdens de Champions League-finale?). In bijna elke klas zit wel een Christiano of een Ronaldo. Maar van mij mogen ze. Het is niet aan mij om te beoordelen wat wel of niet een 'echte' Engelse naam is. Christiano is net zo goed een legitieme Engelse naam als Yusuf, Kazuo of Barack Hussein, om maar eens wat te noemen.
Dan zijn er nog de studenten die geen zin hebben van naam te veranderen. Veel zijn het er niet, maar toch. Vaak veranderen ze hun naam een klein beetje, pro forma. Zo geef ik les aan een Vy wier Engelse naam Vi is - of andersom, dat ben ik vergeten. En aan een Trang die haar naam verengelst heeft door er een Y achter te plakken: Trangy. Een andere Trang in een andere klas weigerde evenwel pertinent haar naam te veranderen. Naar de reden kon ik gissen. Ik had ook geen zin om het haar te vragen. Deze Trang is een klein donderwolkje, dat steevast in een hoekje van het klaslokaal zit te mokken terwijl de rest van de klas zich vermaakt. Ik heb haar nog niet op een glimlach kunnen betrappen. Maar van mij mag ze haar naam houden, ik kan er niet mee zitten.
De student met de meest bizarre naam zit niet bij mij in de klas, maar bij een collega van me. Zijn Engelse naam luidt Nixon. U leest het goed: Nixon. Voor de onwetenden onder u: Richard Nixon was president van de Verenigde Staten van 1969 tot 1974, en als zodanig verantwoordelijk voor het nodige bloedvergieten in Vietnam. Mijn collega, een Amerikaanse linkse rakker, was behoorlijk geschokt toen hij vernam wat de Engelse naam van deze student was. Hij vroeg hem waarom hij deze naam gekozen had. 'Omdat Nixon zoveel goeds voor het Vietnamese volk gedaan heeft,' antwoordde de student, naar verluidt zonder een spoortje cynisme in zijn stem. Dat geloof ik graag: cynisme en ironie zijn stijlvormen die men in Azië niet kent. De student méénde wat hij zei. Mijn collega stond perplex. Ik had graag zijn gezicht gezien op het moment dat hij zijn student deze woorden hoorde zeggen.
Tja. What's in a name...
Thursday, 11 June 2009
Aan het werk
Het begon afgelopen zaterdag, om zeven uur 's ochtends. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Het dreunde mijn droom binnen. Onrustig werd ik wakker. Stond er iemand heel hard op mijn deur te bonzen? Nee, dat was het niet. Het leek alsof er getimmerd werd. En flink ook. Het hele huis dreunde mee.
Daarna was het elke dag hetzelfde liedje. Om zeven uur begon de herrie. Je kon de klok erop gelijk zetten. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Het ging door tot een uur of elf, twaalf. Dan was het even stil, maar om een uur of één begon de ellende weer. Oordopjes hielpen geen donder. Het lawaai ging door merg en been. Ik vroeg me af wat ze in godsnaam aan het vertimmeren waren.
Vanmorgen was het nog erger dan de afgelopen dagen. Ik had het gevoel dat mijn plafond elk moment naar beneden kon komen vallen, zo trilde het. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Ik legde me er maar bij neer dat ik niet meer zou kunnen slapen, en liep naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Wat bleek: de karaoketent hiernaast wordt verbouwd. En hoe. Alle muren worden eruit gesloopt. Met hamer en beitel wordt elke baksteen kapot gehakt. Centimeter voor centimeter wordt het pand muurloos gemaakt.
Het goede nieuws: het lijkt erop dat de karaoketent failliet is, en plaatsmaakt voor iets anders. Het slechte nieuws: ik heb geen idee hoe lang dit nog gaat duren. Misschien dagen, misschien weken. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Ik doe mijn best kalm te blijven, maar dat lukt voor geen tierelier. Mijn halfslachtige pogingen om door middel van meditatie het geluid buiten te sluiten mislukken hopeloos.
De werkelijkheid zoals wij die ervaren is niets dan een illusie, zei de Boeddha. Dat zal best, maar mijn trommelvliezen denken daar toch echt anders over. En mijn hersenen ook, die door de evolutie zo geconditioneerd zijn dat ze bij luid geluid adrenaline aanmaken. Het gevolg is dat ik vooral een grote behoefte voel om even goed boem-boem-boem-boem-boem-boem op iemands hoofd te doen.
Tja, als je ergens wilt wonen, dan moet je je aanpassen aan de daar geldende normen en gebruiken, zo luidt het devies. Opstaan om een uur of zes, en beginnen met werken om zeven uur: het wordt hier gezien als de normaalste zaak van de wereld. Dat geldt dus ook voor slopers en steenhouwers. Geluidsoverlast voor de buren? Pardon? Geluidsoverlast, wat is dat? Een van de weinige zekerheden van het leven in Vietnam is de voortdurende aanwezigheid van lawaai. Wie daar niet aan kan wennen, heeft hier weinig te zoeken.
Maar deze indringende boem-boem-boem-boem-boem-boem is mij wat al te veel van het goede. Ze is een van de redenen dat ik de afgelopen dagen zo moe ben. Het lukt me ook maar niet om mij het Vietnamese dagritme eigen te maken. Ik ben slecht in vroeg naar bed gaan, en nog slechter in vroeg opstaan.
Die moeheid heeft met nog iets anders te maken: het weer. Ik ben nu op de kop af een half jaar in Zuidoost-Azië, maar een hitte als van de afgelopen dagen had ik nog niet meegemaakt. Vooral zondag en maandag was het erg. Het kwik naderde op sommige plaatsen de veertig graden, en de luchtvochtigheid was hoog. Nu ben ik normaliter niet bang voor een beetje warm weer, maar dit was toch wel pittig. Ik voelde me slap, en had moeite me te concentreren.
Gelukkig heb ik airconditioning in mijn slaapkamer. Met dit weer heb je buiten namelijk weinig te zoeken. Behalve als je naar je werk moet, natuurlijk. Hitte of niet, dan moet de zwarte pantalon aan, de nette schoenen, en een overhemd. Dan moet de helm op, en dan moet je door de trillende hitte naar Danang rijden. The show must go on. Want wie niet werkt, zal ook niet eten.
Ik ben nu zo'n twee maanden werkzaam als taaldocent. Het werk bevalt me prima, maar tegelijkertijd ook helemaal niet. Dat klinkt paradoxaal, dus dat zal ik even toelichten.
Het is leuk om te ontdekken dat je ergens goed in bent. Of, in dit geval, te herontdekken. Ik had natuurlijk al eerder part-time gewerkt als taaldocent. Van september 2004 tot juli 2005 gaf ik Nederlandse les aan het Japan-Nederland Instituut te Tokyo. Het was werk dat ik met veel plezier deed. Ik geloof ook dat ik het niet slecht deed, al is het niet aan mij om dat te beoordelen.
Dat was echter al weer een tijdje geleden, dus ik vond het toch spannend om weer voor de klas te gaan staan. Immers, Vietnamese studenten zijn geen Japanse studenten. Ik kan niet in noodgevallen terugvallen op de eigen taal van de studenten, zoals toen het geval was. En waar ik toen mijn moedertaal doceerde, ging ik nu talen doceren die ik me zelf ook op latere leeftijd had eigen gemaakt.
Maar mijn zenuwen waren nergens voor nodig, zo bleek al snel. Ik ben een goede leraar, al zeg ik het zelf. Ik ben enthousiast, geef met veel energie les, ben niet bang zonodig te improviseren, en houd mijn lessen afwisselend. Dat wil niet zeggen dat de lessen makkelijk zijn. Ik ben van mening dat uitdagende en actieve lessen een stuk leuker en leerzamer zijn dan het steeds maar weer opdreunen van dezelfde saaie zinnetjes. Het mag best pittig zijn - zolang de studenten maar het gevoel hebben dat ze fouten mogen maken en vragen mogen stellen, en er altijd tijd is om moeilijke dingen te herhalen of nader toe te lichten.
Mijn maandagklas kreeg ik als eerste. De groep is een ietwat ongelukkige mix van enerzijds veertienjarige pubers, en anderzijds universitaire studenten van in de twintig. Hormonen gieren in het rond. Het niveau wisselt, maar ligt over het algemeen behoorlijk hoog. We houden ons bezig met meer gecompliceerde grammaticale constructies, en doen behoorlijk pittige luisteroefeningen. Maar daar blijft het niet bij. Vietnamese studenten hebben namelijk een bedroevend gebrek aan algemene ontwikkeling. Dat geldt niet alleen voor gemiddelde, maar ook voor getalenteerde studenten. Hun kennis van wis- en natuurkunde reikt ongetwijfeld verder dan de mijne, maar daar staat tegenover dat ze hoegenaamd niets weten over de wereld buiten Vietnam. En dus geef ik ze behalve Engels ook les in aardrijkskunde, geschiedenis, maatschappijleer en CKV.
Gelukkig hangt er een wereldkaart in het klaslokaal. Telkens wanneer er in de tekst sprake is van een bepaald land, moet ik aanwijzen waar dat land ligt. Stereotiepen van verschillende landen worden niet herkend. In de Vietnamese perceptie zijn alle westerlingen namelijk één pot nat. Wanneer je vertelt dat Engeland toch echt flink verschilt van, pak hem beet, Italië, word je met grote ogen aangekeken. Nu we het er toch over hebben: het woord prejudice was een van de weinige woorden waarvan het me maar niet lukte de betekenis duidelijk te maken. Misschien omdat Vietnamese studenten op school netjes les krijgen in vooroordelen, zonder ooit te leren wat dat zijn.
De onwetendheid neemt schrikbarende vormen aan. Maandag kwamen we te spreken over het dagboek van Anne Frank. Het volgende zinnetje moest worden ingevuld: 'Written by a fifteen-year-old Dutch [sic!] girl during World War II, The diary of Anne Frank _______ (sell) 25 million copies ______ its publication in 1947.' De juiste antwoorden zijn natuurlijk 'has sold' en 'since', maar het gaat me nu even niet om de grammatica. Waar het me om gaat is dat, toen ik vervolgens vroeg wie dit boek gelezen heeft, het stil bleef. Sterker nog: ook toen ik vroeg wie van de studenten wel eens van Anne Frank gehoord had bleef het stil. Mijn volgende, logische vraag was: wanneer werd dit boek geschreven? '1920', probeerde iemand. Men bleek nauwelijks iets te weten over de Tweede Wereldoorlog, ondanks het feit dat die toch ook invloed heeft gehad op de Vietnamese geschiedenis. Over de Holocaust wist men eveneens weinig tot niets. Toen ik vertelde dat binnen een paar jaar tijd zes miljoen joden systematisch vermoord zijn, keek men mij aan alsof men het in Keulen hoorde donderen.
Met mijn dinsdagklas heb ik het nog niet over dit soort dingen, want mijn dinsdagklas is net begonnen. In deze klas zitten naast tieners en studenten ook een paar mensen van middelbare leeftijd. Ik mag ze graag: ze doen hun best en zijn actief. Hun kennis van de Engelse taal was enkele weken geleden nog zo goed als nul, maar inmiddels kunnen ze zich voorstellen, tot honderd tellen, en eenvoudige tekstjes lezen. Dat werkt motiverend, ook voor de docent. Dat in de eerste weken een paar mensen afhaken is helaas onvermijdelijk - dat geldt voor elke taalcursus.
Op woensdagavond had ik, tot voor kort, een klas ter voorbereiding op het TOEIC-examen. De studenten studeerden allemaal aan de Danang University of Economics, en hadden gezamenlijk besloten om deze test te gaan doen. Ik was verantwoordelijk voor de voorbereiding op het onderdeel luistervaardigheid. Gezamenlijk luisterden we naar voorbeeldgesprekken, om daarna de mogelijke antwoorden te bespreken. De studenten (allemaal meiden, op één na) werkten hard en geconcentreerd. Het was mijn favoriete les.
Echter, vorige week dinsdagavond werd ik plotseling aangesproken door de dame die de school runt. 'Sorry, je woensdagavondles is geannuleerd,' zei ze. 'Morgen?' vroeg ik. 'Nee, permanent. De studenten zitten allemaal in het laatste jaar van hun studie, en hebben het nu te druk met hun afsluitende tentamens. In augustus willen ze weer verder gaan.'
Krijg nou de hik. En ze waren nog wel tevreden over de lessen... Hoe kun je nou halverwege een cursus en masse weglopen? Ik begrijp dat ze het druk hadden met hun tentamens, maar hadden ze zich dat echt niet twee maanden eerder kunnen bedenken!?
Maar wat ik helemaal schandalig vind is dat ik een dag van tevoren pas verneem dat ik voortaan wat anders mag gaan doen op woensdagavond. Ik heb al zo weinig lessen, en dan is dit toch een serieuze financiële tegenslag. Buiten dat vind ik het simpelweg geen stijl om zo met je werknemers om te gaan. Ik houd rekening met mijn school, ik ben flexibel, ik pas mijn rooster aan hen aan. Ik heb nota bene werkzaamheden aan een andere school stopgezet omdat deze roostertechnisch lastig te combineren waren met deze werkzaamheden - ondanks het feit dat ik daar iets meer verdiende. Je toont loyaliteit, en wat is je deel? Last-minute afzeggingen, en dientengevolge minder inkomsten.
Deze school is daarin verre van uniek. Ik heb het eerder geschreven: de meeste Vietnamezen zijn gezegend met een goed ontwikkeld pragmatisme en improvisatievermogen. Daar staat tegenover dat geen afspraak heilig is. Voor wie zijn brood probeert te verdienen middels part-time lesgeven, en bovendien hecht aan een vast weekritme, is dat bij vlagen frustrerend. Ook de eerdere school waar ik doceerde had er een handje van lessen af te zeggen of te verplaatsen.
Deze week werd ik plotseling gebeld door een mij onbekende talenschool. Of ik misschien op zaterdagochtend les kon geven. Al haar Amerikaanse docenten waren plotseling verdwenen, zo jammerde de jongedame (wie kaatst kan de bal verwachten, dacht ik onwillekeurig). Men wilde mij daar om kwart voor acht op de stoep hebben staan. Ik heb vriendelijk bedankt. Ik ga niet op zaterdag om zes uur opstaan - zeker niet als ik de avond tevoren tot half negen les moet geven. Punt uit.
Men had ook een les om half tien in de aanbieding. Ik mag kinderen van een jaar of tien, twaalf gaan lesgeven. Dat heb ik één keer eerder gedaan, en het beviel me geenszins. Bij oudere studenten hoef ik weinig of geen moeite te doen om hun aandacht bij de les te houden. Dat gaat vanzelf. Maar dit was me toch een stelletje hyperactieve krengen, daar kon zelfs ik niet tegenop toneelspelen. En wat wil je ook? Kinderen op zaterdag- en zondagmiddag naar de Engelse les sturen, wat voor ouder ben je? Alleen omdat het reguliere onderwijs zo beroerd is dat ze daar niets leren? Of misschien toch ook omdat de ouders geen zin hebben om hun stuiterende, Red Bull-slurpende grut voortdurend om zich heen te hebben...?
Ik heb desalniettemin toegestemd. Vooral omdat ik hoop dat deze school me aan een paar extra lessen kan helpen, ook op doordeweekse dagen. En wie weet, misschien heb ik de vorige keer het bijltje er wat al te makkelijk bij neergegooid. Ik vind kinderen namelijk best leuk, en ik kan het meestal prima met ze vinden. Dan zou ik toch ook in staat moeten zijn van de Engelse les een feestje te maken... Het is een tweede poging waard. Maar helemaal gerust ben ik er niet op, eerlijk gezegd.
Gelukkig hoef ik niet elke dag naar Danang. Ik werk twee avonden per week (donderdag en vrijdag) voor het Japanese Training Centre (日本語教育センター) van Phan Chau Trinh University in Hoi An. Daar geef ik Japanse conversatieles. Japans is een mooie taal, en ik doceer het met plezier. Dat de faciliteiten van deze betrekkelijk nieuwe universiteit in elk opzicht een universiteit onwaardig zijn neem ik daarbij voor lief. Elementaire zaken als een CD-speler en een kopieermachine ontbreken. Erger: de collegezalen zijn niet voorzien van airconditioning, hetgeen betekent dat wanneer ik college geef mijn overhemd binnen de kortste keren doorweekt is. Over de hoogte van mijn salaris zal ik het maar helemaal niet hebben.
Daar staat tegenover dat dit de eerste keer is dat ik Japanse taalcolleges verzorg, en dat is absoluut een waardevolle ervaring. Het is leuk om te merken dat het voor het doceren van conversatie helemaal niet nodig is om de taal van de studenten te spreken. Sterker nog: er is veel voor te zeggen dat de docent zich beperkt tot het spreken van de taal die aangeleerd wordt. Hooguit een enkele keer is er een woord dat vertaling behoeft. Maar over het algemeen voldoen de meegebrachte voorwerpen, het bord, gebarentaal, en de Japans-Vietnamese woordenlijst prima. Het is juist wel goed dat de studenten tijdens deze les gedwongen worden hun Japans te oefenen, en niet kunnen terugvallen op Vietnamees. Mochten ze vragen hebben over de grammatica, dan kunnen ze die altijd aan de Vietnamese docente vragen van wie ze op andere avonden les hebben. Maar voor het oefenen van spreekvaardigheid zijn ze bij mij aan het juiste adres.
Helaas verloopt ook deze cursus niet vlekkeloos. Nog afgezien van de gebrekkige voorzieningen is er het probleem van de Japanse taal. Die is namelijk verdomd moeilijk, zeker voor studenten die geen taalgevoel hebben en/of niet op jongere leeftijd een vreemde taal hebben leren spreken en/of simpelweg lui zijn. De eerste maand zit er op, en er is nu reeds sprake van een serieus niveauverschil tussen de goede en de mindere studenten. De goede studenten (niet toevallig degenen die ook Engels spreken, zo zag ik toen ik recentelijk als vrijwilliger de English club bezocht) lezen en schrijven inmiddels de fonetische alfabetten hiragana ひらがな en katakana カタカナ , kunnen zich voorstellen, en zijn in staat simpele vragen te beantwoorden. Zo hoort het ook, na een maand studie (drie lessen per week). Maar helaas: er is een aantal studenten dat denkt Japans te kunnen leren zonder de lessen voorbereiden. Forget it.
Vooralsnog redden ze zich wel, maar dat komt omdat het tempo van de lessen eigenlijk te laag ligt. Op verzoek van de economische faculteit (waar het centrum onder valt), welteverstaan. Een universiteit wordt in het überkapitalistische Vietnam namelijk gerund als een commercieel bedrijf. Wie levensvatbaar wil zijn, moet zichzelf kunnen bedruipen. Meer dan dat: het doel is niet quitte spelen, het doel is winst maken. Wat er vervolgens met die winst gebeurt... Tja. Laten we het daar maar even niet over hebben.
Hoe het ook zij: men wil dat wij de lessen makkelijk houden, opdat zoveel mogelijk studenten mee kunnen komen. Dat je daarmee mogelijk de goede studenten van je vervreemdt wil er hier niet in. Dat het Japans nu eenmaal geen speeltuintaal is die je je een-twee-drie eigen maakt gelooft men wel, maar het winstoogmerk weegt nu eenmaal zwaarder dan de academische kwaliteit. 'Rustig aan', drukt men mij dan ook regelmatig op het hart. 'Ga niet te snel.'
Desalniettemin lijkt het onvermijdelijke ook hier het geval: een aantal studenten houdt het na de eerste maand voor gezien. Er is geen enkele reden om daar treurig over te zijn. Sommige studenten hebben simpelweg te weinig taalgevoel en/of zijn te lui om zich een taal als het Japans eigen te maken. Tant pis, gaan we lekker door met de studenten die wel gemotiveerd zijn. Maar het gevolg is wel dat de twee groepen mogelijk samengevoegd worden. Ik heb daartegen geprotesteerd: vijfentwintig à dertig studenten per klas is al te veel, vijftig à zestig is ronduit belachelijk. Maar wanneer men mij vervolgens vertelt wat het lesgeld is dat de studenten moeten betalen, en daaraan toevoegt dat het wel rendabel moet blijven, sta ook ik met mijn mond vol tanden.
Ik heb de afgelopen maanden twee dingen geleerd. Ten eerste: ik ben een getalenteerde docent. Mijn lessen zijn boeiend en afwisselend, en ik ben goed in staat dingen uit te leggen. Dat is goed nieuws. Het sterkt mij in mijn ambitie over een aantal jaar als universitair docent ergens werkzaam te zijn.
Ten tweede: ik heb geen zin meer in dit soort onduidelijkheid en onzekerheid. Ik wil een min of meer stabiele baan, met een stabiel inkomen. Ik heb geen zin meer om bij amateuristische talenschooltjes te moeten bedelen voor een lesje meer of minder. Ik heb drie diploma's van gerenommeerde universiteiten, cum laude nog wel, en ik vind eigenlijk dat het zo langzamerhand eens tijd wordt om mijn opleiding en talent te gelde te maken. Niet omdat ik nou zo graag stinkend rijk wil worden, maar wel omdat ik gewoon eens voor twee tientjes in een sjiek restaurant wil kunnen eten zonder mij schuldig te voelen, een rondje wil kunnen geven, mijn vriendin een mooi cadeau wil kunnen kopen, of een leuke weekendtrip wil kunnen maken. Dat zit er op dit moment allemaal niet in.
Als ik alleen was, dan was ik nu op het punt aanbeland waarop ik me achter mijn oren krabde, en me afvroeg of het niet eens tijd was om nog een rondje Laos en Yunnan te maken, en dan naar huis te gaan. Maar alles is anders dan een paar maand geleden, want ik ben niet alleen. Ik heb iemand ontmoet met wie ik graag nog even verder ga. Dat is een goede reden om hier wat langer te blijven.
De vraag is alleen: wáár blijven we? In Hoi An, elders in Vietnam, of elders in de regio? Ik voel weinig loyaliteit jegens mijn huidige werkgevers, dat zult u begrijpen. Ik heb geen enkele rechten (als ik ziek word, zit ik zonder inkomen), krijg weinig betaald, heb een onregelmatig rooster en word steeds weer geconfronteerd met wijzigingen en afzeggingen. Ik vertel mezelf dat de arbeidsmarkt in Hanoi of Ho Chi Minh Stad mij een stuk gunstiger gezind zal zijn.
Maar is dat wel zo? Tot voor kort zaten alle scholen in Danang- toch ook een ambitieuze, internationaal georiënteerde miljoenenstad - te springen om buitenlandse docenten. Het deed er niet toe of je wel of niet de juiste dipoma's bezat: er was veel vraag naar docenten Engels, want iedereen wilde (zijn kinderen) Engels (laten) leren. Zodoende verzekerde de dame van de eerste talenschool mij dat het aantal uren dat ik zou kunnen maken in de zomer ongetwijfeld flink toe zou nemen, omdat scholieren dan vakantie hebben - en dus tijd om Engels te studeren. Maar wat wil het geval? De zomervakantie is reeds begonnen, maar bij de gemiddelde school is het aantal nieuwe aanmeldingen op de vingers van één hand te tellen. De verklaring is simpel. De ecomische crisis heeft ook Vietnam getroffen, en de middenklasse is een stuk terughoudender geworden waar het gaat om het besteden van geld aan niet-noodzakelijke zaken. Talenscholen kunnen de beloftes die ze hun docenten gemaakt hebben helemaal niet waarmaken.
Dat zeggen ze natuurlijk niet. Ze wekken de indruk - op internetsites en in gesprekken - dat het ze voor de wind gaat. Men belooft je terug te bellen (en doet dat vervolgens niet), of men scheept je af met een slap excuus. De werkelijkheid is daarentegen simpel: het aantal mensen dat Engels leert ligt een stuk lager dan vorig jaar, terwijl het aantal buitenlanders dat op de bonnefooi naar Vietnam reist om daar een baantje als taaldocent te krijgen juist is toegenomen. Dat is slecht voor onze onderhandelingspositie.
Eergisteren gebeurde er iets onverwachts. Ik zag plotseling een vacature voor een AiO-plaats. In Leiden nog wel. Het is niet de eerste keer, en het zal niet de laatste keer zijn, maar deze zag er toch wel bovengemiddeld interessant uit.
De hamvraag is nu natuurlijk: ga ik solliciteren, of wacht ik nog een jaar. Ik weet natuurlijk ook wel hoe dun de AiO-plaatsen in mijn vakgebied gezaaid zijn. Zou ik de baan krijgen, dan betekent dat dat ik eindelijk kan doen wat ik het liefste wil doen: wetenschappelijk onderzoek, verder studeren, schrijven, wellicht college geven - en daar nog fatsoenlijk voor betaald krijgen ook. Echter, het betekent ook dat onze relatie wel heel snel heel serieuze vormen aanneemt, en dat we een lange, bizar dure bureaucratische (en mogelijk, God verhoede het, juridische) procedure moeten doorlopen, teneinde samen te kunnen leven. Het idee een dergelijke, op xenofobie gestoelde, vernederende immigratieprocedure te moeten doorlopen, en mogelijk vele maanden gescheiden te moeten leven, staat me behoorlijk tegen. Ergens heb ik iets van: Nederland, naargeestig en bang landje dat je bent, je kan mijn rug op. Maar aan de andere kant hou ik van Leiden en haar universiteit, en zou ik me er stiekem best wel graag willen vestigen. Maar dan wel samen.
Enfin. Eerst maar eens proberen om een toeristenvisum te krijgen, zodat we deze zomer een bezoek aan Nederland kunnen brengen, en dan zien we wel weer verder. We hebben alle benodigde papieren inmiddels verzameld. Overmorgen vliegen we naar Ho Chi Minh Stad, waar het Nederlandse consulaat zich bevindt. We blijven er drie nachten; dinsdagmiddag vliegen we weer terug.
De vragen blijven nog even onbeantwoord.
Tijd om naar bed te gaan. Morgenochtend word ik vermoedelijk weer vroeg mijn bed uit gedreund.
Daarna was het elke dag hetzelfde liedje. Om zeven uur begon de herrie. Je kon de klok erop gelijk zetten. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Het ging door tot een uur of elf, twaalf. Dan was het even stil, maar om een uur of één begon de ellende weer. Oordopjes hielpen geen donder. Het lawaai ging door merg en been. Ik vroeg me af wat ze in godsnaam aan het vertimmeren waren.
Vanmorgen was het nog erger dan de afgelopen dagen. Ik had het gevoel dat mijn plafond elk moment naar beneden kon komen vallen, zo trilde het. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Ik legde me er maar bij neer dat ik niet meer zou kunnen slapen, en liep naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Wat bleek: de karaoketent hiernaast wordt verbouwd. En hoe. Alle muren worden eruit gesloopt. Met hamer en beitel wordt elke baksteen kapot gehakt. Centimeter voor centimeter wordt het pand muurloos gemaakt.
Het goede nieuws: het lijkt erop dat de karaoketent failliet is, en plaatsmaakt voor iets anders. Het slechte nieuws: ik heb geen idee hoe lang dit nog gaat duren. Misschien dagen, misschien weken. Boem-boem-boem-boem-boem-boem. Ik doe mijn best kalm te blijven, maar dat lukt voor geen tierelier. Mijn halfslachtige pogingen om door middel van meditatie het geluid buiten te sluiten mislukken hopeloos.
De werkelijkheid zoals wij die ervaren is niets dan een illusie, zei de Boeddha. Dat zal best, maar mijn trommelvliezen denken daar toch echt anders over. En mijn hersenen ook, die door de evolutie zo geconditioneerd zijn dat ze bij luid geluid adrenaline aanmaken. Het gevolg is dat ik vooral een grote behoefte voel om even goed boem-boem-boem-boem-boem-boem op iemands hoofd te doen.
Tja, als je ergens wilt wonen, dan moet je je aanpassen aan de daar geldende normen en gebruiken, zo luidt het devies. Opstaan om een uur of zes, en beginnen met werken om zeven uur: het wordt hier gezien als de normaalste zaak van de wereld. Dat geldt dus ook voor slopers en steenhouwers. Geluidsoverlast voor de buren? Pardon? Geluidsoverlast, wat is dat? Een van de weinige zekerheden van het leven in Vietnam is de voortdurende aanwezigheid van lawaai. Wie daar niet aan kan wennen, heeft hier weinig te zoeken.
Maar deze indringende boem-boem-boem-boem-boem-boem is mij wat al te veel van het goede. Ze is een van de redenen dat ik de afgelopen dagen zo moe ben. Het lukt me ook maar niet om mij het Vietnamese dagritme eigen te maken. Ik ben slecht in vroeg naar bed gaan, en nog slechter in vroeg opstaan.
Die moeheid heeft met nog iets anders te maken: het weer. Ik ben nu op de kop af een half jaar in Zuidoost-Azië, maar een hitte als van de afgelopen dagen had ik nog niet meegemaakt. Vooral zondag en maandag was het erg. Het kwik naderde op sommige plaatsen de veertig graden, en de luchtvochtigheid was hoog. Nu ben ik normaliter niet bang voor een beetje warm weer, maar dit was toch wel pittig. Ik voelde me slap, en had moeite me te concentreren.
Gelukkig heb ik airconditioning in mijn slaapkamer. Met dit weer heb je buiten namelijk weinig te zoeken. Behalve als je naar je werk moet, natuurlijk. Hitte of niet, dan moet de zwarte pantalon aan, de nette schoenen, en een overhemd. Dan moet de helm op, en dan moet je door de trillende hitte naar Danang rijden. The show must go on. Want wie niet werkt, zal ook niet eten.
Ik ben nu zo'n twee maanden werkzaam als taaldocent. Het werk bevalt me prima, maar tegelijkertijd ook helemaal niet. Dat klinkt paradoxaal, dus dat zal ik even toelichten.
Het is leuk om te ontdekken dat je ergens goed in bent. Of, in dit geval, te herontdekken. Ik had natuurlijk al eerder part-time gewerkt als taaldocent. Van september 2004 tot juli 2005 gaf ik Nederlandse les aan het Japan-Nederland Instituut te Tokyo. Het was werk dat ik met veel plezier deed. Ik geloof ook dat ik het niet slecht deed, al is het niet aan mij om dat te beoordelen.
Dat was echter al weer een tijdje geleden, dus ik vond het toch spannend om weer voor de klas te gaan staan. Immers, Vietnamese studenten zijn geen Japanse studenten. Ik kan niet in noodgevallen terugvallen op de eigen taal van de studenten, zoals toen het geval was. En waar ik toen mijn moedertaal doceerde, ging ik nu talen doceren die ik me zelf ook op latere leeftijd had eigen gemaakt.
Maar mijn zenuwen waren nergens voor nodig, zo bleek al snel. Ik ben een goede leraar, al zeg ik het zelf. Ik ben enthousiast, geef met veel energie les, ben niet bang zonodig te improviseren, en houd mijn lessen afwisselend. Dat wil niet zeggen dat de lessen makkelijk zijn. Ik ben van mening dat uitdagende en actieve lessen een stuk leuker en leerzamer zijn dan het steeds maar weer opdreunen van dezelfde saaie zinnetjes. Het mag best pittig zijn - zolang de studenten maar het gevoel hebben dat ze fouten mogen maken en vragen mogen stellen, en er altijd tijd is om moeilijke dingen te herhalen of nader toe te lichten.
Mijn maandagklas kreeg ik als eerste. De groep is een ietwat ongelukkige mix van enerzijds veertienjarige pubers, en anderzijds universitaire studenten van in de twintig. Hormonen gieren in het rond. Het niveau wisselt, maar ligt over het algemeen behoorlijk hoog. We houden ons bezig met meer gecompliceerde grammaticale constructies, en doen behoorlijk pittige luisteroefeningen. Maar daar blijft het niet bij. Vietnamese studenten hebben namelijk een bedroevend gebrek aan algemene ontwikkeling. Dat geldt niet alleen voor gemiddelde, maar ook voor getalenteerde studenten. Hun kennis van wis- en natuurkunde reikt ongetwijfeld verder dan de mijne, maar daar staat tegenover dat ze hoegenaamd niets weten over de wereld buiten Vietnam. En dus geef ik ze behalve Engels ook les in aardrijkskunde, geschiedenis, maatschappijleer en CKV.
Gelukkig hangt er een wereldkaart in het klaslokaal. Telkens wanneer er in de tekst sprake is van een bepaald land, moet ik aanwijzen waar dat land ligt. Stereotiepen van verschillende landen worden niet herkend. In de Vietnamese perceptie zijn alle westerlingen namelijk één pot nat. Wanneer je vertelt dat Engeland toch echt flink verschilt van, pak hem beet, Italië, word je met grote ogen aangekeken. Nu we het er toch over hebben: het woord prejudice was een van de weinige woorden waarvan het me maar niet lukte de betekenis duidelijk te maken. Misschien omdat Vietnamese studenten op school netjes les krijgen in vooroordelen, zonder ooit te leren wat dat zijn.
De onwetendheid neemt schrikbarende vormen aan. Maandag kwamen we te spreken over het dagboek van Anne Frank. Het volgende zinnetje moest worden ingevuld: 'Written by a fifteen-year-old Dutch [sic!] girl during World War II, The diary of Anne Frank _______ (sell) 25 million copies ______ its publication in 1947.' De juiste antwoorden zijn natuurlijk 'has sold' en 'since', maar het gaat me nu even niet om de grammatica. Waar het me om gaat is dat, toen ik vervolgens vroeg wie dit boek gelezen heeft, het stil bleef. Sterker nog: ook toen ik vroeg wie van de studenten wel eens van Anne Frank gehoord had bleef het stil. Mijn volgende, logische vraag was: wanneer werd dit boek geschreven? '1920', probeerde iemand. Men bleek nauwelijks iets te weten over de Tweede Wereldoorlog, ondanks het feit dat die toch ook invloed heeft gehad op de Vietnamese geschiedenis. Over de Holocaust wist men eveneens weinig tot niets. Toen ik vertelde dat binnen een paar jaar tijd zes miljoen joden systematisch vermoord zijn, keek men mij aan alsof men het in Keulen hoorde donderen.
Met mijn dinsdagklas heb ik het nog niet over dit soort dingen, want mijn dinsdagklas is net begonnen. In deze klas zitten naast tieners en studenten ook een paar mensen van middelbare leeftijd. Ik mag ze graag: ze doen hun best en zijn actief. Hun kennis van de Engelse taal was enkele weken geleden nog zo goed als nul, maar inmiddels kunnen ze zich voorstellen, tot honderd tellen, en eenvoudige tekstjes lezen. Dat werkt motiverend, ook voor de docent. Dat in de eerste weken een paar mensen afhaken is helaas onvermijdelijk - dat geldt voor elke taalcursus.
Op woensdagavond had ik, tot voor kort, een klas ter voorbereiding op het TOEIC-examen. De studenten studeerden allemaal aan de Danang University of Economics, en hadden gezamenlijk besloten om deze test te gaan doen. Ik was verantwoordelijk voor de voorbereiding op het onderdeel luistervaardigheid. Gezamenlijk luisterden we naar voorbeeldgesprekken, om daarna de mogelijke antwoorden te bespreken. De studenten (allemaal meiden, op één na) werkten hard en geconcentreerd. Het was mijn favoriete les.
Echter, vorige week dinsdagavond werd ik plotseling aangesproken door de dame die de school runt. 'Sorry, je woensdagavondles is geannuleerd,' zei ze. 'Morgen?' vroeg ik. 'Nee, permanent. De studenten zitten allemaal in het laatste jaar van hun studie, en hebben het nu te druk met hun afsluitende tentamens. In augustus willen ze weer verder gaan.'
Krijg nou de hik. En ze waren nog wel tevreden over de lessen... Hoe kun je nou halverwege een cursus en masse weglopen? Ik begrijp dat ze het druk hadden met hun tentamens, maar hadden ze zich dat echt niet twee maanden eerder kunnen bedenken!?
Maar wat ik helemaal schandalig vind is dat ik een dag van tevoren pas verneem dat ik voortaan wat anders mag gaan doen op woensdagavond. Ik heb al zo weinig lessen, en dan is dit toch een serieuze financiële tegenslag. Buiten dat vind ik het simpelweg geen stijl om zo met je werknemers om te gaan. Ik houd rekening met mijn school, ik ben flexibel, ik pas mijn rooster aan hen aan. Ik heb nota bene werkzaamheden aan een andere school stopgezet omdat deze roostertechnisch lastig te combineren waren met deze werkzaamheden - ondanks het feit dat ik daar iets meer verdiende. Je toont loyaliteit, en wat is je deel? Last-minute afzeggingen, en dientengevolge minder inkomsten.
Deze school is daarin verre van uniek. Ik heb het eerder geschreven: de meeste Vietnamezen zijn gezegend met een goed ontwikkeld pragmatisme en improvisatievermogen. Daar staat tegenover dat geen afspraak heilig is. Voor wie zijn brood probeert te verdienen middels part-time lesgeven, en bovendien hecht aan een vast weekritme, is dat bij vlagen frustrerend. Ook de eerdere school waar ik doceerde had er een handje van lessen af te zeggen of te verplaatsen.
Deze week werd ik plotseling gebeld door een mij onbekende talenschool. Of ik misschien op zaterdagochtend les kon geven. Al haar Amerikaanse docenten waren plotseling verdwenen, zo jammerde de jongedame (wie kaatst kan de bal verwachten, dacht ik onwillekeurig). Men wilde mij daar om kwart voor acht op de stoep hebben staan. Ik heb vriendelijk bedankt. Ik ga niet op zaterdag om zes uur opstaan - zeker niet als ik de avond tevoren tot half negen les moet geven. Punt uit.
Men had ook een les om half tien in de aanbieding. Ik mag kinderen van een jaar of tien, twaalf gaan lesgeven. Dat heb ik één keer eerder gedaan, en het beviel me geenszins. Bij oudere studenten hoef ik weinig of geen moeite te doen om hun aandacht bij de les te houden. Dat gaat vanzelf. Maar dit was me toch een stelletje hyperactieve krengen, daar kon zelfs ik niet tegenop toneelspelen. En wat wil je ook? Kinderen op zaterdag- en zondagmiddag naar de Engelse les sturen, wat voor ouder ben je? Alleen omdat het reguliere onderwijs zo beroerd is dat ze daar niets leren? Of misschien toch ook omdat de ouders geen zin hebben om hun stuiterende, Red Bull-slurpende grut voortdurend om zich heen te hebben...?
Ik heb desalniettemin toegestemd. Vooral omdat ik hoop dat deze school me aan een paar extra lessen kan helpen, ook op doordeweekse dagen. En wie weet, misschien heb ik de vorige keer het bijltje er wat al te makkelijk bij neergegooid. Ik vind kinderen namelijk best leuk, en ik kan het meestal prima met ze vinden. Dan zou ik toch ook in staat moeten zijn van de Engelse les een feestje te maken... Het is een tweede poging waard. Maar helemaal gerust ben ik er niet op, eerlijk gezegd.
Gelukkig hoef ik niet elke dag naar Danang. Ik werk twee avonden per week (donderdag en vrijdag) voor het Japanese Training Centre (日本語教育センター) van Phan Chau Trinh University in Hoi An. Daar geef ik Japanse conversatieles. Japans is een mooie taal, en ik doceer het met plezier. Dat de faciliteiten van deze betrekkelijk nieuwe universiteit in elk opzicht een universiteit onwaardig zijn neem ik daarbij voor lief. Elementaire zaken als een CD-speler en een kopieermachine ontbreken. Erger: de collegezalen zijn niet voorzien van airconditioning, hetgeen betekent dat wanneer ik college geef mijn overhemd binnen de kortste keren doorweekt is. Over de hoogte van mijn salaris zal ik het maar helemaal niet hebben.
Daar staat tegenover dat dit de eerste keer is dat ik Japanse taalcolleges verzorg, en dat is absoluut een waardevolle ervaring. Het is leuk om te merken dat het voor het doceren van conversatie helemaal niet nodig is om de taal van de studenten te spreken. Sterker nog: er is veel voor te zeggen dat de docent zich beperkt tot het spreken van de taal die aangeleerd wordt. Hooguit een enkele keer is er een woord dat vertaling behoeft. Maar over het algemeen voldoen de meegebrachte voorwerpen, het bord, gebarentaal, en de Japans-Vietnamese woordenlijst prima. Het is juist wel goed dat de studenten tijdens deze les gedwongen worden hun Japans te oefenen, en niet kunnen terugvallen op Vietnamees. Mochten ze vragen hebben over de grammatica, dan kunnen ze die altijd aan de Vietnamese docente vragen van wie ze op andere avonden les hebben. Maar voor het oefenen van spreekvaardigheid zijn ze bij mij aan het juiste adres.
Helaas verloopt ook deze cursus niet vlekkeloos. Nog afgezien van de gebrekkige voorzieningen is er het probleem van de Japanse taal. Die is namelijk verdomd moeilijk, zeker voor studenten die geen taalgevoel hebben en/of niet op jongere leeftijd een vreemde taal hebben leren spreken en/of simpelweg lui zijn. De eerste maand zit er op, en er is nu reeds sprake van een serieus niveauverschil tussen de goede en de mindere studenten. De goede studenten (niet toevallig degenen die ook Engels spreken, zo zag ik toen ik recentelijk als vrijwilliger de English club bezocht) lezen en schrijven inmiddels de fonetische alfabetten hiragana ひらがな en katakana カタカナ , kunnen zich voorstellen, en zijn in staat simpele vragen te beantwoorden. Zo hoort het ook, na een maand studie (drie lessen per week). Maar helaas: er is een aantal studenten dat denkt Japans te kunnen leren zonder de lessen voorbereiden. Forget it.
Vooralsnog redden ze zich wel, maar dat komt omdat het tempo van de lessen eigenlijk te laag ligt. Op verzoek van de economische faculteit (waar het centrum onder valt), welteverstaan. Een universiteit wordt in het überkapitalistische Vietnam namelijk gerund als een commercieel bedrijf. Wie levensvatbaar wil zijn, moet zichzelf kunnen bedruipen. Meer dan dat: het doel is niet quitte spelen, het doel is winst maken. Wat er vervolgens met die winst gebeurt... Tja. Laten we het daar maar even niet over hebben.
Hoe het ook zij: men wil dat wij de lessen makkelijk houden, opdat zoveel mogelijk studenten mee kunnen komen. Dat je daarmee mogelijk de goede studenten van je vervreemdt wil er hier niet in. Dat het Japans nu eenmaal geen speeltuintaal is die je je een-twee-drie eigen maakt gelooft men wel, maar het winstoogmerk weegt nu eenmaal zwaarder dan de academische kwaliteit. 'Rustig aan', drukt men mij dan ook regelmatig op het hart. 'Ga niet te snel.'
Desalniettemin lijkt het onvermijdelijke ook hier het geval: een aantal studenten houdt het na de eerste maand voor gezien. Er is geen enkele reden om daar treurig over te zijn. Sommige studenten hebben simpelweg te weinig taalgevoel en/of zijn te lui om zich een taal als het Japans eigen te maken. Tant pis, gaan we lekker door met de studenten die wel gemotiveerd zijn. Maar het gevolg is wel dat de twee groepen mogelijk samengevoegd worden. Ik heb daartegen geprotesteerd: vijfentwintig à dertig studenten per klas is al te veel, vijftig à zestig is ronduit belachelijk. Maar wanneer men mij vervolgens vertelt wat het lesgeld is dat de studenten moeten betalen, en daaraan toevoegt dat het wel rendabel moet blijven, sta ook ik met mijn mond vol tanden.
Ik heb de afgelopen maanden twee dingen geleerd. Ten eerste: ik ben een getalenteerde docent. Mijn lessen zijn boeiend en afwisselend, en ik ben goed in staat dingen uit te leggen. Dat is goed nieuws. Het sterkt mij in mijn ambitie over een aantal jaar als universitair docent ergens werkzaam te zijn.
Ten tweede: ik heb geen zin meer in dit soort onduidelijkheid en onzekerheid. Ik wil een min of meer stabiele baan, met een stabiel inkomen. Ik heb geen zin meer om bij amateuristische talenschooltjes te moeten bedelen voor een lesje meer of minder. Ik heb drie diploma's van gerenommeerde universiteiten, cum laude nog wel, en ik vind eigenlijk dat het zo langzamerhand eens tijd wordt om mijn opleiding en talent te gelde te maken. Niet omdat ik nou zo graag stinkend rijk wil worden, maar wel omdat ik gewoon eens voor twee tientjes in een sjiek restaurant wil kunnen eten zonder mij schuldig te voelen, een rondje wil kunnen geven, mijn vriendin een mooi cadeau wil kunnen kopen, of een leuke weekendtrip wil kunnen maken. Dat zit er op dit moment allemaal niet in.
Als ik alleen was, dan was ik nu op het punt aanbeland waarop ik me achter mijn oren krabde, en me afvroeg of het niet eens tijd was om nog een rondje Laos en Yunnan te maken, en dan naar huis te gaan. Maar alles is anders dan een paar maand geleden, want ik ben niet alleen. Ik heb iemand ontmoet met wie ik graag nog even verder ga. Dat is een goede reden om hier wat langer te blijven.
De vraag is alleen: wáár blijven we? In Hoi An, elders in Vietnam, of elders in de regio? Ik voel weinig loyaliteit jegens mijn huidige werkgevers, dat zult u begrijpen. Ik heb geen enkele rechten (als ik ziek word, zit ik zonder inkomen), krijg weinig betaald, heb een onregelmatig rooster en word steeds weer geconfronteerd met wijzigingen en afzeggingen. Ik vertel mezelf dat de arbeidsmarkt in Hanoi of Ho Chi Minh Stad mij een stuk gunstiger gezind zal zijn.
Maar is dat wel zo? Tot voor kort zaten alle scholen in Danang- toch ook een ambitieuze, internationaal georiënteerde miljoenenstad - te springen om buitenlandse docenten. Het deed er niet toe of je wel of niet de juiste dipoma's bezat: er was veel vraag naar docenten Engels, want iedereen wilde (zijn kinderen) Engels (laten) leren. Zodoende verzekerde de dame van de eerste talenschool mij dat het aantal uren dat ik zou kunnen maken in de zomer ongetwijfeld flink toe zou nemen, omdat scholieren dan vakantie hebben - en dus tijd om Engels te studeren. Maar wat wil het geval? De zomervakantie is reeds begonnen, maar bij de gemiddelde school is het aantal nieuwe aanmeldingen op de vingers van één hand te tellen. De verklaring is simpel. De ecomische crisis heeft ook Vietnam getroffen, en de middenklasse is een stuk terughoudender geworden waar het gaat om het besteden van geld aan niet-noodzakelijke zaken. Talenscholen kunnen de beloftes die ze hun docenten gemaakt hebben helemaal niet waarmaken.
Dat zeggen ze natuurlijk niet. Ze wekken de indruk - op internetsites en in gesprekken - dat het ze voor de wind gaat. Men belooft je terug te bellen (en doet dat vervolgens niet), of men scheept je af met een slap excuus. De werkelijkheid is daarentegen simpel: het aantal mensen dat Engels leert ligt een stuk lager dan vorig jaar, terwijl het aantal buitenlanders dat op de bonnefooi naar Vietnam reist om daar een baantje als taaldocent te krijgen juist is toegenomen. Dat is slecht voor onze onderhandelingspositie.
Eergisteren gebeurde er iets onverwachts. Ik zag plotseling een vacature voor een AiO-plaats. In Leiden nog wel. Het is niet de eerste keer, en het zal niet de laatste keer zijn, maar deze zag er toch wel bovengemiddeld interessant uit.
De hamvraag is nu natuurlijk: ga ik solliciteren, of wacht ik nog een jaar. Ik weet natuurlijk ook wel hoe dun de AiO-plaatsen in mijn vakgebied gezaaid zijn. Zou ik de baan krijgen, dan betekent dat dat ik eindelijk kan doen wat ik het liefste wil doen: wetenschappelijk onderzoek, verder studeren, schrijven, wellicht college geven - en daar nog fatsoenlijk voor betaald krijgen ook. Echter, het betekent ook dat onze relatie wel heel snel heel serieuze vormen aanneemt, en dat we een lange, bizar dure bureaucratische (en mogelijk, God verhoede het, juridische) procedure moeten doorlopen, teneinde samen te kunnen leven. Het idee een dergelijke, op xenofobie gestoelde, vernederende immigratieprocedure te moeten doorlopen, en mogelijk vele maanden gescheiden te moeten leven, staat me behoorlijk tegen. Ergens heb ik iets van: Nederland, naargeestig en bang landje dat je bent, je kan mijn rug op. Maar aan de andere kant hou ik van Leiden en haar universiteit, en zou ik me er stiekem best wel graag willen vestigen. Maar dan wel samen.
Enfin. Eerst maar eens proberen om een toeristenvisum te krijgen, zodat we deze zomer een bezoek aan Nederland kunnen brengen, en dan zien we wel weer verder. We hebben alle benodigde papieren inmiddels verzameld. Overmorgen vliegen we naar Ho Chi Minh Stad, waar het Nederlandse consulaat zich bevindt. We blijven er drie nachten; dinsdagmiddag vliegen we weer terug.
De vragen blijven nog even onbeantwoord.
Tijd om naar bed te gaan. Morgenochtend word ik vermoedelijk weer vroeg mijn bed uit gedreund.
Wednesday, 15 December 2004
Starbucks Sensei
De meeste van zijn leeftijdsgenoten achter de toonbank herkennen hem direct wanneer hij binnenkomt. Met een hartelijke 'irasshaimase' en een grote glimlach begroeten ze hem, waarna ze hem in ruil voor een klein geldbedrag met liefde een Starbucks Latte (Short Size, Hot), dan wel een Tazo Chai Tea Latte (eveneens Short Size, Hot) bereiden. Dankbaar neemt hij deze in ontvangst, waarna hij het trapje afloopt naar de benedenverdieping en daar aan een houten tafeltje gaat zitten. Hij begroet zijn eerste studente, die reeds lange tijd aanwezig is, doet zijn jas uit, neemt een slok van zijn drankje en haalt een lelijk blauw boek en een elektronisch woordenboekje tevoorschijn.
De les kan beginnen.
Ze heeft prachtige lange zwarte haren, glinsterende ogen en een honingzoete glimlach. Slechts de kraaienpootjes naast haar ogen verraden haar leeftijd. Drie kruisjes heeft ze reeds op haar rug - zoals zijn oma, God hebbe haar ziel, gezegd zou hebben. Japanners zouden haar respectloos een 'christmas cake' noemen (bijzonder smakelijk, maar als kerstmis eenmaal voorbij is wil niemand het meer hebben), daarmee verwijzend naar haar ongehuwde staat.
Maar als ze dan een christmas cake is, dan wel een hele mooie. Verlegen heeft ze haar ogen neergeslagen. Af en toe kijkt ze even op - wanneer ze een vraag niet begrijpt, wanneer ze een fout maakt, of wanneer haar uitspraak gecorrigeerd wordt. De taperecorder naast haar draait maar en draait maar. Zij zwoegt ondertussen op het verschil in uitspraak tussen een L of een R.
Elke week begrijpt ze een beetje meer. En elke week wordt haar glimlach guller.
De volgende studente is nog een beetje ouder, en tevens ongehuwd. Ze studeert Engels, teneinde in Engeland een cursus kleurentherapie te kunnen volgen. In tegenstelling tot de eerste studente houdt ze niet van het lelijke blauwe boek, en bereidt ze de lessen nauwelijks voor. Ze vindt het leuker om te praten dan om oefeningetjes te doen - maar heeft daarbij de tamelijk persistente neiging zelfs de eenvoudigste dingen in het Japans te zeggen. Terwijl ze vertelt over de lezing over de menselijke ziel waar ze geweest is, de aurafoto die ze heeft laten maken of de winkel met therapeutische edelstenen die ze toevallig tegenkwam zijn haar ogen gericht op een onbestemd punt in de ruimte, schuin achter hem. Hij doet ondertussen zijn best haar te helpen datgene wat ze wil zeggen in het Engels te vertalen.
Wanneer ze uitrekent dat hij, volgens een hem onbekende astrologie, een panter is, knikt ze hem bewonderend toe.
De derde studente is slechts een paar jaar ouder dan hij. Ze is werkzaam als tandartsassistente en is afkomstig uit een stad in het noorden. Het is niet ondenkbaar dat er een verband bestaat tussen de wijze waarop ze haar brood verdient en de joekel van een blokjesbeugel die haar gebit vergezelt - en die de uitspraak van de Engelse taal er niet makkelijker op maakt.
De blokjesbeugel verhindert haar er gelukkig niet van met een zekere regelmaat breeduit stralend te lachen. Ofschoon het lelijke blauwe boek niet altijd even enerverend is, danst ze er door heen. Maar het meeste plezier beleeft ze aan het andere boek dat hij meebrengt; een boek waarin de beroemde tekenfilms van Walt Disney in verhaalvorm zijn opgenomen.
Haar Engels gaat met grote sprongen vooruit, terwijl ze hem Pinokkio voorleest.
De laatste studente van vandaag is de enige die getrouwd is - al lijkt het er soms op dat haar man weinig meer is dan een verre meneer die haar verbiedt langer dan een maand naar het buitenland gaan. Aangezien ze niet geinteresseerd is in zaken als blauwe boeken of grammatica bestaat haar les grotendeels uit conversatie, af en toe afgewisseld met de bespreking van door haar uitgekozen teksten. Ze leert Engels ter voorbereiding op een reis naar India, die ze in januari zal maken. Ze zal tijdens deze reis onder meer een bezoek brengen aan een beroemde hindoegoeroe - dan kun je inderdaad niet aankomen met alleen Japans.
Nu en dan dwalen haar gedachten tijdens de les af. Wanneer hij haar dan iets vraagt kijkt ze vanachter haar dikke, troebele brillenglazen op als een hond die uit zijn slaap gewekt is en nog niet zeker weet of hij wel echt wakker is. Maar haar Engels is in een paar maanden tijd erg vooruit gegaan - ofschoon ze in het begin nog niet wist hoe ze in een restaurant eten moet bestellen, spreekt ze nu met hem over de situatie in Kashmir.
De afgelopen maanden heeft ze ontslag genomen bij het architectenkantoor waar ze werkte, om vervolgens part-time te gaan werken als inspecteur bij paardenraces, en als medewerkster van een internethelpdesk. Die laatste baan heeft ze helaas alweer verloren, daar ze er maar niet in slaagde het examen van de internetcursus die ze moest volgen te halen. Momenteel brengt ze het grootste deel van haar tijd door in de plaatselijke mahjonghal, waar ze haar geld vergokt.
Soms lijkt ze eventjes heel eenzaam.
Soms vraagt hij zich af waarom ze geen kinderen heeft.
Na afloop van de lessen loopt hij naar een klein, Indiaas restaurantje dat zich in een smal, met eethuisjes gevuld straatje bevindt. De Indiers in de open keuken herkennen hem als hij binnenkomt en begroeten hem hartelijk - in het Japans, zoals het hoort. De baas van de tent vraagt hem waar zijn vriendinnetje gebleven is, met wie hij daar laatst gegeten heeft. Wanneer hij hem vertelt dat dat niet zijn vriendinnetje was omdat zijn vriendinnetje ver weg is, en dat hij ondertussen niet aan het scharrelen is, werpt de man hem een veelbetekenende grijns toe.
Het eten is verukkelijk. De nan is bezaaid met grote stukken knoflook, de massala gevuld met brokken vis. Op een TV danst een grote groep jongemannen, voor de helft bestaande uit moslims en voor de andere helft uit hindoes, een dans die hem in de verte aan kinderen voor kinderen doet denken. Ondertussen zingen zij een lied dat volgepropt is met een groot aantal salaam aleikums, aangevuld met voor hem ondoorgrondelijke Hindiklanken.
Na de maaltijd gaat Starbucks Sensei naar huis, om te studeren voor de test van de volgende dag.
Nu mag hij zelf weer de student zijn.
De les kan beginnen.
Ze heeft prachtige lange zwarte haren, glinsterende ogen en een honingzoete glimlach. Slechts de kraaienpootjes naast haar ogen verraden haar leeftijd. Drie kruisjes heeft ze reeds op haar rug - zoals zijn oma, God hebbe haar ziel, gezegd zou hebben. Japanners zouden haar respectloos een 'christmas cake' noemen (bijzonder smakelijk, maar als kerstmis eenmaal voorbij is wil niemand het meer hebben), daarmee verwijzend naar haar ongehuwde staat.
Maar als ze dan een christmas cake is, dan wel een hele mooie. Verlegen heeft ze haar ogen neergeslagen. Af en toe kijkt ze even op - wanneer ze een vraag niet begrijpt, wanneer ze een fout maakt, of wanneer haar uitspraak gecorrigeerd wordt. De taperecorder naast haar draait maar en draait maar. Zij zwoegt ondertussen op het verschil in uitspraak tussen een L of een R.
Elke week begrijpt ze een beetje meer. En elke week wordt haar glimlach guller.
De volgende studente is nog een beetje ouder, en tevens ongehuwd. Ze studeert Engels, teneinde in Engeland een cursus kleurentherapie te kunnen volgen. In tegenstelling tot de eerste studente houdt ze niet van het lelijke blauwe boek, en bereidt ze de lessen nauwelijks voor. Ze vindt het leuker om te praten dan om oefeningetjes te doen - maar heeft daarbij de tamelijk persistente neiging zelfs de eenvoudigste dingen in het Japans te zeggen. Terwijl ze vertelt over de lezing over de menselijke ziel waar ze geweest is, de aurafoto die ze heeft laten maken of de winkel met therapeutische edelstenen die ze toevallig tegenkwam zijn haar ogen gericht op een onbestemd punt in de ruimte, schuin achter hem. Hij doet ondertussen zijn best haar te helpen datgene wat ze wil zeggen in het Engels te vertalen.
Wanneer ze uitrekent dat hij, volgens een hem onbekende astrologie, een panter is, knikt ze hem bewonderend toe.
De derde studente is slechts een paar jaar ouder dan hij. Ze is werkzaam als tandartsassistente en is afkomstig uit een stad in het noorden. Het is niet ondenkbaar dat er een verband bestaat tussen de wijze waarop ze haar brood verdient en de joekel van een blokjesbeugel die haar gebit vergezelt - en die de uitspraak van de Engelse taal er niet makkelijker op maakt.
De blokjesbeugel verhindert haar er gelukkig niet van met een zekere regelmaat breeduit stralend te lachen. Ofschoon het lelijke blauwe boek niet altijd even enerverend is, danst ze er door heen. Maar het meeste plezier beleeft ze aan het andere boek dat hij meebrengt; een boek waarin de beroemde tekenfilms van Walt Disney in verhaalvorm zijn opgenomen.
Haar Engels gaat met grote sprongen vooruit, terwijl ze hem Pinokkio voorleest.
De laatste studente van vandaag is de enige die getrouwd is - al lijkt het er soms op dat haar man weinig meer is dan een verre meneer die haar verbiedt langer dan een maand naar het buitenland gaan. Aangezien ze niet geinteresseerd is in zaken als blauwe boeken of grammatica bestaat haar les grotendeels uit conversatie, af en toe afgewisseld met de bespreking van door haar uitgekozen teksten. Ze leert Engels ter voorbereiding op een reis naar India, die ze in januari zal maken. Ze zal tijdens deze reis onder meer een bezoek brengen aan een beroemde hindoegoeroe - dan kun je inderdaad niet aankomen met alleen Japans.
Nu en dan dwalen haar gedachten tijdens de les af. Wanneer hij haar dan iets vraagt kijkt ze vanachter haar dikke, troebele brillenglazen op als een hond die uit zijn slaap gewekt is en nog niet zeker weet of hij wel echt wakker is. Maar haar Engels is in een paar maanden tijd erg vooruit gegaan - ofschoon ze in het begin nog niet wist hoe ze in een restaurant eten moet bestellen, spreekt ze nu met hem over de situatie in Kashmir.
De afgelopen maanden heeft ze ontslag genomen bij het architectenkantoor waar ze werkte, om vervolgens part-time te gaan werken als inspecteur bij paardenraces, en als medewerkster van een internethelpdesk. Die laatste baan heeft ze helaas alweer verloren, daar ze er maar niet in slaagde het examen van de internetcursus die ze moest volgen te halen. Momenteel brengt ze het grootste deel van haar tijd door in de plaatselijke mahjonghal, waar ze haar geld vergokt.
Soms lijkt ze eventjes heel eenzaam.
Soms vraagt hij zich af waarom ze geen kinderen heeft.
Na afloop van de lessen loopt hij naar een klein, Indiaas restaurantje dat zich in een smal, met eethuisjes gevuld straatje bevindt. De Indiers in de open keuken herkennen hem als hij binnenkomt en begroeten hem hartelijk - in het Japans, zoals het hoort. De baas van de tent vraagt hem waar zijn vriendinnetje gebleven is, met wie hij daar laatst gegeten heeft. Wanneer hij hem vertelt dat dat niet zijn vriendinnetje was omdat zijn vriendinnetje ver weg is, en dat hij ondertussen niet aan het scharrelen is, werpt de man hem een veelbetekenende grijns toe.
Het eten is verukkelijk. De nan is bezaaid met grote stukken knoflook, de massala gevuld met brokken vis. Op een TV danst een grote groep jongemannen, voor de helft bestaande uit moslims en voor de andere helft uit hindoes, een dans die hem in de verte aan kinderen voor kinderen doet denken. Ondertussen zingen zij een lied dat volgepropt is met een groot aantal salaam aleikums, aangevuld met voor hem ondoorgrondelijke Hindiklanken.
Na de maaltijd gaat Starbucks Sensei naar huis, om te studeren voor de test van de volgende dag.
Nu mag hij zelf weer de student zijn.
Friday, 15 October 2004
Baito!
Tokyo is een ontzagwekkende metropool, het bruisende centrum van een imposante economische en politieke macht, en een constant in beweging zijnde bron van ontwikkelingen op het gebied van wetenschap, mode, kunst en architectuur. Tokyo is één van de grootste steden op deze aarde, en de invloed die ze heeft op cultureel en economisch gebied reikt wereldwijd. Tokyo is een paradoxale, maar fascinerende synthese van het traditionele en het hypermoderne Japan. Tokyo ís Japan, in feite.
Natuurlijk krijg ik wanneer ik dit beweer ruzie met enkele van mijn Leidse studiegenoten, die ervoor gekozen hebben om zich een jaar lang op te houden in afgelegen plattelandsoorden waar de mensen onverstaanbare dialecten brabbelen, obscure maritieme levensvormen nuttigen als ontbijt, en in kleding rondlopen die vorig jaar reeds uit de mode was. Vooruit, ze hebben best aardige tempels in die stadjes in het westen, maar je zou er toch niet willen wonen...
Toch moet ik ze één ding nageven, die studiegenoten van me. Op financieel gebied was het een verstandige keuze om niet in Tokyo te gaan wonen. Zo betaal ik drie keer zoveel als zij om in een dormitory te mogen wonen. Ook andere belangrijke zaken, zoals eten en uitgaan, zijn hier tamelijk prijzig. Mijn portemonnee is met een beangstigende snelheid aan het afslanken.
Er zit dus maar één ding op: baito!
'Baito' is één van de belangrijkste termen in het leven van de meeste Japanse studenten. Het woord is een afkorting van 'arubaito', dat is afgeleid van het Duitse 'Arbeit', en betekent 'bijbaantje'. Het bijbaantje is fundamenteel anders dan een reguliere full-time baan, en de twee mogen dan ook niet verward worden - het woord dat 'werk' betekent mag absoluut niet gebruikt worden wanneer verwezen wordt naar een bijbaantje, en vice versa. Ook al doen ze precies hetzelfde werk, iemand die baito doet heeft een principieel andere status dan iemand die ergens full-time werkt.
De Japanse economie is in grote mate afhankelijk van baito's. Cafés, restaurants, winkels en andere kleine bedrijven kunnen het zich vaak niet veroorloven hun werknemers vaste contracten voor langere tijd aan te bieden, en alle daarbij horende sociale premies, belastingen en dergelijke te betalen. Ook studenten hebben er belang bij zonder al te veel verplichtingen ergens gedurende een kortere periode te kunnen werken; per slot van rekening moeten die nieuwe telefoon, schoenen en handtas ergens van betaald worden (dat ze er moeten komen is evident - we zijn hier in Tokyo, dus we moeten wel up-to-date blijven met de laatste ontwikkelingen...).
Op zoek naar baito kwam ik terecht bij de Language School.
De Language School bevindt zich in een kille, met kantoren gevulde buurt in het centrum van de stad, even ten westen van het keizerlijk paleis. Tachtig procent van de mensen die gebruik maken van het nabijgelegen metrostation heeft een stropdas om de nek en een koffertje aan de hand. De eerst stijgende, vervolgens dalende weg die van het metrostation naar de Language School loopt wordt behalve door een noodlerestaurant, een broodjeszaak en een convenie geflankeerd door grote aantallen middelgrote kantoorgebouwen waarin zich middelgrote en kleine bedrijven bevinden.
Op de zevende en tevens hoogste verdieping van één van deze gebouwen bevindt zich een kamertje van hooguit tien vierkante meter. Op de deur staan de naam van de school en enkele van de talen die er gedoceerd worden. Wanneer men het kamertje binnengaat wordt men geacht zijn schoenen uit te doen en zijn voeten in een paar met roze stippen versierde badslippers te wurmen (een vrijwel onmogelijke opgave voor iemand met maat 45). Aan de rechterkant leidt een deur naar een klein toilet. Aan de linkerkant staat een tafeltje met een aantal krukjes, waarop naast een kamerplant een paar Newsweeks, een klein white board en dikke stiften in verschillende kleuren liggen. Verderop in het kamertje bevinden zich een gootsteen met enkele gebruikte glazen, een kast waarin Engelse leerboeken en kinderboekjes staan, een archiefkast en een bureau met een paar stoelen. Het bureau is gevuld met een roze radio annex CD-speler, een fax, een telefoon, drie mobiele telefoons waaraan verschillende speelgoedfiguurtjes bevestigd zijn, een grote stapel papieren, een doosje met met stickertjes in de vorm van vlindertjes versierde visitekaartjes en een groot blauw boek met Disney-verhaaltjes in het Engels. Er staat geen computer.
De talenschool wordt gerund door een dame van een jaar of dertig, die (evenals Endo Shusaku, één van de drie grootste Japanse auteurs uit de twintigste eeuw, maar dat terzijde) Frans gestudeerd heeft aan Keio University, de grote concurrent van Waseda. Wanneer ik haar vraag of dat betekent dat ze Frans spreekt telt ze met de nodige moeite tot tien, waarna ze me vertelt dat haar studietijd voornamelijk bestond uit feesten. Wanneer ze niet in gesprek is met een nieuwe student voor wie ze een geschikte leraar moet zien te vinden of met een nieuwe leraar voor wie ze een geschikte student moet zien te vinden houdt ze zich meestal bezig met één of meerdere van de aanwezige mobiele telefoons. Het lijkt erop dat ze zowel doordeweeks als in het weekend in het kamertje aan het werk is, en meestal doorgaat tot 's avonds laat.
Af en toe is er een man op de Language School die iets, maar niet veel ouder is dan zij. Hij gaat gekleed in een zwart pak, een wit overhemd met zalmkleurige streepjes en een zalmkleurige stropdas met witte streepjes. Hij heeft een baardje in de vorm van een paar zwarte sprietjes haar, en spreekt met zachte, hese stem. Het eerste wat hij mij vertelt is dat mensen hem gezegd hebben dat de verhalen die hij heeft geschreven van een vergelijkbaar niveau zijn als die van, pak hem beet, Kawabata Yasunari (ook één van de drie grootste Japanse auteurs uit de twintigste eeuw). Vervolgens vertelt hij mij hoe ik mijn lessen vorm moet geven, en dat het belangrijk is dat studenten tot in den treure hetzelfde stomme zinnetje herhalen, zonder zich bezig te houden met de betekenis, opdat ze hun uitspraak perfectioneren (een lesmethode waar ik zo mijn twijfels bij heb; iemand die altijd dezelfde passeerbeweging oefent wordt toch ook geen goede voetballer?). Daarna houdt hij onder andere een filosofische monoloog van een half uur tegen een nieuwe studente, leest hij mij met veel passie Sneeuwwitje voor in het Engels, en weet hij mij aan de hand van de numerologie van mijn naam te vertellen wat mijn sterke en zwakke kanten zijn (hij zit er niet ver naast, moet ik bekennen).
En ik? Ik praat Engels en lees Sneeuwwitje met nieuwe studentes, ik plak stickertjes in de vorm van vlindertjes op visitekaartjes, ik spreek een bandje in. Tussendoor lees ik. En natuurlijk kijk ik om me heen.
Best leuk, baito...!
Natuurlijk krijg ik wanneer ik dit beweer ruzie met enkele van mijn Leidse studiegenoten, die ervoor gekozen hebben om zich een jaar lang op te houden in afgelegen plattelandsoorden waar de mensen onverstaanbare dialecten brabbelen, obscure maritieme levensvormen nuttigen als ontbijt, en in kleding rondlopen die vorig jaar reeds uit de mode was. Vooruit, ze hebben best aardige tempels in die stadjes in het westen, maar je zou er toch niet willen wonen...
Toch moet ik ze één ding nageven, die studiegenoten van me. Op financieel gebied was het een verstandige keuze om niet in Tokyo te gaan wonen. Zo betaal ik drie keer zoveel als zij om in een dormitory te mogen wonen. Ook andere belangrijke zaken, zoals eten en uitgaan, zijn hier tamelijk prijzig. Mijn portemonnee is met een beangstigende snelheid aan het afslanken.
Er zit dus maar één ding op: baito!
'Baito' is één van de belangrijkste termen in het leven van de meeste Japanse studenten. Het woord is een afkorting van 'arubaito', dat is afgeleid van het Duitse 'Arbeit', en betekent 'bijbaantje'. Het bijbaantje is fundamenteel anders dan een reguliere full-time baan, en de twee mogen dan ook niet verward worden - het woord dat 'werk' betekent mag absoluut niet gebruikt worden wanneer verwezen wordt naar een bijbaantje, en vice versa. Ook al doen ze precies hetzelfde werk, iemand die baito doet heeft een principieel andere status dan iemand die ergens full-time werkt.
De Japanse economie is in grote mate afhankelijk van baito's. Cafés, restaurants, winkels en andere kleine bedrijven kunnen het zich vaak niet veroorloven hun werknemers vaste contracten voor langere tijd aan te bieden, en alle daarbij horende sociale premies, belastingen en dergelijke te betalen. Ook studenten hebben er belang bij zonder al te veel verplichtingen ergens gedurende een kortere periode te kunnen werken; per slot van rekening moeten die nieuwe telefoon, schoenen en handtas ergens van betaald worden (dat ze er moeten komen is evident - we zijn hier in Tokyo, dus we moeten wel up-to-date blijven met de laatste ontwikkelingen...).
Op zoek naar baito kwam ik terecht bij de Language School.
De Language School bevindt zich in een kille, met kantoren gevulde buurt in het centrum van de stad, even ten westen van het keizerlijk paleis. Tachtig procent van de mensen die gebruik maken van het nabijgelegen metrostation heeft een stropdas om de nek en een koffertje aan de hand. De eerst stijgende, vervolgens dalende weg die van het metrostation naar de Language School loopt wordt behalve door een noodlerestaurant, een broodjeszaak en een convenie geflankeerd door grote aantallen middelgrote kantoorgebouwen waarin zich middelgrote en kleine bedrijven bevinden.
Op de zevende en tevens hoogste verdieping van één van deze gebouwen bevindt zich een kamertje van hooguit tien vierkante meter. Op de deur staan de naam van de school en enkele van de talen die er gedoceerd worden. Wanneer men het kamertje binnengaat wordt men geacht zijn schoenen uit te doen en zijn voeten in een paar met roze stippen versierde badslippers te wurmen (een vrijwel onmogelijke opgave voor iemand met maat 45). Aan de rechterkant leidt een deur naar een klein toilet. Aan de linkerkant staat een tafeltje met een aantal krukjes, waarop naast een kamerplant een paar Newsweeks, een klein white board en dikke stiften in verschillende kleuren liggen. Verderop in het kamertje bevinden zich een gootsteen met enkele gebruikte glazen, een kast waarin Engelse leerboeken en kinderboekjes staan, een archiefkast en een bureau met een paar stoelen. Het bureau is gevuld met een roze radio annex CD-speler, een fax, een telefoon, drie mobiele telefoons waaraan verschillende speelgoedfiguurtjes bevestigd zijn, een grote stapel papieren, een doosje met met stickertjes in de vorm van vlindertjes versierde visitekaartjes en een groot blauw boek met Disney-verhaaltjes in het Engels. Er staat geen computer.
De talenschool wordt gerund door een dame van een jaar of dertig, die (evenals Endo Shusaku, één van de drie grootste Japanse auteurs uit de twintigste eeuw, maar dat terzijde) Frans gestudeerd heeft aan Keio University, de grote concurrent van Waseda. Wanneer ik haar vraag of dat betekent dat ze Frans spreekt telt ze met de nodige moeite tot tien, waarna ze me vertelt dat haar studietijd voornamelijk bestond uit feesten. Wanneer ze niet in gesprek is met een nieuwe student voor wie ze een geschikte leraar moet zien te vinden of met een nieuwe leraar voor wie ze een geschikte student moet zien te vinden houdt ze zich meestal bezig met één of meerdere van de aanwezige mobiele telefoons. Het lijkt erop dat ze zowel doordeweeks als in het weekend in het kamertje aan het werk is, en meestal doorgaat tot 's avonds laat.
Af en toe is er een man op de Language School die iets, maar niet veel ouder is dan zij. Hij gaat gekleed in een zwart pak, een wit overhemd met zalmkleurige streepjes en een zalmkleurige stropdas met witte streepjes. Hij heeft een baardje in de vorm van een paar zwarte sprietjes haar, en spreekt met zachte, hese stem. Het eerste wat hij mij vertelt is dat mensen hem gezegd hebben dat de verhalen die hij heeft geschreven van een vergelijkbaar niveau zijn als die van, pak hem beet, Kawabata Yasunari (ook één van de drie grootste Japanse auteurs uit de twintigste eeuw). Vervolgens vertelt hij mij hoe ik mijn lessen vorm moet geven, en dat het belangrijk is dat studenten tot in den treure hetzelfde stomme zinnetje herhalen, zonder zich bezig te houden met de betekenis, opdat ze hun uitspraak perfectioneren (een lesmethode waar ik zo mijn twijfels bij heb; iemand die altijd dezelfde passeerbeweging oefent wordt toch ook geen goede voetballer?). Daarna houdt hij onder andere een filosofische monoloog van een half uur tegen een nieuwe studente, leest hij mij met veel passie Sneeuwwitje voor in het Engels, en weet hij mij aan de hand van de numerologie van mijn naam te vertellen wat mijn sterke en zwakke kanten zijn (hij zit er niet ver naast, moet ik bekennen).
En ik? Ik praat Engels en lees Sneeuwwitje met nieuwe studentes, ik plak stickertjes in de vorm van vlindertjes op visitekaartjes, ik spreek een bandje in. Tussendoor lees ik. En natuurlijk kijk ik om me heen.
Best leuk, baito...!
Subscribe to:
Posts (Atom)

