Wednesday, 14 July 2010

China in

Ik ben altijd gefascineerd geweest door China. Als kind al wilde ik er heen, en die wens is altijd gebleven. Maar het kwam er nooit van. Dat was de schuld van Japan, natuurlijk. Dat trok nog harder, dus daar werd ik als tiener verliefd op, en daar gingen mijn eerste verre reizen heen. Niet naar China.

Als student verdiepte ik mij in Japanse cultuur en religie, zonder al te veel oog te hebben voor de Chinese oorsprong daarvan. Pas toen ik mijn masteropleiding deed realiseerde ik mij dat de Japanse (religieuze) cultuur de facto weinig meer is dan een interessante variant op de Chinese. De Chinese beschaving was voor Japan wat het oude Griekenland was voor Europa. Het besef kwam laat, want nogal wat Japanologen hebben de vervelende neiging het Japanse nationalistische narratief betreffende de zogenaamde uniciteit van de eigen cultuur welwillend te omarmen. Het is daardoor mogelijk een universitaire opleiding Japans te doen zonder ook maar iets te leren over China.

Maar goed, het besef kwam weliswaar laat, het kwam. Ik begreep dat ik niet met goed fatsoen kon gaan promoveren op Japanse religie zonder eerst kennisgemaakt te hebben met de bakermat daarvan, China - hoe oppervlakkig die kennismaking ook mocht zijn. En dus ging ik op reis, met China als bestemming.

Het vervolg zal u inmiddels bekend zijn. Ik kwam nooit in China aan, want ik bleef hangen in Vietnam. Zodoende verdiepte ik mij in de Vietnamese cultuur in plaats van de Chinese. Het interessante was wel dat ook die in sterke mate beinvloed was door China. Ik zag bepaalde overeenkomsten tussen Japan en Vietnam, en ik begreep dat China de gemene deler was. Dat geldt voor de taal: zowel het Japans als het Vietnamees heeft veel Chinese leenwoorden. Het geldt voor de religie: het boeddhisme in zowel Japan als Vietnam is op Chinese Mahayana-leest geschoeid, en religieuze figuren als Guanyin, Amitabha en Budai/Maitreya zijn in beide landen erg populair. Daarnaast zie je het in de invloed van feng shui, Chinese astrologie en waarzeggerij, confucianistische moraal, en nog veel meer dingen.

Het was, kortom, de hoogste tijd om eindelijk maar toch China zelf te bezoeken. Beter een kort bezoek dan geen bezoek, per slot van rekening. En dus zegden we onze baan een maand eerder op, en maakten tijd vrij voor een korte reis naar China. Naar Yunnan, om precies te zijn - de afstanden in China zijn zo gigantisch, dat we al snel doorhadden dat we ons het beste konden beperken tot een enkele provincie. Maar dan wel een van de mooiste, indrukwekkendste en meest diverse provincies van het land, zij het misschien niet helemaal representatief voor de rest.

De mooiste manier om een grens over te steken is te voet. Niets geeft zo'n wonderbaarlijk gevoel van vrijheid en avontuur als met je eigen beide benen en je rugzak op je rug een nieuw land binnen te lopen. Ik heb het een keer eerder gedaan, en het was een ervaring om nooit te vergeten. Dit keer gaat het iets gemakkelijker, maar de ervaring is bijna net zo bijzonder.

Het busje uit Sapa brengt ons tot vlakbij de grens. We lopen naar het Vietnamese immigratiekantoor voor onze stempel. Onderweg doet een louche meneer een poging ons yuan voor dong te verkopen, maar we zijn reeds voorzien. We lopen het kantoor binnen. Wanneer de dienstdoende beambte mijn paspoort ziet, kan hij het niet laten even grijnzend te wijzen naar de poster met het WK-speelschema die naast hem hangt. Ik grijns terug. Inderdaad, morgenavond spelen we tegen Uruguay.

Maar helaas, de man mag dan bewondering hebben voor de verrichtingen van mijn nationale voetbalteam, met mijn paspoort weet hij zich geen raad. De zes gebruikte Vietnamese visa brengen hem danig in verwarring, ook al is op dit moment alleen het laatste visum relevant. Hij doet een poging zijn baas te bellen, maar die neemt niet op, dus hij bladert een tijdje wat vertwijfeld door mijn paspoort. Hij wil me wat vragen, maar spreekt geen Engels, en neemt zijn toevlucht dus maar tot tijdrekken. Ik blijf kalm. Heb ik toch iets geleerd, het afgelopen jaar. Uiteindelijk krijg ik gewoon mijn stempel, zoals het hoort.

We lopen de brug over, een grote poort tegemoet waarop met grote karakters "China - Hekou" staat geschreven. Hekou is de naam van de grensstad. Handelaars duwen grote handkarren met bananen en rambutans en mobiele telefoons voor zich uit, zwaar puffend, want het is heet. Wanneer we aankomen bij het Chinese immigratiekantoor krijgen we van een vriendelijke man twee aankomstkaarten aangereikt. Als hij mijn paspoort ziet, verschijnt er een grote grijns op zijn gezicht. Morgenavond, halve finale!

Ook de beambte die me mijn stempel geeft is vriendelijk. Hij stelt me een paar vragen, maar niets ongewoons, en wenst me een fijne tijd toe in China. Het is een aangename verrassing. Chinezen staan erom bekend bot en onvriendelijk te zijn, maar mijn eerste indruk is een andere. Misschien komt het doordat we in Yunnan zijn; misschien dat de mensen hier aardiger en hartelijker zijn dan in andere delen van het land. Hoe dan ook zijn de overheidsbeambten hier een stuk beleefder dan hun corrupte collegae ten zuiden van de grens.

Het eerste dat opvalt als we Hekou binnenlopen - behalve de Chinese karakters, natuurlijk - is dat het er hier een stuk schoner en netter uitziet dan in Vietnam. Geen zwerfvuil overal, geen stoepen vol venters en scooters, geen rommel voor zover het oog reikt. Gewoon een nette grijze winkelstraat, gewoon een stoep waarop gelopen kan worden. We kopen een SIM-kaart bij een winkeltje dat vooral zaken doet met Vietnamese kruimelhandelaars, en bustickets naar Kunming, de provinciehoofdstad. Als we in de bus zitten, valt ons nog een verschil op. Het eerste deel van de reis rijden we over een indrukwekkende nieuwe (en lege) vierbaanssnelweg. Die heb je in Vietnam nauwelijks.

De bus is comfortabel, de reis verloopt voorspoedig. We slapen wat, luisteren naar muziek, en spelen 'Who wants to be a millionaire', mijn nieuwe favoriete quizspel voor lange autoritten. Aanvankelijk passeren we vooral fraaie groene heuvels, daarna komen we door dichter bevolkt gebied. Overal wordt gebouwd; overal verrijzen nieuwe snelwegen, viaducten, flatgebouwen en fabrieken. Bouwplaats China, het cliche klopt volledig - en dit is nog maar de periferie, kun je nagaan hoe het er in het oosten des lands aan toe moet gaan.

We passeren indrukwekkende mijnencomplexen met Hoogovens-achtige fabrieken. IJzer, denkt Nhung, en ze zit er niet ver naast - dit is een van de belangrijkste gebieden voor de winning van tin ter wereld, en tin is een grondstof voor andere veelgebruikte metalen, zoals brons. We komen door een aantal dorpen en steden waar naast Chinees ook veel geschreven staat in het Arabisch, waar restaurants de islamitische geloofsbelijdenis op de ruit hebben staan, en waar grote nieuwe moskeeen gebouwd worden. Hier wonen de Hui, een van China's islamitische minderheden, en ze dragen hun religieuze identiteit met trots - en, naar het zich laat aanzien, in betrekkelijke vrijheid - uit.

Overal wordt gebouwd, dus trucks rijden af en aan. Om de paar honderd meter bevindt zich een enorm benzinestation. De meeste zijn leeg. Gelukkig is er tussen de bouwplaatsen in nog ruimte voor groene gebieden. De rijstterrassen van het zuiden hebben plaatsgemaakt voor glooiende akkers met aardappelen en groenten, verbouwd door kleurrijk geklede etnische minderheden waarvan ik de naam niet weet. Tijdens een korte pauze kopen we een bakje aardappelen en een kommetje noodlesoep. Allebei smaken heerlijk, scherp en kruidig, totaal anders dan het Chinese eten dat ik ken. Ze smaken naar meer.

Het fraaiste landschap bevindt zich niet ver van Kunming. Stenen torentjes, rotsboompjes, uitstulpingen waartussen struikgewas, voor zover het oog reikt. Ze doen in de verte denken aan de sprookjesschoorstenen uit Cappadocie, maar zijn lager en donkergrijs van kleur. Ik kan maar een verklaring bedenken: een enorm trollenleger, verrast door de zon tijdens een grote veldslag, en masse versteend. Het moet vele duizenden jaren geleden geweest zijn.

Als we bij het busstation van Kunming aankomen is het net donker aan het worden. Een taxi brengt ons de stad in, naar onze vrienden Peter en Monique, bij wie we een paar nachten zullen logeren. De skyline van Kunming is indrukwekkend. Wat in China een provinciestad heet zou in Europa met recht een metropool genoemd worden. Kunming is een miljoenenstad, compleet met hoge wolkenkrabbers en overvolle wegen. Maar, zoals we de komende dagen zullen ervaren, het is ook een fijne stad, lang niet zo chaotisch en vies als Hanoi. Kunming heeft brede stoepen, voetgangerszones, groene parken, gezellige winkelstraten, hippe bars en eettentjes en, zowaar, een echte academische boekhandel.

Dus dit is China. Het voelt vreemd vertrouwd aan.

No comments:

Post a Comment