Showing posts with label the Netherlands. Show all posts
Showing posts with label the Netherlands. Show all posts

Monday, 27 August 2012

Mijn zomergasten

En voor de zomer goed en wel begonnen was, was ze al weer bijna voorbij. Ik slaagde er niet in alles te doen wat ik me had voorgenomen. Zoals u heeft gezien is mijn jongste schrijfproject, het schrijven van wandelverslagen van de GR5, vooralsnog onaf. Met mijn proefschrift wil het ook niet echt vlotten - ik worstel nog met mijn tweede theoriehoofdstuk - maar ik heb wel een belangrijke paper geschreven en gepresenteerd op een symposium in Kopenhagen, waar ik ook een aantal nuttige contacten heb opgedaan. Behalve in Kopenhagen zijn we in Boedapest, Wenen, Düsseldorf, Amsterdam en Leiden geweest, waar we genoten hebben van het weerzien met oude vrienden, en van de mooie architectuur. Verder hebben we ons een aantal weken teruggetrokken op het Groningse platteland voor een werkvakantie (een fraai oxymoron, vindt u niet?). Van de meegetorste boeken is slechts een beperkt aantal gelezen, helaas.

Het is niettemin fijn om weer eens wat langer in Nederland te zijn. Verandering van spijs doet eten, zegt men; verandering van omgeving kan nieuwe energie geven. De uitgestrekte groene velden vormen een aangename afwisseling op de bossen en heuvels van Oslo. Het is goed om een grote tuin te hebben (een luxe die ons in Oslo niet gegund is), en te kunnen werken in 's lands mooistgelegen stacaravan - dezelfde waar ik ooit mijn masterscriptie schreef. Het is goed om weer even van dichtbij mee te maken wat er zoal speelt in het moederland - van hartverwarmend olympisch patriottisme ('En hij staat! En ik sta ook! En het hele land staat!') tot tenenkrommende verkiezingsretoriek (een minister-president die grossiert in jijbakken en welles-nietes, en geen verantwoording aflegt voor twee jaar van polarisatie en economische stagnatie, terwijl zijn voornaamste uitdager evenmin concrete oplossingen weet aan te dragen; voorwaar weinig reden voor optimisme). Maar het leukste is toch het jaarlijks terugkerende televisiespektakel: Zomergasten.

Toegegeven, ik heb niet alles gezien. Lang niet. Een kort stukje van de aflevering met Henny Vrienten, op internet; te kort om er een oordeel over te kunnen vellen. Delen van de aflevering met Lidewij Edelkoort, een dame die helaas bleek te grossieren in pretentieuze prietpraat en nietszeggende clichés. En, al heen en weer zappend van en naar het teleurstellende lijsttrekkersdebat, delen van de boeiende aflevering met Adriaan van Dis - een fascinerende verteller, die interessante fragmenten had uitgekozen. Ik hoop volgende week nog het tweede deel van het gesprek met Jolande Withuis te zien.

Zoals elke keer na een geslaagde aflevering van Zomergasten kon ik het niet laten mij twee vragen te stellen. Ik vermoed dat ik niet de enige ben die het zich afvraagt. Ten eerste: als ik presentator van het programma zou zijn, en zes mensen zou mogen uitnodigen, wie zouden dat dan zijn? En ten tweede: als ik zelf gevraagd zou worden als gast, welke fragmenten zou ik dan uitkiezen?

Als ik presentator zou zijn, zou ik de volgende gasten uitnodigen (op alfabetische volgorde): Hans Achterhuis, Marlene Dumas, Femke Halsema, Wim Mertens, Jörgen Raymann en Herman van Veen. Hans Achterhuis is een van Nederlands bekendste filosofen; hij heeft boeiende boeken geschreven over geweld en utopisme, maar ook over de 'markt van welzijn en geluk'. Tegenwoordig werkt hij als 'denker des vaderlands'. Marlene Dumas is een Zuid-Afrikaanse kunstenares, woonachtig in Nederland; ze is wereldberoemd vanwege haar expressieve en expliciete schilderijen, zoals de portretten van Osama Bin Laden en Ulrike Meinhof. Femke Halsema is de voormalige partijleider van GroenLinks, en (naar mijn mening) een van de meest visionaire Nederlandse politici van de afgelopen tien jaar; in politiek Den Haag wordt ze tegenwoordig node gemist. Wim Mertens is een Vlaamse componist, pianist en musicoloog; hij is bekend vanwege zijn minimalistische muziek (stukken als Struggle for Pleasure en Often a Bird) en filmmuziek, waarin hij probeert elementen uit de natuur te verbeelden. Jörgen Raymann is een bekende cabaretier en programmamaker van Surinaamse afkomst; hij is een van de meest prominente vertegenwoordigers van de Nederlandse multiculturele samenleving. En Herman van Veen is een van 's lands bekendste zangers en theatermakers, die al decennia op eenzame hoogte staat. Me dunkt dat ik met deze zes gasten een mooi seizoen Zomergasten kan maken. Nu maar hopen dat ze allemaal willen komen...

Als ik zelf gast zou zijn, zou ik ook een mooie televisieavond samenstellen. Ik zou denk ik beginnen met een fragment uit de film Spirited Away, die ik op vijftienjarige leeftijd in Japan zag, en die de nodige invloed zou uitoefenen op mijn latere interesses: een scène waarin een god naar een badhuis gaat, en waarin noties als rituele reinheid en milieuverontreiniging creatief bij elkaar worden gebracht. Het is de tweede helft van dit filmpje:


Dit zou een mooi opzetje zijn voor een gesprek over mijn interesse voor Japanse cultuur, wat me de gelegenheid zou geven het volgende fraaie fragment te laten zien. Het is afkomstig uit een documentaire van de Duitse filmmaker Wim Wenders, en laat zien hoe plastic modellen van gerechten (herkenbaar voor iedereen die ooit in Japan is geweest) vervaardigd worden:


Dit fragment zou aanleiding geven tot een gesprek over de categorieën 'cultuur' en 'natuur', en de verschillende manieren waarop deze op verschillende plaatsen geconceptualiseerd worden. We blijven nog even in Japan, en bekijken een stuk van de documentaire Satoyama, over 'traditionele' Japanse cultuur-natuurlandschappen (met de voice-over van niemand minder dan Sir David Attenborough):


Tijd voor wat theoretische reflectie op de wijze waarop dit soort historisch gevormde beelden genaturaliseerd worden, en waarop ideologische motieven depolitiseerd worden. We gaan praten over processen van mythevorming, aan de hand van een fraai historisch interview met de filosoof Roland Barthes:


De stap van mythevorming en ideologie naar religie is snel gezet. We komen te spreken over de rol van religie in identiteitsvorming, en in differentiatie. Ik vertel over mijn eerste studiereis, op negentienjarige leeftijd naar Libanon, en hoe dit mijn latere denken over religie beïnvloed heeft. Daarbij heb ik gekozen voor een fragment uit de documentairereeks van Jan Leyers, De weg naar Mekka; aflevering zeven, die zich in Syrië en Libanon afspeelt. Hieronder een ander fragment uit dezelfde documentairereeks, omdat ik de betreffende aflevering niet online kon vinden.


We blijven nog even bij het thema religie-identiteit-geweld, en bij verhoudingen tussen christenen en moslims. Het volgende fragment komt uit Adriaan van Dis' fascinerende documentairereeks over het moderne Indonesië; uit aflevering vier, om precies te zijn, die zich afspeelt op de Molukken.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Naar aanleiding van dit fragment zou ik iets kunnen vertellen over mijn eigen ervaringen in Indonesië, en mijn familiegeschiedenis.Vervolgens zou ik het veelgehoorde argument dat 'religie' verantwoordelijk is voor geweld kritisch tegen het licht houden, en laten zien dat radicale vormen van religie niet essentieel verschillen van andere vormen van utopisme; ze kunnen een zelfde legitimerende werking hebben als, bijvoorbeeld, nationalisme of communisme. Ik zou dit aantonen aan de hand van een scène uit The Wind that Shakes the Barley, een fascinerende film van Ken Loach over het ontstaan van de IRA, die de toeschouwer confronteert met moeilijke morele dilemma's en simplistisch goed-kwaad denken problematiseert. Hier alvast de trailer:


Maar religie kan ook inspirerend werken. Het kan mensen motiveren zich in te zetten voor een betere maatschappij, en het kan ze tot steun zijn in moeilijke tijden. Ik zou een fragment laten zien uit een interview met Yusuf Islam, beter bekend als Cat Stevens; een inspirerende man, wiens muziek mij nog altijd weet te raken.


Vroeger of later wordt het gesprek dan minder academisch, en persoonlijker. De presentator (wie zou het zijn?) stelt me de onvermijdelijke vraag: 'Wat geloof je zelf?' Ik weet nog niet hoe ik die vraag ga beantwoorden. Maar ik denk dat ik iets laat zien van een documentaire over een andere inspirerende man, een filosoof-mysticus uit het land waar ik tegenwoordig woon, die wijze dingen heeft gezegd over de verhouding tussen mens en natuur: Arne Næss. Ik vertel over wandelen, en over mijn affiniteit met zijn ideeën.


Als we verder spreken over Noorwegen, komen we ook te spreken over het land en zijn maatschappij - en, onvermijdelijk, over de verschrikkelijke aanslagen van juli 2011. Ik laat een fragment zien uit de toespraak van de minister-president, Jens Stoltenberg, die symbool staat voor de wijze en waardige manier waarop de Noorse bevolking gereageerd heeft op de aanslagen.


Waar mijn interesse voor identiteit en ideologie, mijn politieke betrokkenheid en mijn rechtvaardigheidsgevoel vandaan komen? Van Alfred Jodocus Kwak, natuurlijk. En misschien komt daar ook wel de wens vandaan om ooit met een mooi meisje uit een ver land te trouwen, wie zal het zeggen. Ik zal in elk geval de scène tonen waarin Alfred in de trein zit die teruggaat van Afrika naar Waterland. Hij ontmoet daar zwarte eenden, die hem vertellen over apartheid. En hij ontmoet Winnie, de vrouw van zijn leven. Het is een scène die een onuitwisbare indruk op me heeft gemaakt. Ik zag hem als kind, één keer, en ik ben hem nooit vergeten.


Zuid-Afrika en grensoverschrijdende liefde: dan kan ook Stef Bos niet ontbreken. Een beetje religieus gekleurde romantiek, en een bruggetje om over mijn eigen ervaringen met een 'internationale relatie' te vertellen - over onze bruiloft, bijvoorbeeld, en hoe we daar onze eigen interpretatie van traditionele rituelen hebben gemaakt. Hybride identititeit als bron van creativiteit.


En daarmee zou de stap naar Vietnam gemaakt zijn. Ik zou vertellen over mijn tijd in Vietnam, over de grote veranderingen die dit land heeft doorgemaakt, maar ook over de problemen. En ik zou aandacht vragen voor het leed dat de mensen in dit land is aangedaan, doordat de VS er op grote schaal chemische wapens hebben gebruikt, die tot op de dag van vandaag zorgen voor ziekte, verminking en milieuverontreiniging. Dit is een fragment uit een Australische documentaire.


Maar Vietnam is meer dan alleen de oorlog. Ik zou ook iets moois van het land willen laten zien. Bijvoorbeeld een scène uit The Scent of Green Papaya, een prachtige verstilde film over een straatarm maar optimistisch meisje in Saigon dat droomt van een mooie toekomst. Hierbij de trailer:


Als laatste zou ik een fragment willen laten zien uit een recent interview met Aung San Suu Kyi. Ik heb grote bewondering voor de wijze waarop zij jarenlang, vreedzaam maar doortastend, gestreden heeft voor een vrij en democratisch Birma. De prijs die ze daarvoor betaald heeft is hoog geweest, maar ze heeft de hoop nooit opgegeven. Birma staat nu aan de vooravond van grote veranderingen, zo lijkt het. Laten we hopen dat de belofte wordt waargemaakt, en dat dit land een voorbeeld gaat zijn voor andere totalitaire staten, in de regio en daarbuiten.


En zo zouden we de avond wel vol krijgen. Als keuzefilm zou ik moeten kiezen tussen Spirited Away, The Wind that Shakes the Barley en The Scent of Green Papaya. Daar moet ik nog even over nadenken.

Ik kan niet wachten tot ik word uitgenodigd. Maar ik zal nog wel even geduld moeten hebben.

Sunday, 13 May 2012

I, stranger


I am reading a book written by Julia Kristeva, a French philosopher of Bulgarian descent. The book is called Strangers to Ourselves (Étrangers à nous-mêmes), and discusses the topic of ‘strangers’ – or ‘foreigners’ – in European history. Kristeva looks at the history of institutionalised xenophobia as well as cosmopolitanism, from the Hellenistic polis to the medieval feudal system to the modern nation state, and raises a number of important questions regarding citizenship, political rights, and belonging. Drawing on Freud's ideas of the individual subconsciousness, she argues that, ultimately, every single one of us is a stranger to her- or himself. According to Kristeva, a realisation of this existential alienation of the self may provide a basis for an inclusive ethics (and law) that no longer perceives the presence of foreigners as a potential threat, but rather as a reminder of the fact that, in the end, all of us are in the same boat. She writes:
Strangely, the foreigner lives within us: he is the hidden face of our identity, the space that wrecks our abode, the time in which understanding and affinity founder. By recognizing him within ourselves, we are spared detesting him in himself. A symptom that precisely turns ‘we’ into a problem, perhaps makes it impossible, the foreigner comes in when the consciousness of my difference arises, and he disappears when we all acknowledge ourselves as foreigners, unamenable to bonds and communities.

The problem of classical multiculturalism, as represented by the works of Will Kymlicka and Charles Taylor, is not that it is idealistic – there is nothing wrong with idealism in politics and political philosophy, as long as it does not turn into utopianism – nor that it challenges the narrow-mindedness of popular nationalism – which, arguably, is not challenged enough in contemporary political discourse. The problem is that it is too communitarian. That is, it reifies communities and minorities; it reduces individual actors to the ‘ethnic group’ or ‘subculture’ to which they supposedly belong; and by doing so, it denies ‘members of minority groups’ their individuality. However, as Kristeva makes clear, if we recognise the foreigner in ourselves, we realise that strangeness is fundamentally an individual, existential condition. The stranger has no real home, no real community. Minority communities do exist, but they are largely artificial constructions, made for political purposes such as legal recognition and economical support.

The Dutch language makes an interesting distinction between two types of ‘homeless’ people: those who do not have a place to live (daklozen, ‘roofless’) and those who do not have a place where they are at home (thuislozen). While a foreigner may have a place to live (i.e., he is not ‘roofless’), he will find it difficult to find a place where he can be at home. He may be one of those who say optimistically, ‘I can feel at home anywhere’, ‘I don’t care where I live, home is where the heart is’, but that comes down to the same thing: he has no physical place, no locale where he is at home. The former homeland, provided there has been any, has long ceased to be ‘home’; the new land, however, will always remain a mystery somehow, and will always make him feel that he does not fully belong because he is ‘different’, either in subtle or in not-so-subtle ways. The foreigner is uprooted, inevitably and irreversibly. And while some are capable of re-appropriating this uprootedness, and turn their individual hybridity into something empowering, many lack the power and resources to do so.

If a tree is uprooted, he will find it difficult to remain well-nourished. There is a reason why immigrants so often get health problems. Physical and mental belonging, personal identity, the power to express oneself verbally – things that most people do not usually reflect upon – are problematised continuously by daily-life encounters. Access to subsidies, tax deductions, immigration agencies, proper health care, education, phone help-desks and the thousand-and-one bureaucratic institutions one has to negotiate in order to survive modern society provide the immigrant constantly with new challenges and stress, and limit his opportunities. Of course, ‘the autochtonous population’ has to deal with and complains about some of these things as well, but they are socialised in the system and have learned how to negotiate it. People who have never lived abroad have little understanding of the fact that bureaucratic, medical and legal systems function completely differently in different countries (even within Europe). Moreover, people who have never had to deal with residence permits, long-term visas, citizenship tests, naturalisation procedures and so on have no idea how totally nontransparent, frustrating and humiliating the rules are. No matter how liberal the rhetoric, in any modern country the system guarantees that immigrants remain strangers, frustrated in their attempts to ‘feel at home’ by institutions that refuse to grant them that simple privilege. And I am only talking about so-called ‘legal’ migrants here – the situation of the millions of people around the world who live and work as ‘illegal’ migrants is much worse, as they do not have access to medical care, legal protection or education whatsoever, thus constituting an easy prey for those exploiting them.

The other day, I read my brother’s MA thesis. He had studied elderly Dutch ‘immigrants’ (question: why do we still use the word ‘immigrant’ when we talk about people who have lived in a single place for nearly sixty years?) in New Zealand, and looked at ways in which they shape and negotiate their hybrid identities through everyday practices, such as home-making and recreational activities. The thesis was well-written, and I particularly liked the ways in which he applied his theoretical framework to an analysis of the ethnographic data. Reading the thesis made me realise two things. First, while discriminatory structures, personal identity struggles, nostalgia for a home country that no longer exists, and a lack of understanding of the written and unwritten rules of a society can lead to frustration and powerlessness, those who learn to juggle their different identities and negotiate the societal structures in the new country often live a life that is more colourful, diverse and, perhaps, exciting than those who only know one place and one culture. In other words, for those who learn how to play with their existential ‘being different’, hybridity can become empowering. As Stuart Hall wrote:
[They] have succeeded in remaking themselves and fashioning new kinds of cultural identity by, consciously or unconsciously, drawing on more than one cultural repertoire. (…) They are people who belong to more than one world, speak more than one language (literally and metaphorically), inhabit more than one identity, have more than one home; who have learned to negotiate and translate between cultures, and who, because they are irrevocably the product of several interlocking histories and cultures, have learned to live with, and indeed to speak from, difference. They speak from the ‘in-between of different cultures, always unsettling the assumptions of one culture from the perspective of another, and thus finding ways of being both the same as and at the same time different from the others amongst whom they live.

According to this view, it would be possible to overcome the existential homelessness that comes with being a stranger; to re-appropriate the strangeness, and re-establish multiple homes. This is a rather optimistic, if not idealistic, view of the migration experience; yet, it is valuable as it challenges popular views of identity and belonging as singular and static, and shows us the potential virtues of having multiple identities.

Second, the thesis’ focus on the objects and practices of everyday life (drawing on the work of Michel de Certeau) made me look at my personal strangeness and cultural hybridity from a new perspective. (For those of you who believe in synchronicity: it is perhaps no coincidence that I came across Kristeva’s book in a second-hand bookshop while I was about to read my brother’s thesis, at a time when questions regarding my personal ‘home’ and cultural identity were resurfacing.) Rather than approaching migration from a communitarian perspective, as the multiculturalists do – an  approach I have never been able to subscribe to, as it does not correspond to my personal migration experiences, which are characterised by a lack of any sense of ‘community’ – my brother looked at the practices and stories through which individuals, often subconsciously, construct (ils bricolent) their identity through home-making and other activities. I liked the particularism inherent in this approach, as it does justice to the simple fact that all migrants deal differently with their different situations, narratives and backgrounds. Even people living in the same country and sharing the same country of origin may have a very different background, and different ways of negotiating their identities.

When I look around, I see that our house is a patchwork, full of objects from all over the world. The hybridity is well-illustrated by our gods’ corner – our altar, where we usually pray – which has a variety of religious objects from Vietnam, Laos, the Netherlands, Japan, India, Slovakia and Egypt, representing a variety of buddhas and bodhisattvas, as well as Hindu deities, the Holy Virgin, and two wooden crosses (Franciscan and Coptic). The same applies to our eating habits: for breakfast, this morning, I had knekkebrød with pindakaas and cà phê sữa đá. Last night, for dinner, we had a nice mix of leftovers: rice with salad, bánh bèo, gyōza and ovenschotel with potatoes. While I am quite happy with cereals for breakfast, for lunch I usually have curry, fried rice or phở. I would not want it to be any different.

Yet, the question ‘what/where is my home’ occasionally pops up. For some reason, recently, it has been on my mind a lot. I like to be free, I like to be able to move from one country to another, and I am glad I am able to live fairly happily in different countries. But as I am spending a third of my salary on a tiny basement apartment, the desire to have a single place (that is, a physical location) that I consider mine is growing. House, home and place are intimately connected; as are home, society, culture and country. I am glad and grateful I have lived in five different countries, in many different cities – but the older I get, the more I look forward to finding (choosing?) the one place where I belong. Perhaps the wish is a natural consequence of growing older. Perhaps it is an illusion, and I will never be able to fully overcome that feeling of uprootedness and spatial alienation. But I believe it exists, somewhere out there; all we have to do is find it.

I grew up in the Netherlands, in a small village not too far away from the city of Groningen. Surrounded by countryside, it is a city that desperately tries to be urban, in which it succeeds remarkably well. Full of theaters, restaurants, art, nightlife and academic activities, Groningen is as interesting as the surrounding areas are boring. Nevertheless, when I was eighteen, I wanted to move somewhere more exciting; hence, I went to study in Leiden, while living in Amsterdam, the only more-or-less cosmopolitan-oriented city in the Netherlands. I enjoyed the years I spent in Amsterdam and Leiden, but I did not want to stay there. Having studied Japanese language and culture for several years, I spent a year as an undergraduate student in Tokyo; later, I went to London for my MA. After my studies, I travelled in Southeast Asia for a while, after which I lived in Vietnam for about a year and a half. In 2010, my wife and I moved to Oslo, where I was going to do my PhD – doing research on (and, partly, in) Japan. Right now, I feel that I belong to at least four countries – the Netherlands, where I grew up; Vietnam, where my wife is from; Norway, where we live; and Japan, which I study. Yet I also feel that I do not completely belong to any of these countries. When the glass is half full, I have four places I can call ‘home’; when it is half empty, I have none.

In the Netherlands, I know how most things work. I know where to buy cheap household appliances or smart yet affordable clothes. I know how to buy train and tram tickets (or at least I did; they changed the system, a few years ago, and now I feel much less self-confident when it comes to finding the right ticket). I speak the language. I do not feel shy when I order drinks in a bar. I support the national football team (and tend to convert to tribalism during important international tournaments). However, I detest the popular xenophobia, spread by mass media and opportunistic politicians, that has characterised Dutch political discourse in the last decade, and the strict immigration rules that have been implemented.  I cannot stand the arrogance and unfriendliness displayed by some people in the public sphere (mainly in the western part of the country, it must be said). Whenever I visit the country, I feel an odd mixture of nostalgia and alienation telling me that, the longer I am away, the stranger I become.

Vietnam is the country of my wife. It is the place where she grew up, where her family lives, where we got married. I love the Vietnamese climate, the food, the cafe culture. I love riding my motorbike through the rice paddies. I enjoy watching the dynamics of social and economical (alas, not political) change; I admire the ambitious students I have had the privilege of teaching, as they work so hard to fulfill their dreams. Yet, having experienced corruption, institutional discrimination and xenophobic violence, as well as pollution and noise, I do not think I would want to live in Vietnam permanently. Moreover, an academic career in my field is simply not possible there; not only because of economical concerns, but also because there is no such thing as freedom of expression. Many Vietnamese scholars have had works confiscated and banned.

I love being in Japan. I love Japanese food, I love visiting sacred places, I love the natural landscapes. Unlike Vietnamese, my Japanese language skills are sufficient for negotiating daily life. That is, I can book a business hotel online, manage a phone call or open a bank account – I am not sure about dealing with tax or immigration issues. However, while one should never say never, I do not think we will go live in Japan for a longer period of time. Japanese society is discriminatory – not so much towards white immigrants, and not so much towards men, but an Asian woman who does not speak the language will find it difficult to deal with practical matters, let alone find a good job.

But we do not live in the Netherlands, Vietnam, or Japan. We live in Norway. Life in Norway is good: I get paid to write my PhD dissertation; Oslo is a pleasant city to live in; people hardly ever get rude or aggressive, even when they are drunk; bus drivers usually wait for you when they see you running to catch the bus; and the city is surrounded by beautiful natural landscapes. But while I love spring and summer (short yet beautiful), the long and dark winters continue to be a challenge. And after almost two years of living here, I still get shocked when I see the prices of a mediocre restaurant, and cannot get used to the fact that I cannot buy a simple bottle of wine at the supermarket. I also fail to comprehend why I pay a significant percentage of my salary to be included in the national health insurance scheme, yet have to pay whenever I visit my GP or get medicines – more importantly, I do not understand why half of the medical sector has been privatised, and clinics not covered by national health insurance can charge huge amounts of money. And while I am grateful we can live here, and my wife can study without having to pay tuition fees, I am troubled by the fact that she is denied some of the basic rights that other immigrants do have, because she came here as the spouse of a non-Norwegian-yet-EU citizen. Institutionalised discrimination, that few people here are aware of.

Finally, what I miss most of my time in, basically, any other country I have lived previously, are spontaneous visits to bars with friends or colleagues. Or anything spontaneous, for that matter. Alas, the stereotype that says Norwegians are only able to act spontaneously when they get drunk (on a planned-in-advance party, on Saturday night, of course) corresponds quite well to my experiences. I have many nice Norwegian acquaintances, know many kind people – but for some reason, it seems to take an eternity for an acquaintance to become a friend. People are generally friendly, yet shy and distant, unless drunk. I find myself copying this behaviour, and have become less outgoing than I used to be.

We do not have to choose yet. We will stay in Norway for another two years, at least – with the possible exception of a few months spent in Vietnam or Japan. So there is no need to decide now. In the end, our choice will of course depend on career opportunities, as much as other material and immaterial factors. I just hope that, in about five years’ time, I will be able to invite guests to our house, wherever it is, and say: ‘Welcome. This is our home’ – after which I serve them a fusion kitchen dinner in the garden. To be able to, somehow, domesticise that existential strangeness Kristeva wrote about. To celebrate our hybrid life, at a place called home.


Monday, 14 November 2011

New notes from Japan (7): Football priests

In the past decades, church membership rates in the Netherlands have decreased steadily. A majority of the population no longer attends church services, except for special occasions. This applies to Catholic churches as much as to Protestant ones. Whereas many people are interested in diffuse types of 'spirituality', they no longer feel attracted to traditional Christian beliefs and/or church services. Churches have tried to come up with new ways of attracting visitors, but most of these attempts have failed.

In the summer of 2010, Catholic priest Paul Vlaar came up with a creative strategy to attract people to his mass. It was the summer of the Vuvuzela World Cup, in which the Dutch national team made it to the final (where, sadly, it lost in the last minute of extra time because of a capital mistake of the incapable British referee). Capitalising on the football hype, the priest decided to organise an 'orange mass', in which he used football and petty nationalism as a way to get people interested in Christianity. He was very successful: his church was filled completely, which usually only happens on Christmas Eve, and his parish loved the service. The bishop, however, was not amused, and the popular priest was suspended.



I will refrain from criticising the Catholic Church now. Let me just say that I do not really understand why people would follow a religion in which some faraway, powerful yet all-too-human authority prescribes them what to do and what to believe. I guess I am a child of the Reformation, after all. Much more interesting, however, is the question as to why the orange mass seemed to appeal to the participants, and even attracted new visitors. Some of them may have come out of curiosity, no doubt, but there is a little bit more to it. Most of us have experienced feelings of excitement and passion when watching sport games, especially when watching in a group of people. During the most exciting moments, watching sports can arouse feelings that seem almost religious: heartfelt wishes, devotion and even ecstasy, if only temporarily. Hence, the association of religion and sport seems quite natural.

And why would it not? After all, 'sport' is a 19th century modern, secular, European category. Before the invention of 'sport', however, there were all sorts of competitions, celebrations, displays of physical strength and so on. 'Sport' existed long before it was categorised as such. So did, incidentally, 'religion' and 'theatre'. But for most of history, the three were not clearly separated, institutionally nor conceptually. The separation of religious ceremonies, performing arts and spectator sports is a fairly recent historical phenomenon.

"But there were already Olympic Games in ancient Greece," you may argue, suggesting that sport is not a modern invention at all. True, but those Olympic Games were not classified as sport in the modern sense of the word. They were, first and foremost, religious worship. That is, they were entertainment: primarily for the gods, secondarily for the people. They were also useful for preserving and improving relations with rival city-states, of course, or prepare for the next war - but their main significance was religious. Hence the name, for the Olympus is the mountain where the Greek gods used to live.

Likewise, there are plenty of examples of ritualised physical competitions - wrestling, running, horse-riding, fighting, swimming, archery and so on - with strong religious significance, all over the world. Even in modern times, sport often incorporates religious practices and beliefs. In Latin America and Africa, for instance, football is full of magical and ritual elements. And such practices are not limited to 'non-Western' cultures, as illustrated by the fact that Catholic priests often bless cyclists in the Giro d'Italia and other cycling competitions. The separation of sport and religion is an odd historical anomaly, their intertwinement the rule.

This fact is beautifully illustrated in Shinto shrine practices. Did you think football was invented by the British? Think again. Shrine priests have been performing a kind of ritualised football for centuries. Likewise, Sumo (the quintessentially Japanese sport that used to be broadcast live by Eurosport but in recent years has suffered from corruption and other scandals - perhaps due to its secularisation, who knows), originates in local shrine festivals, which had the dual purpose of entertaining the deities and contributing to social relations. And recently, I was invited by a shrine priest to attend the annual yabusame festival at Kamigamo shrine: a fascinating combination of high-level horseriding, archery, Shinto ceremony and popular entertainment. I greatly enjoyed it. But I would not know whether I should classify it as sport, as religion or as performing arts.



Last week, I went to Kumano. Kumano is an ancient pilgrimage centre, located in the Kii peninsula, an area in the far south of the Kansai region. It is one of the most beautiful places in Japan: high forested mountains, dramatic cliffs, ancient pilgrim trails and romantic hot springs. It is also one of the most interesting places in terms of religious history. The natural landscape evokes feelings of awe. Accordingly, it has been associated with Yomi, the underworld, as well as with Buddhist mandalas. Kumano is a traditional centre of Shugendō, ascetic mountain worship, and shinbutsu shūgō, the combined worship of Japanese deities and Buddhas, and the belief that the former are incarnations of the latter. It is also a place that has been associated with nature worship, which is quite understandable, considering its impressive physical features and centuries-old symbolic significance. It comes as no surprise, then, that Kumano is often mentioned in contemporary discourse on Shinto and the environment.

The main deities enshrined here are the mythical ancestral deities of the Japanese imperial family and, ultimately, the nation, whose stories are told in the Kojiki: Izanagi and Izanami, the primordial brother and sister whose sexual intercourse produced the islands of Japan; Amaterasu, the sun goddess and symbol of imperial power; and Susanoo, god of the underworld. The three main shrines are Hongū Taisha, located in a valley surrounded by mountains and a famous pilgrimage destination; Nachi Taisha, where a beautiful tall waterfall is worshipped; and Hayatama Taisha, located near the place where the river meets the sea. Needless to say, when I received an invitation to join some people from NGOs trying to promote traditional culture on a trip to these three shrines, which would give me the opportunity to meet the head priests, I did not have to think very long.

However, last September, the area was hit severely by a typhoon and floods. The world did not notice, as mass media internationally had got bored of natural disasters in Japan and were busy reporting other hypes. But the damage was severe, and dozens of people were killed. Embarrasingly oblivious, I was shocked to see entire parts of mountains washed away, hundreds of trees uprooted, completely destroyed houses and deforested river islands. But reconstruction work was going on everywhere. Banners and people proudly declared that the rebuilding of the entire nation would start here, in Kumano. Shock had given way to optimism. Kumano will overcome the difficulties.



In Japan, Kumano is not only famous for its ancient pilgrimage trails and recent natural disaster, but also for football. In particular, it has come to be associated with the national football teams (M/F). The gods of Kumano have become the protective deities of these teams. The reason is prosaic: the man who introduced modern football to Japan in the early twentieth century was originally from Kumano. Looking for a symbol of the national football association, he opted for a famous symbol from his native region: the yatagarasu, or three-legged crow. Thus, the crow of Kumano was appropriated by modern sports, or vice versa. Today, at any of the Kumano shrines one can buy amulets, talismans and other religious souvenirs with the logo of the national football team printed on them. Few people seem to perceive this as problematic. Shinto traditions are pragmatic, after all, and subject to change and reinvention - one of the reasons they have survived the storms of history.

Last summer, the Japanese national team became world champion women's football. The Dutch did not notice, as they are a bunch of sexists who collectively ignore women's football, but the Japanese did, as they are a bunch of proud nationalists who like any sport in which a compatriot excels. Nobody had expected the Japanese team to win, so it was a great surprise, which was celebrated widely in their home country. Upon return, the players visited Kumano, where they met with the head priests and donated some signed shirts and footballs, carefully monitored by accompanying journalists.

The relics of this visit are kept well. In a prominent place in the middle of the visitors' room of one of the shrines hangs a large picture of the football captain and head priest - signed by the former, of course. More problematic, from a secularist point of view, might be the fact that the worship hall is full of signed footballs and shirts. It is a somewhat alienating experience - sitting on your knees in the worship hall (a place ordinary visitors are not allowed to enter, as it requires official ritual purification) attending a ritual ceremony with centuries-old prayers and spirit-arousing percussion, while looking at football paraphernalia. The sacred is a category that is open to reinterpretation, let's put it that way.

The most interesting experience, however, was the conversation we had with the head priest of one of the other shrines. An old man, he must have lived and worked there for decades, but few moments in his long career were as interesting as the visit of the female football players, last summer. He excitedly recounts (I paraphrase, based on my notes):

"I couldn't watch the game, really. I was too nervous. Boom-boom-boom, my heart went. Next morning, they told me we had won. I knew it. You know why? Because I had prayed and performed a ritual to Amaterasu-no-Oomikami. Really, a special ritual! That's why they became champion, thanks to me. And then they visited me here! The team captain talked to me and thanked me for my support. She said she wants to get the gold medal at the Olympic Games, too. I will pray for them. I am sure they will get it. The TV journalist was here, too. It was broadcast on national TV, did you see it? But you know, I knew they would become champion. They are the best. They have the true Japanese spirit, the spirit of our great nation, Nippon. No country in the world can defeat Nippon. We are number one. We are the best in the world."

I felt somewhat alienated. But I did manage to resist the temptation to remind him of the fact that at the 'real' world cup football, last year, my country defeated his by 1-0. Perhaps, at the time, Paul Vlaar's prayers were more effective than his. Perhaps the Holy Virgin is more football-minded than the Sun Goddess.

How I love studying religion.

Friday, 21 October 2011

De tiensprong

Kent u Lola Rennt?  Het is een Duitse film uit 1998, geregisseerd door Tom Tykwer. De hoofdrol wordt gespeeld door Franka Potente. Het is een bijzondere film, die bestaat uit drie delen. Elk deel is gebaseerd op hetzelfde gegeven: meisje heeft een vriendje dat heel snel 100.000 DM nodig heeft om zijn hachje te redden. Zij heeft twintig minuten om hem te redden. In elk deel gebeurt er vervolgens iets anders; kleine verschillen, die grote gevolgen hebben. Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar, zo is de boodschap. Ogenschijnlijk onbelangrijke beslissingen kunnen leiden tot onverwachte gebeurtenissen, die een mensenleven kunnen veranderen.

Het leven is natuurlijk geen film. We zullen nooit weten wat er gebeurd zou zijn als we op bepaalde momenten andere keuzes hadden gemaakt. Maar toch, de film zet aan het denken. Een aanrader.

Het is lang geleden dat ik de film zag, maar ik moest er aan denken toen ik onlangs een dagboek van tien jaar geleden tegenkwam. Daarin las ik het volgende verhaal. Het raakte me, want het ging over mezelf; over mijn toekomst, zoals ik die toen voor me zag. Ik kon veel verschillende kanten op, en ik moest keuzes maken die bepalend zouden zijn voor de rest van mijn leven. Maar de toekomst van toen is het heden geworden, en ik kijk nu terug op toekomstdromen uit het verleden. Ik kijk naar wie ik had kunnen zijn als het net even anders was gegaan. Ik vond het zo bijzonder dit verhaal in een oud dagboek te lezen, dat ik het graag met u wil delen.


21 oktober 2001

Ik heb het gevoel dat de wereld op een kruispunt staat. Vorige maand waren de aanslagen in de Verenigde Staten. Nu bombarderen ze Afghanistan, en wie weet wat ze hierna gaan doen. Het lijkt soms wel alsof er een nieuwe grote oorlog gaat uitbreken... Steeds meer mensen hebben het over een 'botsing der beschavingen'. Gevaarlijke flauwekul, maar men gelooft het wel. Ook in Nederland wordt steeds vaker discriminerend gesproken over de islam, maar ik hoop dat we hier een beetje verstandig blijven.

Niet alleen de wereld staat op een kruispunt. Ik zelf ook. Ik ben een paar weken geleden achttien geworden. Voor de zomer heb ik mijn eindexamen VWO gehaald, en daarna ben ik met mijn vader op reis geweest naar Japan. Dat was geweldig. Ik ben net het huis uit, en woon nu in de stad Groningen. Ik speel fulltime toneel in een gezelschap voor jongeren. Een soort stagejaar, ter voorbereiding op een eventuele beroepsopleiding. We zijn bezig met de repetities voor een toneelstuk over scheidingen en moderne familiebanden, en dat is erg leuk om te doen. Ik weet alleen nog niet of ik hierna auditie ga doen bij een toneelschool. Ik heb altijd acteur willen worden, maar de laatste tijd weet ik niet meer zo goed wat ik wil. Ik hou van theater, maar ik heb ook het gevoel dat ik nog meer wil leren. En ik wil iets goeds doen; een bijdrage leveren aan een betere wereld. Maar hoe?

Vannacht had ik een droom. Ik kreeg bezoek van mezelf. Mijn toekomstige ik was achtentwintig; precies tien jaar ouder dan ik nu ben. Hij begroette me, en vertelde iets over zijn leven. Een paar minuutjes, niet meer, toen ging hij weer weg. Daarna kwam er een nieuwe toekomstige ik, even oud als de eerste. Hij zag er ongeveer hetzelfde uit, maar had andere kleren aan, en langer haar. Ook hij vertelde mij kort iets over zijn leven, dat totaal anders was dan het leven van de eerste ik. Nadat hij weg was, kwam er een derde. Enzovoorts. In totaal kreeg ik bezoek van tien verschillende toekomstige ikken. Ieder had een ander verhaal. Ze waren dezelfde, en toch waren ze verschillend - niet alleen omdat sommige een baard hadden en andere niet, maar ook omdat ze allemaal net iets anders spraken. Ook leek het wel alsof ze niet allemaal dezelfde persoonlijkheid hadden, maar dat is moeilijk te zeggen na zulke korte gesprekjes. Het was hoe dan ook heel bijzonder om ze even te mogen spreken. Maar ik weet nog niet welke ik wil worden.

Dit waren ze:

1. De acteur

"Ik ben mijn jongensdroom trouw gebleven, en daar heb ik geen spijt van. In het voorjaar van 2002 heb ik auditie gedaan bij twee toneelscholen. In Arnhem werd ik helaas afgewezen, maar in Maastricht werd ik aangenomen dus daar ben ik toen heengegaan. Ik heb vier jaar met veel plezier in Maastricht gewoond. Na mijn afstuderen ben ik naar Amsterdam verhuisd. Ik heb in de afgelopen jaren voor verschillende toneelgezelschappen gespeeld. Niet alle rollen waren even bijzonder, maar ik heb wel het gevoel dat ik vooruitgegaan ben. De eerste tijd was het wel eens moeilijk om werk te vinden, en moest ik wel eens op een houtje bijten, maar de laatste tijd gaat het een stuk beter. Ik heb ook in een paar tv-series en films gestaan. Laatst had ik mijn eerste grote rol in een film. De film werd geen groot succes, helaas, maar ik mocht wel aanschuiven bij De Wereld Draait Door, en word nu af en toe herkend in de supermarkt. Maar ik sta toch liever op de planken dan voor de camera. Ik hoop in de toekomst in Engeland te kunnen gaan wonen en werken, maar daarvoor moet ik wellicht nog wat meer ervaring op doen, en beter leren netwerken."


2. De backpacker

"Ik ben in 2002 Japans en Wereldgodsdiensten gaan studeren in Leiden. Dat ging me op zich goed af, maar ik miste toch iets. Het probleem van de wetenschap is dat de focus vooral ligt op woorden, boeken en theorieën - maar de echte menselijke ervaringen worden vaak vergeten. Tijdens mijn studie heb ik wel een jaar in Japan gestudeerd, en een aantal studiereizen gemaakt in het Midden-Oosten. Dat vond ik fantastisch. Toen ik mijn bachelordiploma's binnen had heb ik een tijdje gewerkt in een café. Daarna ben ik met de Trans-Siberië Express naar Mongolië en China geweest. Fantastisch! Vervolgens heb ik lange tijd in Zuidoost-Azië gereisd, en daarna in India. Toen mijn geld opraakte, heb ik mijn Engelse lesbevoegdheid gehaald in Chiang Mai en ben les gaan geven in Bangkok. Later verhuisde ik naar het zuiden van China, en gaf ook daar Engelse les. Ik wist aardig wat geld te sparen. Maar na een kleine twee jaar in China begon het toch weer te kriebelen. Ik ben toen via de oude zijderoute naar het Midden-Oosten gereisd, en vervolgens Afrika in. Veel mooie ervaringen en een paar minder mooie, maar daarover vertel ik een andere keer wel eens. Ik zit nu in Mozambique, prachtig land, ongerepte stranden. Ben van plan om hier met mijn huidige vriendin een guesthouse met restaurant op te zetten, we zijn al druk aan het plannen! Alleen het geld nog..."


3. De journalist

"Toen ik jouw leeftijd had was ik al veel bezig met politiek. Ik vond het belangrijk om iets bij te dragen aan een betere wereld, en ik had het gevoel dat het theater voor mij niet de beste manier was. Ik ben daarna filosofie gaan studeren aan de RUG, maar dat viel me tegen; het was veel te etnocentrisch, en er was te weinig aandacht voor ongelijkheden in de wereld. Ik ben vervolgens overgestapt naar sociologie, en dat beviel beter. Als tweede studie deed ik journalistiek. Na mijn afstuderen heb ik een tijdje door Azië gereisd, waar een aantal reportages van gepubliceerd zijn in kranten en tijdschriften. Tegenwoordig schrijf ik vooral over het buitenlandbeleid van de Nederlandse regering. Ik werk als freelancer, maar heb al stukken gepubliceerd in Trouw, De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Binnenkort begin ik bovendien aan een wekelijkse column voor NRC Next. Ik ben inmiddels van Groningen naar Amsterdam verhuisd. Wellicht dat ik in de toekomst nog een keertje voor langere tijd in het buitenland ga wonen."


4. De monnik

"Ik ging in 2002 Japans en Wereldgodsdiensten studeren in Leiden, en ben me vervolgens gaan specialiseren in het boeddhisme. Ik heb colleges Sanskriet en klassiek Chinees gevolgd, en ben daarna een jaar in Japan gaan studeren. Daar kwam ik in contact met een aantal ingewijde zenmonniken, en via hen ben ik terecht gekomen bij een tempel in Kyoto, waar ik in de zomer van 2005 twee maanden training ondergaan heb. Ik heb vervolgens in Leiden mijn BA Japans gehaald, maar zodra ik klaar was ben ik teruggegaan naar Japan. Ik ben in de leer gegaan bij de Eihei-ji in Fukui, waar de grote meester Dogen onderwees. Hij is de stichter van de Soto Zen school, waar ik inmiddels ingewijd ben. Na een paar jaar in Japan ben ik nu weer terug in Nederland. Ik wil hier op termijn een nieuw centrum oprichten voor de studie en training van zen. Voor het zover is geef ik meditatieles en lezingen. Ik heb niet zoveel geld, dus ik woon tijdelijk bij mijn ouders. Maar ach, geld is uiteindelijk toch maar een illusie die mensen afleidt. Ik doe mijn best celibatair door het leven te gaan, maar ik ben wel eens in de fout gegaan. De weg naar verlichting is lang en bochtig."


5. De ontwikkelingswerker

"Ik was bezorgd over de grote armoede en ongelijkheid in de wereld, en wist niet wat ik het beste kon studeren. Ik was geïnteresseerd in Japan, maar Japans leek me niet de meest nuttige studie. Datzelfde gold voor filosofie. Daarom heb ik uiteindelijk gekozen voor culturele antropologie. Omdat ze dat in Groningen niet hadden ben ik naar Amsterdam gegaan, waar ik ook vakken politicologie heb gevolgd. Ik heb veldwerk gedaan in Indonesië, naar de gevolgen van ontbossing op Borneo. Daarna heb ik een MA in development studies gehaald aan SOAS, een universiteit in Londen. Na mijn afstuderen kreeg ik een baan bij een bekende internationale ontwikkelingsorganisatie. Na twee jaar in Londen, waarbij ik regelmatig de kans kreeg naar verschillende landen te reizen en projecten te bezoeken, werk ik nu bij een onderwijsproject in Cambodja. Ik heb een mooi appartement in Phnom Penh, en ga vaak uit eten - dat is hier erg goedkoop, en ik heb het zo druk dat ik geen tijd heb om zelf te koken. Ik voel me wel eens schuldig over het feit dat ik zoveel meer verdien dan de mensen hier, maar we doen belangrijk werk voor dit land, en daar mag best een redelijke vergoeding tegenover staan. Als ik de kinderen zie studeren in de school die we voor ze gebouwd hebben ben ik wel een beetje trots. Maar ik realiseer me ook dat er nog veel moet gebeuren."


6. De politicus

"Ik heb lang getwijfeld. Ik heb uiteindelijk auditie gedaan bij twee toneelscholen, maar werd niet aangenomen. Ik besloot toen een oude liefde op te pakken, en ben filosofie gaan studeren in Groningen. Daarnaast werd ik actief voor de lokale afdeling van GroenLinks, en voor de werkgroep duurzaamheid. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 stond ik op de lijst. Aanvankelijk niet hoog genoeg, maar omdat de fractievoorzitter wethouder werd kreeg ik een plaats in de gemeenteraad, als jongste. Mijn studie liep vertraging op, maar ik heb uiteindelijk toch mijn BA (in 2007) en MPhil (in 2010) weten te halen. In 2010 werd ik ook herkozen in de gemeenteraad van Groningen, en mijn vriendin en ik hebben een huisje gekocht in Helpman. Ik schrijf af en toe artikelen voor het wetenschappelijke tijdschrift van GroenLinks, en heb contact met een aantal mensen in Den Haag. Ik hoop in de toekomst lid van de Tweede Kamer te kunnen worden. Politiek is mooi werk, maar soms is het ook wel eens frustrerend omdat de besluitvorming zo traag gaat, en het soms moeilijk is concreet dingen te veranderen. Ik denk dat Nederland behoefte heeft aan een fris links geluid; niet ouderwets socialistisch, maar progressief, groen en internationaal georiënteerd. "
 

7. De predikant

"Ik begon in 2002 aan mijn studie Japans in Leiden. Ik wilde er aanvankelijk filosofie naast doen, maar koos uiteindelijk voor de meer veelzijdige studie wereldgodsdiensten. In mijn eerste jaar volgde ik een aantal vakken met theologiestudenten, met wie ik soms interessante gesprekken had over geloof. Aan het einde van dat jaar ging ik op studiereis naar Libanon, en ik zag hoezeer religie verweven kan zijn met politiek. In de zomer maakte ik een voettocht door Frankrijk, waar ik een religieuze ervaring kreeg. Ik ontmoette God. Ik realiseerde me dat Hij veel gezichten heeft, dat Hij op veel manieren werkt, en dat Hij ons keuzevrijheid gegeven heeft opdat wij kunnen leren ons leven vorm te geven op zo'n manier dat wij kunnen bijdragen aan heelwording van de Schepping. Ik besloot de overstap te maken naar theologie, en liet Japans vallen om genoeg tijd te hebben voor Hebreews, Grieks en Latijn. Ook liet ik me dopen, in de kerk van mijn toenmalige vriendin. Na mijn BA deed ik de MA aan de PThU (Protestantse Universiteit). Inmiddels werk ik als predikant van de PKN gemeente in Uithuizen, in Noord-Groningen. Mijn gemeente is vrij klein, en de meeste leden zijn al vrij oud. Het is best moeilijk om iemand van tachtig advies te geven als je zo jong bent, maar ik doe mijn best. Ik hoop op deze manier mijn steentje te kunnen bijdragen. Ik hoop ook snel een lieve vrouw te vinden - mijn vriendin wilde niet mee verhuizen naar het noorden, en toen hebben we het uitgemaakt. God stelt ons soms op de proef."


8. De schrijver

"Ik heb in 2002 besloten om geen auditie te doen voor een toneelschool, maar Japans te studeren. Ik verhuisde naar Leiden, en werd actief in het studentenleven. Daarnaast speelde ik in een amateurtoneelgezelschap in Amsterdam. In 2004 ging ik naar Japan, om daar een jaar te gaan studeren. Ik hield die tijd vrij actief een weblog bij, Torii Times. Veel mensen die het lazen raadden me aan die verhalen te publiceren. Als Joris Luyendijk een boek kan schrijven over een studieverblijf in Egypte, dan zou ik toch een boek moeten kunnen schrijven over mijn verblijf in Japan, dacht ik. Na terugkeer naar Nederland bundelde ik mijn blogposts. Ik stuurde ze op naar een uitgever. Die was wel positief, maar vond dat er een rode lijn ontbrak. Ook vond hij dat ik de politieke en filosofische teksten moest verwijderen, en meer schrijven over mijn ervaringen, want 'er is al genoeg politiek geouwehoer op de markt', zoals hij me schreef. Ik besteedde veel tijd aan mijn aanpassingen, en liet mijn tweede studie versloffen - maar in 2007 was mijn eerste boek, Karaoke voor de goden, een feit. Hij verkocht aardig, en vorig jaar publiceerde ik een tweede boek, Boeddha business, met reisverhalen van reizen door andere Aziatische landen. Daarnaast heb ik inmiddels een monoloog en twee toneelstukken geschreven voor mijn gezelschap in Amsterdam. Ik ben nu bezig met mijn eerste roman, die hopelijk volgend jaar uitkomt. Mijn BA Japans heb ik inmiddels gehaald, maar ik denk niet dat ik nog een MA ga doen; ik wil me nu fulltime op schrijven richten. Overigens woon ik momenteel in Gent, omdat mijn vrouw - een Vietnamese, die ik op reis ontmoet heb - niet met mij naar Nederland mocht verhuizen omdat ik daar geen vaste baan heb. Maar België bevalt ons prima."


9. De vertaler

"Ik wilde graag terug naar Japan. Ik overwoog om Japans te gaan studeren in Leiden, maar ik realiseerde me dat mijn Japans vermoedelijk beter zou worden als ik daar zou gaan wonen. Dus dat heb ik gedaan. Ik schreef me in bij een talenschool in Tokyo, en verhuisde daar in het najaar van 2002 naar toe. Na anderhalf jaar intensieve studie kon ik mij inschrijven bij een Japanse universiteit. Ik ging Japanse literatuur studeren aan Kyushu University in Fukuoka. Ik las veel boeken, en was ook actief in de kabuki studentenclub. Het liefste zou ik professioneel kabuki spelen, maar die wereld is erg gesloten, en daar kom je als buitenlander niet zomaar in. Na mijn studie verdiende ik mijn brood met vertaalwerk. Vooral saaie juridische documenten, maar ook boeken, gelukkig. Ik ben net gevraagd om de nieuwste roman van Murakami naar het Nederlands te vertalen, daar zie ik erg naar uit. Af en toe werk ik ook als tolk, en ik geef wat taalles. Ik woon inmiddels met mijn Japanse vrouw en twee kleine kinderen in de buurt van Osaka, waar zij vandaan komt."


10. De wetenschapper

"Ik ben toch naar de universiteit gegaan, niet naar de toneelacademie. Ik volgde mijn gevoel en koos voor de studie Japans in Leiden. Ik wilde er filosofie naast doen, maar omdat daar nauwelijks aandacht was voor Aziatische tradities koos ik voor wereldgodsdiensten. Dat bleek een goede keuze, en al snel besteedde ik meer tijd aan mijn tweede studie dan aan mijn eerste. In 2004 studeerde ik een jaar in Japan; ik deed voor het eerst zelfstandig onderzoek, gaf Nederlandse les, en begon een wetenschappelijke carrière te overwegen. In 2007 haalde ik mijn BA diploma's, allebei cum laude. Daarna vertrok ik naar Londen, waar ik een MA Japanse religies volgde, erg interessant. Ik wilde daarna een PhD doen, maar omdat ik niet aangenomen werd besloot ik eerst op reis te gaan in Zuidoost-Azië. Ik kwam uiteindelijk terecht in Vietnam, waar ik werk vond als taaldocent, en mijn huidige vrouw ontmoette. Maar ik wilde toch graag terug naar de universiteit. Ik deed mee aan twee congressen en schreef mijn eerste artikelen op basis van mijn masterscriptie. Vorig jaar werd ik aangenomen voor een promotieplaats aan de universiteit van Oslo, waar mijn vrouw en ik vervolgens heen verhuisden. Mijn promotieonderzoek richt zich op de Japanse religie shinto, en ik ben nu een paar maanden voor veldwerk in Kyoto. En, terzijde, ik zou mijn tijd moeten besteden aan mijn onderzoek, in plaats van aan zinloze gedachte-experimenten."

Toen werd ik wakker. Wat een droom zeg. Ik ben benieuwd welke toekomstige ik de echte zal zijn. De keuze is aan mij, geloof ik...

Sunday, 3 July 2011

Millenarianism - monotheistic machinations or universal utopias?

Last month, I wrote a short essay on the topic of 'millenarianism' - radical beliefs in the end of this world order, followed by a perfect new world. It was loosely based on a conference paper I had presented in Leiden, a while before, and the Judgment Day predictions that had just appeared in several media. The essay was published on the weblog of my research network. Now that it has been there for a while, I also publish it on Rotsblog. As always, feel free to leave comments or ask questions.

--------------

What does Harold Camping's failed prophecy have to do with the Japanese new religion Aum Shinrikyō? Is millenarianism an essentially monotheistic phenomenon, or does it hold universal appeal? How come notions of the End Time and radical world renewal are still in vogue today, despite the fact that history continues to prove them wrong? Following recent events, in this essay I will discuss some of the aspects of millenarianism, and argue that it may be a useful concept for cross-cultural comparison that deserves to be explored further.

It was a funny coincidence. A couple of weeks ago, I was in the Netherlands, where I participated in a conference on religion and violence entitled ‘The Root Causes of Terrorism: A Religious Studies Perspective’. Several internationally acclaimed scholars presented their ideas, as did a number of selected PhD candidates. I was one of them: I presented a paper on millenarianism in modern Japanese religious ideology. The conference took place at Leiden University, but I was staying at a friend’s place in the city of Rotterdam. When I arrived at Rotterdam Central Station, I could not help but notice the huge billboards hanging everywhere. The message was clear: the Day of Judgment would come soon. That following Saturday, May 21st, to be precise. There were only a few days left to repent before the event would take place, and the billboard urged me to have an immediate look at the website www.familyradio.com, where I would receive further instructions. But I was too busy preparing my paper to worry about this dramatic prophecy. Fortunately, the conference was planned before the predicted date, so I would have the opportunity to present my paper anyway - even if the Day of Judgment were to take place two days later.

Family Radio is an American Evangelical organisation, led by a wealthy 89-year-old man named Harold Camping. It was he who calculated and predicted the Day of Judgement, and spent significant amounts of money on advertisements in order to reach as many people as possible – not only in the US, but also internationally, as the billboards in Rotterdam made clear. His efforts to get the message across were quite impressive, and several journalists who came across the predictions mentioned them in newspaper articles. Apparently, the failed prophecy was considered newsworthy. However, as any student of religion can confirm, Camping’s predictions were hardly unique. In the course of history, hundreds if not thousands of charismatic leaders have predicted the imminent overthrowing of the present world order, and the subsequent establishment of a perfect new world. Many of them have mentioned concrete dates on which this apocalypse would supposedly take place. So far, all of them have been wrong. Nevertheless, promises of a radical rupture continue to hold popular appeal among certain groups of people.

Millenarianism and monotheism

In religious studies, these ideas are referred to by the terms ‘millenarianism’, ‘millennialism’ and ‘apocalypticism’. The Encyclopedia of Religion defines millenarianism as ‘the belief that the end of this world is at hand and that in its wake will appear a New World, inexhaustibly fertile, harmonious, and just.’ The transition from the present world (perceived as corrupted and degenerate) to the utopian new world is often imagined as radical, definitive and violent. The just will be separated from the wicked by force, and divinely ordained violence will play a central part in purifying and liberating the world from its corrupt and polluted elements. Hence, if the utopian promise is convincing, millenarian expectations can have great mobilising potential, and may be employed as justification for real acts of violence. Significantly, there are several structural similarities between so-called ‘religious’ millenarianism, and other types of radical ideologies, such as utopian nationalism or Maoism. These similarities include notions of moral and racial purity, divine election, and a lost glorious past that will be reestablished in the near future. It comes as no surprise, then, that in modern times millenarian belief systems often incorporate nationalist elements, and vice versa.

Millenarianism is often associated with a ‘lineair’ view of history, and, accordingly, with the so-called ‘monotheistic’ or ‘Abrahamic’ religions. For instance, as stated on the website of the aforementioned conference: ‘Monotheistic traditions have introduced a new notion of ‘time’ and henceforth, of ‘history’. They all contain ideas about apocalyptic violence inaugurating the end of history and the definitive realisation of a divine kingdom.’ The questions are, of course, a) whether such notions of time are limited to the so-called ‘monotheistic traditions’; b) whether it was really these traditions that introduced such notions, or whether similar ideas were developed in other traditions; and c) whether the very category ‘monotheistic traditions’ is adequate as an analytical category – or, rather, a normative theological notion.

To start with the latter: I strongly doubt the empirical validity of the commonly used dichotomy between ‘monotheistic’ and ‘polytheistic’ religions. While the concepts are relevant as normative, ‘emic’ categories employed by followers of religions themselves, their descriptive value is questionable, as concrete religious practices do not necessarily correspond to normative theological notions. That is, as an observer, I am not convinced that there is a structural difference between, say, certain types of Catholic or Islamic saint worship, and the worship of deities and bodhisattvas in East-Asian cultures. Besides, I am sceptical of the popular assumption that Judaism, Christianity and Islam have something unique in common, which sets them apart as a group and makes them fundamentally different from ‘polytheistic’ religions – a diffuse rest category, defined by nothing but its supposed otherness.

It can be argued that the ‘monotheism’-‘polytheism’ (or ‘Abrahamic’-‘Asian’) dichotomy is a variety of the classical West-East dichotomy, based on a similar set of binary oppositions: exclusivistic versus syncretistic, individualistic versus collectivistic, rational versus emotional, particularistic versus holistic,  masculine versus feminine, lineair versus circular and so on. These are myths, discursively constructed and cultivated, that have come to be taken for granted and continue to influence popular imagination. They are based on notions that were developed by European early modern and pre-modern Orientalist writers, but reappropriated by Asian intellectuals in the late 19th and 20th century, who employed them as ideological tools for nationbuilding and symbolic empowerment.

Polytheism and Othering

Japan is one example of a country that continues to be framed as a ‘polytheistic other’, defined by its stress on social harmony, the primacy of the collective over the individual, its aesthetics of simplicity and its holistic view of nature. All of these are stereotypes, and despite the fact that they are easily falsifiable (Japanese society and culture are much more diverse than commonly assumed, and offer plenty of examples of cases that do not fit the paradigm), they continue to be powerful. It comes as no surprise, then, that most popular introductions to ‘Japanese religion(s)’ focus on aspects that correspond to these stereotypes: their supposed ‘non-exclusive’ nature (as illustrated by the often repeated phrase ‘born Shinto, marry Christian, die Buddhist’); their anti-rational focus on intuition and spiritual experience (as popularised by the sizeable discourse on Zen, most of which builds on the nationalist mythmaking of D.T. Suzuki); their love of nature and the natural environment (recently appropriated and advocated by a number of Shinto representatives); and their fundamental focus on social harmony and, hence, peace (following mistaken assumptions about Buddhism as essentially a non-violent religion).

Clearly, a religious organisation committing a terrorist attack with the apparent purpose of killing as many innocent people and creating as much chaos as possible does not fit the paradigm. Yet, this is precisely what happened sixteen years ago. On March 20, 1995 several members of a small religious movement named Aum Shinrikyō committed an attack on the Tokyo subway by releasing sarin, a poisonous nerve gas. They killed twelve people and injured several thousands, some of them permanently. The attack was preceded by murders of community members and opponents of the movement, and it was supposed to inaugurate the apocalypse predicted by its leader, Asahara Shōkō. The population was shocked, and the authorities reacted in accordance with public opinion: leaders of the group were imprisoned, several of them (including Asahara) were sentenced to death, and the organisation was disbanded.

In the following years, a large number of books and articles appeared discussing the why and how of the event. Some of them were journalistic accounts, others were scholarly interpretations. They analysed the interactions between Aum and wider society, the processes of radicalisation and othering that culminated into the dramatic events of March 1995, stories of survivors, social consequences and responses by the authorities. In all discussions, the story of Aum was told as a more or less isolated case. Either implicitly or explicitly, it was suggested that ‘the Aum affair’ was a tragic anomaly; a symptom of the social anomie of the 1990s, perhaps, but essentially un-Japanese. The statement by scholar of ‘religious violence’ Mark Juergensmeyer that ‘the location for which a violent act of religious terrorism is least anticipated is modern urban Japan’ is illustrative for this commonly held assumption.

As I argued in the paper I presented at the conference, I do not think Aum Shinrikyō was as unique as often suggested. Nor do I believe ‘monotheistic’ religions are more prone to millenarianism than other traditions (let alone invented it). The notion of radical (possibly violent) world renewal has been a recurring theme in the history of Japanese thought, resurfacing in times of social and political turmoil. It ranges from mappō (‘end of the Buddhist Law’) thought in medieval Buddhism to the large-scale popular yonaoshi (‘world renewal’) uprisings in the premodern period; from the nationalist millenarianism in the 1920s and 30s (in groups as diverse as Ōmoto, the Holiness Church and Nichiren Buddhism) to the radical, utopian leftist groups that engaged in acts of violence in the 1970s; and from postwar new religions such as Sūkyō Mahikari, Agonshū and Kōfuku no Kagaku to recent popular culture and film, in which apocalyptic themes figure prominently. In sum, millenarian thought has been a significant, at times powerful undercurrent of modern Japanese ideology.

Universal Utopias

Fantasies of divine destruction, followed by the establishment of a brave new world, are not uniquely Christian or ‘Western’. On the contrary, they seem to hold universal appeal. They are not old-fashioned either, but continue to be reemployed periodically. Aum Shinrikyō was a modern, urban phenomenon; a product of globalisation, combining elements from a variety of diverse sources such as esoteric Buddhism, the prophecies of Nostradamus and anti-Semitic conspiracy theories.

Likewise, Family Radio is a modern, international movement, that uses advertisements and communication technology to get its message across. As urbanisation and globalisation continue worldwide, and traditional social structures give way to more fluid identities and uncertainty, millenarian promises will continue to attract people with their alternative epistemologies. Millenarianism is more universal and modern than often suggested. Thus, it constitutes a potentially useful category for cross-cultural comparison – more useful than ‘religion’, perhaps.

Sunday, 16 January 2011

Zijlstra en de Vikingen

Halbe Zijlstra heeft het nog niet helemaal begrepen. De staatssecretaris van OCW, inmiddels berucht vanwege zijn rücksichtslose pogingen gerenommeerde orkesten de nek om te draaien, doet weliswaar zijn uiterste best zich te verlagen tot het niveau van de gemiddelde Henk of Ingrid, hij maakt daarbij één cruciale fout. Het rechts-nationalistische ressentiment dat zijn beleid en woordkeuze legitimeert bestaat namelijk niet bij gratie van afkeer alléén - er is ook nog behoefte aan iets van positieve identificatie, al is het alleen maar als ideaalbeeld waarmee de grote boze Ander gecontrasteerd kan worden. Dat ziet Zijlstra, die over weinig politiek inzicht lijkt te beschikken, volledig over het hoofd.

Ik zal uitleggen wat ik bedoel. Nationalistische idealisten aller landen bedienen zich doorgaans van min of meer dezelfde geschiedenisfilosofie. Die komt neer op het volgende: de huidige samenleving is verdorven en gecorrumpeerd; dat is de schuld van volgevreten elites en parasitaire vreemde elementen; vroeger, toen het Volk nog één was, was alles beter, want het Volk is in essentie nobel, dapper, avontuurlijk en goed; als de elite en parasitaire elementen geëlimineerd worden, zal het Volk als een feniks uit zijn as herrijzen, en kan een perfecte samenleving gecreëerd worden. Les nummer één voor de wannabe-nationalist is dan ook simpel: koester uw nationaal erfgoed, maak mythen over het glorieuze verleden, verbind die aan concrete objecten en symbolen, vereer die symbolen, en bovenal: leer ze aan uw jeugd, want jong geleerd is oud gedaan.

Zijlstra daarentegen doet zo zijn best linkse hobby's te bestrijden, dat hij en passant ook de ontwikkeling van potentieel invloedrijke rechtse mythen en symbolen in de kiem smoort. Zijn beslissing om de bouw van het Nationaal Historisch Museum stop te zetten is dan ook een blunder van formaat, want een dergelijk museum zou een perfecte plaats zijn om de jeugd wat nationalistische mythen betreffende de glorieuze geschiedenis van de natie ('VOC-mentaliteit') bij te brengen. Het is onbegrijpelijk dat Zijlstra's PVV-broeders deze beslissing niet getorpedeerd hebben, maar kennelijk hebben ook zij zich de mogelijkheden van een dergelijk museum niet gerealiseerd. Wilders cum suis zijn duidelijk meer bedreven in het kweken van angst en ressentiment dan in het bouwen aan duurzame nationalistische mythen en het creëren van trots op 's lands glorieuze verleden. Dom, want vroeger of later raakt hij zijn momentum kwijt, en zullen zijn mythen te fragiel en eenzijdig blijken om nog langer mensen te mobiliseren. Dan is zijn macht foetsie-foetsie.

Ook lokale musea kunnen een steentje bijdragen aan nationalistische mythevorming. Elk object kan in principe transformeren tot een symbool van een glorieus verleden, of het nou gaat om prehistorisch aardewerk, een schilderij uit de renaissance of een fallisch nationaal monument. Maar wat zegt Zijlstra, in een halfbakken poging te klinken als De Nederlandse Burger? "Lokaal opgegraven potten en pannen hoeven niet meer te rekenen op subsidie." Dom, Zijlstra, dom! Het toont aan dat je helemaal geen echte nationalist bent - die zou die potten en pannen juist koesteren als bewijs dat we eeuwen geleden reeds een hoogstaande beschaving hadden - maar een doodgewone fantasieloze ieder-voor-zich-neoliberaal waarvan er bij de VVD dertien in een dozijn gaan. Een lid van 's lands economische en politieke elite, bovendien, die zich weliswaar probeert voor te doen als een man van het volk, maar eigenlijk van populair nationalisme totaal geen kaas gegeten heeft.

De nieuwe Nederlandse nationalisten zouden eens een kijkje moeten nemen in Noorwegen. Er is waarschijnlijk geen Europees land waar zo ontzettend veel nationale vlaggen wapperen, en waar zo veel mensen kledingstukken (mutsen, jassen, joggingbroeken) dragen waarop de nationale vlag staat. Er zijn vermoedelijk ook weinig Europeanen die er zo'n groot genoegen in scheppen te praten over hun eigen land. Ga eens een gesprek aan met een Noor - tien tegen één dat het gesprek binnen de kortste keren gaat over Noorwegen. Thema's die daarbij regelmatig aan de orde komen zijn de ongerepte natuur ('Noren houden van de natuur, ze willen altijd het bos in'), het egalitarisme ('zelfs de koning gaat met de bus'), de tolerantie ('waar ter wereld mag een kroonprins trouwen met een alleenstaande moeder?'), het klimaat ('slecht weer bestaat niet, slechte kleren wel, zeggen we altijd'), de stugge inwoners ('de meeste Noren zijn verlegen en afstandelijk'), de alcoholwetgeving ('we kunnen niet met drank omgaan, de wet neemt ons tegen onszelf in bescherming'), de taal ('elk dorp heeft zijn eigen onverstaanbare dialect, en iedereen spreekt het met trots') en het belang van de familie ('elke avond en elk weekend brengen we door met het gezin, want dat is belangrijker dan werk'). Er is een uitgebreid discours aan mythen over het land en zijn bevolking, die voortdurend gereproduceerd en herhaald worden, en die elke buitenlander die in Noorwegen woont al tig keer de revue heeft horen passeren.

Het interessante aan Noorwegen is dat het op sociaal-economisch gebied een van de meest linkse landen ter wereld is, met uitgebreide sociale voorzieningen, maar tegelijkertijd ook een van de meest nationalistische. Noren zijn zonder uitzondering trots op hun land, en ze schamen er niet voor die trots kenbaar te maken. Het is geen wij-zijn-beter-dan-alle-anderen-en-dus-zijn-die-anderen-minderwaardig-trots, het is meer een wij-zijn-maar-een-klein-landje-maar-we-doen-het-lang-niet-slecht-en-die-anderen-kunnen-best-nog-wel-wat-van-ons-leren-trots. Het is geen toeval dat Noren wereldwijd zeer actief zijn in ontwikkelingsorganisaties, en dat de Noorse regering veel geld uitgeeft aan ontwikkelingshulp. Het is geen toeval dat wereldwijd veel Noorse christelijke zendelingen actief zijn. En het is ook geen toeval dat Noorwegen zichzelf op de borst trommelt als zijnde een land van vredestichters, getuige het sluiten van de Oslo-akkoorden in 1993 en de Nobelprijs voor de Vrede, die hier elk jaar wordt uitgereikt.

Het zal geen verbazing wekken als ik zeg dat tradities hier gekoesterd worden als waren het kostbare juwelen, dat er bijzonder veel aandacht is voor nationale geschiedenis, en dat archeologie hoog staat aangeschreven. De typische kenmerken van de Noor - hij is stug maar vriendelijk; hij is dapper en onbevreesd; hij kan overleven in de natuur, zelfs onder barre omstandigheden; hij zorgt goed voor zijn vrouw en kinderen; hij kan net zo goed een zij zijn - worden gereflecteerd in 's lands glorieuze geschiedenis, van de negentiende-eeuwse kunstenaars en ontdekkingsreizigers tot de middeleeuwse Vikingen. De Vikingen worden voorgesteld als oer-Noren, over wie in louter positieve bewoordingen wordt gesproken: ze waren onbevreesd en avontuurlijk, dappere strijders, vrijheidslievende ontdekkers; ze hadden een fantastisch pantheon aan machtige goden, en een geweldige mythologie; ze waren in staat de meest barre klimatologische omstandigheden door te komen; ze vestigden zich in andere landen, en oefenden een grote invloed uit op de Angelsaksische cultuur; enzovoorts.

Door het hele land staan musea waar lokale 'potten en pannen' tentoongesteld worden, en waar het verhaal van die dappere oer-Noren verteld wordt. Iedereen kent het. Dat diezelfde Vikingen zich schuldig maakten aan mensenroof, plundering, moordpartijen en massaverkrachtingen - misdaden tegen de menselijkheid, in hedendaagse taal - blijft daarbij onvermeld. De Europese ontdekkingsreizen en de daaraan voorafgaande kruistochten zijn inmiddels aardig in diskrediet geraakt, en terecht, maar over de rooftochten en massaverkrachtingen van de Vikingen wordt nog altijd lyrisch en romantisch gedaan. Ietwat verwonderlijk, zeker als je het contrasteert met die andere persistente mythe, de idee dat Noorwegen een natie van vredestichters is. Hoe kunnen die woeste heroïsche strijders zo ineens verworden zijn tot diplomatieke duiven? Maar kennelijk hoeven paradoxen en interne tegenstrijdigheden geen belemmering te zijn voor effectieve mythe- en natievorming.

Ideetje voor Zijlstra: een groot VOC-museum?
Vikingskipshuset, Oslo