"A nation is a soul, a spiritual principle. Two things, which in truth are but one, constitute this soul or spiritual principle. One lies in the past, one in the present. One is the possession in common of a rich legacy of memories; the other is present- day consent, the desire to live together, the will to perpetuate the value of the heritage that one has received in an undivided form. Man, Gentlemen, does not improvise. The nation, like the individual, is the culmination of a long past of endeavours, sacrifice, and devotion. Of all cults, that of the ancestors is the most legitimate, for the ancestors have made us what we are. A heroic past, great men, glory (by which I understand genuine glory), this is the social capital upon which one bases a national idea. To have common glories in the past and to have a common will in the present; to have performed great deeds together, to wish to perform still more-these are the essential conditions for being a people. One loves in proportion to the sacrifices to which one has consented, and in proportion to the ills that one has suffered. One loves the house that one has built and that one has handed down." - Ernest Renan
"[The nation] is an imagined political community. (...) It is imagined because the members of even the smallest nation will never know most of their fellow-members, meet them, or even hear of them, yet in the minds of each lives the image of their communion." - Benedict Anderson
"Nationalism is not the awakening of nations to self-consciousness: it invents nations where they do not exist." - Ernest Gellner
I.
De afgelopen jaren heeft er in Nederland een opmerkelijke nationalistische renaissance plaatsgevonden. De mythe van het tolerante, open, kosmopolitische landje is doorgeprikt en failliet verklaard, om plaats te maken voor een nieuw discours over nationale identiteit en uniciteit. Balkenende's 'normen en waarden' project was meer dan holle paternalistische retoriek - het had een sterk nationalistische subtekst, daar het een poging was te definiëren wat het is dat 'ons Nederlanders' met elkaar verbindt en uniek maakt. Dit nationalistische motief werd nog eens onderstreept door zijn uitspraken over de 'VOC-mentaliteit' - we moeten trots zijn op ons vaderland, op zijn heroïsche verleden, op de handelsgeest die ons land groot heeft gemaakt, dat was de boodschap (subtekst: leve de goede oude tijd, leve het ouderwetse imperialisme, leve de natie). Het succes van een nationalistische populiste als Rita Verdonk maakt deel uit van dezelfde trend. Een van de minst capabele ministers ooit, koningin van de kretologie, grof en discriminerend - maar desalniettemin verkozen tot 'beste politicus van 2007', en zeer succesvol in de peilingen met een partijtje dat door een of ander PR-mannetje 'Trots op Nederland' is genoemd. Wie naar haar website gaat, ziet haar staan aan een groot oranje roer, met op de achtergrond wapperend rood-wit-blauw - de kracht van symbolen wordt door nationalisten over het algemeen goed begrepen.
(Ik zal het verder maar helemaal niet hebben over de platinablonde kruisvaarder uit Venlo, die zijn neo-fascistische agenda eveneens legitimeert middels nationalistische mythen en symbolen. Meneer heeft wel genoeg gratis publiciteit gehad de laatste maanden. Sterk staaltje stupiditeit, Volkskrant.)
De nationalistische renaissance gaat natuurlijk verder dan de politieke arena. Het discours bestaat vooral bij gratie van massamedia. Een programma als 'Boer zoekt vrouw', hoe vermakelijk ook, is een nostalgische constructie van het Nederlandse platteland met een nationalistische subtekst - een van de belangrijkste aspecten van nationalisme is de aanname van een direct verband tussen de natie en een geïdealiseerd landschap, dat teruggaat tot oeroude tijden ('ethnoscape', noemde Anthony D. Smith dit). Een ander voorbeeld is een film als 'Alles is liefde'. De film schept een beeld van een idyllisch Amsterdam, en bevestigt en versterkt tal van symbolen van 'onze' nationale identiteit: Sinterklaas, woonboten, het homohuwelijk, diplomazwemmen, corpsballen, de Bijenkorf, het koninklijk huis, et cetera. Deze symbolen worden geassocieerd met abstracte waarden als solidariteit, tolerantie, vergevingsgezindheid, droge humor en liefde - ziedaar 'onze' nationale volksaard. Wat hebben we het toch gezellig met elkaar. Het is dezelfde boodschap als die van de Top 2000, die elk jaar door miljoenen mensen in Nederland beluisterd wordt, persoonlijke verhalen op ingenieuze wijze in een nostalgisch narratief over de naoorlogse geschiedenis van 'ons land' plaatst, en zodoende een gevoel van gezamenlijkheid creëert, ook met 'Nederlanders' die in verre buitenlanden woonachtig zijn (leve het internet). Ik ben ervan overtuigd dat de Top 2000 de afgelopen jaren sterk heeft bijgedragen aan een toegenomen gevoel van collectieve nationale identiteit - aan Nederland als een 'reimagined community', zogezegd - en zodoende een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de nationalistische renaissance is.
Een op het oog sympathiek project (het formuleren van collectieve normen en waarden, het maken van een romantische film) kan ingezet worden als strategie voor differentiatie, daar het niet slechts uitspraken doet over 'wij', maar en passant ook de 'wij' onderscheidt van een 'zij'. Het moge duidelijk zijn dat de nationalistische renaissance niet alleen gezien moet worden als een project dat gericht is op het creëren en opnieuw uitvinden van een nationale identiteit, maar eveneens als een project dat een kunstmatig onderscheid wil maken tussen 'Nederlanders' en 'anderen'. Aannames over nationale identiteit en over het onderscheid tussen 'wij' en 'zij' worden gereïficeerd; dat wil zeggen, ze worden gepresenteerd als absolute, vanzelfspekende waarheden, in plaats van als recente constructies. Een treffend voorbeeld is de volgende aanname, zo vaak gepapegaaid de afgelopen jaren: 'wij hebben een Verlichting doorgemaakt, zij niet, daardoor zijn wij tolerant, zij niet, en daarom moeten zij zich aanpassen'. Deze aanname is niet alleen uiterst problematisch op historische gronden; het is niet alleen een contradictio in terminis (als 'wij' zo tolerant zijn, waarom hebben we dan zo'n moeite om verschillen te accepteren?); het is bovenal een manier om te zeggen 'zij horen er niet bij, zij zijn anders dan wij' - kortom, 'zij zijn geen echte Nederlanders.'
Nationale identiteit wordt in Nederland tegenwoordig vaak direct geassocieerd met etniciteit en religieuze achtergrond: aan de ene kant heb je Nederlanders, en aan de andere kant heb je moslimse allochtonen. De idee van een moslimse Nederlander strookt niet met ons beeld van Nederlanderschap. Waar in het Verenigd Koninkrijk ten minste nog een poging gedaan wordt een zeker multicultureel ideaal van Britse identiteit te verspreiden (waarmee verhuld wordt hoezeer de Britse samenleving nog een standensamenleving is, en hoe beperkt de sociale mobiliteit voor veel migranten is, maar dat is weer een andere kwestie), wordt in 'ons' nationalistische discours Nederlandse identiteit vrijwel altijd impliciet geassocieerd met afkomst en etniciteit. Vanochtend las ik in de e-Volkskrant de volgende tekst: 'Minderheden in Nederland vinden de lintjesregen de laatste jaren veel te wit. Zo zijn er vrijwel geen Turken en Marokkanen onderscheiden.' Nog even afgezien van de betekenis van deze tekst, die op zich natuurlijk al boekdelen spreekt, is het toch te bizar voor woorden dat we verschillen in stand houden door landgenoten te blijven aanduiden als Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Molukkers en dergelijke? De nationalistische renaissance heeft, kortom, een nare racistische ondertoon. De boeren en hun potentiële partners in 'Boer zoekt vrouw' zijn allemaal wit, en dat is geen toeval. Hetzelfde geldt voor de personages in 'Alles is liefde' - hoe is het in vredesnaam mogelijk dat in een film die een eerbetoon is aan Amsterdam, de meest multi-etnische stad van het land, de enige gekleurde mensen Zwarte Pieten (over racistische subteksten gesproken...) en een karikaturale Amerikaanse hiphopper zijn? De boodschap is duidelijk: de Nederlandse volksaard is heel erg wit. Migranten worden gedoogd zolang ze zich 'aanpassen' - kortom, zolang ze bestaande structuren niet ten twijfel trekken - en dan zeggen we op paternalistische toon 'kijk eens naar Aboutaleb, "ze" kunnen het wel, waarom doen de anderen niet als hij?' Maar dit blijft natuurlijk een vorm van differentiatie, een manier om onderscheid te maken tussen 'echte' (etnische) Nederlanders en anderen (al dan niet 'aangepaste' allochtonen), niets meer of minder.
II.
Ik ben een Nederlander. Dat betekent voor mij weinig meer dan het simpele feit dat ik toevallig een Nederlands paspoort heb - voor hetzelfde geld was ik ergens anders geboren. Ik geloof niet zo in essentialistische uitspraken over de aard van 'Nederlanders' (om maar even te generaliseren: veel 'Nederlanders' vinden het om de een of andere reden heel leuk om te filosoferen over 'Nederlanders', en elkaars aannames over verschillen tussen 'Nederlanders' en anderen te bevestigen - zeker wanneer ze zich in het buitenland bevinden. Het zijn net Japanners), en mijn nationaliteit is geen belangrijk onderdeel van mijn zelf-identiteit (toegegeven, in juni zou dat wel eens licht kunnen veranderen - maar voetbal is liefde, en liefde maakt blind, dus dat laten we maar even buiten beschouwing). Maar goed, dat paspoort, dat valt natuurlijk moeilijk te ontkennen. Ik ben ook best blij met mijn Nederlandse paspoort, want het maakt reizen er een stukje makkelijker op. De ellende is natuurlijk wel dat zo'n ding om de zoveel tijd afloopt. En als je dan in het buitenland bent, dan moet je naar de ambassade om een nieuw paspoort te halen. Ambassades zijn prachtige symbolische locaties, stukjes nationale ideologie, markers van de 'imagined community'. Boeiende fenomenen, kortom, en de moeite van het bezoeken meer dan waard.
De metro gaat naar Gloucester Road. De Nederlandse ambassade bevindt zich in een groot, trots pand naast de ingang van Hyde Park. Om de een of andere reden hangt de nationale driekleur moederziel alleen. In tegenstelling tot alle andere ambassades van EU-landen waar ik de afgelopen tijd langs liep schittert de Europese vlag door afwezigheid. Zijn die irrationale anti-Europa sentimenten nu al zo ver tot in het ideologische staatsapparaat doorgedrongen dat ambassades de vlag in de ban hebben gedaan? Onvoorstelbaar, dan ben je een van de landen die de EGKS (de vroegste voorloper van de EU) mede heeft opgericht, een van de landen die economisch geweldig garen heeft gesponnen bij Europese samenwerking, en dan ben je zo opportunistisch om de vlag die die samenwerking symboliseert in de ban te doen... (Maar wie weet, misschien zit het ding gewoon in de was en hangt hij er normaal wel. Het zou natuurlijk kunnen.)
De visum- en paspoortafdeling bevindt zich in een zijkamer van de ambassade. Om er te komen moet men eerst een metaaldetector en twee man beveiligingspersoneel passeren. De zwarte jongeman voor mij wordt streng toegesproken en uitgebreid gecontroleerd. Ik word daarentegen vriendelijk begroet met de tekst 'you're a good guy'. Ik vraag me af wat hij daarmee bedoelt; het zakmesje aan mijn sleutelbos wordt in elk geval genegeerd. Ook de vrouw achter het eerste loket is vriendelijk. Ik mag doorlopen naar de wachtruimte, die gevuld is met families van Oost-Afrikaanse afkomst. In de jaren negentig hebben veel Somalische vluchtelingen de Nederlandse nationaliteit gekregen, waarna een groot deel van hen zich de Europese gedachte heeft eigen gemaakt en zich in het Verenigd Koninkrijk heeft gevestigd. Geheel legitiem, lijkt mij, maar door sommige Nederlanders wordt het geïnterpreteerd als een motie van wantrouwen jegens ons kikkerlandje, dat hen toch zo gastvrij in de armen had gesloten. Kleine kinderen rennen door de wachtruimte, terwijl ik een poging doe een boek te lezen. De koningin kijkt toe. Een man maakt in goed Nederlands een praatje met mij en een dame die ook zit te wachten. Dit is al de derde keer dat hij hier is, want de vorige keren was er steeds iets mis met het formulier of had hij een benodigd document vergeten mee te nemen. Het weerhoudt hem er niet van ons een mooie lach te schenken, terwijl zijn vrouw haar jongste wiegt.
Het duurt even voordat ik aan de beurt ben. Gelukkig heb ik me goed voorbereid, en heb ik wel alle benodigde documenten bij me. Mijn pasfoto's, die ik voor drie pond op de kop had getikt bij de vriendelijke Griekse (dat wil zeggen, Britse) apotheker aan Green Lanes, blijken echter niet aan de strenge eisen te voldoen, omdat mijn hoofd er een fractie te groot op staat afgebeeld. Heerlijk, regeltjesfetisjisme. Wanneer ik vraag of ik mijn oude paspoort mag houden, krijg ik te horen dat dat niet mag, daar de pagina met mijn persoonsgegevens deels heeft losgelaten. (Dat deed het drie jaar geleden al. Ik heb de pagina toen met een klein plakbandje gerepareerd, en heb er vervolgens twee-en-een-half jaar lang probleemloos mee rondgereisd, totdat enkele maanden geleden een Amsterdams douane-ettertje me op hautaine wijze mededeelde dat dit strafbaar is, en me gebood het plakbandje los te maken. Hij was zichtbaar teleurgesteld toen bleek dat niet de hele pagina losliet, en hij me door moest laten. Later heb ik er natuurlijk weer een nieuw plakbandje opgeplakt, om verder uitscheuren te voorkomen - maar gezien zijn opmerking dat dit eigenlijk strafbaar is leek het me wel zo verstandig om dat nu te verwijderen.) De redenering ontgaat mij volkomen. Wanneer je een oud paspoort terugkrijgt, wordt dat sowieso beschadigd, zodat je het niet meer kunt gebruiken. Wat maakt het dan in godsnaam uit dat het al een beetje beschadigd is? Hoe dan ook, regels zijn regels (om de koningin van de kretologie maar eens te citeren), en ik ben mijn oude paspoort kwijt. Slik. Daar gaan ze, mijn Japanse studentenvisum, het Syrische visum dat me zo heeft laten zweten (u herinnert zich een van de eerste verhalen van deze weblog), de re-entry permit waar ik in een bureaucratische hel in een uithoek van Tokyo uren op heb zitten wachten, de yinyang stempeltjes uit Korea, de mooie stickers uit Turkije en Libanon, de andere Japanse stempels... Vaarwel, lieve stempels. Gelukkig heb ik de verhalen nog.
Ik hoor hoe aan het loket naast me de jongeman die eerder door de beveiligingsbeambte onder handen was genomen wordt afgesnauwd. Hij heeft zijn formulier niet goed ingevuld, en hij is bovendien niet teruggekomen voor een nummertje, zoals de dame achter het eerste loket hem had opgedragen. Drie kwartier wachten met een verlopen paspoort, en dan vervolgens afgesnauwd worden omdat je niet begrepen hebt wat men je eerder vertelde, alsof je een hond bent - ik heb wel met hem te doen. Je hóórt het de lokettist gewoon denken: 'stomme Afrikaan, die slecht Nederlands verstaat en zich niet aan de regels kan houden'. (De grootste obsessie van de nieuwe nationalisten is de Nederlandse taal, die gezien wordt als een van de belangrijkste markers voor nationale identiteit - en, derhalve, continu ingezet wordt om het onderscheid met de Ander te benadrukken. Wie de Nederlandse taal niet vloeiend beheerst, is per definitie geen Nederlander, zo gaat de redenering. Vandaar de volstrekt absurde eis, een van de monsterlijke producten van de eerste Balkenende-kabinetten, dat migranten deze taal moeten spreken vóórdat zij zich in Nederland mogen vestigen. Maar dat terzijde.)
Ik loop naar de fotograaf aan Gloucester Road, die precies weet hoe een Nederlandse pasfoto eruit moet zien. Naast me loopt de dame die ook zat te wachten, met haar twee kinderen, voor wie ze net een paspoort heeft aangevraagd - ook hun foto's voldeden niet aan alle regeltjes. De dame blijkt al achttien jaar in Engeland te wonen. Haar kinderen zijn hier geboren en getogen. Ze vraagt zich af hoe het komt dat er zoveel 'Somalische' families waren, en ik vertel het haar. 'En dat noemt zich Nederlander', schampert ze. Ik vraag me af hoe een Nederlandse die zich zelf in het buitenland gevestigd heeft het in haar hoofd haalt haar landgenoten (want dat zijn het natuurlijk, juridisch gesproken) die dezelfde keuze hebben gemaakt te veroordelen. Maar ik zeg maar niets.
De fotograaf is een grote smeerlap. Hij vraagt vijftien pond voor een zestal pasfoto's, op te halen na drie kwartier; als je maar een kwartier kunt wachten word je twintig pond lichter gemaakt. Het is een bizar bedrag, maar de kerel baat zijn monopoliepositie genadeloos uit. Ik vraag me af hoeveel procent van zijn omzet in de zakken van het ambassadepersoneel verdwijnt, zeker als ik zie dat de pasfoto's maar een heel klein beetje verschillen van de foto's die ik aanvankelijk had overhandigd. Nee, het zal toch niet? 'Wij Nederlanders' zijn toch niet corrupt...?
Als ik terugkom bij de ambassade is de paspoortafdeling reeds gesloten, maar ik mag mijn foto afgeven bij de receptie. De receptiedame draagt een keycord waar 'Holland' op staat. Aan de muur hangen twee grote Keukenhof-posters, en portretten van Beatrix en, zowaar, prins Claus. Alle symbolen zijn netjes aanwezig. De blauwe vlag met gele sterren is netjes afwezig. De dame spreekt door de telefoon met iemand over een andere familie, die nog niet is teruggekomen. Ik denk dat ze het over de dame met de twee kinderen heeft, en wil haar vertellen dat die later komen omdat ze, begrijpelijk, voor de langzame pasfoto's hadden gekozen. 'Nee, die Somalische familie', zegt ze. Als ik wegloop dringt de absurditeit van haar antwoord pas goed tot me door. Ze heeft ze net zelf een nieuw Nederlands paspoort verkocht, ze weet donders goed dat het een Nederlandse familie is - maar ze zal ze nooit als Nederlanders beschouwen.
Want Nederlander, dat word je door de kleur van je neus, de locatie van je wieg en je moedertaal - niet door je paspoort.
III.
Elke natie heeft haar rituele feestdagen. Zo is de viering van de verjaardag van het vorige staatshoofd een symbool van onze nationale identiteit. Geen beeld zo mooi als een jongetje van Turkse afkomst dat in het Vondelpark blokfluit staat te spelen, of een meisje van Surinaamse afkomst dat oranje linten in het haar draagt - dat is pas ware integratie. Koninginnedag verbindt ons en onderscheidt ons van de buitenwereld, en het vieren van Koninginnedag is een essentiële voorwaarde voor Nederlanderschap. Een jaar geen Koninginnedag gevierd is een jaar niet geleefd. Dus natuurlijk kwamen wij, Nederlandse studenten in de diaspora, ook samen voor een viering. Enkele dagen eerder, dat wel - 30 april is hier geen vrije dag, dus er werd uitgeweken naar het weekend voorafgaand aan Koninginnedag - maar dat mocht de pret niet drukken.
'Dresscode: oranje!' stond er in het mailtje. Ik heb een oranje t-shirt, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen het aan te trekken. Het dragen van oranje op Koninginnedag associeer ik met de monarchie (waarvan ik geen grote voorstander ben) en met lichte vormen van nationalisme. Ik associeer het ook met de dronken Purmerenders en corpsballen die met vereende krachten Amsterdam onveilig maken. In plaats van oranje kies ik ervoor mijn Al-Hema t-shirt te dragen. Ja, dat is een politiek statementje. Ik vind het fantastisch hoe de kunstenaars van het Al-Hema project erin geslaagd zijn om een symbool van Nederlandse identiteit - de Hema en zijn producten - radicaal te herinterpreteren, en zo de manier waarop wij etnische minderheden plegen buiten te sluiten op creatieve en speelse wijze aan de kaak te stellen.
De avond begint in het hostel waar ik eind 2001 kerstmis vierde met mijn broertje - over nostalgie gesproken. Er zijn studenten uit Oxford, Bristol, Bath en Londen. Het is altijd leuk om nieuwe mensen te ontmoeten, zeker als die mensen interessant onderzoek doen waar ze enthousiast over vertellen, en bijzondere reiservaringen met je delen. Na afloop van de maaltijd, een paar biertjes en leuke gesprekken, verplaatst de groep zich naar een club nabij London Bridge, waar vanavond een groot 'Nederlands feest' plaatsvindt.
De club bevindt zich in een tunnel, en er staat een lange rij. Als ik in de rij sta te wachten, zie ik ze plotseling: echte, authentieke corpsballen. De oranje polo-shirts kunnen nauwelijks hun trotse bierbuiken verhullen. De jiskefetklanken van hun stemmen vullen mijn Leidse studentenhart met een warm, nostalgisch gevoel. Dat is lang geleden... Hun conversatie is van een dusdanige finesse en eenvoudige schoonheid dat ik u deze niet wil onthouden:
'Hé lul, hieR ben je!'
'DiedeRik, lul!'
'Heb jij FloRis-Jan gezien?'
'Staat achteR je, lul.'
'Hé, wat doe jij hieR?'
'Hé vieze homo! Alles goed?'
De gedachte dat deze lieden de economische, juridische en medische machthebbers van de toekomst zijn deprimeert mij soms licht.
De locatie is fantastisch. De stenen gewelven doen denken aan een middeleeuws kasteel. Aan het plafond hangen grote, van kleur veranderende opblaassterren. Beroemde Nederlandse DJ's (Aike: 'Wie? Hoor ik die te kennen?' Ander: 'Ja, die zijn heel beroemd, die treden op in Ibiza en New York en zo.' ) verzorgen de muziek. Op een videoscherm verschijnen advertenties van de KLM (u weet wel, die Franse luchtvaartmaatschappij) en van een aantal Nederlandse steden en universiteiten (dan werk je op de afdeling publiciteit van de Universiteit Maastricht, en dan vraag je je af waar je nu eens zult adverteren, en dan is er iemand die op het idee komt om duizenden euro's te besteden aan een advertentie in een nachtclub in Londen - wat voor idioten hebben ze daar in dienst!?). Een MC (Microfoon Clown) staat in het Engels in een microfoon te schreeuwen: 'Amsterdam in da house!' (ik juich), en een aantal seksistische opmerkingen die ik hier niet ga herhalen, en heel veel onontwarbaar gekwaak. Iedereen drinkt flesjes Heineken. De helft van de mensen is in het oranje gekleed, en overal wordt Nederlands gesproken. Lieve hemel, ik wist niet dat er zoveel Nederlanders in en rond Londen wonen. Het zal een warm bad zijn voor een ieder met een oranje hart. Vermoed ik.
Maar wat vooral heel leuk is (behalve het dansen natuurlijk), is dat ik de avond doorbreng in het gezelschap van een groepje mensen van wie ik de meeste voor vanavond nog niet kende, maar met wie het heel gezellig is.
Het is een typisch Nederlandse gezelligheid.
Sunday, 27 April 2008
Monday, 21 April 2008
Rondom Regent's Park
Het was een volle week. Het volgen van mooie impulsen (in mijn geval: het last minute schrijven van een onderzoeksvoorstel en het solliciteren naar een AiO-plaats - zie mijn vorige verhaal) kan als vervelend gevolg hebben dat een netjes geplande planning de prullenbak in kan, waarop een bittere strijd volgt met een genadeloze deadline. Ik had vier dagen de tijd om een zwaarwegend essay van tienduizend woorden te schrijven, en dat bleek geen geringe opgave. Aan de andere kant komen uit dreigende deadlines paradoxaal genoeg soms de beste resultaten voort. Laten we hopen dat dat ook nu het geval blijkt - ik heb in ieder geval met veel plezier vier dagen zitten schrijven, mezelf verrast met nieuwe verbanden en interpretaties, en daar een mooi verhaal aan over gehouden waar ik zelf veel van geleerd heb. En daar gaat het per slot van rekening om: ik ben geen master gaan doen om me weer druk te gaan lopen maken over cijfertjes, maar wel om verder te gaan op de ontdekkingstocht die studeren heet. Dit essay was een mooie nieuwe etappe.
Toen kwam de donderdag. Het was een hele spannende donderdag, want ik mocht een lezing geven voor het research seminar van het Centre for the Study of Japanese Religions. Het onderwerp van mijn lezing was de Japanse pinkstergemeente waar ik een paar jaar geleden onderzoek heb gedaan (hetgeen de basis vormde voor de bachelorscriptie die ik vorig jaar heb geschreven), en dan met name de vraag hoe een kleine minderheidsreligie met een sterk afwijzende houding jegens de buitenwereld haar identiteit vormgeeft. Helaas waren er minder mensen dan anders, wat mij licht teleurstelde. Maar de lezing ging prima, tot mijn grote opluchting: ik kwam goed uit mijn woorden, hield me precies aan de tijd (een klein uur), en kreeg boeiende vragen. Voor ik er erg in had was het achter de rug en zat ik onder het genot van een beugelflesje Grolsch na te praten. Wat leuk, een lezing geven!
Het was een volle week, met een paar verrassingen en nieuwe ontmoetingen en een wandeling in een zonovergoten St. James Park en met vrienden Indiaas en Thais eten en een presentatie over de Kleine Zeemeermin voorbereiden (ideologie zit ook overal) en een nieuwe pubquiz (weer tweede) en een spontaan bezoekje aan Southwark Cathedral en lezen in de lentezon. De plannen voor de zomer werden helaas omgegooid - die reis naar Sri Lanka gaat er waarschijnlijk niet komen, want iedereen trok zich plotseling terug. Maar de plannen waren nog niet geannuleerd of er kwamen weer nieuwe mooie uitnodigingen. Ik vroeg me ook af of ik toch niet liever gewoon tot september in Londen wilde blijven. Als binnen een tijdsbestek van twee dagen drie schone jongedames je vertellen dat je echt moet blijven, dan ga je natuurlijk wel twijfelen... Maar ze hebben gelijk: hoe vaak in je leven heb je nu de kans in Londen te wonen, en hier de zomer door te brengen? Wordt vervolgd dus.
Lange tijd was Londen voornamelijk grijs. Maar de laatste weken heeft ze plotseling haar schoonheid onthuld. Kale kapstokken zijn plotseling veranderd in trotse bomen met uitbundige bloesempracht. Pleintjes zijn weelderige tuinen geworden; parken zijn met ongekende kracht tot leven gekomen. Veel van wat grijs was gaat nu schuil achter volle kleuren groen. De lente verspreidt haar tienduizend geuren, geuren die zo vol herinneringen zitten, herinneringen aan voetballen en verliefdheden en Japan en Amsterdam. De stad is uit haar cocon gekropen. De stad heeft mij voor zich gewonnen.
Ik loop. Ik moet eigenlijk mijn essays schrijven en mijn presentaties voorbereiden, maar soms gebeurt er iets waardoor je het even nodig hebt om te lopen.
De wandeling begint bij het beroemdste zebrapad van de stad. Ooit liep een viertal heren over dit zebrapad. Het zou het beroemdste viertal uit de muziekgeschiedenis worden. En omdat de foto waarop te zien was hoe zij dit zebrapad overstaken de hoes van een van hun beroemdste albums zou sieren, is het zebrapad onsterfelijk geworden. Een groepje toeristen maakt foto's van zichzelf op het zebrapad. Ik heb geen fototoestel bij me, dus ik steek maar gewoon over.
St. John's Wood is een nette buurt, met sjieke appartementen en brede straten met groene bomen en scholen en ziekenhuizen in statige negentiende eeuwse gebouwen. De St. John's Wood Kerk is zo'n trots neoclassicistisch bouwwerk. Ik bezoek de dienst. Protestants, noemt men dit, maar ik was nog nooit in zo'n high church dienst. Met zijn Latijnse gezangen en zijn grote hoeveelheid collectieve recitaties doet de dienst niet onder voor de gemiddelde katholieke mis. De preek is helaas ook weinig inspirerend. Na afloop van de dienst bezoek ik Londens voornaamste moskee, een steenworp verderop. De betonnen minaret en goudkleurige koepel zijn van verre zichtbaar. Van binnen is de moskee ruim en licht. Ik hou van religieuze plaatsen waar je gewoon op de grond mag zitten - het geeft me altijd het gevoel iets dichter bij God te zijn. Bovendien zijn de blauwe tapijten lekker zacht. Als ik wegloop drukt de bebaarde parkeerplaatsportier me een stapeltje folders in de hand. 'Wat de Bijbel zegt over Mohammed'. Goh, en ik maar denken dat Mohammed leefde toen de Bijbel al een paar eeuwen af was...
Regent's Park is prachtig. Regent's Park is vol met joggers en kinderen in gele bootjes en tulpen in alle kleuren van de regenboog en zwoele kersenbloesem en jonge ouders met kinderwagens en nog meer joggers en praktiserende tai chi'ers en Canadese ganzen en eenden met knalrode koppen en flamingo's en blauwe reigers en duiven en meerkoeten en verdienstelijke amateurvogelfotografen en nog meer joggers en Amerikaanse families en trainende bokseressen en weelderige treurwilgen en voetballers en rugbyers en nog meer joggers en lentegeuren en gedachten die heel mooi maar tegelijkertijd ook een beetje beangstigend zijn en mijn voetstappen.
Ik beklim Primrose Hill, en geniet van het fraaie uitzicht over de stad. In de verte zie ik de karakteristieke vormen van de Big Ben en de London Eye. Waarom was ik hier niet eerder? Ik loop verder, de gelijknamige wijk in, die een van de mooiste wijken van de stad blijkt te zijn. Fraaie bakstenen huizen met witte kozijnen flankeren de straten. Ik passeer een biologische supermarkt en delicatessenwinkels en een boekwinkeltje en stijlvolle cafés en een visrestaurant. Onder het genot van een kop koffie verkeerd lees ik een boek van de Japanse filosoof Nishida Kitaro. Hij schrijft over 'pure ervaring' - de ervaring die vooraf gaat aan de betekenis die eraan gegeven wordt. Ik ga deze notie interpreteren aan de hand van de ethiek van Levinas - de 'pure', oorspronkelijke ervaring als primair een ervaring van de Ander. Volgens Levinas gaat deze ervaring (de ervaring van verantwoordelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid en te kort schieten) vooraf aan alle andere ervaringen, en dus ook aan de betekenissen die daarop volgen. Betekenissen zijn, kortom, secundair. Anders gezegd: soms kan de behoefte iets te duiden je vervreemden van de oorspronkelijke ervaring. Dat geldt ook voor de ervaring van de Ander.
En zo vallen puzzelstukjes een beetje op hun plaats, en zo begrijp ik dat het waardevol kan zijn om sommige ervaringen niet direct te willen duiden, maar ze gewoon te laten zijn. Niet alles hoeft meteen een naam te hebben.
Ik loop langs het kanaal. Een meneer speelt accordeon. De woonboten zijn geschilderd in primaire kleuren en versierd met bloemmotieven. Een groot piratenkasteel heeft een hoge vlaggenmast met een wapperende doodshoofdvlag. Ik bereik Camden Lock, dat prachtige oude haventje bij de sluis waar nu de populairste markt van de stad is. Het is zondagmiddag, dus het is waanzinnig druk. Punkers met enorme knalrode hanenkammen en gezichten vol metaal lopen trots rond tussen de toeristen. Enkele maanden geleden was hier een grote brand, maar daar is niets meer van te merken. Kraampjes verkopen hippiekleren en grappige t-shirts en Palestijnensjaals en piercings en asbakken en waterpijpen en plateauzolen en frutsels. Andere kraampjes verkopen fajita's en takoyaki en Venezolaanse maïsbroodjes en falafel en paëlla en kebab met vers brood en fish and chips en felgekleurde Caribische gerechten en soba en loempia's en tajine en waterpijpen en donuts en pasta en biologische sandwiches. Ik laat me uiteindelijk verleiden door de verrukkelijke geuren van de West-Afrikaanse stoofpotjes, en ik krijg er geen spijt van. Na afloop van de maaltijd drink ik een potje muntthee in een typisch Marokkaans tentje met tapijten en kussens en houten tafeltjes en prachtige lampen. Ik lees verder. Ik moet nog veel lezen.
Het was een mooie zondag. De nieuwe week is begonnen.
Toen kwam de donderdag. Het was een hele spannende donderdag, want ik mocht een lezing geven voor het research seminar van het Centre for the Study of Japanese Religions. Het onderwerp van mijn lezing was de Japanse pinkstergemeente waar ik een paar jaar geleden onderzoek heb gedaan (hetgeen de basis vormde voor de bachelorscriptie die ik vorig jaar heb geschreven), en dan met name de vraag hoe een kleine minderheidsreligie met een sterk afwijzende houding jegens de buitenwereld haar identiteit vormgeeft. Helaas waren er minder mensen dan anders, wat mij licht teleurstelde. Maar de lezing ging prima, tot mijn grote opluchting: ik kwam goed uit mijn woorden, hield me precies aan de tijd (een klein uur), en kreeg boeiende vragen. Voor ik er erg in had was het achter de rug en zat ik onder het genot van een beugelflesje Grolsch na te praten. Wat leuk, een lezing geven!
Het was een volle week, met een paar verrassingen en nieuwe ontmoetingen en een wandeling in een zonovergoten St. James Park en met vrienden Indiaas en Thais eten en een presentatie over de Kleine Zeemeermin voorbereiden (ideologie zit ook overal) en een nieuwe pubquiz (weer tweede) en een spontaan bezoekje aan Southwark Cathedral en lezen in de lentezon. De plannen voor de zomer werden helaas omgegooid - die reis naar Sri Lanka gaat er waarschijnlijk niet komen, want iedereen trok zich plotseling terug. Maar de plannen waren nog niet geannuleerd of er kwamen weer nieuwe mooie uitnodigingen. Ik vroeg me ook af of ik toch niet liever gewoon tot september in Londen wilde blijven. Als binnen een tijdsbestek van twee dagen drie schone jongedames je vertellen dat je echt moet blijven, dan ga je natuurlijk wel twijfelen... Maar ze hebben gelijk: hoe vaak in je leven heb je nu de kans in Londen te wonen, en hier de zomer door te brengen? Wordt vervolgd dus.
Lange tijd was Londen voornamelijk grijs. Maar de laatste weken heeft ze plotseling haar schoonheid onthuld. Kale kapstokken zijn plotseling veranderd in trotse bomen met uitbundige bloesempracht. Pleintjes zijn weelderige tuinen geworden; parken zijn met ongekende kracht tot leven gekomen. Veel van wat grijs was gaat nu schuil achter volle kleuren groen. De lente verspreidt haar tienduizend geuren, geuren die zo vol herinneringen zitten, herinneringen aan voetballen en verliefdheden en Japan en Amsterdam. De stad is uit haar cocon gekropen. De stad heeft mij voor zich gewonnen.
Ik loop. Ik moet eigenlijk mijn essays schrijven en mijn presentaties voorbereiden, maar soms gebeurt er iets waardoor je het even nodig hebt om te lopen.
De wandeling begint bij het beroemdste zebrapad van de stad. Ooit liep een viertal heren over dit zebrapad. Het zou het beroemdste viertal uit de muziekgeschiedenis worden. En omdat de foto waarop te zien was hoe zij dit zebrapad overstaken de hoes van een van hun beroemdste albums zou sieren, is het zebrapad onsterfelijk geworden. Een groepje toeristen maakt foto's van zichzelf op het zebrapad. Ik heb geen fototoestel bij me, dus ik steek maar gewoon over.
St. John's Wood is een nette buurt, met sjieke appartementen en brede straten met groene bomen en scholen en ziekenhuizen in statige negentiende eeuwse gebouwen. De St. John's Wood Kerk is zo'n trots neoclassicistisch bouwwerk. Ik bezoek de dienst. Protestants, noemt men dit, maar ik was nog nooit in zo'n high church dienst. Met zijn Latijnse gezangen en zijn grote hoeveelheid collectieve recitaties doet de dienst niet onder voor de gemiddelde katholieke mis. De preek is helaas ook weinig inspirerend. Na afloop van de dienst bezoek ik Londens voornaamste moskee, een steenworp verderop. De betonnen minaret en goudkleurige koepel zijn van verre zichtbaar. Van binnen is de moskee ruim en licht. Ik hou van religieuze plaatsen waar je gewoon op de grond mag zitten - het geeft me altijd het gevoel iets dichter bij God te zijn. Bovendien zijn de blauwe tapijten lekker zacht. Als ik wegloop drukt de bebaarde parkeerplaatsportier me een stapeltje folders in de hand. 'Wat de Bijbel zegt over Mohammed'. Goh, en ik maar denken dat Mohammed leefde toen de Bijbel al een paar eeuwen af was...
Regent's Park is prachtig. Regent's Park is vol met joggers en kinderen in gele bootjes en tulpen in alle kleuren van de regenboog en zwoele kersenbloesem en jonge ouders met kinderwagens en nog meer joggers en praktiserende tai chi'ers en Canadese ganzen en eenden met knalrode koppen en flamingo's en blauwe reigers en duiven en meerkoeten en verdienstelijke amateurvogelfotografen en nog meer joggers en Amerikaanse families en trainende bokseressen en weelderige treurwilgen en voetballers en rugbyers en nog meer joggers en lentegeuren en gedachten die heel mooi maar tegelijkertijd ook een beetje beangstigend zijn en mijn voetstappen.
Ik beklim Primrose Hill, en geniet van het fraaie uitzicht over de stad. In de verte zie ik de karakteristieke vormen van de Big Ben en de London Eye. Waarom was ik hier niet eerder? Ik loop verder, de gelijknamige wijk in, die een van de mooiste wijken van de stad blijkt te zijn. Fraaie bakstenen huizen met witte kozijnen flankeren de straten. Ik passeer een biologische supermarkt en delicatessenwinkels en een boekwinkeltje en stijlvolle cafés en een visrestaurant. Onder het genot van een kop koffie verkeerd lees ik een boek van de Japanse filosoof Nishida Kitaro. Hij schrijft over 'pure ervaring' - de ervaring die vooraf gaat aan de betekenis die eraan gegeven wordt. Ik ga deze notie interpreteren aan de hand van de ethiek van Levinas - de 'pure', oorspronkelijke ervaring als primair een ervaring van de Ander. Volgens Levinas gaat deze ervaring (de ervaring van verantwoordelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid en te kort schieten) vooraf aan alle andere ervaringen, en dus ook aan de betekenissen die daarop volgen. Betekenissen zijn, kortom, secundair. Anders gezegd: soms kan de behoefte iets te duiden je vervreemden van de oorspronkelijke ervaring. Dat geldt ook voor de ervaring van de Ander.
En zo vallen puzzelstukjes een beetje op hun plaats, en zo begrijp ik dat het waardevol kan zijn om sommige ervaringen niet direct te willen duiden, maar ze gewoon te laten zijn. Niet alles hoeft meteen een naam te hebben.
Ik loop langs het kanaal. Een meneer speelt accordeon. De woonboten zijn geschilderd in primaire kleuren en versierd met bloemmotieven. Een groot piratenkasteel heeft een hoge vlaggenmast met een wapperende doodshoofdvlag. Ik bereik Camden Lock, dat prachtige oude haventje bij de sluis waar nu de populairste markt van de stad is. Het is zondagmiddag, dus het is waanzinnig druk. Punkers met enorme knalrode hanenkammen en gezichten vol metaal lopen trots rond tussen de toeristen. Enkele maanden geleden was hier een grote brand, maar daar is niets meer van te merken. Kraampjes verkopen hippiekleren en grappige t-shirts en Palestijnensjaals en piercings en asbakken en waterpijpen en plateauzolen en frutsels. Andere kraampjes verkopen fajita's en takoyaki en Venezolaanse maïsbroodjes en falafel en paëlla en kebab met vers brood en fish and chips en felgekleurde Caribische gerechten en soba en loempia's en tajine en waterpijpen en donuts en pasta en biologische sandwiches. Ik laat me uiteindelijk verleiden door de verrukkelijke geuren van de West-Afrikaanse stoofpotjes, en ik krijg er geen spijt van. Na afloop van de maaltijd drink ik een potje muntthee in een typisch Marokkaans tentje met tapijten en kussens en houten tafeltjes en prachtige lampen. Ik lees verder. Ik moet nog veel lezen.
Het was een mooie zondag. De nieuwe week is begonnen.
Labels:
Christianity,
islam,
London,
study abroad,
travel stories
Monday, 7 April 2008
Het verhaal van de broodjeszaak
Het is een gewone broodjeszaak, zo een die allerhande sandwiches en panini's verkoopt, en hamburgers en mezze en soep, en English breakfast de hele dag door. Het is zo'n typische broodjeszaak waar je komt voor een kop koffie verkeerd, of een vette brunch om je kater tegen te gaan, of een glas vers geperste wortelsap. Het is zo'n typische Noord-Londense broodjeszaak met een klandizie die even divers en multi-etnisch is als de kleurige, netjes geplastificeerde menukaart. Het is zo'n broodjeszaak waar het menu niet alleen te vinden is op de menukaarten, maar ook op grote schoolborden die boven en naast de toonbank hangen, waar het in krullerig meisjeshandschrift met regenboogkleuren op geschreven is. Het is zo'n broodjeszaak met een tv in een hoek waar de hele tijd muziekclips op getoond worden waar niemand naar kijkt, en goedkope kunststof tafeltjes en tegeltjes op de grond. Het is zo'n typische broodjeszaak aan zo'n typische nietszeggende doorgaande weg in Noord-Londen, zo'n weg als Holloway Road met gokkantoren en goedkope kledingwinkels en fastfoodrestaurants en supermarkten en banken en misschien een verdwaalde kerk. De broodjes en ontbijtjes zijn er dertig procent goedkoper dan in vergelijkbare zaken in het centrum of in wijken die wel trendy zijn. Het is, kortom, een typische broodjeszaak zoals je die in dit deel van de stad zou verwachten; zo typisch zelfs, dat ik hem misschien gewoon verzin om maar een locatie te hebben waar ik mijn verhaal kan laten plaatsvinden. Maar misschien ook niet. En misschien is het wel niet zo belangrijk om te weten of de broodjeszaak al dan niet echt is, want misschien is het onderscheid tussen feit en fictie wel een grote illusie. Geven we niet allemaal betekenis aan onze ervaringen door er verhalen over te vertellen, aan onszelf en aan anderen en aan het Opperwezen (v/m, mv/ev)? Is niet elk verhaal echt, als het gaat over iets dat van belang is voor ons en als we het de moeite van het vertellen waard vinden? En is niet tegelijkertijd elk verhaal een constructie, een nieuw geschapen realiteit, noodzakelijkerwijs verschillend van de ervaringen die eraan ten grondslag liggen? Waarheid en fictie sluiten elkaar niet uit, integendeel: waarheid en fictie zijn twee zijden van dezelfde medaille. En die medaille, dat zijn de verhalen (gesprekken, gedachten, geschriften, mythen, hoe u het maar wilt noemen) die wij steeds opnieuw uitvinden en steeds opnieuw vertellen. De mens geeft zijn leven betekenis middels het maken en vertellen van en geloven in verhalen. Dat is wat hem onderscheidt van andere diersoorten.
Welnu, laat ik ook een verhaal vertellen. Het decor kent u al: dat is de broodjeszaak aan Holloway Road. Dat heb ik u reeds beschreven, dus daar hoef ik niets meer over te zeggen. De personages kent u echter nog niet, dus die zal ik nu aan u voorstellen.
Er zijn twee serveersters. Een van hen heeft lange blonde haren, die ze in een paardenstaart draagt, en groene ogen. Ze is eigenlijk net te mooi voor een broodjeszaak als deze. Ze draagt een zwarte blouse boven een donkerblauwe spijkerbroek. Aan haar broekriem rinkelen grote zilverkleurige hartjes. Te oordelen naar de ketting met het grote gouden kruis dat ze prominent op haar borst draagt komt ze uit Oost-Europa. Haar collega heeft eveneens groene ogen, maar haar haren zijn pikzwart. Ze is iets kleiner en iets ouder dan haar collega, en gaat geheel in het zwart gekleed. Ze spreekt Turks met de onzichtbare jongen in de keuken.
In de hoek zit een jongeman op een barkruk te zitten. Hij draagt een baseballcap en een leren jack. Hij zit vlak bij de tv, maar keurt het ding geen blik waardig. Onder normale omstandigheden zou hij een sigaretje zitten te roken, maar de horeca in Engeland zijn rookvrij, dus hij moet genoegen nemen met een glaasje cola. Af en toe kijkt hij argwanend de broodjeszaak in, en af en toe wisselt hij een paar woorden met een van de serveersters, maar verder zit hij gewoon te zitten. Even verderop speelt een tweetal Turkse heren van middelbare leeftijd een spelletje backgammon. Ze dragen spijkerbroeken en vale overhemden en grijze bodywarmers en stoppelbaarden. Na een tijdje krijgen ze gezelschap van een vriend, die geïnteresseerd het spel volgt. Het speltempo ligt hoog, maar dat zal de ervaring zijn.
Aan het tafeltje naast hen zit een donkere dame met gemillimeterd haar en een grote gouden neuspiercing een roddeldagblad te lezen. Haar wenkbrauwen zijn gefronst. Ze annuleert haar eerdere bestelling, en eet een panini, waarbij ze een kopje koffie drinkt. Naast haar zitten twee oudere, gezette dames. Ze zouden zussen kunnen zijn. Allebei dragen ze hun vlassige witte haren in een knotje, en allebei hebben ze dikke enkels in steunkouzenkleuren boven kleine donkerblauwe leren oudedamesschoentjes. Allebei eten ze een tonijnsandwich, netjes in driehoekjes gesneden, en allebei drinken ze een potje thee.
In de hoek bij het raam zitten twee modieus geklede jongedames met luide stem te discussiëren in een mengeling van Engels en een andere taal. Ze hebben alleen een kopje koffie besteld. Aan een tafeltje bij de toonbank zit een knappe donkere jongeman met een wijde hiphopbroek te genieten van een uitgebreid ontbijt met worstjes en witte bonen - om vijf uur 's middags. Aan het tafeltje daarnaast zit een dunne oude dame met een bleek gezicht en een donkerblauwe jurk voorzichtig te genieten van een boterham met roerei en bacon. Verderop zit een jongen met een zwarte hoed, een zwart overhemd en een bruine gestreepte broek. Zo te zien kan hij wel een bezoekje aan de kapper gebruiken. Hij zit te lezen, maar wordt af en toe even afgeleid door dansende halfnaakte dames op het televisiescherm. Hij lijkt de enige in de broodjeszaak te zijn die het ding heeft opgemerkt. Hij bestelt de ietwat wonderlijke combinatie van een vegaburger met patat, en een groot glas verse mixsap. Als het eten komt, legt hij zijn boek even weg.
Hij leest een van die boeken die hij zelf geschreven had willen hebben. Het is een boek dat precies de gedachten verwoordt waar hij al een aantal jaar mee rondloopt, en die hij, een enkele voorzichtige poging een paar jaar geleden daargelaten, nog steeds niet heeft uitgewerkt en samengevat. Hij gaat deze week een nieuwe poging wagen een paar van die ronddwarrelende ideeën te vangen. Hij gaat een verhaal schrijven over verhalen, en hij gaat proberen daarbij iets bloot te leggen van het verborgen verhaal dat deze verhalen vertellen, van hun boodschap en hun agenda. Hij gaat kijken naar verhalen over de natuur en wat die natuur voor ons betekent, naar claims over nationale en etnische identiteit die in verhalen genaturaliseerd worden, en naar verborgen politieke motieven die achter dergelijke verhalen schuilgaan. Hij gaat een verhaal schrijven over verhalen over de Japanse perceptie van de natuur. En het boek dat hij nu leest, 'Re-inventing Japan' van Tessa Morris-Suzuki, gaat hem daar ongetwijfeld bij helpen. Hij herinnert zich maar al te goed hoezeer het hem altijd verbaasd heeft dat tijdens de colleges van zijn bacheloropleiding Japanse taal en cultuur nooit of te nimmer de vraag gesteld werd wat het eigenlijk was dat we bestudeerden, en hoe en door wie het object van onze studie gedefinieerd was. Nooit werd de categorie 'Japan' geproblematiseerd, alsof deze volstrekt vanzelfsprekend was - een natuurlijk gegeven in plaats van een recente historische constructie. Het is een verademing voor hem om een boek tegen te komen dat precies dat doet - het problematiseren van de categorie 'Japan', en daarbij horende essentialistische noties over 'de Japanners' (u weet niet half hoe vaak mensen hem niet goedbedoeld vragen hoe 'de Japanners' zijn, hoe de Japanse cultuur en samenleving zijn, en verwachten dat hij als 'kenner' daar wel even iets zinnigs over kan zeggen - en u weet niet half hoe halfslachtig en onbevredigend zijn pogingen zijn om een zinnig antwoord te geven, zonder al te zeer te generaliseren, maar ook zonder al te cynisch te klinken), en laat zien hoe zulke categorieën en noties historisch gegroeid zijn, in een discours, in een politieke context.
De jongen heeft een droom. Hij wil zich verder verdiepen in dit verhaal, het verhaal dat verteld wordt over de Japanners en hun natuur, en vooral in het vervolgverhaal dat verteld wordt over Shinto en het milieu. Het is een prille droom. Maar ja, het leven is wat er gebeurt terwijl je druk bezig bent met het maken van andere plannen: hij was ervan overtuigd dat hij een jaartje zou stoppen met studeren, zou reizen en werken en stage lopen en schrijven, en daarna zou verkassen naar de overkant van de Atlantische Oceaan. Maar toen was hij in IJsland, en toen kwam die oude fascinatie voor Scandinavië weer terug, en toen begon hij weer te dromen over het land waar hij van kinds af aan heimelijk verliefd op is maar waar hij nog nooit was: het land waar Roald Dahl zo mooi over schreef in De Heksen en Boy, het land van die prachtige schaatser die ervoor zorgde dat Nederland in 1994 geen enkele gouden medaille won, het land waar die dekselse casanova Peer Gynt (die hij als elfjarig jochie mocht spelen) vandaan kwam, het land van de mooie muziek van Grieg, het land waar Sofie mysterieuze brieven kreeg en een filosofiecursus deed waar hij ook deelgenoot van mocht worden. Hij wist dat een vooraanstaande wetenschapper in zijn vakgebied doceert aan de grootste universiteit van dit land, en hij besloot maar eens een kijkje te nemen op de website. En toen zag hij het plotseling: die vacature voor een AiO-plaats op het gebied van percepties van de verhouding tussen natuur en cultuur. Hij kreeg een heel mooi ja-gevoel.
Het weekend was een gekkenhuis. Daar de deadline voor aanmelding al deze week is moest hij in enkele dagen onder meer een onderzoeksvoorstel van tien pagina's schrijven. Maar het is gelukt, en hij is niet ontevreden, realiseert hij zich terwijl hij het boek leest dat hij zelf had willen schrijven, onderwijl pogingen doend de stukjes wortelvruchtvlees onderin zijn glas door zijn rietje omhoog te zuigen. Hij komt net van het rommelige notariskantoortje aan de overkant van de weg, waar hij een aanzienlijk geldbedrag heeft betaald voor een paar lullige kopietjes van zijn diploma's, waarop een stempel en een handtekening zijn gezet. Deo volente gaat hij morgen naar het postkantoor.
Hij weet dat de weg naar Oslo niet vrij is van beren, en hij weet ook dat de kans dat deze droom uitkomt niet zo heel groot is. Er zullen nog wel meer geschikte kandidaten zijn. Maar we zien wel hoe ver we komen. Waar het om gaat is dat wanneer er iets op je pad komt dat, hoe nieuw en onzeker en beangstigend ook, voelt als het goede, je erin durft te duiken. Ga ervoor. Durf te leven, die droom. Het gaat er niet om of de droom wel of niet uitkomt, het gaat erom dat je dromen durft toe te laten in je leven.
De stukjes wortelvruchtvlees zijn op. Hij doet zijn boek dicht en rekent af. Best een leuke broodjeszaak, eigenlijk. Misschien zou hij er wel een verhaal over kunnen schrijven.
Welnu, laat ik ook een verhaal vertellen. Het decor kent u al: dat is de broodjeszaak aan Holloway Road. Dat heb ik u reeds beschreven, dus daar hoef ik niets meer over te zeggen. De personages kent u echter nog niet, dus die zal ik nu aan u voorstellen.
Er zijn twee serveersters. Een van hen heeft lange blonde haren, die ze in een paardenstaart draagt, en groene ogen. Ze is eigenlijk net te mooi voor een broodjeszaak als deze. Ze draagt een zwarte blouse boven een donkerblauwe spijkerbroek. Aan haar broekriem rinkelen grote zilverkleurige hartjes. Te oordelen naar de ketting met het grote gouden kruis dat ze prominent op haar borst draagt komt ze uit Oost-Europa. Haar collega heeft eveneens groene ogen, maar haar haren zijn pikzwart. Ze is iets kleiner en iets ouder dan haar collega, en gaat geheel in het zwart gekleed. Ze spreekt Turks met de onzichtbare jongen in de keuken.
In de hoek zit een jongeman op een barkruk te zitten. Hij draagt een baseballcap en een leren jack. Hij zit vlak bij de tv, maar keurt het ding geen blik waardig. Onder normale omstandigheden zou hij een sigaretje zitten te roken, maar de horeca in Engeland zijn rookvrij, dus hij moet genoegen nemen met een glaasje cola. Af en toe kijkt hij argwanend de broodjeszaak in, en af en toe wisselt hij een paar woorden met een van de serveersters, maar verder zit hij gewoon te zitten. Even verderop speelt een tweetal Turkse heren van middelbare leeftijd een spelletje backgammon. Ze dragen spijkerbroeken en vale overhemden en grijze bodywarmers en stoppelbaarden. Na een tijdje krijgen ze gezelschap van een vriend, die geïnteresseerd het spel volgt. Het speltempo ligt hoog, maar dat zal de ervaring zijn.
Aan het tafeltje naast hen zit een donkere dame met gemillimeterd haar en een grote gouden neuspiercing een roddeldagblad te lezen. Haar wenkbrauwen zijn gefronst. Ze annuleert haar eerdere bestelling, en eet een panini, waarbij ze een kopje koffie drinkt. Naast haar zitten twee oudere, gezette dames. Ze zouden zussen kunnen zijn. Allebei dragen ze hun vlassige witte haren in een knotje, en allebei hebben ze dikke enkels in steunkouzenkleuren boven kleine donkerblauwe leren oudedamesschoentjes. Allebei eten ze een tonijnsandwich, netjes in driehoekjes gesneden, en allebei drinken ze een potje thee.
In de hoek bij het raam zitten twee modieus geklede jongedames met luide stem te discussiëren in een mengeling van Engels en een andere taal. Ze hebben alleen een kopje koffie besteld. Aan een tafeltje bij de toonbank zit een knappe donkere jongeman met een wijde hiphopbroek te genieten van een uitgebreid ontbijt met worstjes en witte bonen - om vijf uur 's middags. Aan het tafeltje daarnaast zit een dunne oude dame met een bleek gezicht en een donkerblauwe jurk voorzichtig te genieten van een boterham met roerei en bacon. Verderop zit een jongen met een zwarte hoed, een zwart overhemd en een bruine gestreepte broek. Zo te zien kan hij wel een bezoekje aan de kapper gebruiken. Hij zit te lezen, maar wordt af en toe even afgeleid door dansende halfnaakte dames op het televisiescherm. Hij lijkt de enige in de broodjeszaak te zijn die het ding heeft opgemerkt. Hij bestelt de ietwat wonderlijke combinatie van een vegaburger met patat, en een groot glas verse mixsap. Als het eten komt, legt hij zijn boek even weg.
Hij leest een van die boeken die hij zelf geschreven had willen hebben. Het is een boek dat precies de gedachten verwoordt waar hij al een aantal jaar mee rondloopt, en die hij, een enkele voorzichtige poging een paar jaar geleden daargelaten, nog steeds niet heeft uitgewerkt en samengevat. Hij gaat deze week een nieuwe poging wagen een paar van die ronddwarrelende ideeën te vangen. Hij gaat een verhaal schrijven over verhalen, en hij gaat proberen daarbij iets bloot te leggen van het verborgen verhaal dat deze verhalen vertellen, van hun boodschap en hun agenda. Hij gaat kijken naar verhalen over de natuur en wat die natuur voor ons betekent, naar claims over nationale en etnische identiteit die in verhalen genaturaliseerd worden, en naar verborgen politieke motieven die achter dergelijke verhalen schuilgaan. Hij gaat een verhaal schrijven over verhalen over de Japanse perceptie van de natuur. En het boek dat hij nu leest, 'Re-inventing Japan' van Tessa Morris-Suzuki, gaat hem daar ongetwijfeld bij helpen. Hij herinnert zich maar al te goed hoezeer het hem altijd verbaasd heeft dat tijdens de colleges van zijn bacheloropleiding Japanse taal en cultuur nooit of te nimmer de vraag gesteld werd wat het eigenlijk was dat we bestudeerden, en hoe en door wie het object van onze studie gedefinieerd was. Nooit werd de categorie 'Japan' geproblematiseerd, alsof deze volstrekt vanzelfsprekend was - een natuurlijk gegeven in plaats van een recente historische constructie. Het is een verademing voor hem om een boek tegen te komen dat precies dat doet - het problematiseren van de categorie 'Japan', en daarbij horende essentialistische noties over 'de Japanners' (u weet niet half hoe vaak mensen hem niet goedbedoeld vragen hoe 'de Japanners' zijn, hoe de Japanse cultuur en samenleving zijn, en verwachten dat hij als 'kenner' daar wel even iets zinnigs over kan zeggen - en u weet niet half hoe halfslachtig en onbevredigend zijn pogingen zijn om een zinnig antwoord te geven, zonder al te zeer te generaliseren, maar ook zonder al te cynisch te klinken), en laat zien hoe zulke categorieën en noties historisch gegroeid zijn, in een discours, in een politieke context.
De jongen heeft een droom. Hij wil zich verder verdiepen in dit verhaal, het verhaal dat verteld wordt over de Japanners en hun natuur, en vooral in het vervolgverhaal dat verteld wordt over Shinto en het milieu. Het is een prille droom. Maar ja, het leven is wat er gebeurt terwijl je druk bezig bent met het maken van andere plannen: hij was ervan overtuigd dat hij een jaartje zou stoppen met studeren, zou reizen en werken en stage lopen en schrijven, en daarna zou verkassen naar de overkant van de Atlantische Oceaan. Maar toen was hij in IJsland, en toen kwam die oude fascinatie voor Scandinavië weer terug, en toen begon hij weer te dromen over het land waar hij van kinds af aan heimelijk verliefd op is maar waar hij nog nooit was: het land waar Roald Dahl zo mooi over schreef in De Heksen en Boy, het land van die prachtige schaatser die ervoor zorgde dat Nederland in 1994 geen enkele gouden medaille won, het land waar die dekselse casanova Peer Gynt (die hij als elfjarig jochie mocht spelen) vandaan kwam, het land van de mooie muziek van Grieg, het land waar Sofie mysterieuze brieven kreeg en een filosofiecursus deed waar hij ook deelgenoot van mocht worden. Hij wist dat een vooraanstaande wetenschapper in zijn vakgebied doceert aan de grootste universiteit van dit land, en hij besloot maar eens een kijkje te nemen op de website. En toen zag hij het plotseling: die vacature voor een AiO-plaats op het gebied van percepties van de verhouding tussen natuur en cultuur. Hij kreeg een heel mooi ja-gevoel.
Het weekend was een gekkenhuis. Daar de deadline voor aanmelding al deze week is moest hij in enkele dagen onder meer een onderzoeksvoorstel van tien pagina's schrijven. Maar het is gelukt, en hij is niet ontevreden, realiseert hij zich terwijl hij het boek leest dat hij zelf had willen schrijven, onderwijl pogingen doend de stukjes wortelvruchtvlees onderin zijn glas door zijn rietje omhoog te zuigen. Hij komt net van het rommelige notariskantoortje aan de overkant van de weg, waar hij een aanzienlijk geldbedrag heeft betaald voor een paar lullige kopietjes van zijn diploma's, waarop een stempel en een handtekening zijn gezet. Deo volente gaat hij morgen naar het postkantoor.
Hij weet dat de weg naar Oslo niet vrij is van beren, en hij weet ook dat de kans dat deze droom uitkomt niet zo heel groot is. Er zullen nog wel meer geschikte kandidaten zijn. Maar we zien wel hoe ver we komen. Waar het om gaat is dat wanneer er iets op je pad komt dat, hoe nieuw en onzeker en beangstigend ook, voelt als het goede, je erin durft te duiken. Ga ervoor. Durf te leven, die droom. Het gaat er niet om of de droom wel of niet uitkomt, het gaat erom dat je dromen durft toe te laten in je leven.
De stukjes wortelvruchtvlees zijn op. Hij doet zijn boek dicht en rekent af. Best een leuke broodjeszaak, eigenlijk. Misschien zou hij er wel een verhaal over kunnen schrijven.
Labels:
Japan,
London,
Norway,
study abroad
Monday, 31 March 2008
Pasen in de fjorden
Het is een witte Witte Donderdag, zie ik als ik door het raampje naar beneden kijk. De bergen in de verte zijn bedekt met een dikke laag sneeuw. Ook de donkergrijze vlakten in het zuidwesten zijn bezaaid met witte vlekken. Een beekje kringelt zich er tussendoor, op weg naar de zee, waarin een eenzame vissersboot ligt te dobberen. De huisjes van het dorpje aan de kust zijn van lego gemaakt. Een enkele weg leidt naar de hoofdstad, even verderop in noordelijke richting. Nergens is een boom te bekennen. We dalen en dalen en landen geruisloos. Ik ben in IJsland.
De bus brengt mij naar het busstation van Reykjavík, waar ik opgewacht word door mijn vriend en voormalige huisgenoot Jan, die momenteel aan de Universiteit van IJsland studeert (wie een indruk wil krijgen van het leven van een uitwisselingsstudent in Reykjavík leze zijn boeiende weblog, http://www.janengelen.waarbenjij.nu). Het is goed om elkaar weer te zien en bij te kletsen. We wandelen door het kleine, overzichtelijke en gezellige Reykjavík. Overal staan huisjes van golfplaat, geverfd in zachte pasteltinten. Sommige hebben vrolijke sprookjeskozijnen. Barretjes, galerieën en winkeltjes flankeren de voornaamste winkelstraat en haar zijstraten. De majestueuze berg Esja kijkt vanaf de overkant van de baai uit over de stad. Een snijdende koude wind leert me dat ik er de komende dagen goed aan doe nog een extra laag kleren aan te trekken.
Op de hoogste heuvel van de stad staat de trotse en imposante Hallgrímskirkja. De basalten vleugels, de hoge toren en het woeste vikingbeeld op het plein ervoor moeten de grootsheid van de natie symboliseren; de kitscherige schilderijen met lijdende Jezusgezichten binnen in de kerk de grootsheid Gods. Ik val met mijn neus in de boter: vandaag vindt hier een uitvoering plaats van de Passie van de Estse componist Arvo Pärt. Ik ken Pärt alleen van zijn prachtige dromerige pianomuziek, niet van zijn religieuze werken, en ik kan de verleiding niet weerstaan een kaartje te kopen en het concert te bezoeken. De Passie is veel grimmiger dan de lieve pianoklanken die ik van hem ken. De minimalistische stijl, het continue herhalen van dezelfde tonen, het trage tempo, de krachtige lage stem van Jezus en bovenal de bij vlagen dramatische, indringende koorpartijen wekken bij mij tegelijkertijd een gevoel van vervreemding als een gevoel van ontzag en bewondering op. Ik vermoed dat dat ook de bedoeling was.
Jan en ik genieten van een heerlijk stukje zalm met een bijpassende witte wijn. Op een dag als deze heeft het delen van wijn voor mij toch stiekem net iets meer betekenis dan op andere dagen. Daarna ontmoet ik de mensen met wie ik de komende dagen op reis ga naar de Westfjorden, het schiereiland in het noordwesten. Het is altijd een beetje spannend, op reis te gaan met mensen die je nog niet kent, maar iedereen is vriendelijk en ik vertrouw erop dat we elkaar snel zullen leren kennen. Het reisgezelschap bestaat uit acht mensen, afkomstig uit Finland, Zweden, Spanje en Nederland. Een mooie gelegenheid om een paar nieuwe vreemde talen te leren, kortom.
Het is een prachtige, heldere Goede Vrijdag. Twee stoere SUV's staan klaar om ons naar het hoge noorden te brengen (ik weet het, ik heb in een eerder verhaal gefulmineerd tegen dergelijke auto's, maar wanneer de reis over wegen gaat die weinig meer zijn dan besneeuwde bergpaadjes vind ik het gebruik ervan wel te rechtvaardigen). Geen van beide Nederlandse jongens is in het bezit van een rijbewijs, maar een ongekende luxe is ons deel: een drietal schone Scandinavische privé-chauffeuses. Meer heeft een man niet nodig om gelukkig te worden.
De reis naar het noorden is lang, maar ik kan me niet herinneren ooit zo genoten te hebben van een autoreis. De landschappen die aan ons voorbij trekken ontlokken mij meerdere oh's en ah's. De blauwe zee en de glooiende heuvels maken geleidelijk aan plaats voor indrukwekkende bergen en besneeuwde maanvlaktes. Wollen knuffelpaarden wandelen rond. Nergens is een boom te bekennen. We pauzeren bij de ingang van de hel. Uit de grond komen wolken stoom, en de lucht ruikt naar zwavel. Even verderop bekijken we een woeste rivier, compleet met waterval. Overal komt water uit de grond. Het stroomt de rivier in. De aarde gutst en klotst en is vol leven. Welkom in IJsland.
Iemand komt op het idee om een binnenweggetje te nemen, omdat dat op de kaart een stuk sneller oogt. Maar binnenweggetjes in IJsland zijn soms weinig meer dan karrensporen. We hotsen en hobbelen ons een weg door de gaten in de weg. Binnenweggetje zus leidt naar binnenweggetje zo, en binnen de kortste keren zijn we licht verdwaald. Als we uiteindelijk het weggetje gevonden hebben dat ons naar de snelweg moet brengen blijkt het een grindpad te zijn. We durven het risico niet te nemen en keren om. Helaas, een paar uur verloren. Ik kan er echter niet mee zitten. Zelden zag ik zo'n indrukwekkend, uitgestrekt landschap.
Eenmaal terug op de hoofdweg bezoeken we een pompstation. Het rijdt lekker, zo'n SUV, maar ze slurpen benzine. Ook vermoeden we dat de boodschap die het dashboard ons geeft, 'olie verversen', wel eens van belang zou kunnen zijn. We vragen of men ons kan vertellen hoe urgent deze boodschap is, en of we nieuwe olie moeten aanschaffen. Een kleine, lichtblonde Daantje de wereldkampioen opent onze motorkap en verricht enkele rituele handelingen. We staan erbij en kijken ernaar. Wat zijn we ook een stelletje domme studenten - wat heb je er nou aan te weten wie Plato was als je niet eens weet hoe je je olie moet controleren? Gelukkig kan Daantje ons vertellen dat de olietank leeg is, en deze vervolgens voor ons bijvullen. We zijn hem eeuwig dankbaar.
Eindelijk maken we vaart. Hoe noorderlijker we geraken, hoe ruiger het landschap, en hoe meer sneeuw er ligt. De middag is reeds vergevorderd, en we realiseren ons dat we onze eindbestemming vandaag niet zullen halen. In plaats daarvan regelen we een overnachting in een gasthuis in Hólmavík, aan de oostkant van de Westfjorden. Het is gezellig in de auto. Raadspelletjes, woordslangen, quizzen en paprikachips houden ons zoet. Onderwijl genieten we van het indrukwekkende fjordenlandschap om ons heen en de bizarre wolkpartijen boven ons. Eenmaal in Hólmavík aangekomen delen we een meer dan acceptabele improvisatiemaaltijd, en maken we een avondwandeling door het dorp en zijn vissershaventje. Nooit was een maan zo vol, zo fel. Een wolk slaagt er niet in haar te bedekken. Ze schijnt er dwars doorheen.
Het is een koude, maar lichte Stille Zaterdag. In Hólmavík bevindt zich een hekserijmuseum, en een deel van de groep (waaronder ondergetekende) wil daar graag een bezoek aan brengen. Het museum is uitermate boeiend. Het vertelt een verhaal van heksenvervolgingen in de zeventiende eeuw (netjes uitgevoerd door protestanten, jawel!), van magische praktijken die in deze regio plaats vonden (met andere woorden: van bepaalde religieuze handelingen en ideeën die door de gevestigde orde gedemoniseerd werden), en van het oeroude zondebokmechanisme (wie heeft de macht te beschuldigen, te labelen, te classificeren?). Na afloop van het museumbezoek doen we ons te goed aan een heerlijk foute fastfoodmaaltijd, waarna we op weg gaan naar Ísafjörður, de enige plaats van formaat in de regio. De autoreis duurt een paar uur, en is een ware traktatie. De fjorden zijn van een spectaculaire schoonheid. De bergen worden weerspiegeld in het zeewater. Zonlicht dartelt in het rond. We genieten met volle teugen.
We verblijven twee nachten in een schattig huisje in het dorp Flateyri, dat zich op een kwartier rijden van Ísafjörður bevindt. Vanavond gaan we de stad in. Na genoten te hebben van een smakelijke pizza, ons geserveerd door een hele grote hele vriendelijke reus, begeven we ons naar de loods in de haven. De officiële reden voor deze reis was namelijk het muziekfestival 'Aldrei fór ég suður' ('nooit ging ik naar het zuiden' ) dat hier dit weekeinde plaatsvindt. Onze vertragingen hebben er voor gezorgd dat we aanzienlijk minder tijd op dit festival kunnen besteden dan men aanvankelijk gepland had, maar vanavond worden we dan toch nog een aantal uur verwend met livemuziek.
Allerlei verschillende bandjes passeren de revue, en de kwaliteit wisselt. Het eerste bandje dat we zien belooft weinig goeds: heren met boevenmaskertjes begeleiden een middelmatige Björkkloon. Het tweede bandje bestaat uit een vijftal strakke gouden broeken dragende, heavy metal spelende heren. De woeste muziek wordt enigszins ontkracht door het feit dat je de randjes van hun onderbroeken wat al te duidelijk door het goud heen ziet schijnen. Daar staat tegenover dat de zanger beschikt over een vervaarlijke, knappe vikingkop, compleet met stroblond haar en baard, hoge jukbeenderen en een kaarsrechte neus. Als ik in de middeleeuwen in een Europees kuststadje had geleefd, en deze kerel was langs gekomen om mijn stadje leeg te plunderen, dan had ik het vermoedelijk wel in mijn broek gedaan. Dan toch maar liever metalherrie. Gelukkig heb ik oordopjes bij me.
Al snel wordt de muziek beter. Een leuk bandje speelt allerlei swingende rocknummers, en weet de sfeer er goed in te brengen. Na hen is het de beurt aan een zangeres met een prachtige stem. Haar nummers klinken melancholisch en mysterieus. De invloeden van folkmuziek zijn duidelijk hoorbaar. Het is het mooiste optreden van de avond, en het welverdiende daverende applaus dat ze krijgt brengt de zangeres eventjes van haar stuk. Ik moet toch nog even zien te achterhalen hoe deze dame heet, en kijken of ik ergens wat muziek van haar kan vinden, bedenk ik me nu ik dit schrijf.
Naarmate de avond vordert worden de artiesten gekker en gekker. Buiken en billen worden ontbloot, microfoons worden in onderbroeken gestoken. De skáll's klinken almaar luider. Na verschillende ruige rockbandjes is het de beurt aan stoere IJslandse hiphop. De hoofdstad en haar inwoners, toch vermoedelijk de meerderheid van de aanwezigen, worden flink belachelijk gemaakt. Wij vermaken ons ondertussen uitstekend met onze fototoestellen, waarvoor wij naar hartenlust poseren. Het is een mooie avond.
Het is een schitterende Eerste Paasdag. Flateyri ligt vredig in het zonnige fjord. Een grote zwarte raaf kijkt ons nieuwsgierig aan vanaf zijn plekje, bovenop het kruis op de toren van het dorpskerkje. Ik besluit het niet te interpreteren als een omineus, maar juist als een hoopgevend beeld. Immers, ook een raaf is een deel van de natuur, een stukje Schepping, een kindje van God, als ik mij zo uit mag drukken (en in de lente, die wonderbaarlijke tijd waarin de natuur opnieuw geboren wordt, druk ik mij nu eenmaal graag zo uit). Ook de raaf begroet de voorjaarszon.
Naast het kerkje staat een monument voor de twintig mensen die hier in 1995 overleden als gevolg van een verwoestende lawine, hetgeen een ongekende schok voor dit dorp zal zijn geweest. Het verklaart de reden voor de grote aarden wal die men naast het dorp heeft gebouwd. We zijn even stil. Dan is het tijd voor de wandeling.
We lopen met zijn vieren rond Önundarfjörður. De bergen zijn wijze witte reuzen, de zee is hun spiegel. Een sledehond wijst ons de weg. De sneeuw knerpt onder onze voeten.
We praten en lachen en maken knotsgekke foto's. De chauffeur van een grote groene truck vraagt ons of we de skiërs zijn die hij op moet halen. Voor een eenzaam huisje staat een vrouw met een baby op haar arm. Ze begroet ons vriendelijk. De lucht betrekt, en we verliezen ons uitzicht.
Skiërs druppelen een grote groene truck binnen. We lunchen met biscuitjes, wortels en tortillachips op de veranda van een verlaten zomerhuisje. Het wit van de sneeuw gaat over in het wit van de lucht, maar het wit zit vol met lichte tinten groen en bruin en blauw. Wit kan prachtig vol zijn.
Ik adem uit.
Wanneer we op driekwart zijn, gebeurt het wonder. Het begint met een glimpje licht, hoog in de lucht. Het silhouet van een bergtop wordt voorzichtig zichtbaar. Aanvankelijk is het zo klein en vaag dat het nauwelijks opvalt, maar geleidelijk wint het beeld aan kracht. Dan blijkt aan de andere kant van het fjord hetzelfde te gebeuren. Ook daar wordt langzaam een bergtop zichtbaar. En nog een, en nog een. Steeds meer bergtoppen worden om ons heen geboren, en ze beginnen te groeien. Langzaam maar onontkoombaar dringt het licht de nevel terug. De tekeningen van sneeuw op de bergtoppen worden almaar duidelijker. Het licht wint steeds meer terrein. De bovenste helft van de bergen is nu zichtbaar. Ze drijven in het niets. De bergen worden groter en groter, de nevel zakt steeds verder weg. Het fjord is van een onbeschrijflijke schoonheid. De dalende zon danst in het zeewater. Wanneer we het eindpunt van onze wandeling bereikt hebben, is de nevel verdwenen. Wat een geschenk.
Nooit heb ik zo direct ervaren wat de belofte van Pasen is als op dit moment. Hoe donker het soms ook is, er zal altijd weer licht zijn. Zoiets.
De avond is geweldig. Het beruchte briefjesspel, waarbij men bekende mensen moet beschrijven en uitbeelden, zorgt voor veel hilariteit, en vormt het begin van een spontane bonte avond. De groep blijkt over een niet geringe dosis komisch acteertalent te beschikken. We maken allerlei sketches over Pascal le Reykjavíkois, een min of meer fictief personage. Pascal is een Franse uitwisselingsstudent die in Reykjavík belandt, en daar door zijn ietwat wereldvreemde gedrag in allerlei komische situaties terecht komt. Een kruising tussen Mr. Bean en Lost in Translation, met een scheutje Scandinavische slapstick. Ik heb in jaren niet zo gelachen.
Het is een gure Tweede Paasdag. De lange autoreis terug naar Reykjavík wordt de eerste uren bemoeilijkt door sneeuwstormen, maar onze chauffeuses staan hun mannetje. Nadat we Hólmavík gepasseerd zijn verbetert het weer gelukkig snel. Quizzen, raadspelletjes en paprikachips houden ons zoet. Dankbaar realiseer ik me dat dit weekeinde mij niet alleen prachtige vergezichten, maar ook een aantal lieve nieuwe vrienden gegeven heeft. Ik doe een heerlijk dutje.
Aan het eind van de middag zijn we weer in Reykjavík. Het was een prachtig paasweekeinde.
De bus brengt mij naar het busstation van Reykjavík, waar ik opgewacht word door mijn vriend en voormalige huisgenoot Jan, die momenteel aan de Universiteit van IJsland studeert (wie een indruk wil krijgen van het leven van een uitwisselingsstudent in Reykjavík leze zijn boeiende weblog, http://www.janengelen.waarbenjij.nu). Het is goed om elkaar weer te zien en bij te kletsen. We wandelen door het kleine, overzichtelijke en gezellige Reykjavík. Overal staan huisjes van golfplaat, geverfd in zachte pasteltinten. Sommige hebben vrolijke sprookjeskozijnen. Barretjes, galerieën en winkeltjes flankeren de voornaamste winkelstraat en haar zijstraten. De majestueuze berg Esja kijkt vanaf de overkant van de baai uit over de stad. Een snijdende koude wind leert me dat ik er de komende dagen goed aan doe nog een extra laag kleren aan te trekken.
Op de hoogste heuvel van de stad staat de trotse en imposante Hallgrímskirkja. De basalten vleugels, de hoge toren en het woeste vikingbeeld op het plein ervoor moeten de grootsheid van de natie symboliseren; de kitscherige schilderijen met lijdende Jezusgezichten binnen in de kerk de grootsheid Gods. Ik val met mijn neus in de boter: vandaag vindt hier een uitvoering plaats van de Passie van de Estse componist Arvo Pärt. Ik ken Pärt alleen van zijn prachtige dromerige pianomuziek, niet van zijn religieuze werken, en ik kan de verleiding niet weerstaan een kaartje te kopen en het concert te bezoeken. De Passie is veel grimmiger dan de lieve pianoklanken die ik van hem ken. De minimalistische stijl, het continue herhalen van dezelfde tonen, het trage tempo, de krachtige lage stem van Jezus en bovenal de bij vlagen dramatische, indringende koorpartijen wekken bij mij tegelijkertijd een gevoel van vervreemding als een gevoel van ontzag en bewondering op. Ik vermoed dat dat ook de bedoeling was.
Jan en ik genieten van een heerlijk stukje zalm met een bijpassende witte wijn. Op een dag als deze heeft het delen van wijn voor mij toch stiekem net iets meer betekenis dan op andere dagen. Daarna ontmoet ik de mensen met wie ik de komende dagen op reis ga naar de Westfjorden, het schiereiland in het noordwesten. Het is altijd een beetje spannend, op reis te gaan met mensen die je nog niet kent, maar iedereen is vriendelijk en ik vertrouw erop dat we elkaar snel zullen leren kennen. Het reisgezelschap bestaat uit acht mensen, afkomstig uit Finland, Zweden, Spanje en Nederland. Een mooie gelegenheid om een paar nieuwe vreemde talen te leren, kortom.
Het is een prachtige, heldere Goede Vrijdag. Twee stoere SUV's staan klaar om ons naar het hoge noorden te brengen (ik weet het, ik heb in een eerder verhaal gefulmineerd tegen dergelijke auto's, maar wanneer de reis over wegen gaat die weinig meer zijn dan besneeuwde bergpaadjes vind ik het gebruik ervan wel te rechtvaardigen). Geen van beide Nederlandse jongens is in het bezit van een rijbewijs, maar een ongekende luxe is ons deel: een drietal schone Scandinavische privé-chauffeuses. Meer heeft een man niet nodig om gelukkig te worden.
De reis naar het noorden is lang, maar ik kan me niet herinneren ooit zo genoten te hebben van een autoreis. De landschappen die aan ons voorbij trekken ontlokken mij meerdere oh's en ah's. De blauwe zee en de glooiende heuvels maken geleidelijk aan plaats voor indrukwekkende bergen en besneeuwde maanvlaktes. Wollen knuffelpaarden wandelen rond. Nergens is een boom te bekennen. We pauzeren bij de ingang van de hel. Uit de grond komen wolken stoom, en de lucht ruikt naar zwavel. Even verderop bekijken we een woeste rivier, compleet met waterval. Overal komt water uit de grond. Het stroomt de rivier in. De aarde gutst en klotst en is vol leven. Welkom in IJsland.
Iemand komt op het idee om een binnenweggetje te nemen, omdat dat op de kaart een stuk sneller oogt. Maar binnenweggetjes in IJsland zijn soms weinig meer dan karrensporen. We hotsen en hobbelen ons een weg door de gaten in de weg. Binnenweggetje zus leidt naar binnenweggetje zo, en binnen de kortste keren zijn we licht verdwaald. Als we uiteindelijk het weggetje gevonden hebben dat ons naar de snelweg moet brengen blijkt het een grindpad te zijn. We durven het risico niet te nemen en keren om. Helaas, een paar uur verloren. Ik kan er echter niet mee zitten. Zelden zag ik zo'n indrukwekkend, uitgestrekt landschap.
Eenmaal terug op de hoofdweg bezoeken we een pompstation. Het rijdt lekker, zo'n SUV, maar ze slurpen benzine. Ook vermoeden we dat de boodschap die het dashboard ons geeft, 'olie verversen', wel eens van belang zou kunnen zijn. We vragen of men ons kan vertellen hoe urgent deze boodschap is, en of we nieuwe olie moeten aanschaffen. Een kleine, lichtblonde Daantje de wereldkampioen opent onze motorkap en verricht enkele rituele handelingen. We staan erbij en kijken ernaar. Wat zijn we ook een stelletje domme studenten - wat heb je er nou aan te weten wie Plato was als je niet eens weet hoe je je olie moet controleren? Gelukkig kan Daantje ons vertellen dat de olietank leeg is, en deze vervolgens voor ons bijvullen. We zijn hem eeuwig dankbaar.
Eindelijk maken we vaart. Hoe noorderlijker we geraken, hoe ruiger het landschap, en hoe meer sneeuw er ligt. De middag is reeds vergevorderd, en we realiseren ons dat we onze eindbestemming vandaag niet zullen halen. In plaats daarvan regelen we een overnachting in een gasthuis in Hólmavík, aan de oostkant van de Westfjorden. Het is gezellig in de auto. Raadspelletjes, woordslangen, quizzen en paprikachips houden ons zoet. Onderwijl genieten we van het indrukwekkende fjordenlandschap om ons heen en de bizarre wolkpartijen boven ons. Eenmaal in Hólmavík aangekomen delen we een meer dan acceptabele improvisatiemaaltijd, en maken we een avondwandeling door het dorp en zijn vissershaventje. Nooit was een maan zo vol, zo fel. Een wolk slaagt er niet in haar te bedekken. Ze schijnt er dwars doorheen.
Het is een koude, maar lichte Stille Zaterdag. In Hólmavík bevindt zich een hekserijmuseum, en een deel van de groep (waaronder ondergetekende) wil daar graag een bezoek aan brengen. Het museum is uitermate boeiend. Het vertelt een verhaal van heksenvervolgingen in de zeventiende eeuw (netjes uitgevoerd door protestanten, jawel!), van magische praktijken die in deze regio plaats vonden (met andere woorden: van bepaalde religieuze handelingen en ideeën die door de gevestigde orde gedemoniseerd werden), en van het oeroude zondebokmechanisme (wie heeft de macht te beschuldigen, te labelen, te classificeren?). Na afloop van het museumbezoek doen we ons te goed aan een heerlijk foute fastfoodmaaltijd, waarna we op weg gaan naar Ísafjörður, de enige plaats van formaat in de regio. De autoreis duurt een paar uur, en is een ware traktatie. De fjorden zijn van een spectaculaire schoonheid. De bergen worden weerspiegeld in het zeewater. Zonlicht dartelt in het rond. We genieten met volle teugen.
We verblijven twee nachten in een schattig huisje in het dorp Flateyri, dat zich op een kwartier rijden van Ísafjörður bevindt. Vanavond gaan we de stad in. Na genoten te hebben van een smakelijke pizza, ons geserveerd door een hele grote hele vriendelijke reus, begeven we ons naar de loods in de haven. De officiële reden voor deze reis was namelijk het muziekfestival 'Aldrei fór ég suður' ('nooit ging ik naar het zuiden' ) dat hier dit weekeinde plaatsvindt. Onze vertragingen hebben er voor gezorgd dat we aanzienlijk minder tijd op dit festival kunnen besteden dan men aanvankelijk gepland had, maar vanavond worden we dan toch nog een aantal uur verwend met livemuziek.
Allerlei verschillende bandjes passeren de revue, en de kwaliteit wisselt. Het eerste bandje dat we zien belooft weinig goeds: heren met boevenmaskertjes begeleiden een middelmatige Björkkloon. Het tweede bandje bestaat uit een vijftal strakke gouden broeken dragende, heavy metal spelende heren. De woeste muziek wordt enigszins ontkracht door het feit dat je de randjes van hun onderbroeken wat al te duidelijk door het goud heen ziet schijnen. Daar staat tegenover dat de zanger beschikt over een vervaarlijke, knappe vikingkop, compleet met stroblond haar en baard, hoge jukbeenderen en een kaarsrechte neus. Als ik in de middeleeuwen in een Europees kuststadje had geleefd, en deze kerel was langs gekomen om mijn stadje leeg te plunderen, dan had ik het vermoedelijk wel in mijn broek gedaan. Dan toch maar liever metalherrie. Gelukkig heb ik oordopjes bij me.
Al snel wordt de muziek beter. Een leuk bandje speelt allerlei swingende rocknummers, en weet de sfeer er goed in te brengen. Na hen is het de beurt aan een zangeres met een prachtige stem. Haar nummers klinken melancholisch en mysterieus. De invloeden van folkmuziek zijn duidelijk hoorbaar. Het is het mooiste optreden van de avond, en het welverdiende daverende applaus dat ze krijgt brengt de zangeres eventjes van haar stuk. Ik moet toch nog even zien te achterhalen hoe deze dame heet, en kijken of ik ergens wat muziek van haar kan vinden, bedenk ik me nu ik dit schrijf.
Naarmate de avond vordert worden de artiesten gekker en gekker. Buiken en billen worden ontbloot, microfoons worden in onderbroeken gestoken. De skáll's klinken almaar luider. Na verschillende ruige rockbandjes is het de beurt aan stoere IJslandse hiphop. De hoofdstad en haar inwoners, toch vermoedelijk de meerderheid van de aanwezigen, worden flink belachelijk gemaakt. Wij vermaken ons ondertussen uitstekend met onze fototoestellen, waarvoor wij naar hartenlust poseren. Het is een mooie avond.
Het is een schitterende Eerste Paasdag. Flateyri ligt vredig in het zonnige fjord. Een grote zwarte raaf kijkt ons nieuwsgierig aan vanaf zijn plekje, bovenop het kruis op de toren van het dorpskerkje. Ik besluit het niet te interpreteren als een omineus, maar juist als een hoopgevend beeld. Immers, ook een raaf is een deel van de natuur, een stukje Schepping, een kindje van God, als ik mij zo uit mag drukken (en in de lente, die wonderbaarlijke tijd waarin de natuur opnieuw geboren wordt, druk ik mij nu eenmaal graag zo uit). Ook de raaf begroet de voorjaarszon.
Naast het kerkje staat een monument voor de twintig mensen die hier in 1995 overleden als gevolg van een verwoestende lawine, hetgeen een ongekende schok voor dit dorp zal zijn geweest. Het verklaart de reden voor de grote aarden wal die men naast het dorp heeft gebouwd. We zijn even stil. Dan is het tijd voor de wandeling.
We lopen met zijn vieren rond Önundarfjörður. De bergen zijn wijze witte reuzen, de zee is hun spiegel. Een sledehond wijst ons de weg. De sneeuw knerpt onder onze voeten.
We praten en lachen en maken knotsgekke foto's. De chauffeur van een grote groene truck vraagt ons of we de skiërs zijn die hij op moet halen. Voor een eenzaam huisje staat een vrouw met een baby op haar arm. Ze begroet ons vriendelijk. De lucht betrekt, en we verliezen ons uitzicht.
Skiërs druppelen een grote groene truck binnen. We lunchen met biscuitjes, wortels en tortillachips op de veranda van een verlaten zomerhuisje. Het wit van de sneeuw gaat over in het wit van de lucht, maar het wit zit vol met lichte tinten groen en bruin en blauw. Wit kan prachtig vol zijn.
Ik adem uit.
Wanneer we op driekwart zijn, gebeurt het wonder. Het begint met een glimpje licht, hoog in de lucht. Het silhouet van een bergtop wordt voorzichtig zichtbaar. Aanvankelijk is het zo klein en vaag dat het nauwelijks opvalt, maar geleidelijk wint het beeld aan kracht. Dan blijkt aan de andere kant van het fjord hetzelfde te gebeuren. Ook daar wordt langzaam een bergtop zichtbaar. En nog een, en nog een. Steeds meer bergtoppen worden om ons heen geboren, en ze beginnen te groeien. Langzaam maar onontkoombaar dringt het licht de nevel terug. De tekeningen van sneeuw op de bergtoppen worden almaar duidelijker. Het licht wint steeds meer terrein. De bovenste helft van de bergen is nu zichtbaar. Ze drijven in het niets. De bergen worden groter en groter, de nevel zakt steeds verder weg. Het fjord is van een onbeschrijflijke schoonheid. De dalende zon danst in het zeewater. Wanneer we het eindpunt van onze wandeling bereikt hebben, is de nevel verdwenen. Wat een geschenk.
Nooit heb ik zo direct ervaren wat de belofte van Pasen is als op dit moment. Hoe donker het soms ook is, er zal altijd weer licht zijn. Zoiets.
De avond is geweldig. Het beruchte briefjesspel, waarbij men bekende mensen moet beschrijven en uitbeelden, zorgt voor veel hilariteit, en vormt het begin van een spontane bonte avond. De groep blijkt over een niet geringe dosis komisch acteertalent te beschikken. We maken allerlei sketches over Pascal le Reykjavíkois, een min of meer fictief personage. Pascal is een Franse uitwisselingsstudent die in Reykjavík belandt, en daar door zijn ietwat wereldvreemde gedrag in allerlei komische situaties terecht komt. Een kruising tussen Mr. Bean en Lost in Translation, met een scheutje Scandinavische slapstick. Ik heb in jaren niet zo gelachen.
Het is een gure Tweede Paasdag. De lange autoreis terug naar Reykjavík wordt de eerste uren bemoeilijkt door sneeuwstormen, maar onze chauffeuses staan hun mannetje. Nadat we Hólmavík gepasseerd zijn verbetert het weer gelukkig snel. Quizzen, raadspelletjes en paprikachips houden ons zoet. Dankbaar realiseer ik me dat dit weekeinde mij niet alleen prachtige vergezichten, maar ook een aantal lieve nieuwe vrienden gegeven heeft. Ik doe een heerlijk dutje.
Aan het eind van de middag zijn we weer in Reykjavík. Het was een prachtig paasweekeinde.
Labels:
music,
religion,
travel stories
Monday, 17 March 2008
Zingen en spelen
Ik zal mijn verhaal dit keer niet beginnen met een filosofische verhandeling over het fenomeen tijd. Maar ik wil wel even kwijt dat ik er geen drol van begrijp. Om de een of andere wonderbaarlijke reden is het tweede trimester reeds voorbij. Gelooft u mij, ik heb nog nooit de tijd zo onbegrijpelijk snel voorbij zien vliegen als in de afgelopen maanden. Drie keer met mijn ogen knipperen en hopsakee, dat was het dan. Aangezien het volgende trimester gereserveerd is voor het schrijven van essays en het maken van tentamens (die ik niet heb), en zodoende grotendeels collegevrij is, heb ik vanaf nu bijna geen colleges meer. Dat is een vreemde gedachte, daar ik zeker nog niet het gevoel heb over een acceptabele hoeveelheid kennis te beschikken. Helaas, het is niet anders. Het jaar raast met shinkansenvaart voort.
Er zijn veel mooie plannen. Donderdag vertrek ik voor een week naar IJsland, om daar een vriend te bezoeken en Pasen te vieren tussen de natuurgoden. Terug in Londen wachten mij een drietal papers van formaat, twee presentaties en mijn eerste officiële lezing. April wordt dus een hele belangrijke maand - de maand, wellicht, waarin ik de basis kan leggen voor een goede cijferlijst, hetgeen van vrij cruciaal belang is voor mijn verdere academische carrière. Mei wordt vervolgens de maand van de voorbereidingen voor mijn scriptie - het verzamelen van alle relevante literatuur en het beginnen met lezen. Ik hoop tussendoor af en toe tijd te hebben voor een mooie wandeling. Half juni ga ik al weer terug naar Nederland, zo heb ik besloten. Ik kan mijn scriptie net zo goed schrijven in een stacaravan in een Groningse tuin als in een kamer in Londen, en het geldbedrag dat ik daarmee uitspaar is dusdanig significant dat het mij in de gelegenheid stelt om in juli met vier vrienden op reis te gaan naar het land van één van hen, Sri Lanka. Augustus is vervolgens gereserveerd voor het afschrijven van mijn scriptie, die ik in september in moet leveren. De periode daarna is nog volstrekt ongewis, al dartelen er al wel verschillende prille plannetjes rond in mijn hoofd. Maar die houd ik nog even voor me.
Dan nu een mededeling van huishoudelijke aard: mocht iemand van mijn lezers van half juni tot half september een kamer nodig hebben in Londen (voor onderzoek, stage, wat dan ook), dan wel iemand kennen voor wie dit geldt, gelieve contact met mij op te nemen. Ik heb gedurende deze periode namelijk een kamer in onderhuur in de aanbieding, op een aantrekkelijke locatie en tegen een relatief lage huur. Ik hoor graag van u.
De afgelopen week was waanzinnig. Ik heb u eerder verteld over het wereldkoor waarin ik zong, alsmede over het toneelstuk Hurlyburly waarin ik speelde. Welnu, het geval wilde dat zowel het grote wereldkoor concert als de drie voorstellingen van Hurlyburly in dezelfde week plaats vonden. Voeg daarbij de drukte van de bijna dagelijkse repetities en de colleges die natuurlijk gewoon doorgingen, en het moge duidelijk zijn dat het een intensieve en vermoeiende week was. Maar hij was elke extra geeuw dubbel en dwars waard.
Het grote wereldkoor concert vindt plaats in de City Temple Church, nabij St. Paul's Cathedral. We zijn met tachtig mensen, onder wie ongeveer vijftien mannen. Iedereen gaat gekleed in het zwart, met her en der een beetje rood. Tijdens het inzingen horen we al de fantastische akoestiek van de kerk. De sopranen klinken nog mooier dan anders, maar wij bassen staan ook ons mannetje. Om kwart voor acht komt het publiek binnen. Er zijn zeker vijfhonderd mensen op het concert afgekomen, en de kerk zit bomvol. We beginnen met het lied 'Asikhatali', een ode aan de vrijheid die gezongen werd door de zwarte bevolking van Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. Het is een krachtig lied, en een mooie en gepaste ouverture voor deze avond. Daarna volgt een vrolijk Zimbabwaans lied over een oude man die de geneugten van bier bezingt. Vrouwen zijn onbetrouwbaar en verraderlijk, dus hij geeft de voorkeur aan bier, want daar kun je altijd op bouwen. Het volgende lied is het prachtige 'Dindirin', een vijftiende eeuws lied in een combinatie van Frans, Spaans en Catalaans over de zang van een nachtegaal - misschien wel mijn favoriet. Dan volgt de betoverende Zweedse 'Langdans', twee Bulgaarse liederen, en het krachtige Georgische 'Nardaninai'. Vervolgens gaan we weer terug naar Afrika, voor het swingende 'Helele Mama', een lofzang op de schoonheid van het continent en een feest om te zingen, en het vrolijke 'Yami Yami', waarmee we het hele publiek laten meezingen. Als finale zingen we de originele versie uit de jaren dertig van het geweldige 'Mbube' ('leeuw' ) uit Zuid-Afrika, dat later door jan en alleman en Disney gejat zou worden om wereldberoemd te worden onder de titel 'In the jungle'. Het samen zingen is magisch, en geeft me ontzettend veel energie. Na afloop van 'Mbube' geeft het publiek ons een staande ovatie, en sentimentele ik raakt even helemaal gevuld met een heel licht en mooi gevoel. Als toegift zingen we het swingende Zimbabwaanse lied 'Chirochacha'. Wat een avond, en wat een geschenk om deel te mogen uitmaken van zo'n groep. Er was even heel veel liefde in de kerk vanavond, als u mij toestaat dat grote woord te gebruiken.
Mocht ik u nieuwsgierig gemaakt hebben, dan verwijs ik u graag door naar YouTube (dit zijn niet de officiële opnames, en de geluidskwaliteit is verre van optimaal, maar de filmpjes geven niettemin een goede impressie van de avond):
http://www.youtube.com/watch?v=TzVwwWx8KQc
http://www.youtube.com/watch?v=5WQTK2obTsA
http://www.youtube.com/watch?v=mZSsNL5GUjo
http://www.youtube.com/watch?v=UYgQWOKD-J4
http://www.youtube.com/watch?v=Q7O-SyO9Smk
http://www.youtube.com/watch?v=yuXOuZ5po_w
http://www.youtube.com/watch?v=niF1tZwLyds
Nota bene: voor het luttele bedrag van 4,50 (3 pond) per stuk kunt u bij mij de officiële CD dan wel DVD bestellen!
Dan is het tijd voor Hurlyburly. Hurlyburly is een Amerikaans stuk uit 1984, geschreven door David Rabe. De titel, die zoveel betekent als 'chaos' of 'tumult', verwijst naar een passage uit MacBeth. De centrale figuur in het verhaal is Eddie, een bij vlagen paranoïde casting director uit Hollywood. Hij heeft een ingewikkelde driehoeksverhouding met Darlene, een onafhankelijke fotografe, en de cynische Mickey, zijn beste vriend en huisgenoot (gespeeld door ondergetekende). Ook is hij bevriend met Phil, een labiele en bij vlagen agressieve filmacteur. Het stuk kan gezien worden als een zwarte komedie, maar ook als een eigentijds drama. Het is een vlijmscherpe weergave van de anomie van onze tijd, de vergeefse zoektocht naar betekenis, en het materialisme, het cynisme en de apathie die daarbij komen kijken. 'Fuck destiny, fate and all metaphysical stuff', is een treffend citaat uit het stuk. En verderop: 'Anybody can go under. We're all going fucking under. So how about a little laugh along the way.' Drugs, alcohol, seks en misogynie zijn de voornaamste middelen waarmee de hoofdrolspelers de ondraaglijke zinloosheid van hun bestaan draaglijk proberen te maken. Maar al doende raken ze steeds meer vervreemd van de wereld en van elkaar. Nee, Hurlyburly is geen optimistisch stuk - maar wel een krachtige maatschappelijke satire. Bovendien laat het ons nadenken over onze eigen angsten. Ik schreef in een eerder verhaal over de moeilijkheid van het maken van keuzes, en de angst die sommige mensen hiervoor hebben. Deze angst voor het maken van keuzes is in feite niets meer of minder dan een existentiële angst voor het leven zelf, zoals Kierkegaard ons leerde. Dit is een angst die we allemaal wel eens ervaren, maar niet iedereen weet er even goed mee om te gaan - apathie, cynisme en verdovende middelen zijn populaire methoden om angstgevoelens te verdringen, maar onder de oppervlakte blijven ze wel degelijk een rol spelen. Het is geen toeval dat in Hurlyburly verschillende malen geknipoogd wordt naar psychoanalytische theorieën.
De première op donderdag gaat beter dan ik had durven dromen. Er wordt mooi gespeeld en we hebben de goede energie te pakken. En wat het belangrijkste is: het publiek geniet en is zeer positief, te oordelen naar de reacties na afloop. Op vrijdagavond spelen we een degelijke voorstelling, al laat een enkeling zich een beetje imponeren door de tweede-avond-mythe en haalt niet iedereen het niveau van de eerste avond. Maar gelukkig is het publiek andermaal positief ('Aike, ik ben er trots op je huisgenoot te zijn' - wat lief als iemand zoiets tegen je zegt!). De derde en laatste voorstelling, op zaterdagavond, is echter de beste. Er is veel spelplezier en energie, en er wordt collectief een niveau gehaald dat we nog niet eerder gehaald hebben. Ik voel die heerlijke flow die er soms is als je goed staat te spelen. Vooral de belangrijke scène met de confrontatie tussen Eddie en Mickey in de laatste akte gaat goed. De reacties na afloop zijn hartverwarmend. Het is net zo'n mooie avond als dinsdag, en ik voel weer even van top tot teen waarom ik zo van toneel houd.
En het feestje na afloop ging door tot in de vroege uurtjes - maar dat zal vast niemand verbazen.
Er zijn veel mooie plannen. Donderdag vertrek ik voor een week naar IJsland, om daar een vriend te bezoeken en Pasen te vieren tussen de natuurgoden. Terug in Londen wachten mij een drietal papers van formaat, twee presentaties en mijn eerste officiële lezing. April wordt dus een hele belangrijke maand - de maand, wellicht, waarin ik de basis kan leggen voor een goede cijferlijst, hetgeen van vrij cruciaal belang is voor mijn verdere academische carrière. Mei wordt vervolgens de maand van de voorbereidingen voor mijn scriptie - het verzamelen van alle relevante literatuur en het beginnen met lezen. Ik hoop tussendoor af en toe tijd te hebben voor een mooie wandeling. Half juni ga ik al weer terug naar Nederland, zo heb ik besloten. Ik kan mijn scriptie net zo goed schrijven in een stacaravan in een Groningse tuin als in een kamer in Londen, en het geldbedrag dat ik daarmee uitspaar is dusdanig significant dat het mij in de gelegenheid stelt om in juli met vier vrienden op reis te gaan naar het land van één van hen, Sri Lanka. Augustus is vervolgens gereserveerd voor het afschrijven van mijn scriptie, die ik in september in moet leveren. De periode daarna is nog volstrekt ongewis, al dartelen er al wel verschillende prille plannetjes rond in mijn hoofd. Maar die houd ik nog even voor me.
Dan nu een mededeling van huishoudelijke aard: mocht iemand van mijn lezers van half juni tot half september een kamer nodig hebben in Londen (voor onderzoek, stage, wat dan ook), dan wel iemand kennen voor wie dit geldt, gelieve contact met mij op te nemen. Ik heb gedurende deze periode namelijk een kamer in onderhuur in de aanbieding, op een aantrekkelijke locatie en tegen een relatief lage huur. Ik hoor graag van u.
De afgelopen week was waanzinnig. Ik heb u eerder verteld over het wereldkoor waarin ik zong, alsmede over het toneelstuk Hurlyburly waarin ik speelde. Welnu, het geval wilde dat zowel het grote wereldkoor concert als de drie voorstellingen van Hurlyburly in dezelfde week plaats vonden. Voeg daarbij de drukte van de bijna dagelijkse repetities en de colleges die natuurlijk gewoon doorgingen, en het moge duidelijk zijn dat het een intensieve en vermoeiende week was. Maar hij was elke extra geeuw dubbel en dwars waard.
Het grote wereldkoor concert vindt plaats in de City Temple Church, nabij St. Paul's Cathedral. We zijn met tachtig mensen, onder wie ongeveer vijftien mannen. Iedereen gaat gekleed in het zwart, met her en der een beetje rood. Tijdens het inzingen horen we al de fantastische akoestiek van de kerk. De sopranen klinken nog mooier dan anders, maar wij bassen staan ook ons mannetje. Om kwart voor acht komt het publiek binnen. Er zijn zeker vijfhonderd mensen op het concert afgekomen, en de kerk zit bomvol. We beginnen met het lied 'Asikhatali', een ode aan de vrijheid die gezongen werd door de zwarte bevolking van Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. Het is een krachtig lied, en een mooie en gepaste ouverture voor deze avond. Daarna volgt een vrolijk Zimbabwaans lied over een oude man die de geneugten van bier bezingt. Vrouwen zijn onbetrouwbaar en verraderlijk, dus hij geeft de voorkeur aan bier, want daar kun je altijd op bouwen. Het volgende lied is het prachtige 'Dindirin', een vijftiende eeuws lied in een combinatie van Frans, Spaans en Catalaans over de zang van een nachtegaal - misschien wel mijn favoriet. Dan volgt de betoverende Zweedse 'Langdans', twee Bulgaarse liederen, en het krachtige Georgische 'Nardaninai'. Vervolgens gaan we weer terug naar Afrika, voor het swingende 'Helele Mama', een lofzang op de schoonheid van het continent en een feest om te zingen, en het vrolijke 'Yami Yami', waarmee we het hele publiek laten meezingen. Als finale zingen we de originele versie uit de jaren dertig van het geweldige 'Mbube' ('leeuw' ) uit Zuid-Afrika, dat later door jan en alleman en Disney gejat zou worden om wereldberoemd te worden onder de titel 'In the jungle'. Het samen zingen is magisch, en geeft me ontzettend veel energie. Na afloop van 'Mbube' geeft het publiek ons een staande ovatie, en sentimentele ik raakt even helemaal gevuld met een heel licht en mooi gevoel. Als toegift zingen we het swingende Zimbabwaanse lied 'Chirochacha'. Wat een avond, en wat een geschenk om deel te mogen uitmaken van zo'n groep. Er was even heel veel liefde in de kerk vanavond, als u mij toestaat dat grote woord te gebruiken.
Mocht ik u nieuwsgierig gemaakt hebben, dan verwijs ik u graag door naar YouTube (dit zijn niet de officiële opnames, en de geluidskwaliteit is verre van optimaal, maar de filmpjes geven niettemin een goede impressie van de avond):
http://www.youtube.com/watch?v=TzVwwWx8KQc
http://www.youtube.com/watch?v=5WQTK2obTsA
http://www.youtube.com/watch?v=mZSsNL5GUjo
http://www.youtube.com/watch?v=UYgQWOKD-J4
http://www.youtube.com/watch?v=Q7O-SyO9Smk
http://www.youtube.com/watch?v=yuXOuZ5po_w
http://www.youtube.com/watch?v=niF1tZwLyds
Nota bene: voor het luttele bedrag van 4,50 (3 pond) per stuk kunt u bij mij de officiële CD dan wel DVD bestellen!
Dan is het tijd voor Hurlyburly. Hurlyburly is een Amerikaans stuk uit 1984, geschreven door David Rabe. De titel, die zoveel betekent als 'chaos' of 'tumult', verwijst naar een passage uit MacBeth. De centrale figuur in het verhaal is Eddie, een bij vlagen paranoïde casting director uit Hollywood. Hij heeft een ingewikkelde driehoeksverhouding met Darlene, een onafhankelijke fotografe, en de cynische Mickey, zijn beste vriend en huisgenoot (gespeeld door ondergetekende). Ook is hij bevriend met Phil, een labiele en bij vlagen agressieve filmacteur. Het stuk kan gezien worden als een zwarte komedie, maar ook als een eigentijds drama. Het is een vlijmscherpe weergave van de anomie van onze tijd, de vergeefse zoektocht naar betekenis, en het materialisme, het cynisme en de apathie die daarbij komen kijken. 'Fuck destiny, fate and all metaphysical stuff', is een treffend citaat uit het stuk. En verderop: 'Anybody can go under. We're all going fucking under. So how about a little laugh along the way.' Drugs, alcohol, seks en misogynie zijn de voornaamste middelen waarmee de hoofdrolspelers de ondraaglijke zinloosheid van hun bestaan draaglijk proberen te maken. Maar al doende raken ze steeds meer vervreemd van de wereld en van elkaar. Nee, Hurlyburly is geen optimistisch stuk - maar wel een krachtige maatschappelijke satire. Bovendien laat het ons nadenken over onze eigen angsten. Ik schreef in een eerder verhaal over de moeilijkheid van het maken van keuzes, en de angst die sommige mensen hiervoor hebben. Deze angst voor het maken van keuzes is in feite niets meer of minder dan een existentiële angst voor het leven zelf, zoals Kierkegaard ons leerde. Dit is een angst die we allemaal wel eens ervaren, maar niet iedereen weet er even goed mee om te gaan - apathie, cynisme en verdovende middelen zijn populaire methoden om angstgevoelens te verdringen, maar onder de oppervlakte blijven ze wel degelijk een rol spelen. Het is geen toeval dat in Hurlyburly verschillende malen geknipoogd wordt naar psychoanalytische theorieën.
De première op donderdag gaat beter dan ik had durven dromen. Er wordt mooi gespeeld en we hebben de goede energie te pakken. En wat het belangrijkste is: het publiek geniet en is zeer positief, te oordelen naar de reacties na afloop. Op vrijdagavond spelen we een degelijke voorstelling, al laat een enkeling zich een beetje imponeren door de tweede-avond-mythe en haalt niet iedereen het niveau van de eerste avond. Maar gelukkig is het publiek andermaal positief ('Aike, ik ben er trots op je huisgenoot te zijn' - wat lief als iemand zoiets tegen je zegt!). De derde en laatste voorstelling, op zaterdagavond, is echter de beste. Er is veel spelplezier en energie, en er wordt collectief een niveau gehaald dat we nog niet eerder gehaald hebben. Ik voel die heerlijke flow die er soms is als je goed staat te spelen. Vooral de belangrijke scène met de confrontatie tussen Eddie en Mickey in de laatste akte gaat goed. De reacties na afloop zijn hartverwarmend. Het is net zo'n mooie avond als dinsdag, en ik voel weer even van top tot teen waarom ik zo van toneel houd.
En het feestje na afloop ging door tot in de vroege uurtjes - maar dat zal vast niemand verbazen.
Labels:
London,
music,
study abroad,
theatre
Subscribe to:
Posts (Atom)