Wednesday, 13 August 2008

Finistère

I. De boot van Oscar

De boot die Ierland met Frankrijk verbindt is versierd met sappige citaten. Ze zijn allen afkomstig van de pen van Oscar Wilde, die zich ooit gedwongen zag dezelfde reis te maken. Tijdens zijn leven werd de non-conformistische en homoseksuele Wilde door hen uitgekotst, maar vandaag de dag dwepen de Ieren maar al te graag met hun beroemde landgenoot. Ze hebben zelfs deze gigantische passagiersboot naar hem vernoemd, en de wanden daarvan behangen met zijn citaten. Weinig passagiers hebben er oog voor, helaas, maar wie de moeite neemt ze te lezen wordt daarvoor beloond met een grijns op zijn gezicht. Een greep:
'I am so clever that sometimes I don't understand a single word of what I am saying.'
'Always forgive your enemies, nothing annoys them so much.'
'I have very simple tastes. I am always satisfied with the best.'
'We are all in the gutter, but some of us are looking at the stars.'
'Nothing that is worth knowing can be taught.'
Zo te zien heeft de Poolse bemanning - half Ierland is Pools - de citaten niet gelezen. Men werkt heel hard, maar men kijkt heel boos, voortdurend. Je zou ze de citaten voor willen lezen, teneinde een glimlach op hun gezicht tevoorschijn te toveren. Je zou ze trouwens ook willen leren pasta te maken. Ik heb nog nooit zulke smerige pasta gegeten. Je vraagt je af hoe ze het voor elkaar krijgen, want zo moeilijk is het toch niet, een goede pastasaus brouwen. Ook Polen zouden dat moeten kunnen. Bovendien is mijn smaak heel simpel; ik ben altijd tevreden met het beste. Maar dit is godgeklaagd smerige troep - en dat voor tien euro. Het liefste had ik het met kok en al naar buiten gekieperd en aan de meeuwen gevoerd. Of sternen, wat zijn het. Hoe dan ook zijn het dappere dieren. Ze doorkruisen de woeste winden van de Atlantische Oceaan alsof het geen enkele moeite kost. Drie van hen vliegen voor het schip uit. Ik ging er altijd vanuit dat schepen hun weg bepaalden middels kompassen en GPS en satellieten en radars en God weet wat voor ingewikkelde apparaten. Maar ik zie nu dat ik het fout had. Irish Ferries heeft een drietal sternen in dienst genomen om de Oscar Wilde de weg te wijzen, zo blijkt. Het wordt wijselijk niet aan de grote klok gehangen. Mensen vertrouwen hun leven nu eenmaal liever toe aan machines waarvan ze niet weten hoe ze werken dan aan de instincten van een stel vogels. Niet verder vertellen dus, alstublieft.

Oscar Wilde is niet alleen verantwoordelijk voor een paar dozijn gevatte oneliners; hij schreef ook een aantal prachtige verhalen. Zo vertelde hij over de egoïstische reus die de kinderen uit zijn tuin verjoeg, en die vervolgens nooit meer de lente zag - tot de kinderen op een dag terugkwamen, de lente met zich meenamen, en het hart van de reus deden smelten. Het was mijn lievelingsverhaal, ooit. Semi-seculier opgevoede ik was gefascineerd door dat jongetje in de tuin met die bebloede handen, die de reus deed veranderen, en die hem aan het einde van zijn leven uitnodigde om nu bij hem in zíjn tuin te komen spelen. Daar moet mijn interesse voor religie begonnen zijn. En mijn overtuiging dat God niet alleen gevonden kan worden in de ontmoeting tussen twee mensen - een egoïstische reus en een klein jongetje, bijvoorbeeld - maar ook in fluitende vogeltjes en ontwakende bloesemblaadjes. En waarom dan niet ook in zeemeeuwen, of sternen, wat zijn het, die gracieus op de oceaanwind drijven, en duizenden mensen veilig naar het vasteland loodsen...?


II. Het klooster en de kliffen

De vogels brachten me naar Finistère. Dit is het meest westelijke deel van Bretagne, en dus van Frankrijk. Maar men voelt zich niet echt Frans. Alle plaatsnaambordjes zijn tweetalig. Veel mensen hebben blonde of rode haren. Overal wappert fier de zwartwitte Bretonse vlag. Iemand heeft met een benzinestift de naam van een bushalte doorgekrast, en er de Bretonse vertaling onder geschreven. Buschauffeurs dragen nette witte baarden, alsof ze zo van hun schip komen. Regen en zonneschijn wisselen elkaar voortdurend af, en niemand kan raden wat voor weer het morgen wordt. Grijze zandstenen kerken lijken zo uit Engeland of Ierland te zijn overgevlogen. Restaurants verkopen crêpes en mosselen. Overal ruik je de zee. Elk dorp kondigt trots zijn jaarlijkse fête-noz aan, waarbij eenieder welkom is om zich te goed te doen aan Bretonse volksdansen en appelcider.

Ik ben uitgenodigd door een vriendin en haar familie. Met zijn achten bewonen we een woning die deel uitmaakte van het oude klooster van de Kapucijnen. Om er te komen moet je eerst een overwoekerde oprit in, om vervolgens een zware deur in een oude muur door te gaan. Een afgesleten heilige houdt de wacht bij de woning, die uit de zeventiende eeuw stamt. De woning is gevuld met zware antieke meubels, en kan zo als decor dienen voor een klassiek kostuumdrama. Op de piepende trap glipt een hagedisje weg. Wonderlijke schelpen en krabbenschilden liggen her en der door het huis verspreid. Ik durf er vergif op in te nemen dat ze 's nachts tot leven komen. Waar komt anders dat rode monster vandaan, die kruising tussen een duizendpoot met hele lange sprieten en een grote garnaal, die een van ons nachtmerries bezorgt door haar in haar kamer te bezoeken? Ik brand nog maar een extra kaarsje voor het beeldje van Sint Nicolaas, dat op een wiebelend tafeltje op de overloop staat.

Door de tuin scharrelen kippen. Ze zijn van de kippenman, een kleine man met vale bruine kleren, een grijze pet en een grote glimlach vol gaten. De kippenman komt ons af en toe eieren brengen, en nodigt ons uit voor het door hem georganiseerde fête-noz. Het feest zal plaatsvinden in het bos achter de woning. Maar de voorbereidingen verlopen moeizaam. Eerst hadden onverlaten alle wijn gestolen, toen alle eieren voor de crêpes, en vervolgens had een woeste regenstorm de tent kapot gemaakt. Maar de kippenman blijft lachen. Gelukkig maar.

Regen, wolken en stralende zonneschijn wisselen elkaar af. Ik kan er niet mee zitten. Het is vakantie, en dus wordt er heerlijk gegeten en gedronken, en dus is er tijd om te lezen en te schrijven, en dus wordt er gezwommen in de verfrissende, reinigende Atlantische Oceaan. En dus maak ik een wandeling. Ik volg de GR 34 naar de het uiterste einde van het land, de Pointe du Raz. Ik loop over de kliffen. Hoe verder ik kom, hoe woester en onherbergzamer ze worden. Maar de woeste kliffen zijn vol van leven. Ze dragen bange distels met lila bloemen waar hommels gek op zijn, en kleine paarse bloemetjes, en stekelige struikjes die een intense basilicumgeur verspreiden. Zorgen komen, liggen even, en worden dan door de zeewind meegenomen, de verre oceaan in. De kliffen hebben sprookjesachtige vormen - de beukende branding blijkt aardig te kunnen beeldhouwen. Maar helaas, wanneer ik de Pointe du Raz nader verlies ik de zoete eenzaamheid van de eerdere kliffen. De plaats staat prominent bovenaan de to-do-list van de vakantieganger, hetgeen betekent dat ik de laatste paar kilometer in de file sta. Dat gebeurt me niet vaak als ik te voet reis.


III. Keltische dromen

Op de laatste dag bezoeken we het Interkeltische Festival van Lorient. Iemand heeft ooit verzonnen dat de culturele minderheden van West-Europa allemaal behoren tot een soort pan-Keltische cultuur, en men is daar recentelijk enthousiast in gaan geloven, want het schept een gezamenlijke identiteit - en zodoende een sterkere positie vis-à-vis de culturele en politieke dominantie van de verschillende natiestaten. Een grensoverschrijdende imagined community, kortom. Want u maakt mij niet wijs dat de Galicische cultuur meer gemeen heeft met de Schotse dan met de Castiliaanse, simpelweg omdat Galiciërs ook doedelzak spelen. Maar het feit dat de Galicische cultuur gedefinieerd wordt aan de hand van zijn overeenkomsten met de Schotse of Bretonse cultuur, zegt natuurlijk wel het nodige over de wijze waarop men zich opstelt ten opzichte van de dominante cultuur van het eigen land. De ironie is dat deze minderheden zich sterk internationaal oriënteren, en de ene fictieve overkoepelende cultuur - die van de natiestaat - zo inwisselen voor de andere - de pan-Keltische mythe, in dit geval. De ware Europese gedachte, zou men kunnen zeggen, onbewust geïncorporeerd door nationalistische minderheden - een interessante paradox!

En zo dansen we op de muziek van een bandje afkomstig van Isle of Man, raken we in trance van de indringende doedelzak- en percussiemuziek uit Asturië, bladeren we door folders over Santiago de Compostela (nou toch niet bepaald een plek waarbij mijn eerste associatie Keltische cultuur is...), eten we heerlijke Bretonse gerookte vis, maken we een praatje met separatisten uit Cornwall, bewonderen we fraaie keramiek en leren we dat de Canadese Acadiërs zich om wat voor reden dan ook ook als Kelten beschouwen. Nationalistische mythevorming in actie, en ook nog eens prachtige muziek op de achtergrond - ik kan mij geen mooiere laatste dag voorstellen.


***

En nu ben ik weer thuis, in de Groningse stacaravan. De komende maand moet ik mij fulltime op mijn scriptie storten, want de deadline is onverbiddelijk. De vraag naar wat er na die maand komt klinkt luid in mijn achterhoofd, maar ik doe mijn best haar nog even het zwijgen op te leggen. Eerst moet die scriptie af. De zomervakantie zit er weer op.

Wednesday, 30 July 2008

Twee valleien

De heilige Kevin ging op pad. Hij verliet de stad, op zoek naar een plek waar het stil was, zodat hij zijn God kon leren verstaan. Hij liep de bergen in. Hoe langer hij liep, hoe groener het werd. Onder zijn voeten glinsterden ontelbare bedauwde klaverblaadjes. Kleine groene mannetjes keken hem argwanend aan, maar de twee witte gedaantes die met Kevin meeliepen boezemden hun angst in, waardoor ze niet dichterbij kwamen. Kevin genoot van de frisse geur van het ontwaakte groen. De ochtendzon kleurde zijn sproeten nog roder dan ze al waren. Hij zong een liedje.

Kevin kwam op een mooie groene open plek in het bos. Hier zou hij kunnen blijven. Maar hij zou ook nog een stukje verder kunnen lopen. Wellicht was het gras achter gindse heuvel nog wat groener dan het gras hier. Zodoende beklom hij de heuvel. Toen hij op de top was aangekomen, viel zijn mond open van verbazing. Zoiets moois had Kevin nog nooit gezien. Voor hem strekte zich een vallei uit, zo groen als geen andere. De heuvels werden weerkaatst in het heldere water van een tweetal meren: een kleine ronde, en een grotere langwerpige. Kevin viel op zijn knieen, en dankte de God die hem hier gebracht had. Hij noemde de plaats Glenn da Loch, wat 'de vallei van de twee meren' betekende.

Kevin bouwde een kerk. De kerk werd een klooster. Het klooster werd machtig. Pelgrims uit het hele land wisten het te vinden. Het klooster werd rijk. De noormannen kwamen, overwonnen en verrijkten zich. Het klooster kreeg een hoge ronde uitkijktoren, om zich te wapenen tegen verdere aanvallen. De pelgrims bleven komen. Het klooster raakte in verval. De pelgrims vergaten het klooster. Maar toen kwamen de toeristen. Ze bewonderden de vervallen kerkjes, de graven met Keltische kruizen, en natuurlijk de toren. De toren herinnerde hen aan een sprookje dat hun was voorgelezen toen ze klein waren. Het sprookje ging over een meisje met een hele lange vlecht. Een boze heks had het meisje opgesloten in een toren als deze, maar gelukkig kwam de prins haar redden.

Ierland is ingenomen door legers Italiaanse tieners. Dublin was er al vol mee, maar Glandalough is nog erger. Ze bezetten bruggetjes, opdat niemand er meer langs kan. Ze spugen hun kauwgom uit op oude Keltische begraafplaatsen. En ze schreeuwen als marktkooplui, allemaal. Ze schreeuwen alsof het einde van de wereld nabij is. Ze jagen de vogels weg. Zelfs de Amerikanen worden er stil van. Wie hier God wil leren verstaan, moet wachten tot de bussen weg zijn. Dan kan men in een kerkje zonder dak de avond horen vallen, als ware het een speld. Dan kan men door een laatste overgebleven raam de Schepper zien knipogen. Dan zoemen de muggen het lied dat ze al eeuwen zingen. Dan komen de sprookjes tot leven.

De wandeling gaat om de twee meren heen. Er moet flink geklommen worden. De zon schijnt trots, en het zweet loopt in straaltjes mijn rug langs. Maar het uitzicht is elke druppel zweet meer dan waard. De meren zijn machtige spiegels. Hoe verder we lopen, hoe ruiger het landschap, en hoe grootser het uitzicht. Berggeiten grazen zich een weg door de klaverbladeren. Het is druk, vandaag. Iedereen wil wel wandelen hier. Maar niet iedereen is op de hoogte van elementaire wandeletiquette, helaas. Op een smal pad moet de daler plaats maken voor de klimmer, maar niet iedereen houdt zich daaraan. Ook groeten blijkt voor sommigen een te grote opgave. Jammer. Naarmate de middag verder vordert, zien we echter steeds minder mensen. We klauteren over rotsblokken. In mijn ooghoek zie ik iets groens wegflitsen. Ik draai snel mijn hoofd om, maar zie niets. Ik vraag het vrouwtjeshert dat langs ons huppelt of ze het ook heeft gezien, maar ik krijg geen antwoord want herten kunnen niet praten. Een beek stroomt woest het meer in. Mijnen zijn verlaten, maar rotsblokken glinsteren nog steeds van de erts of de kwarts of weet ik veel wat. Even verderop glinstert iets anders. Ik loop erheen, en zie een goudstuk liggen. Maar ik raap hem niet op. Daar trap ik niet in.

Ik verlaat Glendalough, en reis verder naar Rathdrum. Ik heb genoeg van jeugdherbergen - ik wil slapen in mijn tentje, in mijn eentje, voor de helft van de prijs. Er rijdt geen bus, dus moet ik liften. Soms kan het wachten op een lift genoeg zijn om je vertrouwen in de gehele mensheid te verliezen. Volgevreten varkens in glimmende, lege BMW's razen langs, mijn vragende blik negerend. Ach ja, ik heb een baard en een hoed, ik lijk op een boef, en ik zou ze beroven en opeten, dat is ook zo. De angst regeert, als immer (had ik u al verteld dat ik mijn campinggasje en brandertje niet mee mocht nemen in de trein van Brussel naar Londen, omdat ik wel eens een terrorist zou kunnen zijn?). Maar gelukkig is er altijd iemand die er geen bezwaar tegen heeft je een ritje cadeau te doen. En zo kan een enkele verleende gunst ook weer genoeg zijn om je je vertrouwen in de gehele mensheid te doen herwinnen. Wat gaat dat soms toch snel op en neer.

Een marathonrenner neemt me mee in zijn auto. Ierland is te slordig, zegt hij. Ieren kunnen niet organiseren. Hij wil heel graag eens een treinreis maken door Zwitserland, omdat alles daar zo mooi netjes is, zelfs de bergen. Hij wil ook een keer de marathon van Rotterdam lopen. Zijn hond hijgt tevreden in mijn oor.

De camping van Rathdrum heet niet voor niets Hidden Valley; hij ligt verstopt achter het dorp, aan de rivier de Avonmore. De rivier kabbelt vrolijk. Families maken kampvuurtjes aan de oever. Een meisje van een jaar of zes met knalrood haar, een roze hempje, een roze rokje, roze sokken en witte schoentjes leert vissen. Ik heb altijd geleerd dat rood en roze niet naast elkaar horen, maar ik heb nooit begrepen waarom. De vissen willen niet bijten, maar het weerhoudt het meisje er niet van een gulle glimlach mijn kant op te sturen.

De zon maakt plaats voor een woeste onweersbui, net als mijn handgewassen kleren hangen te drogen. Die worden nu dus nooit meer droog. Mijn tentje heeft voor hetere vuren gestaan, en beschermt me andermaal. Ooit kocht ik hem voor een paar tientjes op het station van Bazel. Het waren welbestede francs. Terwijl de regen op mijn tentje klettert lees ik een roman van een jonge Ierse schrijfster, Anne Enright. Het heet 'The Gathering', en het vertelt op indringende wijze hoezeer mensen beinvloed worden door ervaringen uit hun jeugd, en hoezeer we zodoende afhankelijk zijn van onze familie, of we willen of niet. Enrights stijl is direct en persoonlijk, het boek confronterend en indrukwekkend. Ik kan het u van harte aanraden.

De rivier kabbelt niet meer. De rivier raast, woest als een waterval. In het badhok is een kookplaat, zodat ik pasta kan maken, ook al ben ik mijn brandertje kwijt. Niets is zo lekker als zelfgemaakte campingpasta. Een Engelse opa vertelt me waar ik moet kamperen als ik in Wales ben. De derde straat links, en dan bij de boerderij rechtsaf. Hij stamt af van de Roma, de oorspronkelijke, niet die lui die de laatste tijd naar Engeland zijn gekomen. Zijn kleinzoon wordt een beroemde filmmaker. Ik doe er goed aan zijn naam te onthouden. Een konijntje kijkt even onze kant op, om vervolgens weg te huppen.

Ik loop naar de plek waar de twee rivieren elkaar ontmoeten. Mijn reisgids doet me geloven dat dit een prachtige plek is. Een toerbus stroomt leeg, om snel een foto te maken van de plek, voordat de reis verder gaat naar de weeffabriek. Er is niets bijzonders aan de plek; het zijn gewoon twee rivieren die bij elkaar komen. Maar beauty is in the eye of the beholder. Zo schreef Thomas Moore over deze plek:

There is not in the wide world a valley so sweet
As that vale in whose bosom the bright waters meet;
Oh! the last rays of feeling and life must depart,
Ere the bloom of that valley shall fade from my heart.

Ieder zijn vallei. Ieder zijn verhaal.

Een groen mannetje glipt weg.

Friday, 25 July 2008

Kokkels en mossels

De haven komt langzaam dichterbij. Glinsterend dansen de vlekjes zonlicht over het water. Het archetypische silhouet van een fabriek heet ons welkom in Ierland. Dit is mijn eerste bezoek.

Ik vind bagagebanden altijd een beetje intiem. Je deelt een bepaalde kwetsbaarheid. Iedereen staat vol spanning te wachten op haar koffer of rugzak, wetende dat er een kleine kans bestaat dat die er niet bij zit. Nu zal die kans in een ferryterminal aanzienlijk kleiner zijn dan op een vliegveld, maar de aanwezigheid van de band zorgt ervoor dat de spanning als vanzelf opkomt. Als je dan je koffer of rugzak ontwaart, is er altijd een gevoel van opluchting. Maar tegelijkertijd weet je, wanneer je je geliefde bagage van de band haalt, je bekeken door tientallen paren ogen. Toon mij uw tas, en ik zeg wie u bent. Een grote rugzak, met een voorgebonden tentje en fladderende veters. Een glimmende zwarte koffer van reptielenleer, al dan niet namaak. Een weekendtas met roze en gele bloemetjes, inmiddels vaal. Volgepropte geruite turkentassen. Kleine mensjes nemen hun kolossale koffers van de band; lange backpackers hun kleine rugzakjes, waar net een tandenborstel en een setje schone kleren in past, en waar schattige mascottes aan bungelen. Verlegen verenigen de mensen zich met hun bezittingen, de priemende ogen van de omstanders negerend. Gelukkig, de bagage is er. Nu snel voort.

Een boze buschauffeur brengt ons de stad in. De dubbeldekkers zijn vrolijk geel, maar het lijkt hem weinig te doen.

In het midden van de brede O'Connell Street staat een 120 meter hoge glimmende paal. Het is het hoogste kunstwerk ter wereld, zo schijnt. De betekenis ontgaat mij. James Joyce heeft zijn blik van het ding afgewend. De missionaris daarentegen kijkt aanbiddend naar de top, als zat daar God de Vader. De missionaris heeft geen vingers meer. Een klein reli-winkeltje annex wisselkantoor naast hem verklaart dat Maria de co-verlosser is van de mensheid. Toe maar. Ze wordt geflankeerd door een poster waarop in stevige bewoordingen gewaarschuwd wordt tegen het hebben van wisselende seksuele contacten, en door posters van geaborteerde foetussen. Een lichtgevende Jezus kijkt omhoog met een blik alsof hij op het punt staat klaar te komen. James Joyce kijkt de andere kant op.

De straat van de Temple Bar ademt muziek uit. Straatmuzikanten komen en gaan. Elektrische violen, fluiten, gitaren, harpen en Ierse doedelzakken doen de lucht gonzen van het leven. Een pub brengt vrolijke livemuziek. Er wordt gezongen over Molly Malone, en over whiskey in een kan, en over mooie meisjes. Ik was nooit een grote Guinness-fan, maar in deze context smaakt het heerlijk. Er wordt vrolijk meegeklapt met de muziek. Tussendoor worden grapjes gemaakt. Een zelfverzekerde Italiaanse dame vraagt om de microfoon, en zingt spontaan en a capella een Noord-Italiaans volkslied in Ierse stijl. Ik haal met twee Ieren herinneringen op aan die ene kwalificatiewedstrijd, u weet wel. Een van hen zegt cynisch dat hij gelukkig wordt, elke keer als 'oranje' verslagen wordt. Dat gaat niet over voetbal, maar over iets heel anders. Ik richt mijn aandacht maar weer op de muziek. Het ene bandje maakt plaats voor het andere. De fanatieke violist lijkt op een jonge Brad Pitt, zijn zingende bandgenoot brengt enkele ontroerende ballads ten gehore. Daar gaan we nog veel van horen, denk ik, maar ik kan zijn naam maar niet onthouden. De avond gaat ongemerkt over in de nacht. Er wordt natuurlijk nog een bezoek gebracht aan de enige echte Temple Bar. Half Roelofarendsveen is hier vanavond te gast. Half Roelofarendsveen blijkt prima gezelschap.

De man met wie ik het stapelbed deel is obsessief zijn tas aan het in- en uitpakken. Het bed schudt en piept en het gaat maar door. Een alarm gaat af, maar niemand weet het af te zetten. God zegene mijn oordopjes.

Het National Museum vertelt het verhaal van een trotse natie. Fraai versierde Keltische kruisen en bisschopsstaffen met mythologische motieven wijzen op de mengeling van katholieke en heidense elementen in de religieuze geschiedenis van het land. Gedichten klinken in magische middeleeuwse talen. Memento mori, zeggen de veenlijken ons. Pelgrims vonden de poort naar het vagevuur. Het gonst van de verhalen. Vele worden niet verstaan.

Oscar Wilde ligt lamlendig op een rotsblok. Hij kijkt zwoel onze kant op. Zijn blik doet denken aan die van de lichtgevende Jezus. Even verderop staat een grote bebaarde kabouter met een groene hoed. Hij zwaait naar ons.

Dublin koestert zijn symbolen.

Monday, 21 July 2008

Londen Top 10

Ik ben weer even in Londen. Er moesten namelijk nog een boek weggebracht, een essay opgehaald, een formulier ingevuld en een vertaling bestudeerd worden. Zodoende besloot ik om, onderweg naar Ierland, enkele dagen hier te verblijven en een en ander af te handelen. Bijkomend voordeel was natuurlijk dat dit me in staat stelde mijn vrienden hier weer te zien en bij te praten. Daar ik mijn kamer had onderverhuurd, sliep ik in mijn tentje, dat ik in de tuin had opgezet. Ik bezocht eindelijk de National Gallery, waar ik al die maanden niet aan toe was gekomen. Er was heel veel aanstellerige Italiaanse renaissancerommel, maar gelukkig ook een paar fraaie doeken van Rembrandt en van de impressionisten. De combinatie van zonlicht en antibiotica maakte me een beetje misselijk, dus ik kocht een fraaie strohoed op Camden Market, waarmee ik er aardig maffioos uitzag. Londen lag er nog net zo bij als ik haar had achtergelaten, al klonken er nog meer verschillende talen in de metro dan anders. Ik hou toch wel van deze stad, bedacht ik me.

Ik hou ook van ranglijstjes. Nogal eens verdoe ik mijn tijd met het maken van persoonlijke top 5'en, top 10'en, top 40'en en soms zelfs top 100'en. Of het nou gaat om muziek, boeken, films, lievelingsdieren, vruchten of Asterix-albums, ik heb mijn lijstjes paraat. Een Londen top-10 kon dan ook natuurlijk niet uitblijven. Zoals elke top zoveel is hij hoogst subjectief en persoonlijk; toch deel ik hem graag met u, daar ik denk dat er wel een paar aardige suggesties in staan. Na een klein jaar hier gewoond en rondgewandeld te hebben ben ik inmiddels namelijk ook bekend met enkele wat minder bekende plekken. Ik wil niets afdoen aan de grootsheid van een Tower Bridge, Buckingham Palace of Westminster Abbey, maar mocht u tijdens uw volgende bezoek aan Londen eens wat verder willen kijken dan de grote toeristische trekpleisters, dan zou ik u graag de volgende suggesties aan de hand doen.

1) De Southbank
Toegegeven, zo onbekend is de zuidelijke oever van de Theems niet. Toeristen en Londenaren verdringen zich op mooie dagen op de brede promenade tussen de London Eye en de Millennium Bridge. Maar ik kon het niet laten om dit op nummer een te zetten, want er is zo ontzettend veel te doen en te beleven, en de sfeer is er altijd goed. De laatste decennia is de Southbank uitgegroeid tot hét culture hart van Londen. Speciaal aanbevolen zijn het Tate Modern (een schitterend museum voor moderne kunst, gehuisvest in een indrukwekkende voormalige elektriciteitscentrale) en het terras van het Royal National Theatre, vanwaar je 's avonds een prachtig uitzicht hebt over de lichtgevende stad. Ook de moeite waard zijn het nostalgische Globe Theatre, de concerten in de Royal Festival Hall, de Southwark Cathedral (misschien wel Londens mooiste kerk) en natuurlijk het ratjetoe aan straatmuzikanten en -artiesten dat de oever zo levendig maakt.

2) De wandeling van Camden Lock naar Little Venice
Een aangename wandeling langs Regent's Canal. In de negentiende eeuw was dit kanaal van groot belang voor de aanvoer van grondstoffen, vandaag de dag varen er slechts plezierboten. De wandeling begint in Camden Lock, de oude haven met de sluis waar nu een hippe en gezellige markt is, en waar je je uren kunt vermaken. Vervolgens loop je langs het kanaal, daarbij achtereenvolgens de dierentuin, villa's met prachtige tuinen, de oudste moskee van de stad en enclaves woonboten passerend. De wandeling eindigt in Little Venice, zo genoemd vanwege de vele bontgekleurde boten en fraaie huizen langs de oever. Londen aan het water is Londen op haar mooist.

3) Bloomsbury
Als je met de trein komt, hoef je alleen maar het fraaie St. Pancras Station uit te lopen en je loopt zo Bloomsbury in. Het is de wijk met de vele universiteitsgebouwen, en met het ontzagwekkende British Museum. Het is de wijk waar ik een jaar lang met plezier gestudeerd heb. Het is waarschijnlijk de mooiste wijk van de stad, met zijn vele fraaie groene pleintjes, verstopte plantsoentjes en Victoriaanse huizenrijen. Ook vind je hier enkele van de beste tweedehands boekwinkels van de stad. De benedenverdieping van Judd Books is een klein paradijsje, en de Waterstone's naast het University College London heeft een mooie collectie academische ramsj.

4) Highgate en Hampstead
Neem de Northern Line in noordelijke richting, en na een kwartiertje kom je bij het meest groene deel van de stad. Traditioneel woont hier de gegoede burgerij, en je vindt er dan ook fraaie, statige huizen. Daarnaast kun je hier prachtig wandelen. Hampstead Heath is het grootste park van de stad, Highgate Wood heeft een perfecte speelweide, en Alexandra Palace wordt omgeven door een grote lap groen die zich prima leent voor een picknick of voor vuurwerk kijken. Ook Highgate Cemetery is geschikt voor een wandeling - kijk uit naar het graf van Marx. Het hele gebied is flink heuvelachtig, en her en der staan betoverende middeleeuwse kerken. Londen is nergens zo mooi sprookjesachtig groen als hier.

5) Notting Hill en Portobello Road Market
Notting Hill kennen we natuurlijk allemaal van de gelijknamige film. Het is een gezellige wijk met vrolijk gekleurde huisjes. Hier bevindt zich Portobello Road, waar 's weekends de leukste markt van de stad plaatsvindt. Niet zo bizar druk als Camden Market, niet zo overhyped als Brick Lane Market, maar niettemin met een gezellige drukte en dito sfeer. Je vindt hier alles, van antiek tot souvenirs, van kleding tot CD's en van loempia's tot frambozen. Ik kocht hier een fraaie blauwe Arabische schaal voor het luttele bedrag van vier pond.

6) Green Lanes
Ik heb het vaker gezegd: Londen is met afstand de meest multiculturele en internationale stad van Europa, misschien zelfs van de wereld. Je hoeft geen Engelsman te zijn om Londenaar te zijn. Londenaren hebben hun roots over de hele wereld liggen, en de stad kent dan ook een aantal gezellige multietnische wijken. Brixton, het centrum van de Caribische gemeenschap, Brick Lane, traditioneel de straat van de Bangladeshi bevolking, en Edgware Road, waar de voertaal Arabisch is, hebben een welhaast spreekwoordelijke status bereikt. Maar uiteindelijk geef ik toch de voorkeur aan mijn eigen straat, de straat waar je de lekkerste baklava en kebab van de stad kunt krijgen: Green Lanes. De goedkope winkels, de heerlijke Turkse restaurantjes en de levendige sfeer maken dat ik me hier altijd thuis voel.

7) South Kensington en Knightsbridge
Rijk, deftig en duur. Maar ik geniet ervan om door de straten met de roomwitte, neoclassicistische huizen te lopen, de vlaggen van de ambassades te tellen en me te vergapen aan de onbetaalbare waren die verkocht worden in Harrods, dat heerlijk kitscherige koopparadijs. Ook de aanwezigheid van het Natural History Museum, een van de meest fascinerende musea van de stad (met name de Earth Gallery mag er zijn), en de fraaie Kensington Gardens zorgen ervoor dat ik graag af en toe wat langer in de Piccadilly Line blijf zitten dan anders.

8 ) Regent's Park en Primrose Hill
Regent's Park is met haar fraaie perken en vele vogels waarschijnlijk het mooiste park van de stad, en een uitstekende lokatie voor een picknick. Direct ten noorden van het park bevindt zich Primrose Hill, een groene heuvel vanwaar men een fraai uitzicht heeft over de stad. De straatjes rondom de heuvel behoren tot de leukste van de stad, met hun schattige winkeltjes en theehuisjes. De rozen in de voortuinen van de Victoriaanse huizen verspreiden zoete geuren. Hier zou ik wel willen wonen.

9) Angel
Vergeet de nachtclubs in Soho - duur, druk en decadent. Ga liever wat verder uit het centrum weg, en je zult buurten vinden met een veel fijnere atmosfeer, en bovendien een betere prijs-kwaliteit verhouding. Angel is nou typisch zo'n gezellige buurt waar je reisgids je weinig over vertelt, maar waar je wel een aantal prima cafeetjes, restaurants en bars kunt vinden. Niet al te fancy, niet heel duur, maar wel leuk. Bovendien is het de wijk met de allermooiste naam die je je voor kunt stellen (al kan ik Elephant & Castle ook wel waarderen).

10) Chinatown
Ik kon het toch niet laten, Chinatown een plekje te geven in de top 10. Hoe kitscherig en toeristisch ook, ik vind het heerlijk om hier af en toe rond te struinen, en een flesje groene ijsthee te kopen in een van de toko's. Chinatown is natuurlijk ideaal als je om twee uur 's nachts trek hebt in een vette noodlemaaltijd. Ook kun je hier goedkoop maar smakelijk Japans en Koreaans eten - probeer Kintaro. Voor wie liever bitterballen heeft: je vindt hier ook Londens enige Hollandse pub. En natuurlijk de Prince Charles Cinema, waar je voor slechts vijf pond de beste recente arthousefilms kunt zien (ter vergelijking: een bioscoopkaartje in een van de commerciële bioscopen, om de hoek op Leicester Square, kost je dertien pond).

Toch wel een leuke stad, Londen...!

Lyme

Binnenin mij woedt een oorlog.
Een gemene indringer heeft zich toegang verschaft tot mijn lichaam. Langzaam probeert hij de boel naar zijn hand te zetten. Van binnenuit wil hij mij dwars zitten, mij het leven onmogelijk maken. Hoe langer hij er zit, hoe meer touwtjes hij in handen krijgt, en hoe meer kuren mijn lichaam gaat vertonen.
Borrelia, zo luidt zijn naam. Borrelia de Boze.
Hij liftte mee met een teek. Hij weet wel hoe hij bij zoogdieren binnen moet komen.
Borrelia de Boze is een sluipmoordenaar. Hij is in en in gemeen. Als hij bij je binnen is, verstopt hij zich eerst, om achter de schermen te beginnen met zijn destructieve werk. Je merkt het aanvankelijk nauwelijks. Geniepig kruipt de etter je bloed in, om zich langzaam een weg te banen naar je zenuwstelsel. Daar is het hem namelijk om te doen. Maar hij is geduldig. Je kunt maanden, soms zelfs jaren rondlopen met vage klachten, zonder je te realiseren dat ze van hem komen. En dan is het meestal te laat.
Maar ik had hem door. Soms loont het om een beetje hypochondrisch te zijn. Ik wist niet zeker of de irritatie in mijn benen en de vermoeidheid waar ik last van had van hem kwamen. Maar ik herinnerde mij hoe anderhalve maand geleden in Dartmoor een gulzige tekenfamilie zich op mijn benen gestort had. Dus ik besloot toch maar even bloed te laten prikken.
En warempel, mijn angstige vermoedens bleken terecht.
Snel schakelde ik de hulptroepen in.
De dappere strijders van Doxycycline zijn ingehuurd om Borrelia de Boze op te sporen en onschadelijk te maken. Tweemaal daags wordt een legertje strijders mijn lichaam in geleid. En passant maken ze ook gehakt van sommige andere, onschuldige bacterieën die zich helaas op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden, maar dat is nou eenmaal onvermijdelijk. De dappere strijders van Doxycycline zijn nou eenmaal goed in moordpartijen. Dat is precies de reden dat ze zijn ingeschakeld, want Borrelia de Boze is niet voor een kleintje vervaardigd.
Hij zou graag nog even blijven hangen.
Maar de dappere strijders maken hem zwakker en zwakker. Hij leeft nog, Borrelia. Hij houdt nog vol. Maar niet lang meer, hoop ik.
Hij is niet welkom.
Hij moet dood.
Want ik wil graag weer beter zijn.