Sunday, 24 February 2008

Mijn week

Het was zomaar een week in februari, een week als alle andere weken, een unieke week. Het was een mooie week, misschien iets voller dan anders, maar verder vrij representatief voor mijn leven hier. Het was een nieuwe week in Londen.

Een beeld van mijn week.

Het is zondag. Nadat ik lang heb uitgeslapen en genoten van een ontbijt bestaande uit geroosterde boterhammen met gebakken ei en sinaasappelsap loop ik naar Turnpike Lane. Ik passeer de Turkse kruidenier, de Koerdische kebabtent, het Cypriotische theehuis, het Soedanese restaurant, de lampenwinkel en de bloemenwinkel met de knalroze knuffelberen in de etalage. De zon schijnt gul. Bij de bushalte van Turnpike Lane stap ik op bus 41, die me naar Archway brengt. Daar ontmoet ik een Engelse vriendin, met wie ik een middagje ga wandelen. We lopen langs de begraafplaats van Highgate maar besluiten om het graf van Marx voor een andere keer te bewaren. Verderop vinden we plotseling een prachtig hofje met donkerbruine Anton Pieck-huizen, compleet met torentjes, glas-in-lood raampjes en krulversieringen. We lopen verder, de Hampstead Heath in. Dit is waarschijnlijk het mooiste park van Londen, en we zijn niet de enigen die op het idee zijn gekomen om deze zonovergoten zondagmiddag hier door te brengen. De heuvel geeft ons een fraai uitzicht over de stad. Ik mag Londen graag, maar moet toch echt toegeven dat haar skyline ongelooflijk lelijk is. Het ergste is het fallische ruimteschipgebouw dat de koepel van St. Paul's Cathedral overschaduwt. Maar de blauwe lucht en het groen om ons heen maken alles goed. Kinderen spelen, zwanen zwemmen parmantig rond, grasparkieten laten zich graag fotograferen, mensen liggen te zonnen. We genieten van een sandwich en een flesje perencider. Ze nodigt me uit voor het avondeten in haar nieuwe woning, en ik help haar met de bereiding van de vegetarian roast. Ik heb nog nooit roast gegeten (sterker nog, ik wist niet eens wat het was), maar het smaakt prima. We genieten van een ovengerecht met wortel, ui en geroosterde noten, frietjes van pastinaak, gebakken aardappels, een sausje van koolraap, gekookte broccoli en uienjus. Na afloop van de maaltijd bekijken we een film over surfende pinguïns op Hawaï. Dan ga ik terug naar huis, waar het internet mij vertelt dat FC Groningen van AZ gewonnen heeft. Tevreden ga ik slapen.

Het is maandag. Ik heb geen college, en besteed wat tijd aan e-mail correspondentie. De coördinator van mijn programma is het eens met mijn voorstel voor mijn scriptieonderwerp. Ik ga mijzelf verdiepen in de wondere wereld van Japans christelijk zionisme. Nee, ik maak het mezelf niet gemakkelijk, maar daarvoor ben ik dan ook niet naar Londen gekomen. Ik hoop origineel onderzoek te kunnen doen, en daar uiteindelijk een artikel over te schrijven. Het grootste probleem is vooralsnog hoe ik aan al die obscure bronnen ga komen... Behalve aan het schrijven van e-mails besteed ik enige tijd aan facebook-gerelateerd studieontwijkend gedrag. Na het middageten lees ik een uurtje of twee in The Catalpa Bow, het klassieke standaardwerk over Japans sjamanisme. Ofschoon er het nodige op aan te merken is blijft het een belangrijk werk. Dan is het tijd om te gaan. Ik neem mijn fiets en loop naar de enige fietsenwinkel hier in de buurt die ik ken. Een paar weken geleden hebben boeven mijn zadel ontvreemd, en ik kwam steeds maar niet toe aan een bezoek aan de fietsenwinkel, die zich op een klein half uur lopen van mijn huis bevindt. Ik loop met mijn fiets door Finsbury Park, en geniet van het zonnetje. Wat een februari... Als ik bij de fietsenwinkel ben komt er een man binnenlopen met een eveneens ontzadelde fiets. We lachen, en ik maak een grapje over de fietszadelbendes die de stad onveilig maken. Dan fiets ik naar de universiteit, waar ik nog een tijdje studeer. Om zes uur ga ik naar een van de gebouwen van de grote broer, het University College London, waar we repetitie hebben. Over drie weken is onze première al, maar de repetitie verloopt belabberd en het gebrek aan concentratie van sommigen irriteert me. Na afloop ga ik nog even langs de pub voor de tweewekelijkse borrel voor postgraduate studenten. De opkomst is laag, maar het is wel gezellig. Om een uur of twaalf fiets ik naar huis.

Het is dinsdag. Na een snelle douche en een kom ontbijtgranen spring ik op de fiets. Ik ben blij dat ik weer kan fietsen en niet elke dag ben aangewezen op een volle metro. Ik ben ook blij dat ik een helm draag, bedenk ik me als ik ternauwernood de moordaanslagen van Miss Diyarbakir '63, Opa Konstantinos en buschauffeur Bill overleef. Even afkloppen. Ik heb college in het gebouw aan Vernon Square. We kijken naar de vorming van laat-negentiende eeuwse mythen over de Indo-Europese oorsprong, naar de identificatie van het gebied van oorsprong met de Duitse gebieden (de 'Urheimat' ), en naar de creatie van de niet-Indo-Europese Ander als een bedreiging voor de pure oorspronkelijke cultuur - kortom, naar hoe antisemitisme deels voortkwam uit en gelegitimeerd werd door (semi-)wetenschappelijke theorieën. Na afloop van het college fiets ik naar het hoofdgebouw aan Russell Square. Ik haal mijn nagekeken papers op bij de faculty office, en zie tot mijn vreugde dat ik hoge cijfers heb gekregen en vooralsnog op koers lig voor een distinction. Dan ga ik naar de postgraduate common room, waar ik mij in een van de bordeauxrode luie stoelen nestel en artikelen lees over Japans ascetisme. Om zes uur ontmoet ik een vriendin, met wie ik eerst een kom ramen eet bij Tortoise and Hare, om vervolgens naar de repetitie van het wereldkoor te gaan. Binnenkort is onze uitvoering, en we herhalen een aantal liederen dat we eerder geleerd hebben; twee van de Balkan en drie uit zuidelijk Afrika. Zoals elke week geeft het zingen me veel energie. Na afloop lopen we naar de Theems. De Orchestra of the Age of Enlightenment geeft een concert in het kader van Nightshift: één uur durende concerten in een informele sfeer, waar studenten voor slechts vier pond naar toe kunnen. We krijgen enkele pianoconcerten van Mozart te horen. De pianist vertelt dat Mozart in feite een jazzpianist avant-la-lettre was, die tussen het orkest door improviseerde, de orkestleden en zichzelf daarmee uitdaagde en het publiek verraste. Hij laat ons horen hoe dat geklonken moet hebben, en het is fascinerend. Daarna krijgen we een dramatisch werk van Beethoven te horen - het contrast kon niet duidelijker zijn. Na een laatste drankje fiets ik naar huis.

Het is woensdag. De dag begint met een college 'Theory and Method in the Study of Religions'. Elke week verheug ik mij op deze twee uren, maar deze week nog een beetje meer dan anders, want de docent heeft een PhD-student uitgenodigd om te komen vertellen over zijn vergelijkende onderzoek naar de Kyoto School en recente Franse filosofie. Maar helaas, zijn verhaal is rommelig en onsamenhangend, hij geeft geen enkele uitleg bij de personen en concepten die hij ten tonele voert, zijn vraagstelling wordt mij niet duidelijk, en ik zet mijn vraagtekens bij zijn interpretatie van Nishida. Ik haal snel een kop koffie en een sandwich en ga dan naar mijn tweede college van de dag. We spreken over verschillende ascetische praktijken in Japan, hoe deze dienen tot het verkrijgen van charisma en religieuze macht, en hoe ze, in tegenstelling tot de gangbare idee, primair collectieve aangelegenheden zijn. We zien een fascinerende documentaire over Nichiren-monniken die in hartje winter honderd dagen vasten en continu emmers koud water over zichzelf heen gooien, onderwijl sutra's schreeuwend. Na afloop van het college ga ik alvast op zoek naar literatuur voor mijn afstudeerscriptie. Ik vind een paar interessante werken over verschillende vormen van de mythe van de verloren stammen van Israël en over Japan en haar Anderen, en ben aangenaam verrast. Aan het eind van de middag drink ik een biertje in de studentenbar, en ga dan met een vriend een hapje eten. In de kelder van een Koreaanse kruidenierswinkel bevindt zich een klein illegaal restaurantje, waar je voor nog geen vijf euro een kom bibimbap met een schaaltje kimchi en een bekertje soep krijgt. We hebben een vrij bizar gesprek over Liechtenstein en apenhersenen, waarna we teruggaan naar de bar om mee te doen aan de pubquiz. We doen het niet slecht, maar winnen niet omdat de quizmaster wilde horen dat de voodoo religie uit West-Afrika stamt. Ja hoor, en het christendom is ontstaan in het oude Egypte, ga toch fietsen. Voodoo is toch echt een Haïtiaanse constructie, deels gebaseerd op West-Afrikaanse, deels op Rooms-katholieke elementen. Maar ach, de derde plaats is ook leuk, vertellen we elkaar als we genieten van onze prijs, een fles wijn. Dan vraagt een vriend van mijn vriend of wij hem die avond willen aanmoedigen, omdat hij meedoet aan een travestieshow. Aha, vandaar die jurk en haklaarzen... Waarom ook niet. We gaan nog even langs Chinatown voor een hapje eten bij Kintaro, mijn favoriete Koreaans-Japanse restaurant, en begeven ons dan naar Soho. Voor de deur van de club staan twee meter lange kerels met sexy pruiken en minirokken te roken. Ik betreed voor het eerst in mijn leven een homoclub in Soho. Het is er eigenlijk best gezellig, en de muziek is prima. Na een tijdje gedanst te hebben is het tijd voor de show. Er wordt gejoeld en geklapt, er worden vrij hilarische karikaturen neergezet en er wordt veel gelachen. Best grappig, voor een keertje, maar ik wil het niet al te laat maken en ga dus toch maar halverwege naar huis.

Het is donderdag. Ik druk wat al te vaak op 'snooze', en moet me dus haasten. Omdat ik de vorige dag met de bus naar huis ben gegaan moet ik nu met de metro naar de universiteit. Ik las in de krant dat het Londense vervoersbedrijf geweigerd heeft een poster met een naakte renaissance-dame in de metro te hangen, omdat mensen daar wel eens aanstoot aan zouden kunnen nemen. Nou, preutse sukkels, ik neem aanstoot aan al die reclame voor louche Scheringa-achtige woekeraars die mensen in het ongeluk storten en voor plastische chirurgie en botox-behandelingen die geadverteerd worden alsof het de normaalste zaak van de wereld is, en aan die vreselijke infantiele posters met behaarde cupido's en couch potatoes die adverteren voor de een of andere datingsite. Een beetje kunst, dat zou de metro goed doen! Ik ben helaas een kwartier te laat voor mijn werkcollege, wat jammer is want mijn studiegenote geeft een interessante presentatie, gevolgd door een boeiende discussie. Na de lunch ga ik naar de postgraduate common room om te studeren. Ik heb volgende week een presentatie over Okinawaans sjamanisme en de rol van gender. Het is een fascinerend onderwerp, maar ik moet nog veel lezen want ik weet nog vrijwel niets van Okinawaanse religie. Maar oh, wat is die bank lekker zacht... Ik kan het niet laten, en geniet van een heerlijk middagdutje. Daarna lees ik verder. Om vijf uur is de wekelijkse lezing van de mytholoog. Hij spreekt even zacht, monotoon en lang als de vorige keren. Zijn verhaal zit vol met details waar ik nauwelijks chocola van kan maken. Ik teken een gemene joker, een stoere voetballer, een zwevende monnik, een emoe, een vlinder en een torii. Omdat ik vanavond niet bij de toneelrepetitie hoef te zijn ga ik na afloop van de vermoeiende lezing met mijn docente en een paar postdocs een hapje eten in het vegetarische Indiase restaurantje om de hoek. Er wordt gesproken over conferenties, over het nieuwste nummer van de nieuwsbrief waarvoor ik ook een stukje heb geschreven, en over het verschil tussen de Europese en de Amerikaanse academie. Wordt dit straks ook mijn wereld? Het klinkt in elk geval behoorlijk spannend allemaal...

Het is vrijdag. Vrijdag is een vrije dag, maar er moet wel gestudeerd worden. Dat lukt eigenlijk niet. Ik doe de was en ruim mijn kamer op, want beide waren hoognodig. Ik doe wat administratieve dingen die ik veel te lang heb laten liggen en schrijf twee kaartjes. Ik stuur een paar mailtjes en heb onverwacht een lang en vrij serieus chatgesprek met iemand. Ik bel naar White Hart Lane om te vragen of er al kaarten te koop zijn voor de UEFA-Cup wedstrijd tegen PSV, maar krijg te horen dat ik nog even geduld moet hebben. Tegen de tijd dat ik aan lezen toekom is de dag al vergevorderd. Na een tijdje gelezen te hebben doe ik boodschappen. Ik maak een eenvoudige doch smakelijke pasta met een tomaten-champignon roomsaus met zongedroogde tomaatjes, kappertjes en blaadjes van het basilicumplantje in de vensterbank. Het smaakt prima. Later die avond volgt een aangename verrassing: Zwartboek is op tv. Ik had de film nog niet gezien en bekijk hem samen met twee huisgenoten. De verhaallijn is soms wat ongeloofwaardig, maar dat neemt niet weg dat het een spannende en zeer onderhoudende film is.

Het is zaterdag. Ik realiseer me dat die presentatie steeds dichterbij komt, en lees een ietwat gedateerd boekje over de religie van Okinawa als achtergrondinformatie. Ik lees dat de hogepriesteres huisde in het paleis Shuri, dat ik drie jaar geleden bezocht heb, en bedenk me dat ik te zijner tijd best wel een jaartje in Okinawa zou willen wonen om onderzoek te doen voor mijn proefschrift. Ik eet een restje pasta en neem mijn tekst nog eens door, want om vijf uur heb ik tekstrepetitie. Het gaat onverwacht goed en ik krijg weer wat meer vertrouwen in de voorstelling. Ik ga direct door naar het feest voor postgraduate studenten van UCL en SOAS. Er zijn weinig mensen die ik ken, en de muziek is vrij beroerd, maar verder is het heel gezellig, getuige het ongemerkt voorbij vliegen van de tijd. Mogelijk heeft het feit dat de drankjes maar 1,50 kosten daar ook een en ander mee te maken. Om een uur of twee neem ik de bus terug naar huis. Na een middernachtelijke maaltijd ga ik slapen. Het was een mooie week.

Saturday, 16 February 2008

De South Downs en de Seven Sisters

Februari was nog nooit zo mooi. Ik neem een paar dagen vrij van mijn studie om even te ontsnappen aan de vieze lucht en de anonieme haast van de grote stad, en geef mezelf een mooie wandeling cadeau. Helaas hebben de vrienden die hadden aangegeven mee te gaan op het laatste moment hun plannen veranderd, hetgeen mij behoorlijk irriteert. Mobiele telefonie en facebookcommunicatie hebben ons dan wel flexibeler gemaakt, maar ze hebben er ook voor gezorgd dat mijn generatie nauwelijks nog hecht aan afspraken. Ik word een beetje moe van de chronische besluiteloosheid waaraan velen ten prooi zijn gevallen, en vooral van het gemak waarmee men uitnodigingen negeert of last minute afzegt. Maar ja, goede wandelmaatjes zijn nou eenmaal dun gezaaid, dat wist ik al wel. Gelukkig ben ik zelf mijn beste wandelmaatje, denk ik tevreden terwijl de bus het Victoria busstation verlaat.

De bus steekt de Theems over. Er hangt nog een dunne laag grijzige ochtendnevel boven de rivier, maar het licht daarachter verraadt dat het een prachtige dag gaat worden. In de verte zie ik de London Eye wakker worden. We rijden door voorstadjes en voorstadjes, langs plantsoenen en fietsende forensen, voorbij statige appartementen en schattige negentiende eeuwse huisjes. Ik geniet van mijn ontbijt. Een volhardende verkoudheid houdt mij reeds enkele dagen gezelschap en zorgt er ook nu voor dat ik met regelmaat moet hoesten, maar ik heb mij vast voorgenomen mijn wandeling niet door hem te laten verpesten. Na een aangename busreis van ruim twee uur komen we aan in Brighton. De beruchte feeststad aan de zuidkust ligt ontspannen te zonnebaden. Het bizarre oriëntalistische Eftelingpaleis heet me welkom. Ik kan het niet laten even de Pier heen en weer te lopen. Ik loop langs de wit geverfde gietijzeren krullen en de houten bankjes, de souvenirwinkeltjes en de grijpautomaten, het tarotkarretje en de gokkasten, het krakkemikkige achtbaantje en het spookhuis. De stralende zon slaagt er niet volledig in de triestheid van de Pier te verhullen. Het is vergane glorie ten top.

Ik loop de stad uit en de South Downs in. Grasgroene heuvels strekken zich voor me uit. De routebeschrijving in mijn wandelgids is onzorgvuldig en ontoereikend, en binnen de kortste keren raak ik het paadje kwijt. Gelukkig kan ik op mijn richtingsgevoel vertrouwen. De eerste klim is meteen behoorlijk venijnig, maar als ik boven ben kan ik genieten van een ontzagwekkend uitzicht over glooiende groene velden, met her en der plukjes bos en dorpjes. Een eenzame boom begroet me. Zijn takken wapperen als haren met de wind mee. Twee fazanthanen vechten een vete uit. Ik loop in de richting die me de juiste lijkt, en na een tijdje vind ik inderdaad een markering die me vertelt dat ik de South Downs Way gevonden heb. De wandeling is begonnen.

Het landschap wordt hoe langer hoe weidser. Al lopende geniet ik van een godenmaal bestaande uit een appel, gedroogde dadels en dropjes. Goudgele bloempjes doen me denken dat het lente is. Brem hoort pas in mei te bloeien, maar deze bremstruiken trekken zich daar weinig van aan en vieren uitbundig het vele zonlicht dat ze nu reeds krijgen. Af en toe ontmoet ik een andere wandelaar. In het dal beneden me zie ik de torens van Lewes. De zon bruint mijn onderarmen, maar ik ben niet van plan haar te verklappen dat ze zich heeft vergist in het jaargetijde. Ik geniet van de kleuren. Elk veld heeft zijn eigen groen, en achter iedere heuvel wacht weer een nieuwe compositie. Overal liggen vuurstenen, maar het lukt me niet een vuurtje te maken. Een grote koe met een paar vervaarlijke hoorns beschermt haar kudde. Ze acht me ongevaarlijk en laat me doorlopen. Wollige knuffelkalfjes kijken me met grote ogen aan. De frisse zeelucht maakt tijdelijk plaats voor een geur die herinneringen oproept aan verjaardagspartijtjes van klasgenootjes die op een boerderij woonden, aan ranja en biscuitjes en hooibalen en een stal met een monsterlijk grote stier. Ik kijk naast me en zie dat ik naast een gebergte koeienmest loop. Vandaar.

De zon begint te zakken, maar zendt nog gauw een paar zomerse stralen mijn kant op. Ook de grote zoemende hommel die mijn sinaasappel probeert te jatten denkt dat het al lente is. Het groen verandert met het licht mee. Een silhouet van een jonge boom toont het ongelijk van Plato aan. Niets is zo mooi als tegenlicht.

Ik loop een sprookjesdorp in. Het jeugdherbergje ligt fraai naast het middeleeuwse kerkje en het sneeuwklokjeskerkhof. Helaas is hij gesloten. Ik vraag in het rond. Wandelervaringen in Frankrijk leerden mij dat in een klein dorp als deze de sleutel van de gîte d'étape snel gelokaliseerd is. Dat blijkt ook nu het geval: een boerin vertelt mij dat haar moeder de jeugdherberg runt. Edoch, de plek is en blijft gesloten, want het is nog februari, en regels zijn regels. En nee, ze heeft geen andere suggesties. Ik zie haar blozende dochter en denk met een zekere weemoed aan het idyllische, gastvrije Europa van Vroeger - het Europa uit de tijd van de sprookjes, de tijd van Narziss und Goldmund en Een brief voor de koning, de tijd waarin een eenzame reiziger nog onderdak en een eenvoudig maal kreeg van gastvrije boerenfamilies. Als een Goldmund rond te reizen, verhalen te vertellen, de schoonheid des levens te bezingen en onschuldige boerendochters in te wijden in de geheimen van de liefde, hoe mooi zou dat zijn...!

Maar eerlijk is eerlijk, ik ben noch een romantische Zwitserse schrijver, noch een KRO-programmamaker, en ik zal dan ook geen poging doen het plattelandsleven te verheerlijken. Daarvoor heb ik de afgelopen weken net iets teveel gehoord over de politiek van nostalgie en de constructie van traditie. Ik weet donders goed dat boerderijen moderne bedrijven zijn, dat de regels van het kapitalisme op het platteland net zo hard gelden als elders, en dat veel van die idyllische plaatjes alleen bestaan bij gratie van EU-subsidies. Maar gelukkig doet de boze realiteit niets af aan de schoonheid van de lage zon boven de heuvels. Ik maak me geen zorgen over mijn overnachting, want ik weet dat ik nog een klein uur wandelen verwijderd ben van een trein die mij terugbrengt naar Brighton. De lucht kleurt oranje. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Jeugdherberg of niet, ik ben gelukkig, besef ik me verbaasd maar dankbaar. Af en toe doet een langsrijdende SUV zijn best mij chagrijnig te maken, maar ze zijn weinig succesvol.

Dan zie ik in de verte iets groots liggen. Als ik dichterbij kom herken ik zijn zwart-wit gestreepte kop. Hij ligt opgerold, alsof hij een dutje doet, maar ik weet dat hij dood is. De grijze vacht glanst nog na. Het is een prachtig dier. Ik moet huilen. Stomme stinkende kutauto's. Rijke rotzakken, ellendige patsers in jullie moord-SUV's, kijk nou wat jullie hebben gedaan. Ik haat jullie.

In een betoverend mooi twaalfde eeuws kerkje met een raponseltorentje bid ik voor de mooie das en dank ik voor de schoonheid van de wandeling. Het kerkhofje is gevuld met narcissen, krokussen en sneeuwklokjes. Ooit zal ik in dit kerkje trouwen, als God het wil. Ik weet alleen nog niet met wie. Ik loop de laatste kilometer naar het minuscule treinstationnetje van Southease, dat zich in the middle of nowhere bevindt. In de verte hoor ik geknal. Daar gaat weer een vos. Er zijn weinig mensen aan wie ik echt een hekel heb, maar voor jagers en SUV-patsers maak ik een uitzondering. Oprotten jullie.

De trein brengt me terug naar Brighton, waar ik de vrienden ontmoet die niet meegingen op de wandeling. Ik geniet van een berg fish and chips en een heerlijk biertje. We maken een korte avondwandeling over het kiezelstrand. De zee zingt een lied. De koude wind geeft mijn verkoudheid een duwtje in de rug. De volgende ochtend besluit men, na het nodige getwijfel en geweifel, met mij de wandeling te vervolgen. Ze zullen er geen spijt van krijgen.

De trein brengt ons terug naar het ministationnetje van Southease. Ook deze dag begint met een flinke klim. Het uitzicht is zo mogelijk nog indrukwekkender dan gisteren, de zon zo mogelijk nog guller. Na de steile klim blijven we tot het eind van de dag min of meer op niveau. We krijgen gezelschap van kuddes schapen. Een van mijn medewandelaars blijkt dezelfde droom te hebben als ik. Een oud huis in de heuvels, een biologische groente- en kruidentuin, een pensionnetje en restaurantje en workshops en wandelingen in de omgeving en dan kinderboeken schrijven. Frankrijk, dacht ik, of Engeland of Texel, maar ze stelt de Kansai voor. Dat mag ook. 'Er moet altijd iets te dromen zijn | Dromen zorgen dat je leeft', zong de Groningse groep Kloosterboer ooit. 'Laat het gras over de heuvels groener zijn dan bij jezelf.' En jawel, hoe verder de wandeling vordert, hoe groener het gras wordt, en hoe mooier de heuvels. De zon geeft ons duizend tinten groen. De schapen blaten goedkeurend. Even is de lucht vol met vliegers, parapentes en modelvliegtuigjes, dan is hij weer leeg. Mijn vrienden zijn blij dat ze voor de wandeling hebben gekozen, en ik ook. Het is goed je eten te mogen delen. Vier is een mooi aantal.

We dalen af naar Alfriston, een ander nostalgisch sprookjesdorp. De langsrazende SUV's en Audi's verraden ook hier de prozaïsche realiteit: de idylle is slechts weggelegd voor de happy few die beschikken over uitpuilende bankrekeningen. Plotseling valt de duisternis. De jeugdherberg bevindt zich twee kilometer buiten het dorp, en de laatste loodjes wegen het zwaarst. Maar de herberg is de omweg waard: een grijs bakstenen kasteeltje, met luiken voor de ramen en schuine daken en knetterende houtkachels en antieke fauteuils. Na een welverdiende douche begeven we ons via een donker paadje naar een ander nabijgelegen dorpje. In de verte klinkt de roep van een uil. Sinds ik de woestijn van Mar Mousa verliet zag ik niet zo'n stralend volle sterrenhemel. Daar valt er eentje.

Ze wijst Cassiopeia aan.

We gaan naar binnen in wat best wel eens de mooiste pub van het land zou kunnen zijn. Houten vaten zijn omgetoverd tot hobbitstoeltjes. De waardin noemt ons allemaal 'honey'. De tomatensoep is rijk gevuld, de wijn maakt doezelig. Het is definitief: ik ben verliefd op Sussex.

De derde dag breekt aan. Ik heb heerlijk geslapen. We wandelen verder, over glooiende velden en door koele bossen. Vogels zingen hun liederen. Vandaag is de mooiste februaridag ooit, dat kan niet anders. We komen in het volgende sprookjesdorpje, West Dean. Hier rijden gelukkig geen auto's. We passeren een perfecte boomhut, een vrouw die in de tuin werkt en ons vriendelijk begroet, de mooiste huizen van de wereld en een prachtige kerk. Een huwelijksceremonie kost 247 pond. Niet gek. De dropjes smaken heerlijk. In het bos hebben mensen houten tipi's gebouwd.

De rivier meandert het Kanaal in. Het is een prachtige aardrijkskundetekstboekmeander. Ik wist niet dat ze echt bestonden. Ik leg mijn medewandelaars uit hoe dat zit met sedimentatie en erosie, en ben er zelf verbaasd over dat ik het nog weet, bijna zeven jaar na het eindexamen. We klimmen een hoge heuvel op. De koeien en schapen om ons heen grazen rustig verder. De routebeschrijving is andermaal slecht, en we lopen een stuk dwars door een weiland, maar het geeft niet want het komt wel goed. We klimmen verder. Dan zie ik in de verte de zee. De groene heuvels zijn plotseling afgesneden. Ze blijken van wit krijt gemaakt te zijn. We lopen tot bij de rand, en voor ons strekt de zee zich uit. De zon kleurt haar goud. We staan op de eerste van de Seven Sisters, de met groen tapijt bedekte witte krijtrotsen ten westen van Eastbourne. Het uitzicht is adembenemend. Ik geloof niet dat ooit een lucht zo blauw, een zee zo goud, gras zo groen en rotsen zo wit waren. Niet in mijn herinnering, ten minste. Wat kan de wereld soms toch mooi zijn.

Die tranen komen van de wind, en van het tegenlicht, niets anders.

De wandeling is een achtbaan, maar de frisse lucht maakt het klimmen een beetje eenvoudiger. We genieten van de schoonheid om ons heen. We lachen en zingen en kletsen en zwijgen. Bovenop de vierde heuvel pauzeren we voor lunch. Ik ben de enige die voldoende eten bij zich heeft, maar het is dan ook wel het lekkerste eten van de wereld: een homp bruin brood, een blik knakworstjes en een sinaasappel. We delen de verrukkelijke maaltijd. Een aantal gekke foto's later vervolgen we de wandeling. We passeren een grijswit vuurtorentje bovenop een heuvel, en een rood-wit gestreept vuurtorentje op een eilandje vlak voor de kust. Dit is de Beachy Head. Meeuwen zweven boven ons, hun buikjes stralend wit. Ik wist niet dat meeuwen zo mooi konden zijn. Bovenop de laatste heuvel bevindt zich de misschien wel op één na mooiste pub van het land. De wortelsoep smaakt zoals hij hoort te smaken. Dan nemen we afscheid van de Seven Sisters en dalen af naar Eastbourne. De zon zakt weg achter de horizon.

Als we in het stadje zijn is het donker. We lopen langs de boulevard. Oersaai ogende en te dure bejaardenhotels volgen elkaar op. Het zal in een van deze hotels zijn geweest dat de Opperheks in een muis veranderde en doodgeslagen werd, en met haar alle heksen van Engeland. Ik heb geen zin om nu de trein terug te nemen naar Londen, en vanavond weer in een volle, anonieme metro te moeten zitten. We nemen de enige juiste beslissing: de bus naar Brighton, alwaar we nog een nachtje overnachten. Nog even gokken op de Pier, nog een laatste ochtend zon, nog een bezoekje aan het museum, nog één keer fish and chips op het strand.

Als we terug in Londen zijn, is de lucht grijs. In de metro is een man met een houten kruis in zijn hand druk doende alle passagiers een voor een te zegenen. Ik sluit mijn ogen. Bedankt voor deze drie prachtige dagen. Bedankt voor de schoonheid.

Monday, 4 February 2008

Zwijgende sprookjes

Londen is moe, en ik ook een beetje. Dingen moeten. Mensen rennen, het hoofd vol van de dingen die moeten. Het metrostation is gevuld met politieagenten en herdershonden, maar ze worden door iedereen genegeerd. In de straat wordt gezongen noch gefloten. Men legt zwijgzaam de dagelijkse route af. Agenda's staan vol, maar niemand weet waarmee precies. Ik heb al in geen weken een eekhoorntje gezien.

De mytholoog kwam uit Japan overgevlogen om ons te vertellen over middeleeuwse boeddhistische goden en demonen. Hij sprak met zachte stem en lachte verlegen. Hij schaamde zich voor zijn Engels, ook al kon hij zich er prima in redden. We kregen teksten voorgeschoteld in klassiek Chinees. Gelukkig vertaalde hij ze voor ons, want ze waren mij Chinees. Woeste wezens aten de harten uit de mensen die gedoemd waren te sterven. Gelukkig temde een god de woeste wezens. De zachte, monotone stem van de mytholoog deed mijn gedachten afdwalen. Had ik nog maar een kop koffie gehaald. We vroegen hem meer te vertellen over de ideologische context van de mythen, ongeïnteresseerd als we waren in de structurele overeenkomsten tussen Indiase en Japanse mythen. De mytholoog lachte verlegen. Volgende week.

De repetities vorderden. We speelden 'Hurlyburly', een Amerikaans stuk uit de jaren tachtig. Een viertal half mislukte Hollywoodtypes probeert betekenis te geven aan het leven, maar is daarin weinig succesvol. (Men moet helemaal geen betekenis willen geven aan het leven, net zomin als men geluk moet nastreven, want daarmee externaliseert men die betekenis c.q. dat geluk en vervreemdt men zich er zodoende van - maar dat begrijpen onze personages niet, en gelukkig maar, want daarin ligt natuurlijk de tragedie.) Drugs en cynisme voldoen nauwelijks, vriendschap blijkt fragiel. Een operazanger vertelde ons hoe we onze stem moeten gebruiken. Hij was bizar goed. Ik wist niet dat mijn stem dat kon.

Ik werd steeds uitgenodigd voor feestjes. Het waren hele verschillende feestjes, maar overal waren er gesprekken over Japan en het Midden-Oosten en onze eigen kleine individuele toekomst. Gelukkig werd er tussendoor ook nog getafelvoetbald. Dagdromen kwamen en gingen als zeepbellen. Er zaten enkele hele mooie gekleurde zeepbellen tussen. Het zou kunnen dat ze nog ergens rondzweven, en op een onverwacht moment weer tevoorschijn komen. Wie weet.

Een vriendin nodigde me uit om haar verjaardag te komen vieren. We aten verrukkelijke vissoep in een Filipijns eethuisje. Daarna verplaatsten we ons om de een of andere reden naar de hipste cocktailbar van de stad. Een gemiddelde cocktail kostte dertien euro, de boemboemmuziek maakte een gesprek onmogelijk, de Indiase nootjesmix was gênant saai en we waren omringd door stinkend rijke glimblouseyuppen, maar verder was het erg gezellig. Een glas sap kostte zes euro, maar, toegegeven, munt, cranberry- en watermeloensap bleken een prima combinatie.

Een andere vriendin nodigde me uit om mee te komen naar een Japanse housewarmingparty. De tafel stond vol bordjes met netjes gesneden blokjes sandwich. Vanaf het balkon konden we de hele stad zien. Iemand vertelde mij dat Japanners geen religie hadden, maar dat hij de George Lucas-religie aanhing. Hij vroeg me of ik een jedi was, dan wel aan de slechte kant stond. We kregen heerlijke champagne en udon. Iedereen bleek naar dezelfde universiteit te zijn gegaan. Een van de aanwezigen was achtervolgd door pech na een bezoek aan Stonehenge, en we vroegen ons af of hij misschien in de verkeerde richting eromheen was gelopen. Iemand vroeg me waar mijn scriptie over gaat, en ik deed mijn best het uit te leggen. Het lukte aardig, maar ik moet nog even studeren op de Japanse vertaling van woorden als 'narratief', 'oorsprongsmythe', 'de Ander', 'projectie' en 'constructie'. In de verte zagen we de blauwe lichtjes van de London Eye.

Vier Britse vrienden nodigden me uit voor een drankje op vrijdagavond. We praatten over literatuur en ik leerde Welsh en we speelden poker. Ik vermaakte me prima, maar toen raakten ze om de een of andere reden verveeld. Vier nette witte lijntjes werden tevoorschijn getoverd, om de boel weer een beetje te betoveren. Ik bedankte. Het pokerspel werd niet afgemaakt.

Ik stapte de laatste Piccadilly lijn van de avond in. Een man met grijze haren en een stoppelbaard deed een erotische dans met de paal in het midden van de trein. Naast hem deed een jongedame met een grote designzonnebril, een zwarte baret en een kort rokje haar best haar evenwicht te bewaren. 'Ik sta op een surfplank', gilde ze. De paaldansende grijze man steunde wat en deed pogingen haar hand te grijpen, maar ze schold hem uit. 'Oude viespeuk, je bent hier niet in Amsterdam!' riep haar vriendin hem toe. Vijf mensen, waaronder de vriendin, filmden het geheel met hun mobiele telefoon, teneinde het gebeuren later op youtube te kunnen zetten. De voice-over liet geen twijfel bestaan over het type drugs dat de surfster had genomen. De man deed nog wat pogingen haar aandacht te winnen, zich niet geheel bewust van de beledigingen die hij onderging. De cameravrouw daagde haar surfende vriendin uit hem een schop te geven. 'Ik geef je dertig pond, nee veertig, nee vijftig als je hem schopt', krijste ze. Even overwoog de ander het aanbod, maar toen kwam er een grote golf aan en richtte haar aandacht zich weer op de surfplank. 'Vind je ook niet dat die man geestelijk gestoord is', vroeg de filmende vriendin mij. De neerbuigende uitdrukking op haar gezicht ging schuil achter een dikke laag plamuur. 'Ach, ik denk meer dat mensen zich nu eenmaal een beetje gek gedragen als ze onder invloed zijn van een combinatie van alcohol en drugs', antwoordde ik, terugdenkend aan de ontboezemingen die een van mijn vrienden mij na afloop van het pokerspel had gedaan. Mijn antwoord ging echter verloren in de ruis van de nacht. 'Ik ga ook aan boord!' riep het kind, en ze sprong bij haar vriendin op de surfplank. Toen was de trein bij Leicester Square. De dames wierpen nog een paar grove beledigingen richting de paaldansende meneer, en gingen toen hun weg. De man ging zitten. De omstanders borgen hun mobiele telefoons weer op.

Een muis rende langs. Hij was zo snel dat niemand hem zag, behalve ik. Verderop stak een vos de weg over. Het was middenin de stad, maar hij bleef gelukkig net buiten het bereik van de koplampen. Een merel hupte door het parkje. Haar lied kwam nauwelijks boven het geluid van de stilte uit. Ze beschouwden ons en spraken over ons, maar wij konden hen niet verstaan. Dat was niet zo verwonderlijk, want we deden er ook geen enkele moeite voor. Sommige mensen betreurden dat, en vonden dat dat moest veranderen. En dus schreven en herschreven ze sprookjes.

Er moeten altijd sprookjes zijn. Maar ik vond het wel jammer dat de mensen alleen in de sprookjes geloofden als ze al hun grenzen hadden weggesnoven of -gedronken.

Volgende keer vertel ik een mooi verhaal.

Monday, 28 January 2008

Ja! Shinto, Nietzsche en de dagen van januari

Ik was de tijd, zonder het me realiseren. Ik vloog zonder af te remmen het nieuwe jaar in. Ik liep en schreef en knipperde een paar keer met mijn ogen, en toen ik omkeek bleek tot mijn verbazing dat het tweede trimester al weer enkele weken onderweg was. Mijn studie greep me vast, boeide me en daagde me uit. De vragen van de donkere herfst leken plots veel minder zwaar. De toekomst wacht wel, zo zag ik: het heden heeft zo veel te bieden dat het zonde is er allerlei schaduwen op te projecteren. Het was goed om weer colleges te volgen, om verder te lezen, om mijn gedachten en kritiek in woorden proberen te vangen. Gadamer leerde ons dat begrijpen primair een (subjectieve) ervaring is, een gebeurtenis, en hij had gelijk. De ervaringen kwamen als kleine geschenken, als markeringen naast een wandelroute.

Ik schreef een tweetal papers. Dat had ik natuurlijk in de kerstvakantie moeten doen, maar de kerstvakantie was te vol van andere mooie dingen, en zodoende werden de eerste twee collegeweken van het trimester gedomineerd door een stel dreigende deadlines. Nu wilde ik geen colleges missen, en bovendien waren de repetities voor het wereldkoor alsmede die voor de voorstelling van de UCL Drama Society waarin ik speel (waarover een andere keer meer) weer begonnen, dus er zat maar een ding op: nachtwerk. Heerlijk, ouderwets nachtwerk. Een stokje zinnenprikkelende wierook, een muziekje op de achtergrond, regendruppels die langs je raam naar beneden lopen, gemakkelijke kleding, een glaasje rode wijn en, bovenal, stapels open boeken en artikelen op mijn bureau en op de grond om me heen - de voorwaarden, kortom, om in de geschikte stream of consciousness te geraken. En ik schreef.

Wanneer ik mensen vertel dat ik een master Japanse religies volg, is de eerste reactie er vaak een van enthousiaste verbazing. Men komt nu eenmaal niet elke dag iemand tegen met een zo zonderlinge interesse. Vaak volgt daarop de vraag wat dat precies inhoudt, Japanse religie. 'Wat voor religie hebben ze daar dan?' Daar ik het bestudeer zou ik deze vraag toch eigenlijk moeten kunnen beantwoorden. Maar aan elk antwoord kleven problemen. Als ik zeg dat er in Japan in feite één enkel religieus systeem is, waarin verschillende religieuze organisaties complementaire rollen vervullen, heb ik weliswaar een punt, maar loop ik ook het risico te generaliseren en doe ik geen recht aan de grote heterogeniteit (zowel qua plaats als qua tijd) en rivaliteit die men aantreft binnen het veelkleurige palet van Japanse religie, vroeger en nu, in centrum en periferie. Als ik daarentegen zeg dat men in Japan verschillende religieuze tradities (ten minste boeddhisme, shinto, christendom, taoïsme, confucianisme en sjamanisme) aantreft, wek ik de misleidende en anachronistische suggestie dat dit min of meer zelfstandige tradities zijn, met een eigen essentie, die naast elkaar bestaan en altijd bestaan hebben, hetgeen niet het geval is. Meestal zeg ik dus maar iets over de verschillende tradities die er zijn, maar benadruk ik dat die altijd sterk met elkaar verweven zijn geweest en in elkaar overlopen; dat ze niet gezien moeten worden als exclusivistische godsdiensten met een uitgesproken doctrine, maar veeleer als moeilijk te definiëren en discutabele categorieën waaronder we bepaalde religieuze praktijken en ideeën scharen; en dat variëteit en verandering een voorname constante is. Een weinig adequate samenvatting, kortom, en tegen de tijd dat ik me door een antwoord heen heb geworsteld is de interesse van mijn gesprekspartner meestal reeds vervlogen.

Het boeddhisme gaat nog wel. Natuurlijk, het beeld dat de meeste mensen van het boeddhisme hebben is vaak sterk geïdealiseerd, eenzijdig en deels onjuist, en ik doe mijn best dat waar mogelijk te nuanceren (dus nee, het boeddhisme is niet pacifistisch, getuige de kloosters met legertjes vechtmonniken in Japan en de sutra's waarmee men in Tibet mensen en hun vee kan vervloeken of zelfs doden; en nee, het boeddhisme is helemaal niet atheïstisch - ten eerste stikt het er van de goden en demonen, en ten tweede worden in de gehele boeddhistische wereld ook boeddha's en bodhisattva's gewoon als goden aanbeden; en echt, 'reïncarnatie' betekent weinig meer dan dat men na de dood in één van de hellen belandt, dan wel als een boze ziel op aarde ronddoolt, dan wel het geluk heeft naar het paradijs van deze of gene boeddha te gaan). Maar van het boeddhisme kan men ten minste zeggen dat het, niettegenstaande alle verandering en variëteit, sinds zijn introductie in de zesde eeuw na Christus een constante traditie is geweest die een grote invloed heeft gehad op de Japanse cultuur, politiek en geschiedenis (en vice versa, natuurlijk). Veel lastiger is het uit te leggen wat de betekenis is van de categorie shinto, die andere grote 'religieuze traditie' in Japan. De betekenis van deze term is namelijk verre van eenduidig, en het concept is vaak gehanteerd om een bepaalde agenda te dienen. Daar het van belang is zich bewust te worden van de problemen die kleven aan de categorieën die men hanteert, heb ik in mijn eerste paper gekeken naar verschillende wijzen waarop sinds de negentiende eeuw het concept 'shinto' gehanteerd is, en de motieven die hier achter schuilgingen. Laat ik een korte samenvatting geven.

Het woord 'shinto' is reeds oud, maar het gebruik van het woord in de betekenis van 'de religieuze verering van kami (Japanse goden)' is een laat-middeleeuwse herinterpretatie, en het theologische discours over deze kami vond geheel plaats binnen een boeddhistisch referentiekader. De scheiding van boeddhisme en shinto was een negentiende eeuwse, van overheidswege opgelegde maatregel. Behalve door het boeddhisme zijn (proto-)shinto gebruiken en ideeën in hoge mate beïnvloed door het (Chinese) taoïsme. De idee dat shinto de oorspronkelijke religie van Japan is, die teruggaat tot pre-boeddhistische tijden, is dan ook hoogst problematisch - shinto is een relatief recente constructie, een verzamelnaam voor verschillende religieuze ideeën en gebruiken die tot halverwege de negentiende eeuw veelal plaats vonden binnen een boeddhistische context. Desalniettemin is deze opvatting van shinto als een inheemse, inherent Japanse traditie die teruggaat tot prehistorische tijden lange tijd gemeengoed geweest. Inmiddels zijn er weinig serieuze wetenschappers meer te vinden die een dergelijke essentialistische, ahistorische visie zullen durven te verdedigen, maar het blijft de gangbare opvatting binnen het populaire discours en de officiële positie van shinto-instituties.

Hieraan gerelateerd is de mythe dat shinto geen religie is in de gangbare betekenis van het woord, maar het geheel van normen, waarden en gebruiken die het Japansche volk onderscheidt van de andere volkeren dezer wereld. Shinto wordt hier voorgesteld als een spirituele en morele Weg, die alle Japanners (idealiter) volgen en die hen met elkaar verbindt. Deze notie gaat terug tot de laat-negentiende eeuwse constructie van de nationale ideologie genaamd 'staat shinto' als een traditie die het specifiek religieuze overstijgt, maar is ook na de oorlog lange tijd populair geweest (en nog steeds zijn er mensen die deze interpretatie aanhangen). Het spreekt voor zich dat een dergelijke constructie van shinto als een allesomvattende Weg die de Japanners onderscheidt van hun ander een nationalistische agenda dient en gerelateerd is aan de zogenaamde Nihonjinron-ideologie (pseudo-wetenschappelijke theorieën over des Japanners aard en zijn uniciteit).

Het opmerkelijke is dat westerse oriëntalisten deze, in essentie nationalistische, notie over hebben overgenomen en gepopulariseerd hebben bij een westers publiek, daarmee voortbouwend op reeds bestaande mythen aangaande de mystieke, spirituele Aziatische geest, die compleet tegengesteld is aan de rationele Westerse geest. De 'Oosterling' wordt voorgesteld als een fundamenteel irrationeel, gevoelsmatig wezen dat door ons, rationele westerlingen, per definitie niet volledig begrepen kan worden. De ander wordt zodoende volledig anders, en 'shinto' is niet langer een verzamelnaam voor religieuze gebruiken maar het object van onze projecties en exotische verlangens aangaande Oosterse 'spiritualiteit'. Kortom, wanneer men spreekt over shinto, moeten we ons altijd afvragen in welke context de term gebruikt wordt en welke vooronderstellingen een rol spelen.

Ik nam even pauze. Er waren feestjes, nieuwe ontmoetingen en mooie gesprekken. Toen schreef ik verder.

De afgelopen maanden heb ik nader kennis gemaakt met de ideeën van Friedrich Nietzsche, alsmede met de ideeën van enkele zenfilosofen en vertegenwoordigers van de zogenaamde Kyoto School. Een interpretatie van Nietzsche aan de hand van de ideeën van Nishitani Keiji, Nishida Kitaro en Abe Masao kan mijns inziens nieuwe inzichten verschaffen in diens werk, zoals ik in mijn paper heb proberen aan te tonen. Nietzsche wordt wel voorgesteld als een grote scepticus, die te vuur en te zwaard bestaande structuren en ideeën (met name religieuze) bestreed, een negatief mensbeeld gehad zou hebben en een pessimistisch nihilisme voorstond. Dit is een veel te eenzijdige weergave van zijn ideeën. Nietzsche probeerde inderdaad aan te tonen hoezeer de dominante christelijke religie en bijbehorende moraliteit de mensen gevangen hielden; gevangen in schuldgevoel, in angst, in morele dwangbuizen die hen ervan weerhielden toe te geven aan hun oprechte verlangens. Het christendom is een religieus en moreel systeem dat deze wereld, de wereld waarin wij leven, afwijst. God zegt nee tegen het materiële, het fysieke, het menselijke, dat zondig zou zijn; Hij is een tiran die ons gevangen houdt in een lege belofte van een niet-bestaande andere wereld, ons er daarmee van weerhoudend déze wereld en dít leven te omarmen. Het mooie en het goede worden geprojecteerd op een geconstrueerde andere wereld, in plaats van dat wij het mooie en het goede in het hier en nu ervaren. Nietzsche zag maar één oplossing: we moesten de nee-zeggende God doodmaken, om ons te kunnen bevrijden. We moesten erkennen dat er geen andere, metafysische wereld is, en dat ideeën over een dergelijke wereld voortkomen uit de fabeltjes van Plato en Paulus (Christus zei ja tegen deze wereld, hij omarmde haar - het was Paulus die het goede verbande naar de andere wereld, aldus Nietzsche). We moeten erkennen dat er geen absolute Waarheid is, maar louter relatieve waarheden en interpretaties. Er is dan ook geen absoluut goed en kwaad - morele geboden en verboden zijn louter menselijke constructies, en dat wat we 'slecht' noemen zijn in feite vaak bevrijdende handelingen en ideeën, die ingaan tegen bestaande conventies. Nietzsche's nihilistische project was, kortom, gericht op het vrijmaken van het individu van de ketenen van zijn traditie.

Maar wat dan? Wat houden we over wanneer we alles wat waarde heeft afbreken, wanneer we alle betekenissen in twijfel trekken en niets meer is wat het lijkt? Het antwoord is: niets, helemaal niets. Immers, wanneer we Nietzsche's project consequent doorvoeren, dan moeten we concluderen dat zelfs de ervaring van het zelf, het subject dat tegenover het object geplaatst is, radicaal ten twijfel getrokken moet worden. Ook het zelf is namelijk een product van zijn traditie, van dogmatiek, van morele beperkingen. Misschien is 'wie ben ik' wel een zinloze vraag, daar het veronderstelt dat er een 'ik' is. Dit brengt ons bij zenfilosofie. Nishitani en Abe spreken van de fase van de volkomen ontkenning, waarin men zich realiseert dat de wereld zoals wij die meestal ervaren een illusie (een constructie) is, het product van een kunstmatig onderscheid tussen subject en object, tussen A en B. Ook het zelf wordt in deze fase losgelaten. Nietzsche vergelijkt deze nihilistische fase met een reis door de woestijn. Alles is leeg, omdat de realisatie is gekomen dat niets is wat het lijkt, zelfs het zelf niet.

Maar de dood is nooit een einde. Iets sterft opdat iets nieuws geboren kan worden. Nihilisme is slechts een overgangsfase. Een cruciale fase, willen we ons bevrijden van de beperkingen van de denkstructuren en morele normen die we onszelf hebben opgelegd, maar nooit een eindpunt. De zelfloze in de woestijn realiseert zich dat hij op één punt nog steeds denkt in termen van absoluten: namelijk, een absolute dichotomie tussen de eerste en de tweede fase. Voor het verkrijgen van een waarlijk 'vrije geest' (datgene waarnaar Nietzsche streefde) is een volgende stap nodig: het overkomen van de woestijn en het voorbijgaan aan het nihilisme en de betekenisloosheid - zonder terug te vluchten in oude beperkingen, natuurlijk. In het boeddhisme wordt dit de ontkenning van de ontkenning genoemd. Leegte leegt zichzelf, met als resultaat de absolute ontkenning, die gelijk staat aan absolute bevestiging. Nietzsche vergelijkt deze laatste fase met een kind dat geboren wordt, dat de wereld omarmt, dat speelt zonder te oordelen en ervaart zonder te projecteren. Eerst nu kan men komen tot de volledige bevestiging van deze wereld en dit leven, dankzij een realisatie van de absolute verbondenheid en eenheid, maar tegelijkertijd de individuele uniciteit van alle zijnde. Het is een 'heilig ja-zeggen' tegen het leven, zoals Nietzsche zegt. Het is de 'pure ervaring' die voorafgaat aan elk onderscheid en oordeel, zoals Nishida zou zeggen. Het is de volledige ervaring van het hier en nu.

Wat betekent het voorgaande voor ethiek, en voor religie? Nietzsche trok vel van leer tegen zowel religie als moraal. Maar kan bovenstaande interpretatie van Nietzsche niet juist mogelijkheden bieden voor een nieuw religieus bewustzijn, en voor een ethiek? Wanneer we accepteren dat het verliezen van het zelf, het loslaten van het ego, de ultieme consequentie is van Nietzsche's nihilisme (ook al maakte hij zelf misschien niet deze uiteindelijke stap), en dat de absolute bevestiging van de wereld die volgt uit de ontkenning van de ontkenning ook een absolute, oordeelloze bevestiging van de Ander inhoudt, biedt dat wellicht de mogelijkheid voor een nieuwe ethiek - een ethiek niet gebaseerd op normen en voorschriften, maar op de ervaring van fundamentele verbondenheid; niet gelegitimeerd door metafysische fabeltjes, maar op een wederzijds ja-zeggen... En als we accepteren dat deze ervaring heilig is, zoals Nietzsche zelf zegt, en we het leven omarmen als een spelend kind, wordt daar dan niet een God geboren - geen externe, oordelende God, maar een God die hier en nu is en glimlachend knikt?

Ik liep van het metrostation naar de universiteit. Ik kon niet fietsen omdat onverlaten het zadel uit mijn fiets hadden gestolen. Ik zong een liedje, terwijl de grote opgerolde roodwitte paraplu op de stoeptegels de maat tikte. Mooie verre reisdromen dwarrelden rond. Iemand vroeg of ze een stukje met me mee mocht lopen. Een struik stond al in bloei. We lachten.

'Unschuld ist das Kind und Vergessen, ein Neubeginnen, ein Spiel, ein aus sich rollendes Rad, eine erste Bewegung, ein heiliges Ja-sagen.'

Sunday, 13 January 2008

De lustrumreis

Het waren mooie weken. Samen met mijn familie vierde ik kerstmis in Londen. We bezochten Perron 9 3/4 en Buckingham Palace. We zongen 'Away in the manger' en 'Hark, the herald angels sing' in het prachtige St. Martin in the Fields, en luisterden er naar de wijze woorden van Tutu en Bonhoeffer. We genoten van een heerlijke kerstmaaltijd, maakten mooie wandelingen en speelden mahjong. We bezochten een beroemde musical over een mislukte opstand in het Parijs van de negentiende eeuw. Studiewerk bleef onaangeraakt liggen.

Na het vertrek van mijn familie kreeg ik bezoek van een vriendin. We wandelden en winkelden in de stad. We ontdekten de magische kronkelbomen van Epping Forest, die ons deden verdwalen. We werden geraakt door het verhaal van een vrouw uit Bangladesh en haar leven aan Brick Lane, en bezochten er de volgende dag de markt. We spraken over wat ons bezig houdt. Ik bakte oliebollen en appelflappen en er waren Koreaanse hartige pannenkoeken en champagne en goed gezelschap. We begroeven 2007.

Het is 3 januari, 's ochtends vroeg. Geruisloos zoeft de eurostar door de Zuid-Engelse duisternis. Ik ben onderweg naar een stad vol herinneringen, maar heb op dit moment vooral aandacht voor het kopje koffie dat mij de dag in draagt. De zon komt op boven de groene velden van Picardië. Ik doe een poging tot studeren, maar de trein is zo snel dat ik niet verder kom dan het lezen van een tweetal artikelen. Voor ik er erg in heb rollen we het Gare du Nord binnen.

Daar ben ik weer, Parijs. Ik heb je gemist. Maar het zal wel anders zijn deze keer, zo zonder zwoele nazomerdromen. Gelukkig ben ik in het gezelschap van een groep goede vrienden.

De Notre Dame staat er nog even trots bij als de laatste keer dat ik haar zag. Twee jaar zijn voor haar weinig meer dan een oogwenk. Voor de ingang staat een rij van tweehonderd meter. Afrikaanse jongemannen doen pogingen Eiffeltoren-sleutelhangers te slijten aan de wachtenden, maar ze zijn weinig succesvol. Binnenin de kerk van Onze Lieve Vrouwe gaat de markt door. Automaten verkopen boekjes met uitleg en ansichtkaarten en medailles. Wie een klein kaarsje wil branden voor Zijn aangezicht mag daarvoor twee euro neerleggen, een grote kaars kost een tientje. De souvenirkraampjes doen goede zaken. Jezus hangt machteloos toe te kijken. Maar het grote ronde blauwe glas-in-lood raam blijft indrukwekkend.

We bezoeken het Musée d'Orsay. Om de een of andere onverklaarbare reden heeft men 'Le déjeuner sur l'herbe' van Manet weggehaald, maar gelukkig zijn Degas' lieve danseressen er nog wel allemaal. Ze baden en kleden zich aan en maken zich klaar en zijn nerveus voor de première - geen wonder dat ze nauwelijks merken dat ik naar ze kijk. Maar als ze eenmaal op het toneel staan, dan stralen ze en fladderen ze en betoveren de argeloze passant met hun schoonheid. Ook de heren Van Gogh, Cézanne en Toulouse-Lautrec begroeten me hartelijk. Hoe een schilderij een ansichtkaart wordt, hoe een ansichtkaart een emotie wordt, hoe een emotie begraven wordt, en hoe het schilderij dan gewoon nog blijkt te bestaan en op dezelfde plaats te hangen als toen. Nieuw daarentegen zijn mij de kleurrijke, mysterieuze sprookjesschilderijen van Redon.

En 's avonds zijn er mezze in een Libanese snackbar en glazen wijn in een hotelkamer. We kletsen bij en plakken briefjes op elkaars voorhoofd omwille van een spel. Het is goed om samen hier te zijn.

Ik was nog niet eerder in het Institut du Monde Arabe. Ik verkies de tijdelijke tentoonstelling over contemporaine Arabische kunst boven de permanente collectie, en ik krijg er geen spijt van. Fascinerende combinaties van Arabische kalligrafie en abstract expressionisme, semi-realistische politiek geladen werken en speelse grottekeningen, bloedende horizonten en geometrische patronen. Het is een grote ontdekking, en ik snap niet waarom de tentoonstelling zo weinig bekendheid krijgt, en niet eens een eigen website heeft. Hoe dan ook: bent u in Parijs, en heeft u enige interesse voor moderne kunst, gaat dat zien!

We wandelen door de Marais. Mannen met baarden, bolhoeden en pijpenkrullen benen van A naar B (kan iemand mij vertellen waarom orthodoxe joodse mannen, waar ik ze ook zie (in Jeruzalem, in Londen, in Parijs), nooit gewoon lopen, maar altijd benen? Niemand kan zulke snelle grote passen maken en daarbij zo strak voor zich uit kijken als deze heren. Staat het ergens in de geschriften, dat gij geen tijd zult verspillen aan drentelen, maar zich te allen tijde rap benend zult verplaatsen? Of hebben ze gewoon altijd haast?). Dames met bontjassen slepen hun echtgenoten met zich mee langs de peperdure winkels en boetieken, onderwijl de stank van oudewijvenparfum verspreidend. Het Place des Vosges ligt er schitterend bij onder de blauwe hemel.

Een ouder echtpaar viert zijn veertigjarig jubileum met een bezoek aan de stad waar het toendertijd op huwelijksreis was. 'Weet je nog, schat, dat we op dit plein dansten onder de avondlucht?' 'Ja natuurlijk, hoe kan ik dat vergeten!' 'Mag ik dan deze dans van u?' En ze dansen, dansen, dansen in de rondte, net als toen - nou ja, vooruit, ietsje krakkemikkiger, maar met het hart nog immer vol van liefde. De man glimlacht naar het groepje studenten dat hen lachend aankijkt. Hij is trots op zijn mooie vrouw. C'est la chanson des vieux amants.

We rennen door het Louvre, want we hebben maar een uurtje voor sluitingstijd, en ik wil Haar toch echt een keertje zien. En jawel: na gangen vol Griekse beelden en renaissancistische bijbeltaferelen zien we Haar, verstopt achter de massa die Haar aanschouwt, fotografeert en consumeert. Oh, moderne mythe, symbool van onsterfelijkheid! U, die tijd en plaats overstijgt, en die ons daarmee het gevoel geeft dat wij, door te participeren in de collectieve ervaring van het U aanschouwen, deelgenoot zijn van iets dat groter is dan ons eigen kleine leventje... Daar bent U dan eindelijk! U verleent betekenis in een betekenisloze wereld, U bent de mythische personificatie van de ideeën schoonheid en waarachtigheid, en bovenal bent U iets dat ons met elkaar verbindt omdat wij ons er allemaal toe verhouden - een collectief symbool. U bent bijna even groot als McDonalds en Starbucks, als de Stars and Stripes en de Union Jack, als de Eiffeltoren en Che Guevara. Die Leonardo was een tovenaar, dat hij U heeft kunnen maken. En U blijft maar onverstoorbaar doorlachen...

We eten met zijn veertienen bij een Grieks toeristenrestaurant. De prijzen zijn verdacht laag, maar men heeft voldoende plaats, en we hebben allemaal wel zin in Grieks. We krijgen een duur menu in de hand gedrukt; als ik er vervolgens op wijs dat er naast de deur een goedkoper menu geadverteerd stond geeft een mopperende ober ons daar een tweetal menukaarten van, die we met zijn veertienen mogen consulteren. Het is het begin van een twee uur durende soap. Boze blikken, een ober die je glashard negeert als je probeert de bestelling van een fles wijn ongedaan te maken om in plaats daarvan goedkopere karafjes huiswijn te bestellen, lauwe uiensoep die men aanvankelijk niet mee terug wil nemen naar de keuken (aan verontschuldigingen doet men natuurlijk helemaal niet), vissoep die niets meer is dan gemalen vissenkoppensap, een inktvis die smaakt alsof hij al jaren dood is (hetgeen waarschijnlijk ook zo is), dezelfde ober die doet alsof hij koffie over iemand heenmorst omdat hij kwaad is dat we geen koffie meer bestellen... Het is een wonder boven wonder dat de rekening klopt. We vluchten naar het hotel, waar de flessen wijn en het weerwolvenspel op ons wachten. Helaas draagt een snauwende receptiemeneer ons op niet te lachen. Dat mag niet in Parijs, lachen, want daar kunnen de andere gasten niet tegen.

In het ontbijtzaaltje beent de Bulstronk rond. Als we tien minuten vóór het einde van de ontbijttijd binnenkomen kijkt ze ons aan met een blik alsof we zojuist haar cavia hebben vermoord. Ze blaft dat we van tafel moeten veranderen, op een toon die de meeste mensen reserveren voor het uitkafferen van hun hond wanneer deze binnenshuis zijn behoefte heeft gedaan. Terwijl ze drie dienbladen gereed maakt komen er nog twee leden van onze groep binnen. De ontdekking hiervan doet haar bijkans ontploffen. 'Hoeveel!?' schreeuwt ze, terwijl er stoom uit haar neusgaten komt. Ik begrijp niet helemaal waar haar woede vandaan komt, en daar ik zelf deze morgen toevallig geen ochtendhumeur heb geef ik maar beleefd antwoord. 'Wat drinkt u', gromt ze dreigend, om ons vervolgens een warme chocolademelk te weinig te brengen. Ik vermoed dat ze heel ongelukkig getrouwd is met de Griekse ober - het zou een en ander verklaren.

De Londense omgangsnormen zijn geheel gebaseerd op het adagium 'live and let live'. Ik val jou niet lastig, en jij mij niet, en als we toch contact hebben omdat jij bijvoorbeeld iets van mij wilt kopen, dan verkiezen we een gereserveerde maar niet onvriendelijke beleefdheid boven kilheid of gesnauw. Dat is in Parijs wel even anders. Evenals voor Rome geldt voor Parijs dat de stad an sich prachtig is (veel mooier dan Londen, laat daarover geen twijfel bestaan), en dat als je goed in je vel zit (bijvoorbeeld omdat je verliefd rondloopt, want let's face it, Parijs zit vol met die verschrikkelijke, elkaar de hele godganse tijd en plein public aflebberende stelletjes) je daarvan kunt genieten zonder de ervaring al te veel te laten verpesten door de mensen die je afsnauwen. Beauty is immers in the eye of the beholder. Maar de arrogantie en het chagrijn van veel Parisien(ne)s maken de stad mijns inziens toch echt een stuk lelijker dan ze zou kunnen zijn.

Terwijl het grootste deel van de groep een bezoek brengt aan de wondere wereld van Lodewijk XIV wandel ik met enkele anderen door de grootste kantorenwijk van Europa, het openluchtmuseum van moderne architectuur dat La Défense heet. We doen raadspelletjes (ik ben gek op raadspelletjes). In de verte zien we de Arc de Triomphe en de Eiffeltoren. Dan roept de plicht, want de deadlines naken: we installeren ons in een café om ons er de gehele middag te verdiepen in onze studieboeken. Er wordt tussendoor druk gediscussieerd over oriëntalistische constructies van boeddhisme en shinto, over Tibet en over Japan, over islamitische filosofie en over christenfundamentalistische internetfora (en natuurlijk, tussen de bedrijven door, over de Andere sekse, maar de conclusies van die discussie houd ik wijselijk voor me). De koffie smaakt prima.

Voor de eerste keer bezoek ik het nieuwe museum voor niet-westerse kunst, het Musée du Quai Branly. De Oceanische, Afrikaanse en Indiaans-Amerikaanse collecties zijn indrukwekkend. Het gebouw is een architectonisch meesterwerk. De aandacht voor muziek en de boeiende opnames van verschillende muziekuitingen is nog een extra meerwaarde. Men kan bezwaar maken tegen de wijze waarop veel voorwerpen totaal losgerukt zijn van hun oorspronkelijke context, hetgeen niet direct bijdraagt aan begrip maar juist de ervaring van alteriteit en exotisme versterkt; men kan bezwaar maken tegen de manier waarop die vreemde achtergrondgeluidjes en de mysterieuze belichting dit exotisme nog verder versterken; men kan bezwaar maken tegen het projecteren van onze categorie 'kunst' op andere culturen; men kan bezwaar maken tegen het feit dat dit museum in de ban is van de mythe van de 'bon sauvage', alleen 'primitieve' voorwerpen presenteert om dit beeld te versterken, en niet of nauwelijks oog heeft voor historische verandering. Er is, kortom, heel veel mis met dit museum. Maar toch loop ik met open mond rond. Wat een collectie, wat een rijkdom... Wat is er toch veel schoonheid tussen alle rotzooi van deze wereld.

De schaduwen van Sartre, Lévi-Strauss, Foucault en De Beauvoir hangen boven het Quartier Latin. Geweldig hoor, in Londen studeren, maar het heeft natuurlijk niet de heerlijke romantiek van het Parijs van de filosofen. Overal zijn boekwinkeltjes. Naast de Sorbonne bevindt zich een goudmijn die tot de nok toe gevuld is met filosofieboeken. Watertandend loop ik rond, mijzelf afvragend waar ik in vredesnaam de tijd vandaan moet halen om alles te lezen wat ik zou willen lezen. Roland Barthes blijkt een boek geschreven te hebben over symbolen in Japan. En Levinas is er natuurlijk ook. Jullie woorden mogen mee naar Engeland, als ze willen.

De laatste avond bezoeken we een louche karaokebar in de buurt van het Gare de l'Est. We voegen ons bij een extended family uit het middellandse zeegebied, een groepje lesbische dames, enkele verveeld kijkende twintigers, een Japanse toerist en een groepje oudere zwarte heren. Een van hen, die uit Chicago komt en onder de indruk blijkt van het vrouwelijk schoon in ons gezelschap, komt steeds naar onze tafel om te zeggen dat hij heel trots op ons is. Tussen de Franse popliedjes door wordt steeds opnieuw, door verschillende mensen, 'Vivo per lei' gezongen. De pizzabakker kan zo bij de opera aan de slag. Alleen de Japanner zingt 'Angie'. Mijn lang gekoesterde droom om ooit een chanson te zingen in een karaokebar wordt bewaarheid wanneer ik met tranen in mijn ogen en een hart vol nostalgische gevoelens Jacques Brels 'Amsterdam' ten gehore breng.

Het is maandagavond 7 januari. De eurostar zoeft terug naar Londen. Morgen begint het tweede trimester. Dat komt mooi uit, want de batterij is opgeladen.

Het nieuwe jaar is goed begonnen.